Soms wil een mens niet zijn waar hij is. Denkt de mens dat het gras groener is bij de buren. Wil de mens dat de tijd verder is of dat het later is. Dat het leven een beetje opschiet en niet zo traag is. Dan denkt de mens dat het verderop beter is en ziet dat daar ergens al voor zich. Maar het zicht is enkel contouren, omlijningen van de verwachting, schimmen van dan en straks. Peter Prins, denker en dichter – in die volgorde, ziet vanuit het nu eerst die kaders waarin de toekomst zich beweegt. Verderop is een plaats in een richting, een structuur zonder vorm, buiten deze kring, een niet beschreven afstand. Verderop is een blik in de tijd, dus nog niet scherp voor ogen. Maar verderop is ook een plek niet hier maar daar, waarvan de figuratie door de bolling van de aarde een luchtspiegeling lijkt. Verderop is niet hier, de tijd speelt zich in de toekomst af. Want ook wanneer ik van hier naar verderop ga verstrijkt er een tijd. Dus daar te zijn en niet hier is een beeld van later en dan, daarnaar en daarna.

Vanuit deze plek kijkt Prins naar een plaats verderop. Hij ziet daar leven en beschrijft deze. Hij geeft de contouren van en voor verderop. De buitenste lijntjes van iets wat nog ingevuld moet worden. Vult deze in als een filosofie, een profetie van taal. De gedachten schieten alle kanten op, met een blik die ook in de ooghoeken ziet wat er speelt verderop. En het geziene roept ook weer gedachten op. Is ons verderop wel daar? Voor verderop zijn wij ook verderop. Gebeuren er verderop andere dingen dan hier en andersom. De dichtregels vertellen een warrig verhaal, die na nog eens beschouwen en weer lezen als stukken in een puzzel passen. Al die stukjes uit de doos liggen door elkaar, maar vormen na passen en meten een compleet beeld. Het is puzzelen om de niet aflatende gedachtestroom van deze dichter te volgen en in goede banen te leiden. Die banen kunnen voor mij de juiste zijn, maar tegen de haren van de bedenker in strijken. Het is met kunst zo dat een ieder er het zijne (of hare) in ziet, maar dat het voorbij kan schieten aan het doel en inzicht van de maker. Het is niet eenvoudig in de voetstappen van de schepper te treden, zoals het niet makkelijk is om het plan uit te zetten voor die kijker dan wel lezer. Prins doet echter geen moeite de voetsporen gelijk te laten lopen. Hij schrijft niet voor mij maar blijft bij zichzelf, en hoopt misschien dat ik naast hem mee kan gaan, op kan lopen en niet achterop raak naar verderop. Een plek in de richting waarvan sprake is.

En is Prins daar aangekomen, op die geprikte graad noorderbreedte en oosterlengte dan wel westerlengte in dat precieze uur, dan rusten zijn gedachten nog niet uit. De omgeving moet verkent en overdacht. Het is een weidse omgeving die hij in zich opneemt, althans in gedachten spreiden de strekkende grasvelden zich alsmaar uit. Prins ziet tot de einder in detail. Maar kijkt ook naar bewegingen onder handbereik. Werkt deze acties tel voor tel, moment na moment uit. Hij is een scherpe beschouwer, een diepzinnig denker. Ieder voorval zet hem aan tot nieuwe gedachten. Deze bedenksels stapelen zich op. Wat is nog waarheid en welke is fantasie. Maar toch vallen alle woorden perfect op de plek in de zinnen waar ze geschreven zijn. Iedere actie is terecht, onvoorspelbaar maar wel te verwachten.
Beeldende hand van schrijven
Het leest als een dagboek, waarin de schrijver al de zichtbare ervaringen – ieder onzichtbaar gevolg daarvan bedacht – heeft vast gelegd. Want wanneer het er staat is het zo gebeurd. Daar kan ik mijn eigen invulling in en aan geven. Een droom over een kerktoren op de einder. Maar dat kan ook werkelijkheid zijn. Zo loopt wat is en niet kan zijn langs elkaar en raakt gemengd in de door Prins opgeschreven gedachten, zijn gedachten bij bekeken beelden. Het idee gaat wel op de loop, de denkwijze stijgt wel uit boven. Maar de meanderende rivier en het kronkelende pad van de contouren voor verderop laten mijn gedachten spelen, slaat mijn fantasie erdoor en van welhaast op hol. Prins heeft een beeldende hand van schrijven. Zijn gedachten zie ik voor ogen, ik krijg daar een plaatje bij, een in gedachten uitgeschreven afbeelding. Ik kan de situatie door hem beschreven zo uit tekenen. En het is gemakkelijk toegankelijk omdat het de fantasie bespeeld, hoewel ik eerst wel de drempel zocht en vond waarover ik moest stappen. Het obstakel bleek minder hoog dan verwacht.

Door geopende ramen kijk ik met Prins mee naar buiten, op zijn blik reis ik in gedachten, in zijn horen luister ik. Uit de radio klinkt pianomuziek, het water in de badkamer. Eieren dansen van de kook. Een hond blaft, kraaien krassen, meeuwen schreeuwen. Ik hoor en zie het zo voor me. Met de bundel op schoot op mijn stille zolderkamer. Ik zal ook verderop willen zijn. Verderop in de verte, armlengten verder. Het is een gezellig samenzijn met de woorden van Peter Prins, aan zijn gedachten warm ik mij als aan de warmte van een kachel. Zo behaaglijk: “de kleur van de hemel, de lucht, grijsblauw, de kleur van koud water van de oude binnenhaven donkergrijs, waar het door een flauwe bries berimpeld wordt, breekt het licht, zilvergrijs”. In vogelvlucht strijk ik over de zinnen, sta biddend stil boven woorden en duik vliegensvlug neer wanneer ik de prooi zie: “je schaduw verdwijnt, als die te pakken is maak ik die opnieuw aan je vast,”. Aanknopingspunten, uitroeptekens, vage gedachten, scherpe ideeën. En de bundel eindigt zoals het is begonnen. Met de contouren voor verderop. Leken het eerst losse flodders die als de herfstbladeren bijeen waren geharkt, nu is het een verhaal in dialoog. Een verhaal zonder kop en staart, zonder hoofdletter aan het begin en een punt aan het eind maar een komma. Een verhaal als een uit een taart gesneden punt. Als een bladzij uit een boek, een knipsel uit de krant. Een moment in de tijd, tussen daar en dan, over hier en verderop. Verderop bekeken vanuit hier.
Bundel “contouren voor verderop”, schrift van Peter Prins. Uitgeverij crU, 2019.

Geef een reactie