Zweven hoog boven de mensen. Los van alles. Zonder nadenken over het reilen en zeilen op de wereld beneden. Ver daar onder. Het lijkt hoog, maar de hoofden onderscheiden zich. De kopjes deinen mee op de beweging. Monden vallen open: oh ah. Verbazing, huiver, schrik. Ze zijn er even helemaal uit.
Zweven in de nok. Met lijnen vast. Zitten op of hangen aan een latje. Niet als een parachutist, die werkelijk los van alles is. Zweeft op de wind, door de aarde wordt aangetrokken terug op de wereld te komen. Met beide benen. Die valschermer. Schermt niet met de val. Grondige duikeling. Vreest geen hoogte. Dromen.
Zweven aan lijnen. Indirect verbonden met de mensen op de tribune. Beneden de cirkel van de piste. Boven de spits van het firmament. Vale verkleurde tent. Met azijn, zonder weer een nieuwe indruk. Lijnen met mensen zijn belangrijk, verbindingen, relaties. Het is houvast, zo zodat de landing zacht is na de val.
Boven in de tent schreeuwt de trapezewerker om aandacht. Kijk naar mij, zwevend, vrij maar toch gebonden. Zwaait heen en weer aan de lat met lijnen. Verbonden aan de nok. Met afgrijzen soms volgen tig paar ogen het zwaaien. Hoofden deinen mee alsof het Wimbledon is, hier. Tic toc. Het zwieren, het zwaaien.

Tellen zweven los van alles, de sprong van trapeze naar trapeze. Een enkel moment echt onbeperkt zijn, vrij als een vogel in de lucht, zonder grenzen. Volkomen gewichtloos. In helikopterview afstand nemen, van boven kijken wat beneden is. Er geen deel aan nemen, maar toch onderdeel van zijn.
Vrees om van de hoogste hoogte te vallen. Met een smak in het mulle zand. Tijdens val schicht leven langs, bij donderslag, bliksemflits. Hoe zou het zijn te springen, niet terug te kijken, blijven vallen, onomkeerbaar. Rilling, griezelige sensatie. Nachtmerrie.

Intiem leven
In de dichtbundel “Trapezista” neemt Anne van Amstel mij mee. Mee in haar wezen. “zou ik al eens / een gedichtje / hebben geschreven / over jou en mij /// jou en mij? /// jou en mij ja / doe maar niet / zo verbaasd /// en zou je dat dan / willen lezen?” Mee in de komedie van het zijn. Het leven aan de trapeze. Het circus, waar geluk heel gewoon is. En alles echt gebeurd. Opent gesloten deuren. Achter de schermen een blik. Intiem leven. Zoals het geleefd wordt, daar. Denkend.
De lekkernijen van rondtrekkend theater. De suikerspin, symbool voor levensgeluk. Verlekkerd happen in genderneutrale roze zoete draden, want blauw is geen kleur voor eten. Bedacht door een tandarts, hamert op het gebit. Schiet de berin zo door haar kop. De beer die niet mag dansen meer en niet fietsen nog, is een gewoontedier en mist de piste. Bonkt met zijn kop tegen de spijlen van de kooi, nu.De mythe gebrokkeld. Driftig pierrot kijkt ook in de paring droevig, een rode traan in de mondhoek. De messentrekker, de hoelahoepster, het hooggeëerd publiek. Het trekt voorbij.

Het is een levendige bundel, dat “Trapezista”. Mengt de circusdroom en het alledaagse doordeweekse leven als in een milkshake. Weemoedig als framboossmaak, scherpzinnig als koffie puur zonder met. Want suiker schept gaatjes, die de tong aldoor wil beroeren. Dat houd je niet tegen, dat is de natuur. Het is vrolijke poëzie. Maar wel met een cynisch randje zo nu en dan. Het leven is als dat gebeuren in en rond die circustent. Getuige van intieme zaken. Niet met zoveel woorden beschreven, geen hoed en rand. Tussen de regels door duidelijkheid. Lezen.
Contact zoeken
Voor de patron en dompteur is niets menselijks vreemd. Trapezista symboliseert, het is een logo, een merkteken. Het circus breekt op en af, verdwijnt aan de horizon. De circusdirecteur is zijn stem verloren, de beer slap in het vel. Maar de poëet dicht door. Het wezen los zonder rijm in blanke verzen. “schrik maar niet schat / gedichten schuren nu eenmaal / als zand in je brood op het strand”.
Samen zijn. Contact zoeken. Relaties, verbindingen. Dat zijn de drijfveren van de bundel. Dat is waar de woorden op zweven, om die letters zich zwieren. Gedichten ontstaan naar aanleiding van eens geschreven woorden. Een verantwoording achter in de bundel doet dat uit de doeken. En ook dat er eerdere publicaties waren, en dat deze onder dezelfde noemer een samenraapsel is. In golfbewegingen komen eerder bedachte gedachten terug. Boeiend dat bezieling zo doorzet in een inspiratie. Dat oude regels nieuwe zinnen worden. Dat het ooit niet voor niets is bedacht en geschreven.
Het motto “In het theater willen we leven zien, in het leven theater”. Of zoals Jules Renard het ooit in zijn eigen taal schreef: “Nous voulons de la vie au théâtre, et du théâtre dans la vie”. Die kernspreuk geeft de bundel smoel. Dat credo dekt de lading. In de uitgave lees ik dat leven, dat veelal in de coulissen blijft. Het sluit aan bij mij. Ik weet er weg mee. Zo zweef ik lichtvoetig door de bundel. Staande ovatie.
TRAPEZISTA. Anne van Amstel. Nieuw Amsterdam, 2022.


Leave a Reply