In de kunst is het een komen en gaan van stromingen. Zo zoals de getijden eb en vloed elkaar opvolgen in golfbewegingen, af en aan. Meestal is een nieuwe beweging een reactie op de richting die daaraan vooraf ging. Het grijpt terug naar een manier van uiten van daarvoor of doet een stap vooruit in de tijd. Zo is de kunst voortdurend in beweging. Vindt zichzelf opnieuw uit of herhaalt op een eigen manier de vorm die ooit geweest is. Maar altijd als antwoord op een bestaande welhaast uitgekristalliseerde stroming. Maar ook wel als reactie op de wereld en de maatschappij. Kunstenaars kijken verder dan de massa, zijn daar veelal haastig op vooruit waarna de rest stapvoets volgt. Ze lopen in de voorhoede, vormen de kopgroep. Anderen spiegelen zich aan hen en volgen op, komen na, vloeien voort.
Realiteit niet langer belangrijk
Vooral in de wisseling van de eeuw, 1899 naar 1900 – de belle epoque is voorbij in de fin de siècle, denken diverse kunstenaars in een andere richting dan te doen gebruikelijk op dat moment. Het is een periode van toenemende industrialisatie, technologische veranderingen, urbanisatie en stijgende sociale verschillen. Kortom de maatschappij wil voorwaarts, op weg naar de toekomst. Het is een tijd van vooruitgangsdenken en nieuwe ontdekkingen. Ineens kan er zoveel meer. Maar er dreigt ook veel verloren te gaan. Het lijkt erop dat het kind met het badwater zal worden weggegooid. Maar is dat niet van alle tijden: zodra er iets nieuws opkomt is men bang dat het oude verloren gaat.
In die smeltkroes van ontwikkeling kloppen verschillende kunststromingen aan de deur. Op dat moment eigentijdse kunstenaars die het anders willen doen dan hun voorgangers. Experimenteren met andere materialen en vormentaal. De abstracte kunst krijgt zijn beslag. De realiteit is niet langer belangrijk, er wordt afstand genomen van de werkelijkheid en van de absolute figuratie. Lijnen en vlakken absorberen het herkenbare beeld. De verbeelding wordt aangesproken. Deze abstracte kunst als paraplu kent vele stijlen die daaronder schuilen, het lijkt erop dat iedere kunstenaar een eigen heilig huisje bouwt.

Voor het symbolisme, een stroming als reactie op voornamelijk het impressionisme, is de realiteit ook minder van belang. Het gaat om de emotie van de kunstenaar. De min of meer realistische uitdrukking staat symbool voor het onderbewuste, het ongewone en het onverklaarbare. De schildering, dan wel het ruimtelijke beeld, is een poort naar de niet-zintuiglijke wereld. Het lijkt een natuurlijk beeld, maar het verwijst naar innerlijke en irrationele ervaringen, droombeelden. Verbeeldingskracht, spiritualiteit en intuïtie staan centraal. In de realiteit van de symbolist ligt een abstract beelden.
Manier van denken, beschouwen
Het symbolisme is geen stijl maar een benadering, het draait niet om de vorm maar om de inhoud. Er is een sterke hang naar het verleden. Het wortelt in de romantiek, een stroming die rond 1800 ontstaat als tegenbeweging voor de overwaardering van rede en objectiviteit. Vooral in katholieke landen leeft het symbolisme. De roomse kerk die overstroomt met beelden als symbolen van religiositeit. In die omgeving voelt een symbolistisch kunstenaar zich thuis. De beelden staan minder voor personen dan voor een manier van denken, beschouwen.

“Symbolistische dichters roepen liever de maan op dan de zon, liever de herfst dan de lente, liever stilstaand dan snelstromend water en liever regen dan een blauwe hemel”, schrijft filosoof en kunsthistoricus Michael Francis Gibson: “Ze klagen over treurigheid en verveling, over teleurstelling in de liefde, over machteloosheid en over matheid en eenzaamheid. Ze zijn bedroefd omdat ze ondervinden dat ze in een wereld leven die in doodsnood verkeert”. Zo kunnen ook de werken van schilders en beeldhouwers die het symbolisme aanhangen worden omschreven. Beelden en beeltenissen die de serieuze kant van het zijn in alle vertroebelende benauwdheid helder maken.
In de uitgave “Symbolisme in Vlaanderen” gaat auteur Piet Boyens in op de eerste generatie kunstenaars in Sint-Martens-Latem. In deze kunstenaarskolonie draagt het nauwe contact tussen de leden bij tot een diepere, spirituele verstandhouding en specifieke coherentie. Er is echter geen sprake van een Latemse school. Niemand van de kunstenaars is bereid geweest het individuele op te offeren aan een collectieve opzet, volgens Boyens, niemand heeft ernaar gestreefd om een esthetisch programma te formuleren of om samenwerking aan doctrinaire regels te binden.

Piet Boyens, kunsthistoricus en archeoloog, bestudeerde het kunstenaarsdorp in Vlaanderen en schrijft met zijn uitgave een standaardwerk over deze beweging in het stroomdal van onze zuiderburen. De publicatie gaat samen met de tentoonstelling over het symbolisme in Het Noordbrabants Museum. Gezien de vele foto’s die talloze voorbeelden van deze Latemse groep beelden kan het gezien worden als een catalogus. Diverse van de afgedrukte werken zijn in de tentoonstelling gehangen.
Weg uit dagelijkse doen
Boyens schrijft zoals de symbolisten denken. Hij volgt de lijnen die de schilders zetten en de beeldhouwers vormen. Zijn vingers glijden als het ware langs de contouren van ‘De Verloren Zoon’ of ‘Treurende Moeder met Twee Kinderen’ om de emotie van de kunstenaar te doorvoelen, zich eigen te maken. Zijn blik volgt de melancholische vlakken van de schilderijen ‘Winterstemming’ en ‘Deeske op het Veld’, zo stapt hij figuurlijk binnen in deze kunst. Met zijn tekst neemt hij mij letterlijk aan de hand mee de ruimte in, het landschap dat staat voor een manier van denken. “De drang om de tijd te overwinnen en eeuwigheid te scheppen noopt tot een vlucht uit de realiteit van het dagelijkse leven. Het nauwe contact met de natuur spoort hen aan een verborgen betekenis te hechten aan wat door de zintuigen wordt waargenomen”, schrijft Boyens. Met de tekst en de afbeeldingen in het boek over het dorp en zijn kunstenaars ben ik even weg uit mijn dagelijkse doen, leef voor een moment boven de werkelijkheid.

De schrijver gaat uitvoerig in op een drietal kunstenaars van het dorp Sint-Martens-Latem. Hij geeft een beknopte biografie en behandeld gedetailleerd enkele van de kunstwerken. Daarmee geeft hij een compleet beeld van de stroming, omdat deze kunstenaars min of meer pionier zijn van het symbolisme in België en symbool kunnen staan voor de beweging als geheel in Europa. De beeldhouwer-illustrator George Minne weet zich vol visuele verbeeldingskracht te spiegelen in de art nouveau. Hij onderbouwt de grote levensvragen met een overheersend gevoel van smart en melancholie. In een kluwen van ongeremde vegetatie en haarstrengen plaatst hij uitgebloede menselijke figuren. De blik tuurt op oneindig, de mimiek heeft een verstilde ernst. De tekeningen eerst keren in zichzelf en stemmen treurig. In zijn beeldhouwwerken weet Minne eenzelfde krachtige getuigenis van het lijden en sterven te geven. In het lijnenspel van lijven is de druk van het leven te herkennen, de zwaarte van het zijn.

Valerius de Saedeleer is een schilder die weemoedig vooruit ziet. Hij grijpt wel terug op het verafschuwde impressionisme, waarin tijdelijkheid de natuur binden aan het ogenblik. Maar geleidelijk aan brengt hij zijn eigen innerlijke vrede in beeld en breekt met het verleden. Hij laat zijn fantasie dwalen in een grenzeloze wereld en ik zwerf met hem mee. Maar telkens blijft er wel een beklemmende dreiging boven de horizon hangen, een niet te omschrijven onheil in het verschiet. En het is er altijd een late herfst in het landschap van De Saedeleer, of een vroege winter. De bladeren zijn van de bomen gewaaid, de lucht kleurt met de weemoed van het najaar. Een besneeuwd landschap maant tot inkeer en verbant gevoelens van onrust en gejaagdheid, weet Boyens. Voor een kunstenaar die speurt naar de ziel en de structuur van het landschap komt de sneeuw als een zegen. De Saedeleer is bomenschilder bij uitstek en weet in de ontbladerde kruin de invloed van het japonisme, dat een rage was in de fin de siècle.

De stille in zichzelf gekeerde Gustave van de Woestyne opent mijn ogen voor het gemoed. De innerlijke beweging die gestold achter de indringende ogen van zijn portretten schuilt. Deze kunstenaar weet tastbaar de stemming te maken. Het gelaat draagt sporen van leven, de blik is welhaast nooit op de toeschouwer gericht maar tuurt peinzend voor zich uit. De afgebeelde boeren en andere werklui zijn zo in zichzelf gekeerd als blinde personen dat zijn. Van de Woestyne portretteert daarom ook de in zichzelf opgesloten mens die geen beelden heeft. Ze staan symbool voor zijn eigen geestesgesteldheid, de onmacht van het leven. Later vindt ook hij in de ontbladerde boom een uitdrukking, waarna het expressionisme door zijn werken dwaalt.
Verderop in het boek krijgen de kunstenaars Albert Servaes en Jules de Praetere nog kort aandacht, waarna Paul Boyens een beknopt overzicht geeft van het diepere wezen van de kunstenaarsgroep. Deze in de tijd zet, de tegenwoordige tijd van dat moment en de invloed op onze toekomstige hedendaagse tijd. Het dorp vormt hen als mens en verdiept hun kunst. Het boek bespreekt de eerste Latemse generatie, wegbereiders van het symbolisme in Vlaanderen. Zij maken het concept, ontwerpen de stroming bij wijze van spreken, maar laten een ieder de vrijheid in experiment en aanpak een eigen invulling daaraan te geven. Het is wel een samenhangende groep, maar ieder gaat een eigen weg. Als eenheid treedt men niet naar buiten. Toch draagt de artiestengemeenschap hun droom van natuur en kunst verder de tijd in. Het historisch belang van de Latemse meesters mag dan laag zijn, de intrinsieke waarde is van een hoog peil.
Symbolisme in Vlaanderen, de eerste generatie kunstenaars in Sint-Martens-Latem. Tekst Piet Boyens. Uitgave Het Noordbrabants Museum ’s Hertogenbosch / WBOOKS Zwolle, 2022.

Leave a Reply