Jan Kleefstra laat me moeiteloos inleven in zijn dichterlijk ervaren

Dichter Jan Kleefstra eindigt zijn nieuwe poëtische bundel ‘Laat het bos maar uithuilen’ in een prozaïsche epiloog met de woorden “een sfeer te schetsen van het gebied waarin de verzen zijn verkregen”. Dat maakt indruk, op mij. Want de gedichten zijn dus niet uit zijn gedachten ontsproten, zo leest het. Maar de omgeving, de streek, het landschap waar hij in ­­Kleefstra proeft figuurlijk de stemming. Tussen de bergen, in de dalen. Langs de beken, over de paden. De vogels in hun zang, de wind in de zachte bries. Ze zetten hem alle aan om de geest te laten dwalen. Weg te dromen in het licht dat strijkt langs rotsen en de schaduw die valt door gebladerde bomen op de spiegel van het water. In woorden dwaalt Jan Kleefstra beeldend door dat gebied. Wanneer ik niet oppas verdwaal ik in zijn gedachten die tot verzen werden.

Over bergen en langs dalen

In de omgeving die Jan Kleefstra beschrijft ben ik nooit geweest. Zuid-Frankrijk, het Unesco Werelderfgoed Causses et Cevennes. Een prachtig gebied lees ik tussen de regels door. Eigenlijk kom ik zelf nauwelijks over de landsgrenzen. Soms voel ik me als die boerenzoon in de Peelcyclus van Toon Kortooms. De jongen die nooit van het erf komt, hoogstens in het achterland van de boerderij kikkervisjes vangt in de sloot en languit liggend in het hoge gras de vogels ziet vliegen. Mijn vrouw zegt dan weleens gekscherend wanneer we een vakantie gaan bespreken: zullen we een rondje Akkrum doen? Alsof we nooit verder komen dan dat. Ooit in een verleden heb ik tijdens een hete zomervakantie een beperkte streek in Zuid-Frankrijk mogen doorkruisen. Verder moet ik het doen met me inleven in de gedichten van Kleefstra. En dat gaat wonderwel goed. Hij leidt mij over bergen en langs dalen, de paden op de laden in. “Een bevlieging is wat anders dan een storm.”

Jan Kleefstra, dichtbundel, Lucien Tinga

Ik kan me moeiteloos inleven in zijn ervaren in de natuur. Me voorstellen hoe imposant de omgeving daar is. Zonder het met open blik te zien, maar me naar binnen te keren en de ogen te sluiten. Meegaan in zijn cadans van schrijven. Ongewone woorden zijn gebruikt om het gewone te omschrijven. Mijn gedachten zweven. Dan moet ik wel zijn mijmeringen nog wel eens weer lezen, aandachtig in me opnemen – de zinnen natrekken, de woorden wegen, de letters overwegen. Voordat ik mee kan op zijn reis. En wanneer ik dan eenmaal plaats neem in het rijtuig en op stoom kom, vlieg ik over boomtoppen, scheer ik langs bergflanken. Het is een heerlijk lezen. Een dromend genieten. Over zijn schouder kijkend geniet ik mee. Maar laat ik niet al te euforisch zijn, want dat natuurlijke erfgoed brokkelt af en het erodeert. Juist door die invloed van de mens die er zo graag in wil recreëren. Gebruik maken, misbruik maken. De bundel heet niet voor niets ‘Laat het bos maar uithuilen’, want wat kan het bos anders? De eeuwenoude natuur moet het hart luchten, de emotie uiten om opnieuw te beginnen in een volgend jaar.

Veelzeggend overvloedig

Ik zit op de drukknop van Kleefstra’s pen, want ik haal het nog niet tot de schrijvende punt. Daarvoor moet ik meer lichtvoetig zweven over het toetsenbord. De verzen hebben mijn verbeeldingskracht nodig. In gedachten moet ik anders kijken. Om de woorden heen zien, om de sfeer te herkennen. En doorzie ik, dan kijk ik beter. Lees meer aandachtig, dan reiken de woorden dieper. Zie ik de zin. Herken ik de stemming door de regels. Merk ik ook de illustraties op, de tekeningen van Lucien Tinga. Die prachtig eenvoudig zijn, maar toch zo veelzeggend overvloedig. Met vlakken in ongemengde tinten bouwt het beeld zich op. Overlappen elkaar wel, maar zijn niet transparant. Een veredelt soort schets, een snelle vertaling van het geziene in de omgeving. Het heeft niet meer lijn en vlak nodig, het kan met deze eenvoud toe. In tegenstelling tot de verzen, die rijk zijn aan geestelijke lijnen en vlakken en voor een veld aan interpretatie openstaan. De tekeningen zijn duidelijk in een enkele oogopslag, de verzen hebben meer diepgang nodig.

Jan Kleefstra, dichtbundel, Lucien Tinga

Dus laat ik me zweven door de regels, weeg de woorden om zinnen te vinden. Mijn ingang. Zijn synoniemen, andere woorden voor eenzelfde uitleg. Op pagina 42 drukt Kleefstra mij op het hart vooral het dromen niet te vergeten. Maar dat kan ik ook helemaal niet in de gedichten in deze bundel, het dromen vergeten. Ze laten me als vanzelf bij het lezen wegdromen tussen de bomen die de eeuwen doorstonden. Het lest mijn dorst, stilt mijn honger. Want ik zie het zo duidelijk voor me wanneer ik lees “Een open plek / met een beuk in het midden / me links daarvan neergelegd / om alvast het zwijgen / uit mijn hoofd te leren / de dans komt later wel / wat ik van de wolken zie / het toegeknepen duister / net genoeg om nacht te heten”. Dan vergeet ik nog de vele lege regels te noteren, de ruimte waarin het zwijgen ertoe doet. Ik de gelezen woorden kan overdenken en me voorbereiden op de volgende uitgeschreven beelden. De verzen dwingen langzaam te lezen, overdacht zoals ze zijn geschreven. “Nooit eerder hoorde ik mist / tussen het riet kruipen /   /   / zich als wezen vastklampen / aan het verlangen naar een trager leven /   /   / omdat verwantschap met de boom / naar oneindigheid neigt /   /   / de onbewoonde plekken / waar het om de stilte draait”. Ik trek een koningsmantel aan en heers over mijn dwalen, of beter trek ik een rouwmantel aan en fladder alsof ik honderden meters boven de prooi al wist dat het licht me zou verraden, maar liever trek ik een meeuwenmantel aan en waan me sterker dan de wind die spoorslags het strand op draaft. De woorden van Jan Kleefstra maak ik me de mijne, ik eigen ze me toe om de stemming te proeven, de sfeer  aan te voelen.

De foto’s in het slot van de bundel, aan het eind van de verzen en na de epiloog, daarin kan ik vluchten maar minder dromerig als in de tekeningen. In de rotspartijen, het heuvellandschap en de bossen zie ik de gelezen woorden terug. Volgens Kleefstra niet meer of minder de weerslag van de dagelijkse wandelingen om als anekdotisch reisverhaal te dienen voor de thuisblijvers. Zodat ook zij kunnen meevoelen in de overweldigende schoonheid. Zich mee te laten voeren op de tinten van de natuur. De sfeer te schetsen van het gebied waarin de verzen zijn verkregen.

Gedichtenbundel “Laat het bos maar uithuilen”. Poëzie van Jan Kleefstra met illustraties door LucienTinga. Uitgeverij Wijdemeer, 2021.

Jan Kleefstra, dichtbundel, Wijdemeer

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *