Zeemeerminnen zinken niet. Het is de titel van een speelse dichtbundel door Renée Luth. Maar die bevallige dames met visstaart sieren niet de omslag van de uitgave, dat zijn een groep kwallen – de meest onsympathieke wezens van de zee. De tegenstelling zacht en glibberig, bedacht en bestaand, is in het boek monter opgevist. Zeemeerminnen, die gedijen in water fantaseert de mythe. Ze leven in de zee, min of meer. Zeemeermin en zee, metafoor voor liefde en leven. Liefde groeit in het leven, om en nabij. Luth verhaalt in een sprookachtige toonzetting over die liefde en dat leven, over verwondering, kinderlijke verbazing. Door de ogen van het kind ziet ze op in de wereld. Op de zwarte kant van leven en aarde kijkt ze in vogelvlucht. Maar nooit van een afstand, Renée staat er bovenop en ziet de details in emotie. Bij het lezen van de zinnen en het spellen van de woorden heb ik het idee heimelijk over haar schouder daarnaar mee te kijken. Wel beschroomd dat ik getuige ben van meest persoonlijke zaken. Maar ja, het staat gedrukt met de bedoeling gelezen te worden.
Onwerkelijk metrum
Renée Luth speelt met woorden. In de zinnen buitelen die door elkaar, doen haasje-over, spelen tikkertje en de dichter laat ze koppeltjeduiken. De woorden dartelen over het papier als balletdansers over een podium. Zo ontstaan creatieve zinnen en speelse taalvondsten. Ze passen in het surrealistische idioom van de bundel. Laten mij in verbazing een volgende pagina omslaan en een ander wonderlijk vers lezen. Dat lezen gaat niet van een leien dakje, ik moet soms wel de zinnen nog eens overkijken, de woorden opnieuw achter elkaar zetten, om te doorzien en begrijpen wat Luth mij duidelijk wil maken. In deze moderne poëzie, die geen abstractie kent maar wel een onwerkelijk metrum heeft, wordt een gevoel duidelijk gemaakt in een gebroken verhaalvorm. Want, sprekend met de Vlaamse dichter Tom Lanoye is de eerste regel in de poëzie: er zíjn geen regels. “Poëzie is totale vrijheid. Alles kan, alles mag. De enige regel is misschien dat je lol moet hebben in de taal, in het spel met woorden en klanken.” En die lol straalt uit deze bundel van Renée Luth, zoals de zon schaterlacht vanuit de strakblauwe lucht op een oververhitte zomerse dag. Luth heeft plezier in haar manier van dichten. Als beeldend kunstenaar tekent zij de letters en schildert op deze schets de woorden, beeldhouwt zich een verhaal op papier.


Gedichten over onvermogen, troost, liefdesverdriet en verwachtingen. Gegoten in een inhoud naar hoofdstukken. Zoals een sprookje begint en eindigt, er was eens … en toen … ze leefden nog lang en gelukkig. In de liefde is er onvermogen, ik kan niet altijd voldoen aan wat de ander van me verwacht. Je gaat wel een eigen weg en dat kan botsen op een kruispunt waar geen voorrang wordt verleend aan het gevoel van de partner. Het uitzicht op het leven, het inzicht, is voor ieder wel anders, want je bent in principe in beginsel toch vreemden voor elkaar. Dat samenzijn moet groeien, naar elkaar toe buigen en op één lijn komen. Maar soms lukt dat niet en scheiden de wegen. Die groei, die strijd voor en met leven, weet Luth in deze bundel juist te verwoorden. Niet telkens dein ik op de goede golf mee en heb ik ook weleens tegenwind. De gedichten moet ik leren lezen. Ken ik dan de woorden, dan wordt het mijn taal en doorzie ik de beeldspraak. Kan ik het op mezelf betrekken, kan daar ik lezen waar ik staat. Ben ik die ik-vorm in het gedicht. Ben ik niet de zee met woelige golven, maar een kustlijn die altijd droevig is als golven wijken.
Als in een stripverhaal
Zij is de Pangea, kruipt gedwee terug in de greep van de anaconda en bekijkt de Sint-Jacobsrups die zichzelf eens een mier waande, dan een vluchtende hommel en besloot een waterjuffer te zijn. Het ziekenhuis is zo wit en vrolijk als sneeuw in de winter, een gedicht voor een kind dat bang is voor al die witte jassen en mondkapjes. Als lezer kan ik me verplaatsen in de denkwereld van de dichter, want Renée Luth schrijft beeldend als in een stripverhaal. In de bundel maakte ze ook de begeleidende illustraties, maar zonder deze kleurige uitdrukkingen had ik de teksten me ook wel voor ogen gezien. Sluit ik mijn ogen en laat ik de zinnen echoën in mijn gedachten, dan vult de blik achter mijn oogleden zich als vanzelf met het kruimelkasteel, zeemeerminnen, scharlaken kikkers en bloesem van een nieuwe dag. Hersenschimmen en droombeelden, de nacht is een zaailing, wisselen van boom met emoties over en door het kind af zijn, ouder worden, de dood.


En dan was Renée Luth nog stadsdichter van de gemeente Groningen. Het laatste hoofdstuk “De wereld is ook maar een eiland” bekijkt de stad en de provincie. De suikerbietencultuur, het havenleven, het station, Groningen, Delfzijl. Een ode aan Grunnen, omdat daar niets boven gaat. Vrolijke verzen, maar ook gedragen woorden over de Holocaust, een eenzame uitvaart, het verzet en de vluchteling – dat niemand mijn naam nog kent. De bundel is daarmee niet alleen een fantastische droomreis, maar gaat ook over de scherpe kanten die een schaduw werpen op het leven. Verbeelding en realiteit. In de nacht wordt de dag geplant. In de waan is de werkelijkheid zoet. Maar breekt dan de dag aan, is het zaad ontkiemt en groeit naar het middaguur uit tot de essentie van het zijn.
“Wij mensen zijn als landkaarten / Gevangen tussen deze lijnen / Lijnen die elkaar altijd moeten vinden / En daarmee altijd moeten scheiden”. “Tot we afstand namen van ons kleine denken / En vanuit een verre raket in de duisternis / Naar onze planeet ego keken”.
Dichtbundel “Zeemeerminnen zinken niet”. Gedichten, foto’s en illustraties van Renée Luth. Uitgeverij Passage, 2021.

Geef een reactie