Niet om af te rekenen met het verleden beschreef Mariët Meester haar jeugdjaren, maar om de vooroordelen en de veroordelingen omtrent de plaats waar ze opgroeide uit de wereld te helpen. Voortdurend wanneer men haar vroeg waar ze vandaan komt en ze als antwoord Veenhuizen gaf, was de reactie: “Ja ja, haha, jij bent er eentje uit een familie van dronkenlappen? Sloten ze daar dan complete gezinnen op?”
Ze neemt voor haar boek “Koloniekind” afstand van die wonderlijke justitie-enclave in het noorden van Nederland, maar blijft er ondanks alles altijd mee verbonden. Op de plaatselijke begraafplaats heeft ze al een graf geclaimd om na haar overlijden terug te keren naar de plek waar ze ooit als baby wortelschoot. In het boek kijkt ze naar haar jeugdjaren als is het een verhaal. Een waar gebeurd verhaal. Door in het meisje te kruipen dat ze was luistert Mariët nog eens weer met haar oren, kijkt met haar ogen en denkt met haar brein. De herinneringen heeft ze vanaf 1963 opgeslagen, 30 jaar later is ze begonnen deze in dagboeken op te schrijven.
Bijbelverhaal werkelijkheid geworden
Uit haar verhaal blijkt dat opgroeien in een gevangenisdorp helemaal niet eng of gevaarlijk is. Dat leven als kind tussen criminelen eigenlijk niet anders is dan zijn in welk ander dorp in Nederland dan ook. Want die rovers en moordenaars zullen wel oppassen iets kwaads in de zin te hebben, ze gedragen zich netjes om maar zo snel mogelijk vrij gelaten te worden. Het plegen van een inbraak of een overval hoort bij een ander leven, een leven buiten dit dorp, “zodat mijn moeder zodra er een gevangene op het raam van haar leuken kwam kloppen respectvol de achterdeur open kon doen en de man vriendelijk, bijna aanmoedigend, in zijn ogen kon kijken (…) en dan maalde ze extra koffiebonen, zette een ketel water op het gas en pakte het koffiefilter.”
Kortom, het leven in het met gevangenen overladen dorp is goed, misschien zelfs beter dan daarbuiten. In Veenhuizen leef je in een wereld zonder bejaarden, zonder werklozen en iedereen is een brave Hendrik. In het dorp leeft het kwaad in zijn meest ongevaarlijke gedaante, alsof het Bijbelverhaal werkelijkheid is geworden en in Veenhuizen leeuwen en lammeren toch met elkaar kunnen samenleven. “De realiteit zoals wij die in onze gevangeniskolonie ervaren, was een andere dan die in Assen of in de rest van de wereld. Daar heerst een veel duidelijker verschil tussen het slechte en het goede, daar moet je terdege uitkijken voor je medemens.”

Dat kleine meisje, die jonge tiener Mariët wil later net als zij worden, als die gedetineerden. Deze mensen waren haar rolmodellen, degenen waarvan zij vond dat ze iets te vertellen hadden over het ware leven. Het waren mensen die risico’s wisten te nemen, die een poging hadden gewaagd meer van hun bestaan te maken dan doorsneemensen. Dat is mis gelopen, want ze zijn niet voor niets in Veenhuizen terecht gekomen.
Een avontuurlijke roman
Mariët is een meisje dat met grote belangstellende ogen de wereld in kijkt. Ze beleeft de dingen zoals een kind op haar leeftijd dat behoort te doen. Doordat Veenhuizen min of meer van de buitenwereld is afgesloten, rond het dorp wordt dat buiten geweerd met bordjes “Verboden toegang”, komen de kinderen in de kolonie nauwelijks buiten hun dorp. Van de grote wereld weten ze niets, maar beleven hun eigen dingen binnen de beschermde grenzen. In die vrijstaat gelden eigen regels, zo mag je er bijvoorbeeld in het donker zonder licht rijden of een auto besturen zonder rijbewijs.
Het verhaal van binnenuit leest als een avontuurlijke roman. Het is alsof ik op de achterbank van vaders’ Dauphin meerijdt wanneer deze een rondleiding door het dorp geeft voor de dames uit Den Haag. Of dat ik naast Mariët zit op die achterste kerkbank en hoop dat er een gedetineerde net op dat moment een vluchtpoging doet. En ik kijk met rode oortjes mee in het notulenboek van het schoolbestuur.

Vooral omdat de belevenissen uit de eerste hand komen is het verhaal zo boeiend. Mariët is getuige à charge, maar haar verklaring is niet belastend voor het dorp. Juist wordt Veenhuizen in haar boek vrijgesproken van de bevooroordeelde veroordeling die de wereld buiten de kolonie eraan geeft. Ze heeft een levendige fantasie, zo schijnt het. Maar de voorvallen en gebeurtenissen zijn alle realiteit, uit het leven gegrepen. Ze schreef het ooit op in dagboeken en kan zo later van de losse einden een sluitend verhaal maken.
Spannend en boeiend
De dochter van meester Meester is een diepe denker, overpeinst de dingen van haver tot gort. Daarom is het enige dat onmogelijk waarheid kan zijn de dromen die ze heeft en beschrijft. De inbeeldingen en gedachten die een klein kind, en later de jonge tiener, heeft en beleeft bij wat ze meemaakt. De ideeën die ze krijgt, de wanen die bij haar opkomen, wanneer bijvoorbeeld haar broertje uit de zelfgemaakte hangmat glijdt en ze denkt hem vermoord te hebben. Voor de misdaad met het hert dat de plastic zak met brood in zijn geheel heeft opgegeten wordt ze elke nacht achtervolgd.

Het leven in Veenhuizen was het hele jaar door goed, is de ervaring van meisje Mariët. Maar het was ook een spannend bestaan. Spannend, niet omdat leven tussen criminelen dat is, maar boeiend omdat er onder die tijdelijke bewoners veel beroemdheden rondliepen. Zangers, muzikanten, toneelspelers, Veenhuizen was er trots op. Mariët Meester beschrijft het alles nauwkeurig, als een gedegen dochter van de plaatselijke schoolmeester. Met een scherp oog en een rappe pen, zodat de lezer niets zal missen van haar leven in Veenhuizen. Naast dat het een beschrijving is van een leven, dit leven, dat van Mariët Meester, is het tevens een geschiedenisboek. Het leven in Veenhuizen. Het vertelt het verhaal van dit dorp Veenhuizen in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. Niet van horen zeggen of opgetekend na gesprekken met bewakers en gevangenen of andere dorpsbewoners, maar de zelf opgeschreven persoonlijke ervaringen van een kind dat opgroeit in dit dorp. Want hoewel het een geïsoleerde gemeenschap is, heeft de buitenwereld er wel vat op. Want van buiten komt natuurlijk nieuwe aanwas van mensen, zo zitten de Molukkers van de kapingen in Veenhuizen en de Jehova’s die er hun diensttijd uitzitten.

Met het boek in de hand, het verhaal in gedachten, zou ik nu zo Veenhuizen kunnen bezoeken en al de plekken die erin staan beschreven kunnen herkennen. Mariët Meester is heel gedetailleerd te werk gegaan. Bijna elk huis aan iedere straat, elk bospad en iedere sloot, hebben een nauwkeurige beschrijving. En naarmate het verhaal vordert gaat het dan minder over het dorp zelf en meer over de schrijfster, haar leven. Want zodra ze van de basisschool af is gaat ze naar het voortgezet onderwijs in Assen. Dan merkt ze dat er meer is dan haar veilige dorp. Maar ze vindt zichzelf een lelijk eendje, de buitenwereld kan heel naar tegen haar doen en ze voelt zich vaak buiten gesloten.

Ze is een dwarse puber, want niets menselijks is ook een dame uit Veenhuizen vreemd. Mariët krijgt vriendjes en proeft van het wilde leven. De gebeurtenissen volgen elkaar op en stapelen het bestaan. Ze ontdekt de onbekende buitenwereld en kiest voor de grote stad. Uiteindelijk in een wild liefdesspel achter een duin bij het Esmeer eindigt het verhaal: “Met mijn ogen dicht nam ik afscheid van het slechtste, eenzaamste dorp van Nederland, dat tegelijkertijd het mooiste, het spannendste, het veiligste en het vreedzaamste was.”
Epiloog
In de epiloog komen alle figuren die in het boek voorkomen nog eens langs. Mariët beschrijft hoe het hen is vergaan in het leven voor zover dat haar bekend is. Het sluit het boek op een bijzondere manier af. Kende ik haar doen en laten al uit het voorgaande, in dit laatste hoofdstuk laat ze nog eens het achterste van haar tong zien. Veenhuizen laat haar niet los, het intrigerende dorp blijft in haar genen zitten. Ze komt ernaar terug en heeft overwogen er te gaan wonen: “de wereld staat er net zo beroerd voor als je in Veenhuizen bent, maar je merkt het daar minder, je denkt: ze dóén allemaal maar.” Voor haar is Veenhuizen qua fysieke emotie gebleven zoals deze was in haar tijd. De geschiedenis is er als het ware geconserveerd. Ingeblikt, en wanneer je dan het lipje opentrekt komt de bijzondere geur je meteen tegemoet. Met dit boek lijkt Mariët Meester haar verleden toch van zich af geschreven te hebben. Voor mij, de lezer, om begrip te hebben voor het bijzondere dorp dat terecht plek kreeg op de werelderfgoedlijst van Unesco.
KOLONIEKIND Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen. Mariët Meester. Uitgeverij De Arbeiderspers, 2022.

Leave a Reply