Ik dacht de dichter in gedichten. Een Duitser Nederlands geboekstaafd. In rijmende regels toneel geschreven. Joost zal het weten. Dacht ik, toen ik de envelop die in mijn brievenbus stak – fijne post – openscheurde en er een lichtgroen boekje met blauwe figuratie uitviel. ‘vondel’ staat op de omslag in gepunte letters. Dus ik dacht. Ik kon alleen maar denken. Denken aan de mij enig bekende definitie van vondel. In onderkast stond het er en even verderop met hoofdletters: VONDEL, maar nergens als naamaanduiding. Ik had het moeten weten, dus.
De vondel van Harry van Doveren is een bruggetje over de sloot, over het ravijn, over een leegte. Een losse plank als metafoor voor de arm waaraan een uitgestrekte hand zit om mijn emotie te raken. Zoals de wijzende vinger Gods die Adam tot wezen maakt in de wandschildering van Michelangelo, de schepping. Door dit boek tussen hem en mij te plaatsen, heeft Van Doveren een brug geslagen tussen zijn en mijn gedachten. “verstaanbaarheid begint bij een plank over een sloot” Daarmee legt hij verbinding tussen zijn gedichten en mijn gedachten. En dat vondel de achternaam is van die grootste schrijver en dichter uit de Nederlandse taal is een bijvangst, maar in dit geval onbelangrijk.
Abstracte betekenissen
In zijn poëzie probeert Harry van Doveren mij te vangen in zijn kooi waarvan de spijlen dromerijen en begoochelingen zijn. Ik sla het boek open en daarmee gaat de kooi dicht, ik zit gevangen achter tralies van woorden die zinnen maken en verzen vormen. Ik eet woordzaad, verteer zinnoten, voed mij met de gedichten. Het is geen gemakkelijke kost die ik krijg voorgeschoteld. Niet licht verteerbaar. Ik moet goed kauwen en later nog eens opboeren en herkauwen. Willen de dichtregels mij bezielen en verzadigen. Daarom lees ik eerst, overdenk, bepeins, een tweetal of kwartet dan wel octade aan verzen. Leg de bundel van mij af en pak het later weer op. Lees eens over en weer verder.
De toon is niet meteen gezet bij de eerste maten. In vrije en dynamische verzen worden abstracte betekenissen beschreven. Duidelijkheden die bij de dichter in herinnering zijn. Hij schrijft ze van zich af om ze kwijt te zijn, naast zich neer te kunnen leggen. Zo, dat was en is geweest. Voorbij, klaar. De spin in zijn hersenspinsel heeft mij als prooi, wentelt me in het rag van zijn woorden. Laat me een tijdje hulpeloos bungelen aan een zijden draad tussen begrip en niet begrijpen, om daarna mijn gedachten leeg te zuigen. Want dat is wat het is, ik zal mij overgeven aan deze fantasieën die evenwel op waarheid berusten. De schijnbeelden, de illusies en verzinsels, blijken naderhand visioenen. Het fantoom, de chimaera, doemt langzaam op uit de nevel van letters en woorden, en zet zich neer in duidelijkheid. Komt de gestalte in het licht, krijgt het figuur een omlijning, dan openen mijn ogen en kijk ik in de wereld van Van Doveren, zie en doorzie zijn theorie in praktijk gebracht.

Het is geen bundel om op het nachtkastje te leggen en voor het slapen gaan nog even wat te lezen. Om, wanneer ik de slaap niet kan vatten, de nacht maar niet wil indalen, het boek te openen en enkele verzen tot me te nemen als slaapmuts. In de hoop dat mijn oogleden zich sluiten en ik wegzak in droombeelden. Juist blijf ik klaarwakker bij de gedichten in vondel. Het zet mijn geest op scherp, want ik moet bij de les blijven om zijn gedachten – die van de dichter – bij te houden.
Verwachtingen en doelen
Niet alleen de werkelijkheid slaat Harry van Doveren op in zijn gedichten, ook wat achter die waarheid rondwaart schemert erin door. Hij schrijft zichzelf erdoor vanaf. Zijn eigen verwachtingen en doelen kan hij wezenlijk maken. Zijn behoeften bevredigen om niet gefrustreerd te raken. Zijn leven is er opgetekend in tabellen en overzichten, letterlijk. In de lege regels en open vakken kan ik dan mijn eigen wezen aanvullen en intekenen. De plaats ervan berekenen in procenten, de curve van het bestaan. Zo hebben wij – Harry en ik – samen iets gemeen, alleen al doordat ik zijn bundel opensla en lees. Het is zijn gedrukt gedachtengoed. Het schept een band om zijn innerlijke uitingen te beleven. Mij te begeven in zijn gedachtenwereld. Die hoeft niet te rijmen, daarmee niet een hogere lyriek aan te spreken. Als het maar past in mijn beleving, dan is het een belevenis de abstracte bedenkingen te herkennen en te onderkennen.

Het is zijn geschiedenis die zich voor mij opent, wanneer ik serieus luister naar wat ik gelezen heb. De woorden weeg, niet om ze van me af te schuiven omdat ze te licht bevonden zijn. De woorden wegen namelijk zwaar, want beschrijven het wezen van die ander en vervliegen dus nooit in mijn vergetelheid. Ze houden de aandacht, leggen de concentratie vast. Zit ik in een gedicht, is de andere wereld – die van mijn alledag – onbereikbaar en niet langer of korter van hier en nu. Van Doveren slokt mijn blik op met zijn zienswijze op zijn eigen wezen. Het is zoals zijn uitgever schrijft, precies zo: voor wie meer verwacht van een poëziebundel dan dat je deze na eenmaal lezen volledig begrepen hebt. En nog nu ik dit schrijf is het me niet zonneklaar, maar duistert de maan het licht.
Happen naar adem
Van Doveren heeft creatieve gedachten die experimenteel vorm krijgen in de axiomatische gedichten. Bewijzen vind ik er niet in, maar neem de stellingen aan voor waarheid. Kennen doe ik de man niet, maar maak hem eigen door zijn woorden. Wanneer ik maar aandachtig ben, hem in de poëzie de hand wil schudden. En kom ik verder in de bundel – hem wil omarmen, een hand op de schouder, een samenzijn. Voor de duur van 100 pagina’s en daarna, wanneer ik de bundel net geschoven heb tussen andere boeken op de plank, de gedachten bij de woorden blijven, nog even worden vastgehouden omdat ik ze bewust moet overdenken. Ze dalen in, heet dat. Dalen in in mijn gedachten. Ik proef ze en ze smaken goed.

Het boek laat zich opdelen in een zevental containers. Vakken waarin de gedichten passen, als het ware bij elkaar horen zoals onderwerpen in een hoofdstuk gerangschikt. Naarmate ik het slot nader worden de gedichten meer abstract. Verdwijnt het karakter van Vondel en wordt vondel de springplank om in de taal te springen en te verdrinken wanneer Van Doveren me geen zwemband toegooit. In eerste instantie laat hij me watertrappelen, happen naar adem wanneer ik me boven de waterspiegel weet te werken. Vooral in het krappe museum en het taalsupplement vervreemd de taal zich. En in de 7e opslag is de taal helemaal wars van het communicatiemiddel om een boodschap over te brengen. Letters lijken verdwenen, worden door mijn gedachten aangevuld. Op aanwijzingen, aan de hand van de schrijver, word ik door het woordendoolhof geleid om te eindigen in de ruimte met spiegels. Spiegels waarin ik mezelf vind. Lachspiegels waarin mijn lijf allerhande vreemde vormen aanneemt, mijn gezicht tot een grimas maakt waar vooral de buitenwereld bij grinnikt.

In de werken van Van Doveren kan ik mezelf vinden, vandaar ook dat het me onweerlegbaar aanspreekt. Nog eens lees ik “wist Brakman van de luierwas”, en weer herken ik “museum-ontwerpfase – 1”. Zie Harry in “– beginnersfouten bij het schrijven” en vind mezelf “aangetroffen in de ladenkast voor gevorderden”. Een persoonlijke geschiedenis die door deze bundel ‘vondel’ universeel is geworden en iedereen kan aanspreken. Maar die ieder moet dan wel meegaan in het ritme van de tijger, in slecht onderhouden relaties en kunnen afsluiten met drie grijze hoekvormen die delen met A punt plus. Als een cryptische rebus van Dr.Denker waarover je langer puzzelt dan op een namiddag met een glas warme groene thee. Harry van Doveren omschrijft het leven, zijn wezen, cryptisch, duister en met verborgen woorden. Dat komt goed uit, want ik ben gek op cryptogrammen.
vondel, axiomatische poëzie van Harry van Doveren. Uitgeverij crU, 2021.

Leave a Reply