Wie is Evelien? Na vaak herlezen van de uitgave “De Evelien Gedichten” is dat me vooralsnog niet duidelijk geworden, denk ik. Dichter Hans F. Marijnissen heeft zijn vierde privé-uitgave gebaseerd op ware gebeurtenissen, zo laat hij me weten. Dus Evelien zweeft ergens rond, en niet alleen in de geest van de maker. Zo zal blijken na herlezen en uitschrijven.
De dichter zal geromantiseerde inhoud aan de werkelijkheid hebben toegevoegd. Maar waar de grens tussen realisme en fantasie ligt blijft een abstract gegeven. Marijnissen schreef de zestien dichterlijke verhalen psycho-dwangmatig staat er op het titelblad van de bundel. Maar is niet iedere creativiteit dwangmatig, werkt niet elke kunstenaar aan zijn oeuvre omdat het moet, heilig moet. Het is een mooi beroep, maar op momenten ook erg zwaar. Zo, dat je wenst een echt vak geleerd te hebben. De Evelien-cyclus moest er komen, de gebeurtenissen hadden woorden nodig. Geen gemakkelijke kost, niet om te schrijven en zeker niet om te lezen. Het verdient andermaal en nog eens herlezing. Me verdiepen in de woorden om de achtergronden te (her)kennen.
Intrigerende stijl van schrijven
De hele bundel lang richt de dichter het woord tot Evelien. Dat blijkt eerstens al uit de titels van de afzonderlijke gedichten. Telkens is het een bepaling voor de komma, erna de naam. Dus bijvoorbeeld: “Al het denkbare, Evelien”, “Alledaags de kanker, Evelien” en “Voorspelbaar, Evelien”.
Door de zinnen en regels heen zou ik haar kunnen leren kennen. Maar dat is geen eenvoudige opgave. Marijnissen hanteert geen abstracte taal, het is duidelijk wat er staat. De handelingen zijn alledaags, niet bijzonder. Maar de sfeer is abstract, sluit niet aan bij mijn gevoel. Nog niet na een eerste lezing. De woorden trekken me echter terug de bundel in.
De stijl van schrijven is intrigerend. Maar ik wil de oplossing van de opgestelde puzzel vinden. Ik word om de oren geslagen met taalvondsten en beeld geworden ervaringen. Ik kan meevoelen met dat psycho-dwangmatige. Dat is door mij in te voelen wanneer ik op de woordgolven van Marijnissen aanspoel in mijn eigen gedachten. Ik zoek een aanknopingspunt, gedwongen door nieuwsgierigheid. De woorden houden me vast, hypnotiseren.

Ergens lees ik het levensverhaal van Evelien. Door de woorden, in de lege zinnen, vind ik haar terug en leer haar langzaam kennen. Het is een verliefde geest, een wonderlijke verheerlijking van de schrijver. Meteen in het begin sta ik al op een ogenschijnlijk verkeerd been. De dichterlijke vrijheid wil mij laten denken dat het voor Evelien dan al genoeg is. Maar ik moet beter kijken, lezen en weer lezen, tot de woorden mij duizelig maken. Ze buitelen over elkaar om duidelijkheid te schrijven. Een getekende jeugd door geketend te zijn, van ouders, nonnen en de kapelaan. Het trekt wissels in de regels: “je roert en roert / en dat vissen en drinken / stremt poelwater tot melk / tot we niet meer weten / wie we werden en waarom, / een troebel toeval, / meer niet.”
Zo veel, zo vol, zo alles allemaal
De problemen des levens komen voorbij, staan opgeschreven. Je leest er snel overheen. Een doodgeboren kind, de kanker die toeslaat – genadeloos: “zo veel, zo vol, zo alles allemaal”. Voordat de lezer, ik, het in de gaten heeft komen niet te hanteren rampen langs. Grijpt de dichter dieper in de waarheid dan gedacht. “Niet elk ei in een nest draagt leven”. De vele woorden die worden vuil gemaakt aan zichtbare en tastbare gebeurtenissen, schijnbaar bijzaken die figureren in het decor van de poëzie, en de beschreven detailleringen om al lezende de omgeving te verkennen bedekken wel die serieuze ondertoon. Marijnissen beschrijft bijzaken meer om de hoofdzaken makkelijker leesbaar te maken. Niet de harde realiteit is verbloemd, maar de werkelijkheid heeft een zachte rand gekregen. Minutieus wordt de omgeving in woorden in beeld gebracht. Wat de dichter ziet en hoort onderweg krijgt een omschrijving, een dichtregel, een poëtische klank.

Marijnissen danst met woorden, leert mij de passen “In woordloze taal, / vertel en herhaal / zoek die beweging / hier en nu om je heen.”. Want de woorden tot zinnen, gecentreerd op de pagina’s van deze dichtbundel, zweven op de maat van poëtische klanken in mijn gedachten – de echo van wat ik las. Het maakt indruk, aangrijpend weten wat en hoe en waarom. Wie is Evelien. De verzen leiden onmiskenbaar naar het eind, de afloop van dit leven, deze Evelien. Met de dichter zit ik in de ontvangstzaal van het crematorium. De bundel is een requiem voor Evelien, een passie. Het leven was te kort om overal tijd voor te hebben. Dat het een ode is aan de vrouw die Evelien heet lees ik pas na herlezing terwijl ik deze woorden schrijf.
Wondelen helen, littekens vervagen
En nu, na de laatste zinnen nog eens weer gelezen te hebben, begrijp ik dat psycho-dwangmatige maar al te goed. Samen langs berg en dal, door zin en onzin, geluk en tegenslag, leven als één beleven. Daar komt plots een eind aan. Dat moet je kwijt. Ben je schrijver dan lukt dat in woorden. De regels laten zich afdrukken en herlezen door de ander, ik. In diepe gedachte en serieus herlezen, omfloerst schrijven, om maar de zin van dit egoïstische afschrift te begrijpen. Dat is gelukt, waarde Hans Marijnissen. Eerst op een dwaalspoor gezet, maar de stijl verdient aandacht als een abstract schilderij om de waarde te herkennen. Ik zag het en raakte bewogen. “Wonden helen, littekens vervagen. / Wij vroegen niet om dit leven, / vragen niet om dit einde.”
Dichtbundel “De Evelien Gedichten”, Hans F. Marijnissen. Privé-uitgave #4. 2020.

Geef een reactie