Het is me niet eenvoudig voor te stellen. Wat de mens kan hebben doorgemaakt in verschrikkingen van de oorlog of het onpersoonlijk makende ongeloof. Ik kan me moeilijk verplaatsen in de angst, het voortdurend op je hoede moeten zijn. Het steeds kijken over je schouder, dat verterende gevoel opgejaagd te worden. De naaste die je van alles aan kan doen wat maar nauwelijks of helemaal niet door de beugel kan. Voor de bundel “de drang om niemand af te maken” is Anouk Smies in gesprek gegaan met dat soort mensen die een onwerkelijk leven doormaken. Het is een eigenaardige insteek voor poëzie. Vervreemdend ook. De dichter heeft zich ingeleefd in de mens en zijn verhaal. Is eigenlijk in de huid gekropen, heeft het vel over haar lijf getrokken.
In de handen van de dichter
Dat levert bijzondere teksten op. Verward wel, want de ervaringen en daarna de gedachten van een oorlogsveteraan, een klokkenluider en de vrouw op middelbare leeftijd die een sekte heeft afgeschud zijn verward. Ik laat dan maar mijn gevoel bedriegen en mijn verstand misleiden. Anouk gaat aan de haal met beide, ik voel haar warme adem in mijn nek. Haar ogen kijken mee over mijn schouder wanneer ik wat al te snel de bundel doorblader, de woorden tot zinnen lees en het boekje al te haastig terzijde schuif omdat mijn gemoed in verwarring is. Ik eerst overweeg wat ik gelezen heb, en dan opnieuw begin op bladzij 9.
De oorlogsveteraan, paraat in Libanon ooit, legt in een openhartig gesprek zijn vertrouwen en moed in de handen van de dichter. Zij gaat niet met de woorden en herinneringen aan de haal, maar weegt deze in haar hart. Er komen fantasierijke gedichten vrij. Zo betrokken bij de soldaat die van geweld terugging in betrekkelijke vrede. Want ook de oorlog krijg je niet uit de mens, hoewel deze wel uit de oorlog terug is thuis. Het is een trauma dat niet weg te behandelen is, een wond die nooit heelt, fantoompijn.

Anouk weet dit naar de letter toe te passen in haar teksten. Teksten die dansen over het papier. Het trauma wordt geen treurmars, maar door de pen van Smies is het bijna een vreugdedans. Door het gesprek, welhaast therapeutisch, heeft de veteraan de oorlog van zich afgesproken. Anouk is zijn spreekbuis, doorziet de wanorde in zijn hoofd en zet het op papier. In de hoop dat hij het kwijt raakt. Voor de veteraan is er een leven voor en een leven na. En het leven tijdens, dat weerklinkt in het nu. Voor de Jehova’s Getuige is er niets anders dan een leven in en een leven na. Hij en zij kijken met andere ogen de wereld in, de blik is vertroebeld. Anouk Smies beeldt dat met een onorthodoxe aanpak van taal en dichten in woorden uit.
Klokkenluider
De gelaagde dichtregels willen niet rijmen, maar bewegen zich wel ritmisch door de verzen. Er wordt beeldspraak getoond waarbij ik langer, dan het even doorlezen, moet stilstaan. Me concentreren op de dramatische epiek die daarna overslaat naar lyrische symboliek. Smies weet de juiste snaar te raken, al kan ik de toon in hoogte niet altijd halen. De klokkenluider ziet de misstand en maakt deze aanhangig, zodat anderen ervan weten en iets mee kunnen. De veroorzakers ven het euvel zijn niet onverdeeld blij en jagen na. “Wat je ontdekt is pas schadelijk als je het schadelijk noemt”, lees ik ergens in de bundel.
De gedichten beschrijven het gevoel van de onschuldigen die door de tegenstander schuldig zijn bevonden, alleen maar omdat ze met de wereld delen wat hen is overkomen of wat ze ontdekken dat anderen heeft getroffen. Zou de dichter zo ook schuldig zijn, omdat er aan onduidelijke gevoelens een duidelijke uitdrukking is gegeven: “wie gelooft dat het woord er eerst was leest geen poëzie”.

Anouk Smies is niet alleen in gesprek met dat andere onwerkelijk geleefde leven, maar zeker ook met zichzelf om de ironie in de beeldspraak een weg te geven. In juiste banen te leiden, zodat ik de overnoeming begrijp en aanvoel: “er schuilt fatsoen in mijn woorden / de drang om niemand af te maken / mijn haat is een adaptief zacht knuffeltje”. Ik lees een addertje onder het gras. En dat laat me huiveren, maar ik gruwel niet want telkens blijkt mijn verkeerde been het goede te zijn. En dan, de tijdsgeest heelt alle wonden. Dat mag hij willen, want de kwetsuren helen niet in de tijd, de trauma’s blijven juist door de tijd. De tijdsgeest is het moment van nu, de mens van vandaag, het tegenwoordige leven. Smies weet dit in rake woorden te vatten, die mij laten nadenken.
Wellustig, impulsief
Doordenken, want haar taalgebruik is ondoorgrondelijk. Het laat zich niet makkelijk analyseren, maar weet toch voortdurend het juiste gevoel te raken. Steeds weer de bundel oppakken en de woorden tot me nemen, zodat ik voeling krijg met de wereld die Smies voor me opent. Heb ik angst voor de waarheid. Lees ik onderhuids verzet. Vervalst de dichter de waarheid of is die werkelijkheid zo voorbij goed en kwaad. Is het een surrealistische wereld waarin wij leven, en zet Smies deze in een droombeeld – fantasierijk, zintuiglijk, wellustig, impulsief – als een realiteit neer. Het is de waarheid, zoals ik die lees. Het bekruipt me steeds, zoals een tijger zijn prooi besluipt en als een dief in de nacht toeslaat. Zoals ik schreef, de dichter leest over mijn schouder mee. Speelt een listig spel met mijn verwachtingen. Ik las het ergens en ik had al zo’n vermoeden. Ik vind me erin.
Gedichtenbundel “De drang om niemand af te maken”, poëzie van Anouk Smies. Uitgeverij Opwenteling, 2021.


Geef een reactie