Voor Al. Moet ik me aangesproken voelen? Ja, natuurlijk. Ik ben de lezer. Ik ben één van al. Member of the pack. Het boek spreekt mij aan. Een en al oog. Dat wel, maar eigenlijk ook weer niet. Want de hoofdletter zegt dat het een persoonsnaam is. Al als in Albert of van Alexander. Dan is een beperkte oplage voldoende. En blader ik in een “geheim” dagboek. Het geheimzinnig zijn als dat van Al. Na beschouwing is duidelijk dat dichter, kunstenaar en allesmenger Arnoud Rigter zijn bundel beeldpoëzie heeft opgedragen aan pa Harrie en ma Boukje. De ouders die hem niet lang voor deze zijn ontvallen. Het zijn zijn al. Zijn allesie. Om niet te vergeten. En verder is het bijzondere kunstwerk voor ons allen. Voor Al. Tot in de eeuwigheid ofwel de oneindigheid. Ik mag ervan genieten, het beleven.
Tantaluskwelling
Voor Al is vooral een boek om te kijken. De taal, het woordgebruik is summier maar wel aanwezig. Twee gedichten illustreren de beelden. Het draait in het boek eerstens om die beeldtaal. De woordtaal is van ondergeschikt belang, maar niet weg te denken. Het houdt steek en hangt samen, woordvorm is onderdeel van de plaat zoals lijnen en vlakken dat zijn. Voor deze veelkleurige voorstellingen gebruikt Rigter de fotografie als techniek, met behulp van de digitale beeldbewerking maakt hij intrigerend plaatwerk. Tussen de beweging strooit hij letters en cijfers, emojis en symbolen. De tekst binnen het beeld wentelt zich op en neer. Formules om het zijn te duiden, het plan van aanpak het leven vorm te geven. In dit abstracte denkbeeld schuilt geen reële wereld, de oneindigheid is geen werkelijkheid. Het is dat wat bestaat in de geest. Een tantaluskwelling: als ik nu, zal het kunnen, als het toch eens was, hoe zal dat zijn. De eeuwigheid. Met die gedachte lijkt me, heeft Arnoud Rigter het boek gemaakt. Die beelden van de oneindigheid hebben door zijn hoofd gespeeld. Op papier kan het, in theorie is het mogelijk, kan alles, het al. De lezer, de belever, maakt de theorie tot praktijk door op te gaan in het boek, mee te gaan in die gedachte. Het is betrekkelijk, want zodra het boek dichtgaat en terug in de kast gezet, is de eeuwigheid eindig, houdt de beweging stil. Maar voor even in mijn eeuwigheid, voor de duur dat het boek dubbelzijdig dik is en eens weer, ben ik onderdeel van de tijd die geen einde heeft in de optiek van Rigter. Het boek is geen gedichtenbundel of geïllustreerde persing, het is een kunstwerk op zich en in zichzelf. Het is een avontuur er deelgenoot van te mogen worden, een belevenis er bezit van te hebben.

Voor Al is een aldoor durend kijkproces. Er is een begin, maar eigenlijk nergens een eind. Vanaf de laatste bladzij draai ik het boek om en begin opnieuw. Het omkeerboek heeft twee helften in een doorgaande lijn. Ik krijg de groeten van en doe de groeten aan, de oneindigheid. Helft 2 vloeit, denk je het eind gevonden te hebben, naadloos over in Helft 1. In een doorlopende beweging, als de wijzers van de klok die hun rondes draaien. Dan lees je nog een tweede keer, ik lees het weer. Heen en weer sluiten nauw op elkaar in beelden. Mijn ogen duizelen over de bladzijden. Het gaat constant door, dat kan. Als in een cirkel. Bij de cirkel is het begin het eind, waar je bent begonnen kun je eindigen om de draaiing rond te maken. In één beweging. Eenmaal ingestapt is het eind ook weer het begin.
Eeuwig leven
In het boek vind ik veel cirkels, wentelingen, duizelingen. Het verhaal is niet eindig, het beeld gaat eeuwig door. Zo zou een leven moeten zijn, voor pa, voor ma, voor al. De vertelling, de beelden en de woorden daarbij, beschrijft daarom geen enkel leven maar een eeuwig leven. Willen we dat niet allen, voor altijd en eeuwig hier zijn. Want in dat niets moeten zijn, later – ooit, maakt onzeker, we willen ons niet losmaken uit de cirkel. Maar ergens wordt je wel ooit uit die malle molen gedrukt als de puberende karekiet die door het koekoeksjong uit het nest wordt gegooid. Dan is het eindig, maar voor enkelen een nieuw begin.

Maar zolang ik inwoner ben van dat gekkenhuis waar Rigter mij toegang toe geeft, draai ik door met de cirkels en surf op de golvende lijnen. Meteen al op het omslag raak ik in de ban van de oneindigheid. Voert de cirkelgang mij binnen in het mysterie van de kringloop. Er waait een krachtige wind die zich manifesteert in een tornado, de hete adem vergloeit in vlammende tinten. De grond onder mijn voeten lijkt te beven – 7 op de schaal van Rigter. Ik raak van mijn stuk, niets blijft overeind in mijn denken. In het boek word ik meegezogen door de draaikolken die me almaar dieper voeren in dit universum, dit heel al.
Synchroon en parallel
Het boek heeft dus een begin en geen eind, zolang ik besluit het niet dicht te doen. Dat sluiten betekent dan een onderbreking van de fysieke cyclus, maar in het boek blijft het abstract doorgaan, al tijd. Ik start met lezen op pagina 1 nadat het omslag me naar binnen heeft getrokken, gezogen. Het is de pagina -3 voordat op 0 ik de groeten krijg van de oneindigheid en na 1 de hel losbarst. Maar de profetie dat we ooit onsterfelijk leven door draaien heeft geen eind, niet anders dan ik denk op dat moment een andere invulling van mijn tijd te wensen. Dan leg ik het boek terzijde, maar er is nooit een moment dat het uit gelezen is. Telkens kan ik in gedachten de oneindigheid opnieuw betreden of ergens halverwege in het boek verder gaan waar ik was gebleven. Is eeuwigheid oneindig, is oneindigheid eeuwig. Synchroon en parallel, rond en rond, door en door.

Achter iedere deur die ik open is een andere deur om dicht te doen. De eeuwigheid heeft een Droste effect waar geen eind aan lijkt te komen. De zuster die telkens opnieuw in beeld komt in het blik op haar dienblad. Een spiegelbeeld dat in zichzelf blijft spiegelen. Een draaikolk waarin geen bodem lijkt te zitten. Ik doorleef een eeuwig durende val in de put en langs het ruim door Arnoud Rigter ingericht. En steeds kom ik langs andere werelden, trekt de een nog mooier dan de andere aan mijn ogen voorbij. Er is wel een bodem in de put, een zwart gat in het ruim dat helder wordt wanneer ik het nader. Daar diep beneden wordt ik als door een trampoline terug gekaatst naar het licht aan het eind van de tunnel, dat geen afloop blijkt te zijn. Want de zwaartekracht trekt me weer de ruimte in, de vloerloze put waar geen grond is om op te staan. In een vicieuze rondgang, een begin zonder einde.

Schiet de tijd uit de eeuwigheid ontstaat er een ordelijke wanorde. De cirkel komt los van het draaien, lijnen die vormen dwalen door de ruimte. Het boek is op twee soorten papier gedrukt. De cyclus van de tijd is veelkleurig op glossy papier geprint. De formulering van de chaos staat zonder kleur op een matte drager. Uit de duizelende omwenteling kom ik in het hart even los, doorzie de beeldtaal die weerklinkt en zich telkens opnieuw manifesteert. De woorden glijden dan weg in de tijd, worden minder vatbaar, onleesbaar. De formule houdt het geheel duidelijk bij de les, het al, de oneindigheid.
Het is een duizelingwekkend boek, waarvan het doel en de zekerheid niet altijd duidelijk zijn of te herkennen. Het gaat in deze ook niet om de uitdrukking, maar om de indruk die het achterlaat, om het gevoel bij de voorstelling. Beelden zeggen meer dan woorden, maar toch blijven oneliners me extra bij. De poëzie is kort en krachtig. Diepe gedachten die de beelden oproepen. Zo had ik nooit gezien, zo heb ik het nooit gezegd. Maar het is waar: een dief is ruimdenkend op het gebied van bezit, zoals een parachutist dat is op het vlak van zwaartekracht. Zonder valscherm duizel ik in de gapende oneindigheid van Rigter. Het voelt fijn in gedachten gewichtloos de eeuwigheid in te gaan.
Voor Al. Beeldgedichtenbundel van Arnoud Rigter. Uitgave Woez, het beeldtekstplatform binnen uitgeverij Opwenteling, 2022.

Leave a Reply