Het ondoorgrondelijke karakter van kunst, het raadsel van waaruit kunst ontstaat. Daar draait het boek “Tekens van het onzichtbare”, essays over kunst en mystiek van Antoon Van den Braembussche, voornamelijk om. Het streven van de kunstenaar naar een hoger doel, ten eerste voor zichzelf en daarbij voor de kijker naar zijn werk. Dat is een minder bewuste dan wel meer onbewuste beweegreden, een werktuiglijke gave, het talent van de schepper. Niet in een realistische vorm, maar veelal de gedachte achter het werk, de filosofie. Dat laten zien wat er in het onderbewuste is, maar in het bewuste nauwelijks wordt gezien. Een abstracte wereld, het universum van de gedachte of beter nog die van de leegte. Om kunst te maken moet je leeg zijn, geen zorgen aan je hoofd en al helemaal geen leven in de zin van het zijn. Kunst maken is als het ware een klinische dood, de creatie reanimeert om beter naar de wereld te kijken. Maar feitelijk is het andersom, je hersenen zijn niet levenloos maar functioneren zonder het lichaam als zodanig te gebruiken. Een bijna dood ervaring om je omgeving met andere ogen te zien. En anderen het te laten zien. Dat kan door woorden op een bepaalde lyrische manier te rangschikken. Of door beelden op een kunstige wijze te scheppen. Een herscheppen van wat niet is.
De zin van het niet zijn vatten
De kunst om het leven te duiden. Niet het zichtbare leven, maar het gevoel dat in een hogere dimensie is. Om de leegte waarvoor we angst hebben te duiden. Die leegte, van leven door dood bijvoorbeeld, te verbeelden door kunst, zichtbaar en daarbij tastbaar te maken, zet de gedachte stil. Door me te laten opnemen door het beeld in woorden en figuratie betreed ik de leegte. Althans de abstracte kunst, niet het keurig aangeharkte landschap, niet het herkenbare huisje-boompje-beestje of het jongentje met de traan. Die kunst die we niet meteen begrijpen, maar die ons daardoor overweldigd en intimideert. Totdat het begrip komt en ik de zin van het niet zijn vat. De leegte is een niet-zijn, terwijl het daarin alles is. Het stoot af en trekt aan, met eenzelfde energie. Ingaan en naar buiten rennen omdat die kunst beangstigend is. Woorden lezen, maar voor het midden de ogen afwenden. De emotie niet kunnen afmaken.
Het boek van Van den Braembussche werpt een andere blik op kunst. En dan dus vooral op de abstracte kunst, die niets wil uitdrukken. Los staat van het zichtbare. Geen tastbaar beeld geeft, maar wel herkenning. Herkenning van emotie, het gevoel erin voelbaar gemaakt. Maar ook in de tastbare figuratie ligt een emotie besloten, dat kan. Kunst wil boodschapper zijn, geen verhalenverteller zozeer. Het maakt iets kenbaar dat bij nadere beschouwing herkenbaar is. Ik moet me in het werk begeven, één worden met de ruimte die het werk inneemt. Dat kan angst opwekken. Daar word ik bang van omdat het mijn diepste zijn aanspreekt. Ik wil me niet blootgeven, maar mijn emotie bedekken. Die kunst breekt deze verlegenheid open. Gaat aan mijn gêne voorbij.

Van den Braembussche voert als hoofdpersonen in zijn boek een viertal kunstenaars op. Twee beeldend kunstenaars en twee mensen die spelen met woorden in wat wij poëzie noemen. Hij verbindt ze met vooral de oosterse mystiek, want dat occulte uit de Oriënt spreekt onze verbeelding aan hier in de westerse wereld. Deze gedachte en zienswijze is bij uitstek voedingsbodem voor de kunst. Het geeft ruimte aan emotie, nog voordat de toeschouwer daar weet van heeft. Want het is te impressief om het meteen te bevatten. Hoe eenvoudig van opzet ook, het heeft tijd nodig in te dalen. Omdat er een gelaagde informatie in is weergegeven, die meerdere kanten van het menszijn aanspreekt.
Geestelijke groei en vrijheid
Deze wetenschap, of meer actueel deze data, is van alle tijden. Zo spreekt de poëzie van Rumi ook nu nog aan, met een hedendaagse tegenwoordigheid van geest. Met waarheden die voor alle eeuwen gelden: “Als de magneet de liefde niet kende, hoe zou zij het ijzer kunnen aantrekken met zo’n verlangen?” Deze dichter wentelt zich in de leer van het soefisme, voor geestelijke groei en vrijheid om het onuitsprekelijke te kunnen verwoorden. De schrijver van het boek bespreekt de verschillende soorten liefde die Rumi verklankt in zijn gedichten. Het gaat aan het ego voorbij, omdat het niet op zichzelf gericht is.

Beweegt Rumi zich in de stilte, de kunstenaar Paul Klee gaat op in het rumoer van hogere machten. Zijn engelen verbeelden een hele wereld meer dan de enkele lijnen doen bedenken. Althans dit is het vermoeden en dat zijn de aannames van de mensen die deze kunst proberen te duiden. De kunstenaar zelf kan dit niet meer en heeft zijn energie nagelaten in het werk. Het kan gezet worden in het licht van de tijd en de emotie waarin het gemaakt is. Met die gegevens kunnen de afbeeldingen worden verklaard. Dat doet Van den Braembussche, hand in hand met de kunsthistorici.
Klee is naast zijn kunstenaarschap ook vooral bekend om de uitspraak “Kunst geeft niet het zichtbare weer, maar maakt zichtbaar”. In de in het boek beschreven engelenwerken lijkt hij zich in deze zin tegen te spreken. Maar ik weet niet wat ik zie, dat duidt de schrijver mij. In de in enkele lijnen opgezette engelgestalten zit een ganse afrekening met verleden, heden en toekomst verborgen. Het grijpt in de levenstijd van Klee vooral naar de dreiging van de oorlog. De donkere periode, die ook in nauwelijks bedekte termen in de poëzie van Paul Celan wordt aangehaald.

Zo is er een relatie te leggen van Klee met Celan. De Roemeense Jood Celan, getekend en beschadigd door de oorlog met ouders die zijn omgekomen in de Holocaust, met een ziekmakend overlevingsschuld-syndroom: waarom zij wel en ik niet? Na afloop van de oorlog geeft zijn moedertaal het Duits, de taal van de Endlösung, geen pas om in te dichten. Hij voelt zich na een verhuizing naar Parijs een vreemde eend in de culturele bijt. Celan is als dichter thuisloos, maar weet toch een meer dan tot de verbeelding sprekend gedicht, Todesfuge, te schrijven over de duisternis van de oorlog. Over de Duitsers versus de Joden gesymboliseerd in twee vrouwen, Margarete met goudgeel haar en Shulamith met heur asgrauwe haar. De laatste weer tot inspiratie voor Anselm Kiefer om vanuit de Joodse herinnering het naziverleden te duiden.
Duizelingwekkende onmetelijkheid
Zo grijpen de essays in “Tekens van het onzichtbare” naar elkaar, vloeien ze dooreen en mengen zich met elkander. Anish Kapoor grijpt in zijn verbeelding van de leegte terug op de stilte van Rumi. Het is nauwelijks te omschrijven, de stilte kent geen woorden zoals de leegte geen beelding weet. Toch weet Kapoor in zijn werk die leegte tastbaar te suggereren. De toeschouwer heeft in zijn werk de ervaring van duizelingwekkende onmetelijkheid. Een angstwekkende illusie in een monochrome hefboom naar de metafysische leegte. Het drukt niets uit, het is ongrijpbaar en onzegbaar, maar op het moment van ervaren maak ik deel uit van die ruimte.

Van den Braembussche bekijkt en beschrijft een en ander vanuit het onverklaarbare, de geheimzinnigheid van taal, beeld en religie. Niet in een zwevend verholen woordgebruik. Zijn essays hebben geen hoge drempel, maar zijn juist toegankelijk om de kunst van deze zijde te beleven. Het boek opent de ogen: “het bewustzijn van leegte is als staren in een weide, lege hemel…” Roept op tot spiritueel mediteren om de kunst van dichten en beelden te doorzien. De stilte en de leegte staan centraal in het boek. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met een intermezzo, waarin de schrijver nog eens ongeschreven details van de kunstenaars beschrijft. Al met al mag het boek een standaardwerk heten op het gebied van het belichten van kunst vanuit een mystische dan wel een religieuze blik. Kunst te begrijpen als spiegel van de wereld, waarin emotie grondslag is van het (ver)beelden.
Tekens van het onzichtbare, essays over kunst en mystiek. Antoon Van den Braembussche. Uitgeverij Damon, 2021.

Geef een reactie