Eigenlijk kun je in Zuidoost-Friesland maar op drie plekken daadwerkelijk stroomopwaarts gaan. Dat is terug naar de oorsprong van de rivieren Linde, Tjonger en Boorne. De andere wateren zijn gegraven voor bedrijfsdoeleinden, hebben dus geen bron. Zijn soms na demping weer opnieuw uitgebaggerd, andere tijden andere inzichten. Een deel van de Tjonger is gekanaliseerd en recht getrokken om samen met de Opsterlandse Compagnonsvaart de in het achterland gewonnen turf stroomafwaarts naar de Compagnie, het latere Heerenveen, over water te vervoeren. Deze rivieren vormden het landschap indirect, de omgeving van de Schoterweven dat er nu gedifferentieerd bijligt. In dat landschap waar eertijds het afgraven van laagveen om turf te winnen plaats had zodat de Hollanders er warmpjes bij konden zitten, in dat landschap vinden natuur, landbouw, infrastructuur, ecologie en recreatie nieuwe verhoudingen. In dat landschap zoeken vijf samenwerkende musea de bron van het bestaan hier in dit gebied. In het culturele project Stroomopwaarts gaan Museum Dr8888, Museum Belvédère, Museum Heerenveen, Museum Opsterlân en het Nationaal Vlechtmuseum terug naar de basis. En trekken enkele randprojecten mee opwaarts tegen de stroom in.


Museum Belvédère toont uit de eigen collectie werk dat verband houdt met een omgeving, en kunstenaars die werkzaam waren of zijn in het gebied dat Stroomopwaarts zegt te bestrijken. Deze kunst wordt gecombineerd met werk van gastexposanten. “De geëxposeerde schilderijen, tekeningen, foto’s en installaties zijn alle geïnspireerd op het Zuidoost-Friese landschap of kunnen ermee in verband worden gebracht. Tezamen bespiegelen ze landschappen zoals die in Zuidoost Fryslân kunnen worden beleefd.”, lees ik op het tekstbord bij de tentoonstelling in de kabinetten van de westvleugel van dit museum. En er valt genoeg te beleven, want Belvédère heeft in haar korte bestaan al het nodige werk verzameld waarvan de kunstenaars hun ervaring bij en in de omgeving hebben vastgelegd in realistische, geabstraheerde en abstracte beelden.
Landschappelijk karakter
Er is bij de smaakvolle inrichting echter losjes om gesprongen met het onderwerp. De werken hebben alle het landschap als thema, maar dat is niet altijd de regio van Zuidoost Friesland. Natuurlijk trok Sjoerd de Vries de Deelen in en bezag Tjerk Bottema de boerderijen in Langezwaag, zette Jan van der Zee het Friese zwartbonte stamboekvee in zijn weiland en kleurt de rode zon het Friese landschap van Gerrit Benner, zoekt Tjibbe Hooghiemstra zijn bos in de Wâlden en staat de boer van Jan Mankes in het Meer bij Benedenknijpe. Maar het leeg landschap van Jaap Min kan van overal zijn maar is uit Noord-Holland en de oude Buisse Heide van Han Klinkhamer is toch echt Noord-Brabant, het vennetje waar Coen Vunderink een visstek heeft is – ik zocht het op in Google maps – bij Roden en Jan Wiegers’ boerderij staat in de hooilanden van Groningen.
Het landschappelijke karakter is volledig uitgebuit. En Belvédère kan weer eens groot uitpakken en laten zien wat er zoal in huis aka depot is. En of dat nu allemaal beelden zijn uit al dan niet deze omgeving is van weinig belang. De perceptie van de kunstenaar op het landschap is In Zuidoost Friesland of waar dan ook in Nederland en daarbuiten dezelfde. De streek wordt ondergaan, of daar nu uitgestrekt weiland tot de einder ligt of heuvels het ruime zicht beperken. En of de kunstenaar nu de realiteit zoekt of de werkelijkheid expressionistisch neerzet, de essentie in kleur en vlak vindt of het wezen abstract verbeeldt, het gevoel is even sensationeel.


De gastexposanten brengen een opmerkelijke sfeer binnen de tentoonstelling. De werken kunnen toevallig in de samenhang passen, maar zijn ook wel speciaal voor deze ruimte en dit moment gemaakt. Zo heeft Ids Willemsma een installatie gemaakt door snoeihout van de fruitbomen uit zijn tuin op de vloer uit te spreiden. Maar wel in een structuur die het aforisme van Evert Rinsema benadrukt: “de mens is van nature hoekig”. Deze uitspraak siert nog altijd de gele vluchtdeur van het museum. In dit werk wil Willemsma laten zien hoe wij de natuur naar onze menselijke hand zetten. In dit stroomgebied is dat veel gebeurd, door afgraving en ontginning heeft de mens hier bepaald hoe het aanzicht van de omgeving zou worden. In zijn kunst hergebruikt de kunstenaar restmateriaal, een soort van art trouvé: in het bestaan nieuwe vormen zien, bestaande structuren een ander aanzicht geven.
Blik van de fotograaf
Voor Dineke Oosting vormde natuurgebied De Deelen een inspiratiebron. Het gebied was vroeger werkterrein voor de veenarbeiders die turf wonnen uit het laagveen. Door afgraving ontstonden petgaten die nu door plant en dier dankbaar zijn ingenomen. Oosting plaatste op een oude landbouwmachine een stukje maakbare natuur, dat ze vormde uit onder meer varens en riet, boomstammen, takken en turf. Op oud ijzer laat zich gebakken natuur voort trekken, maar in het museum staat het voor dit moment even stil om het verleden levend te houden.

De fotografie van Mischa Keijser en Ton Broekhuis zet geen vraagtekens. Zo lijkt het. De werkelijkheid is de realiteit. Maar die realiteit is gemanipuleerd. Niet door digitale tussenkomst, maar analoog met een filter of de juiste stand en het exacte moment. De blik van de fotograaf. Dat is wachten op die tel dat de natuur zich van de beste kant wil laten zien. Die beste kant die de fotograaf interessant acht om vast te leggen. Keijser doet eerst het licht uit, of althans hij beschijnt in de nacht zijn onderwerp – doet dus eigenlijk het licht aan om voor hem het juiste detail uit te lichten, bijzonder te maken. Dat laten zien wat overdag normaal is en over het hoofd wordt gezien. Broekhuis schept een plek dat er niet is langs de rivier die van beide zijden een andere naam draagt. De Friezen zeggen Tsjonger en de Stellingwervers spreken van Kuunder. Daartussen is een denkbeeldig land, een imaginaire wereld. De gedachte bij het zichtbare. Een dramatische sfeer, een theatrale stemming.
Zware arbeid
Een samengesteld tapijt van vakken en kleuren noemt Jet van Oosten “Happy turf”. En ja, bij het zien van deze installatie wordt je blij. De turfvormen zijn op de vloer in de afmetingen van een eenpersoonsbed gerangschikt. Tussen lichtbruine tinten straalt een kleurige schakering van roden, gelen en blauwen. De zwarte en witte springen daar dan tussen uit. Het turfbrood is van stof, een gebreide doos. De zachte huid is tegendraads vergeleken met de rauwe textuur van het gedroogde veen, dat het resultaat is van in elkaar geklonken restanten van afgestorven planten. Om die te winnen voor gebruik in een warmtebron is veel en zware arbeid verricht. Deze installatie van Van Oosten geeft de geschiedenis een romantisch beeld. Een weerslag dat geen werkelijkheid is.


Naast Annemieke Harkema en Mariëtte van Erp zijn bovenstaande kunstenaars met hun werk het meest in het oog springend in deze opstelling. Maar het waterwerk van Egge Baarveld aan het begin van de tentoonstelling, een werk waar je letterlijk tegenaan loopt wanneer je de zaal binnenkomt, is heel heftig. Het is verrassend aanwezig. Het kan een omgeving zijn van overal, maar is vooral het landschap van de depressieve gedachten. Naast luguber en onheilspellend is er ook hoop en verwachting. Bomen zijn schaduwen van zichzelf, het water is onzichtbaar diep en de atmosfeer trilt als een riet. Maar linksboven werpt de zon de blik in de compositie, het licht wordt in de waterspiegel gereflecteerd. Er is licht aan het eind van de tunnel.
“(…) The ground itself is kind, black butter / Melting and opening underfoot / Missing its last definition / By millions of years / They’ll never dig coal here / Only the waterlogged trunks / Of great firs, soft as pulp / Our pioneers keep striking / Inwards and downwards / Every layer they strip / Seems camped on before / The bogholes might be Atlantic seepage / The wet centre is bottomless.”
De kern van dit gedicht van de Ier Seamus Heaney, voorbij de overlapping van verleden en heden, is de tijdloosheid van de natuur. Die tijdloosheid verbeelden de kunstenaars waarvan werk te bekijken valt in Stroomopwaarts bij Museum Belvédère. Een voorproef op het komende collectieboek. Een kunnen van bekwaamheid van de inrichter en samensteller van de tentoonstelling. Sta ik buiten zie ik rondom de luchten van Jentje van der Sloot, de lisdodden van Ronald Zuurmond, de knotwilgen van Dick van Arkel, de paarden van Jan Altink, de mistige einders van Willem van Althuis en het vretende licht van Christiaan Kuitwaard.
STROOMOPWAARTS, daar waar eens, daar waar nu… Groepstentoonstelling met werk uit de eigen collectie gecombineerd met dat van gastexposanten met het landschap als inspiratiebron. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen / Oranjewoud.

Leave a Reply