“Groningen, ik moet het tot mijn spijt getuigen, zit in een hoek waar bijna geen geluid doordringt”, schrijft Hendrik Werkman in de jaren 20 van de vorige eeuw aan kunsttijdschrift Het Overzicht. Hoewel het Groningse publiek weinig tot geen interesse toont, vindt de kunst er tussen de wereldoorlogen toch zijn weg en ontstaat vereniging De Ploeg. Werkman heeft het in zijn tekst dan ook niet over zichzelf en over de Groningse kunstenaars, maar over het isolement van de provincie zelf. Het lijkt erop dat daar enkel plek is voor landschapschilders, die zich met het stigma ‘provincialisme’ hebben opgezadeld. Niets is minder waar blijkt uit het boek “De Ploeg extra muros” in een uitgave van WBooks. Want de kunst van De Ploeg overstijgt het provinciale en krijgt daardoor uit het hele land en daarbuiten aandacht.
Het boek belicht vooral het ontstaan van De Ploeg, de plekken waar het werk van haar kunstenaars onder meer in collecties zijn ondergebracht en dit geïllustreerd met talloze reproducties van schilderijen, tekeningen en grafiek. Het is vooral een kunstboek met in beeld aandacht voor de veelkleurigheid van het expressionisme in Groningen.
Voortrekker van De Ploeg is vooral Jan Wiegers, die de wereld binnen brengt in de vereniging. Het opstuwt van de realistische en onpersoonlijke landschappen naar de meer abstracte en emotionele vertalingen van de omgeving. Want dat is wel wat de kunstenaars van De Ploeg doen, de onderwerpen dicht bij huis zoeken. Het veld op loopafstand, de mensen om zich heen. Zaken waar men binding mee heeft en er daarom op een meer diepzinnige manier naar kan kijken. En er in een andere dan de herkenbare realistisch huisje-boompje-beestje stijl mee aan het werk kan. In een kleurstelling die past in het expressionistische idioom, passend bij stemming en gevoel. Niet zoals het gezien is, maar aangevoeld wordt. Niet naar de natuur maar in de natuur werken. Buiten de muren van het provincialisme om uitdrukking te geven aan een geest van openheid en optimisme, buiten de muren van de burgerlijkheid door te schilderen naar model en buiten de muren van het museum door in eigen beheer tentoonstellingen te organiseren, schrijft Peter Jordens, voorzitter van Stichting De Ploeg, in zijn voorwoord aan het boek. Het is de vrijheid van de ‘nieuwe kunst’ die kenmerkend is voor de Ploegkunst. Het Groningse landschap met de zware klei en de monumentale wolkenluchten als metafoor voor een overweldigend gevoel van vrijheid en zinnelijkheid.
Wegens gezondheidsredenen kuurt Jan Wiegers in Zwitserland. Daar ontmoet hij min of meer toevallig de daar ook om die reden verblijvende kunstenaar Kirchner. Het worden vrienden en Wiegers put veel inspiratie uit de manier van werken van Kirchner voor zijn eigen schilder- en tekenkunst. Terug in Nederland brengt hij deze kennis en techniek binnen in De Ploeg. Daardoor vallen de conservatief werkende kunstenaars, die nog over hun schouder kijken naar wat geweest is, buiten de boot. Er lijkt in de vereniging alleen nog plek voor de progressieve kunstenaars, die vooruit kijken naar wat komen gaat en kan in de kunst. Behoudend tegenover modern, provincialisme tegenover werelds. De ‘nieuwe kunst’ is voor de jonge kunstenaars in de eerste helft van de vorige eeuw – de nieuwe tijd – de kunst die uitdrukking geeft aan de directe beleving van de werkelijkheid. Als antwoord op of in weerklank tegen de gevestigde orde. Ze lopen buiten die platgetreden paden van de gangbare opvattingen in de kunst. Artistieke vrijheid is de norm. De kwasten gedoopt in de zon zelf.

Voor de fraai vormgegeven uitgave onder redactie van Peter Jordens heeft cabaretier en tekstschrijver Freek de Jonge enkele korte verzen gemaakt bij en over even zovele Ploegschilderijen. De Jonge is van geboorte natuurlijk een Gronings provinciaaltje, dat schept een band. “Ik ben geboren in het hoge noorden / Op nog geen steenworp van het wad / Ik ging er weg zonder veel woorden / Te klein te vragen hoe het zat”. De Jonge is de uitgelezen persoon om in actuele beeldende woorden zijn gevoel te omschrijven bij schilderkunstige activiteiten van De Ploeg. Zijn vers bij Jan Altinks ‘Kerkje te Oostum’ is daar een sprekend voorbeeld van: “Wij leven in een tijdgewricht / Waarin smaak met domheid botst / Het voorgekauwde zegeviert / De kunst wordt uitgekotst / De schilder is een ezel / Een acteur wordt bespot / Kunst heeft het verloren / Kerkje zonder god”.
Oud-direkteur van het Rijksmuseum Wim Pijbes, studeerde in Groningen, buigt zich over een werk op karton van Job Hansen. Het gezicht op de Martinitoren in de verte over de velden is voor hem een aanblik als van thuis komen. “ De pontificale kerktoren als prima ballerina. En niet eens op het voorplan, maar ergens op het achterpaneel. Het deert haar niet, ze torent er toch wel fier bovenuit.”

De kunst van De Ploeg is vooral in de kern toch eigenlijk wel de verheerlijking van dat Groninger landschap. Op verschillende manieren door diverse kunstenaars onorthodox belicht. Niet aan het lijntje van de heersende smaak, maar daar bovenuit stijgend. Daardoor wordt het allengs buiten de provincie opgemerkt. En niet alleen in schilderijen en tekeningen, Hendrik Werkman brengt de kunst van het drukken binnen, terwijl men zich al wel had ingelaten met grafische technieken als etsen en steendruk.
De musea waar kunst van De Ploeg in de collectie is ondergebracht presenteren zichzelf in het boek. Het ontstaan van de instellingen wordt toegelicht en de manier waarop de keuze gemaakt is werk van bijvoorbeeld Jan Wiegers, Hendrik Werkman, Jan Altink en Johan Dijkstra op te nemen. Museum Drachten neemt daarmee wel een bijzondere plaats in. De naam is afgeleid van de nieuwe kunst van de jaren 20 van de vorige eeuw: Dr8888. Van het bekende gedicht van Kurt Schwitters, dat ik terugvindt in het Tripgemaal te Gersloot. Woonhuis van de overleden oprichter van Museum Belvédère Thom Mercuur. De kunstwereld is klein. “Wij w88888888”. In Drachten ligt ‘de map van Nell’, waarin vrouw Werkman een reeks tekeningen van Ploegleden bijeenbracht als verjaardagscadeau voor haar man Hendrik. Het opmerkelijke aan deze verzameling is dat het een dwarsdoorsnede geeft van de toenmalige kunstkring, het jaar 1920, en daarmee de verschillende artistieke richtingen samenbrengt. Het boek ‘extra muros’ gaat uitvoerig in op de samenstelling van deze bijzondere map, iedere inbreng is beschreven en afgedrukt.

Ook Museum Belvédère bezit een groot aantal Ploegwerken. Een groot deel daarvan wordt ingenomen door druksels van Hendrik Werkman, uit de verzameling van een bruikleengever die zich speciaal heeft toegelegd op deze kunstenaar. Museumdirecteur Han Steenbruggen verdient zijn sporen in Groningen. Verbonden aan het Groninger Museum komt hij bij toeval in aanraking met De Ploeg. Steenbruggen bijt zich erin vast, diept de materie uit en organiseert een reeks exposities van Ploegkunstenaars met monografieën, zet het Ploegjaarboek en het Ploegdocumentatiecentrum op. Allemaal bedoelt om het werk onder brede aandacht te brengen en te laten zien dat er zeker wel geluid doordringt in deze uithoek. Dat de provincie trots mag zijn dat het zoveel bijzondere kunstenaars heeft voortgebracht. In het boek wordt Steenbruggen daarover bevraagd, en over de reden van zijn overstap van Groningen naar Friesland. Daarmee bracht hij wel beide provincies samen in wat nu zijn museum is.
De laatste hoofdstukken in “De Ploeg extra muros” zijn vertalingen van eerdere teksten naar het Duits en het Pools. Een uitgebreide lijst aan geraadpleegde literatuur wordt na ieder hoofdstuk opgesomd, om verder te lezen. Het groot aantal noten in de tekst verwijzen naar andere bijzonderheden. Het boek is daarmee een bron aan informatie om mij verder te verdiepen in kunstenaarsvereniging De Ploeg.
De Ploeg extra muros. Diverse auteurs, onder redactie van Peter Jordens. Uitgave WBOOKS, 2020.

Geef een reactie