Zo is het misschien begonnen, denkt Oek de Jong. Ergens ver in het verleden, laten we zeggen de prehistorie, dat de vroegste voorouder de schaduw van een tak op een rotswand ziet. Het is het eerste beeld, een afbeelding van de werkelijkheid. Dan nog een schaduw, dus op een natuurlijke manier ontstaan. Maar wel met gebruikmaking van licht. Want is de kunstenaar toch een tovenaar, een duivelskunstenaar die gebruik maakt van het licht om er zijn toverbrouwsel mee te bereiden. En daarnaast of daarmee kan hij/zij met magische krachten mijn geest manipuleren. Zodat ik zie wat er niet is. Zodat ik kan zien dat wat niet bestaat. Die verre voorouder moet ook in de ban zijn geraakt van dat beeld op die rotswand. Om het vast te houden is de mens het gaan overtrekken met een stukje houtskool van de vuurplaats. Om het beeld te bewaren, de schoonheid vast te leggen.
Eerst blind, nu ziende
Maar het kan ook anders zijn gegaan, filosofeert De Jong verder. “Met een tak lijnen trekken in het zand. Een dier zien in de wolken, een weerspiegeling in het water.” Maar je moet er wel oog voor hebben, op een andere manier kijken naar wat er om je heen is en gebeurd. Je kunt er iedere dag langs lopen en niet zien, en dan opeens goed kijken terwijl je blik zich opent voor die schaduw op de muur. Was je eerst blind, nu ben ik ziende. Ik zie scherp, en beschouw waarneembaar.
Oek de Jong somt in zijn boek “De magie van het beeld” afbeeldingen op die hem na aan het hart liggen. Die hem leerden kijken om te zien. Niet alleen plaatjes – schilderijen, tekeningen – maar ook de betovering van de fotografie, filmbeelden, interieurs, beeldhouwwerken en nog een handvol meer. Want in alles is de toverkunst te ontdekken. In vele dingen tovert de kunstenaar, zodat ik me eraan kan vergapen wanneer ik er de tijd voor neem. Oek de Jong keek me het voor.
Het beeld doorgronden
Met een serie korte verhalen, eerder gelezen in Museumtijdschrift, zet de schrijver mij op het spoor van kijken. Het zien van mooie zaken. Mijn blik laven aan het raadselachtige van de schone kunsten. En er is veel geheimzinnig, mysterieus en wonderlijk. In deze uitgave probeert De Jong het voor mij te verklaren, begrijpelijk te maken zodat ik het beeld kan doorgronden. Vanaf dat ik het boek heb doorgelezen en dicht gedaan in de kast heb gezet. Vanaf dan kijk ik anders naar de dingen om mij heen, want Oek leerde mij de beelden te waarderen. Anders te bekijken.
Als kijker, want dat ben ik nadat ik lezer was, heb je van deze leermeesters nodig. Mensen die jou onderwijzen in het gewaarworden, het herkennen van schoonheid. Visionairs die mij voorzeggen hoe te kijken. Zieners die me uitleggen te zien.

“De magie van het beeld” is opgebouwd uit een veertigtal korte verhalen van enkele bladzijden lang. Het voordeel van een essay boven een complete roman is, dat mijn spanningsboog kort kan zijn en blijven. En dat ik mijn aandacht toe kan spitsen op een tweetal bladzijden, hoogstens drie. Binnen die ruimte raakt de schrijver de essentie als een scherpschutter de roos in één schot. Dat wat geschreven moet worden zonder veel omhaal om meteen de kern te plaatsen. Het is geen eenvoudige zaak zo krachtig je punt te maken. Oek de Jong is daar goed in blijkt eens te meer uit deze nieuwe bundel. In een sterke omschrijving toont hij mij het mysterie van kunstige weergaven van de bedachte werkelijkheid.

Door het boek staat het plezier van kijken voorop. In de woorden zijn de beelden zichtbaar. De Jong verhaalt niet alleen over het beeld – de kunst, maar ook geeft hij verhaal aan de kunstenaars. De achtergrond van de compositie is aangestipt, belangrijk om begrip te krijgen van het werk en grip te krijgen op de afbeelding. Daarnaast wordt het beeld in de tijd dat het tot stand is gebracht gezet. Een tijdsbeeld om een vinger achter het hoe en waarom te krijgen. En de manier waarop bijvoorbeeld een iconisch beeld als de opwaaiende jurk van Marylin Monroe is ontstaan. Welke indruk de berg van Cézanne op de schrijver heeft gemaakt. De muze van Matisse, het imago van Karel Appel, heimwee naar Friesland, de intensiteit van Westerik, het lam van Zurbarán – een verzameling mysterieuze alledaagsheid geeft het beeld hoe Oek de wereld bekijkt en mij deze zienswijze probeert over te brengen. Het is allemaal de mening van een eenling, de smaak van deze mens. Maar door de manier waarop de geoefende verhalenverteller het heeft opgeschreven, en ik het kan lezen, is hij autoriteit en heeft hij gezag in het waarnemen en beschrijven. Ik raak met hem, of door hem, dronken van het licht, in de ban van raadselachtige erotiek en het intieme fotograferen.

Dat is het aantrekkelijke van dit boek, dat het niet alleen maar over schilderen, beeldhouwen en fotograferen gaat. Maar dat ook het bewegende beeld voorbijkomt en er in de omgeving wordt gekeken, er zelfs een stuk muziek klinkt. Bij ieder assay is een afbeelding gezet om niet alleen de magie door woorden te herkennen, maar ook de aanleiding te beschouwen. Zo geeft de verhaallijn mij de indruk van een geschreven evenbeeld van Moussorgsky’s pianocyclus Kartinki s vijstavki – pictures from the exhibition. Het boek is een tentoonstelling. Een expositie van beelden. Met een rake beschrijving, waardoor ik word onderwezen in het kijken. Het leren zien, het plezier van gadeslaan. De tijd nemen om mijn ogen het zichtbare te laten onderzoeken, zodat dat het toekijken tastbaar maakt.
“De Magie van het Beeld”, mini-essays over kijken naar kunst, Oek de Jong. Uitgave WBOOKS, 2021.

Geef een reactie