Ik ben de maan, Rudolf, aangenaam

Van een afstand denk ik het aan te zien. Zoals het lezen van een boek is, er fysiek geen deel van uit te maken. Het aanhoren van een verhaal, zonder als figuur een bouwsteen te zijn. Lezen en horen wat de hoofdpersoon zoal wel doet en niet laat. In monoloog wanneer hij of zij in zichzelf is, de persoon in de omgeving wordt beschreven. De dialoog in de ontmoeting met anderen, de figuren lijdend voorwerp zijn. Maar altijd staat het buiten mij. Meevoelen kan ik, mijn gedachten kunnen overeenkomen met de idee van de schrijver. Situaties werken als déjà vu, dat kan. Voorvallen invoelen.

Deze keer sta ik niet van een afstand te kijken. Wil ik dat wel, kom ik niet verder dan de kaft en blijft het boek gesloten op tafel liggen. Meteen op de eerste pagina van “O Rudolf” namelijk vraagt de auteur mij om actief deel te nemen aan het verhaal, in het boek. Wanneer ik het dus opensla ben ik het verhaal. Had ik het maar dicht gelaten? Het is intrigerend, arglistig door Ineke van Doorn in beeldtekst uitgewerkt. Zij laat het verhaal tot leven komen in haar tekeningen. Maar ook de tekst blaast al adem in het figuur. Die tekst is in een speels lettertype uitgeschreven, als gezette letters in een oud boek. Er is gestoeid met diverse groottes, cursieven en vette aanzettingen. Verlangend naar een glyph, een teken dat met één of twee pennenstreken te noteren is. Een beeldmerk. Van Doorn schets en tekent, arceert en vult de bladzijden tot een levendig verhaal waarbij de tekst in deze weergave onderdeel van het plaatwerk is.

Beeldvorming

Het personage Rudolf is een bestaand persoon. Wanneer ik het boek eerstens opensla en de teksten en beelden beschouw, ga ik ervan uit dat het een vertelsel is. Een verzonnen verhaal. Maar, zoals dat meestal is met zich serieus achtende literatuur, dien je de woorden vaker en overdacht te lezen om de diepere laag aan te boren. “Achter de pilaren loert het zwart. Iets anders neemt het roer over. Is wroeten in het loodzware, de zin van mijn leven?” En nog eens weer overlezen, en weer. “Ik wil dieper, dieper de nacht in.” De illustraties helpen bij de beeldvorming. Eerst raak ik van de wijs, volg ik de getrokken lijn niet. Ga ik dan nieuwsgierig geworden op zoek naar de waarheid, de echtheid, dan blijkt de hoofdpersoon een historisch figuur. Of hij dit of dat zo en aldus heeft beleefd is daarbij van minder belang. Het mysterie rond geschiedenis en persoon mag realiteit blijven.

Ineke van Doorn

De schrijver vraagt mij de maan te willen zijn, zij doet of ze de zon is. Door haar verhaal beschijnt ze mij. Eerst als nieuwe maan. Maar hoe verder ik vorder door de bladzijden in het boek, hoe meer ik begrijp, was ik tot eerste kwartier en volle maan. En ja, daarna zou ik weer krimpen tot laatste kwartier en asgrauwe maan. Maar die cyclus voltrekt zich in dit geval niet, wanneer ik het verhaal doorzie blijf ik in het volle licht van de zon. Blijf ik onder de aandacht van Ineke van Doorn, houd ze mijn concentratie op Rudolf en zijn levensverhaal scherp.

De zon is dus de ik figuur, de historicus die de geschiedenis heeft bedacht. Ik ben de maan, de lezer die zich laat meevoeren in feit en voorval. Althans dat is de opdracht van de ik, aannemende dat dit de schrijver is. Het gaat over haar vader, die ik dus ben. Die vader is schijnbaar de alchemistische keizer, die leefde ergens in de middeleeuwen. Een raadselachtige vertelling waarbij ik op de eerste pagina al op een verkeerd been sta. Ik schrijf vraagtekens tussen de regels door. Maar blijf bij de les en doorzie gaandeweg de vertelling, denk ik.

Je-vorm

De afstand van zij de zon en ik de maan is de verwijdering van die ster op het toneel en ik als toeschouwer in de zaal. Naar mate het spel voortduurt, zich voltrekt en afspeelt, wordt de kloof gedicht en straalt de vervreemding vertrouwen uit. Want meteen ben ik dus die hoofdpersoon in het verhaal, de vader waar Ineke van Doorn over vertelt. Ik ben die Rudolf. Het verhaal is in de je-vorm geschreven. Dus ik voel me aangesproken en trek zijn met kant versierde jas aan, zet zijn met edelstenen versierde muts op, kruip in zijn huid. Praag is mijn  geboortestad ooit toen en daar sterf ik in de volgende zin. Zo kent mijn leven al op de tweede pagina een afgebakende periode.

Ineke van Doorn

Je grootvader was ook keizer, je vader, stierf aan hartaanvallen en nierkolieken, je moeder baarde zestien kinderen, je oom zal trouwen met je zusje.” Ik ken mijn plek. “Je gaat niet naar de bruiloft.” Van Doorn bepaalt wie ik als lezer ben en welke rol ik speel. Mijn handel en wandel is door haar uitgezet. Maar ieder ander die de beeldtekstbundel leest heeft eenzelfde ervaring, realiseer ik mij. Rudolf is daarmee universeel, door iedereen persoonlijk naar wens in te vullen. Het verhaal blijft dan wel hetzelfde, de beleving is van een andere aard. Maar ik moet uitgaan van mezelf, ik heb geen ander persoon dan ikzelf bij me en binnen handbereik. Me, myself and I. Rudolf.

Volksverhaaltje

Het is een mysterieus verhaal dat zich afspeelt in een duister verleden, een vertelling opgelicht en verhelderd door de erbij geplaatste tekeningen. Mijn burcht  is omgeven door drie grachten en een hek. Buiten de poort dwalen reuzen, narren en dwergen. Alchemisten zoeken ingang om mij een les te leren. Ik heb een grote liefde genaamd Isabella, zij geeft mij raad en daad, en stuurt en leidt mij. Ik wil goud maken, de hemel op aarde brengen, de nieuwe mens vormen en deze Frederik noemen. Daarvoor plaats ik de sterren in de juiste stand. Ben ik Galileo Galilei, Isaac Newton of Eise Eisinga in mijn kabinet, een alchemistisch keizer op de troon of bezie ik mijn verleden in de macrokosmos? Ik pieker tot de sterren als in het zonnestelsel om mijn krakende hoofd draaien. Ik ben Rudolf II en ik ken Johann Kepler, de astronoom. Ik leef in mijn eigen tijd en beleef de uren als in een sprookje. Maar ik ben echt, geen verzinsel, nauwelijks de hoofdrol van een volksverhaaltje. Zo lees ik echter het verhaal van Ineke van Doorn wel, als een vertelsel. Een dubbel laags droombeeld. Een fantasie met meerdere bodems. “Het is goed om alles in een nieuw licht te plaatsen.” Ik hoef op deze plaats echter het verhaal niet te duiden, geen betekenis te achterhalen. Voor iedere Rudolf zal de waarheid in een ander midden liggen.

Ineke van Doorn

Verschillende personen willen ondertussen het verhaal binnengaan, maar niet elkeen krijgt de sleutel van het maankastje. Daar zou ik in verscholen willen zitten om de zaak aan te kijken, van een afstandje. Maar, ik ben Rudolf en verzamel klokken om de tijd gevangen te houden. Dat bedenk ik zelf als lezer om mijn eigen ik plek te geven. Dat feit licht ik uit de bladzijden van het boek op, maar weet niet of het waarheid is. Mijn blik vernauwd waar die van Rudolf zich verbreed. Ik voel de waanzin die hem bekruipt, de onzin die zijn gedachten insluipt. Hij is een geestig mens. Ik? Want ik ben Rudolf meent Ineke.

Geen beeldroman

In die woorden heeft hij, heb ik, een nieuw mens gemaakt. Niet naar het rangschikken van de sterrenstand, maar samen met zijn/mijn geliefde. Dit resultaat, deze dochter is dol op chocolade en taart. Ze heeft een hartje van goud, want dat wilde ik ook maken, goud. Ze is mijn steen der wijsheid waarnaar ik als Rudolf op zoek was. Rudolf en ik, ik en Rudolf, wie is nu eigenlijk wie. Neem ik afstand of wordt ik hoofdpersoon. “Hoe is het om de zon van leven te zijn?

Ineke van Doorn

De uitgave “O Rudolf” is geen beeldroman, maar een verbeeld verdicht verhaal. Maker Ineke van Doorn is daarin tekstschrijver en beeldtekenaar, waarbij het beeld een eigen leven heeft naast de tekst. Het één is geen illustratie van het ander en het ander is geen commentaar op het één. Beide ambachten, kunsten zo u wilt, vertellen het verhaal van Rudolf op een eigen manier. Beeld sluit niet naadloos aan op de tekst, maar als lezer zie je wel het verhaal zich vormen door het boek bladerend. Zelf een beeld maken van hoe Rudolf lijkt of de andere personen schijnen te zijn is niet mogelijk. Van Doorn tekent ze mij voor, schetst persoon en omgeving. Het is afbeelden en beschrijven, deze twee-eenheid waardoor ik speels in en door het verhaal wordt getrokken, als vanzelf.

Illustratrice Ineke van Doorn is voor het beeldverhaal geïnspireerd door een fotoboek van de stad Praag lees ik op haar website artstories-ineke.com. Een album “met zwart-wit foto’s uit de jaren 50. De stad, met boven op de berg de burcht van Rudolf II. Aan de voet van die berg ligt het gouden straatje waar ooit de alchemisten woonden.” In die sfeer en met die stemming, dat gevoel, is de belevenis geschreven en gelezen. De foto’s in het album ken ik niet, maar ik kan me een beeld vormen bij de sensatie die de kunstenaar voelde toen ze de platen zag. Als vanzelf kreeg het verhaal vorm en begon die tijd van toen voor haar te leven. Het beeld van de jaren 50 werd moeiteloos in de renaissance vertelling geplaatst. De klassieke oudheid haalt ze terug, het sprookje wordt wedergeboren in haar parabel.

Ineke van Doorn

Ik kan het lezen als een onderhoudende vertelling met vermakelijke plaatjes, maar ik kan het ook zien als een spiegel die me wordt voorgehouden. Het is dan nog even zoeken naar het spiegelbeeld, maar de hang naar een ontdekking, een uitvinding, goud, wijsheid, de nieuwe mens is van alle tijden. Ook nu nog tegenwoordig wordt een hoger goed nagestreefd, dat meestal een luchtkasteel blijkt, een fata morgana. Het streven leidt tot een krankzinnig wereldbeeld. “Het dier moet mijn demonen verslinden!” Het kan alleen terug in balans komen door een natuurlijke invulling: de nieuwe mens is de kei van een dochter met een hartje van goud. Drie vliegen in één klap.

O Rudolf, alchemistisch keizer. Ineke van Doorn, tekst en beeld. Uitgave: WOEZ, het beeldtekstplatform van Uitgeverij Opwenteling. 2022.

Ineke van Doorn

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *