Hoever moet je reizen tot je thuiskomt. Deze zin lees ik ergens tussen de regels door in de bundel “Onderuit” van dichter Hans F. Marijnissen. Hoever moet ik in gedachten reizen voordat ik de beeldspraak in de gelaagdheid van zijn gedichten aanvoel. In elk geval 144 pagina’s ver de aandacht bij de les houden. Namelijk pas na 72 aaneengesloten dagen heeft Marijnissen in 72 gedichten, 72 commentaren en 72 voetnoten de wereld van zich af kunnen schrijven. En ik deed er nog eens 72 dagen over om thuis te komen in het zijn van deze experimentele dichter. “Poëzie maakt het onzichtbare zichtbaar. Poëzie is vinden wat je niet zocht. Poëzie is vooral: niet zoeken.” Met deze wijze woorden als handleiding en reisgids stap ik in de stoomtrein om van hier naar daar te komen – van mijn idee in zijn inspiratie te gaan, van souterrain op te klimmen naar het dakterras – vol verwachting de eerste regels te lezen en geheel bevredigd de laatste uit te spreken. “Troostweken / Het is verdrietig, / dat je dit zomaar naïef, / onbevangen kunt handhaven, niet meer van nu” en “Oewoe-oe-u-u… Ergens verderop wordt een volgende generatie geboren onder een avondvullende Melkweg”.
In het nu leven de toekomst verwachten
De dichter verdrinkt in zijn gedichten niet in het afscheid, lost niet op in verlatenheid, zakt niet weg in neerslachtigheid. Kortom hij gaat niet onderuit, zoals de titel van de bundel doet vermoeden. Hij heeft geen verdriet om de actualiteit van het moment in die 72 dagen te beleven. Is wel triest en ingetogen, maar woordklank en versmaat houden hem er bovenop. Hij staat in zijn woorden op tegen regels en heersende machten, analyseert aan zijn open raam naar de wereld feilloos wat er gaande is daarbuiten in de mengelmoes van stand en tegenstand. Voor zichzelf lost hij die levensloop op, naar mij toe schrijft hij het uit in tweemaal 72 maal tweemaal 18 impressionistische regels. Notities, schetsen, in een onafgebroken reeks. Geschreven, herlezen, overhoop gegooid en opnieuw begonnen, puzzelen, observeren. Voorzien nog van commentaar in expressionistisch geschreven voetnoten. Het getal 72? Dat staat voor zijn leeftijd. Maar hij kijkt niet terug in weemoed, maar leeft in het nu en verwacht de toekomst.
Het keurslijf om iedere dag in die projectcyclus een gedicht te schrijven, de poëzie te bedrijven, is ook een ruggengraat. Vol van het heden om naar de toekomst toe te leven. Onder zijn handen ontstaat als het ware de biografie van dat moment, van die dagen, deze tijd. Letterlijk is Marijnissen daardoor niet onderuit gegaan, hij weet zich staande te houden door cynisch en met omfloerste humor de waan van de dag van zich af te schrijven. Figuurlijk ging hij plat door de angst, die hij dapper weglacht in wollige woorden en abstracte aanwijzingen. Hij slaat de treurigheid in het verlies van zich af met een woordenmepper, maar de rouw komt terug als een boemerang. In het souterrain zit hij te kniezen, maar de dromen helpen hem hogerop te komen. Langs de trappen naar volgende etages van rouwverwerking om het zielenheil terug te vinden.

“Poëzie is jazz met woorden, / zinnen en de spaties daarbinnen. / Improviseer twaalf maten, nu. / en nog eens twaalf. / Tweeënzeventig, nu!” Marijnissen is bij dichter te zijn ook muzikant. In de composities houdt hij strak de maat, door deze op de trom te slaan en ritmisch op papier uit te schrijven. De strakke hem zelf opgelegde maatvoering in deze gedichtenbundel past hem als de stokken van de slagwerker, de handen van de percussionist. In de kelder van zijn bundel verwerkt hij een gemis, zit neer en ziet zijn einde naderen. Het onheil staat vast, dat onomkeerbaar ongenoegen schreeuwt de dichter van zich af in hemelbestormende verzen. Want “het valt niet mee om eenmaal te leven / Ik ben niet meer dan eenmaal 72, / vier keer achttien. / Een zinloze waarheid, / zinloos als bidden dat je niet zult sterven.”
Het leven vrolijk tegemoet zien
De gedachtenbundel staat als een huis, gebouwd een herenhuis met van beneden naar boven een souterrain, parterre, etages en dakterras. Iedere laag, elk hoofdstuk, herbergt 18 liederen en heeft een eigen emotie. Gaandeweg de trappen op naar boven raakt Marijnissen uit het slop, ziet het leven meer vrolijk tegemoet en kan uiteindelijk met een lach en een traan een blik werpen van boven naar beneden. In die kelder nog vertaalt hij in versvoet het eens gebroken leven van zich af. De duisternis van de ruimte onder het maaiveld gebruikt de dichter om bedekt te schelden, stil te vloeken, de pijn en het verlies af te schrijven. Niet door te halen, maar te verliezen om de onrust te smelten.

Vanuit zijn zolderraam, alwaar hij uiteindelijk belandt, volgt hij het nieuws in de actualiteit om letters te zetten en zinnen te vormen. Alles wat gehoord en gezien is kan inspireren en aanzetten tot regelgeving in de zin van verzen dichten. Zijn zingeving is een ingeving die ritmisch om de waarheid draait en met mijn werkelijkheid de tango danst. (Be)grijpbaar herken ik de bedoeling, doorzie ik het vers. Ziekten en gebreken klinken door in het souterrain. Parterre lopen de spanningen op. De tijd van op zichzelf en het virus aangewezen zijn duurt te lang, de mensen raken oververmoeid en wantrouwen alles en iedereen. Kranten worden doorgenomen, praatprogramma’s bekeken, de dichter reageert op ontkenners en vluchtelingenstromen. “Het juiste antwoord / op afwachtende vragen / is een wedervraag” en “Niet alles lezen, het nieuws vindt jou toch wel”. Oneliners wisselen van plaats. De dichtregels in schoonschrift, het commentaar in vlugschrift.
De wereld in vogelvlucht
Op de slaapkamer, de etages, spinnen de gedachten algoritme garen in zijn kop. Pas op voor het complot denken. Herhaal de spanning van iedere dag een gedicht. Het experiment neemt surrealistische vormen aan, want de actualiteit heeft zo langzamerhand een andere werkelijkheid. Daarop reageert de dichter in abstracte zin, maakt de creatieve geest rare bochten om het zijn te blijven vatten. Op het dakterras bekijkt hij de wereld in vogelvlucht en kan afstand nemen. Zet het van zich af, naast zich neer. Woordspelingen lossen het leven op, rollen als golven af en aan. Tollen in mijn gedachten, maar ik raak thuis in de gedichten. Heel vaak en meer dikwijls kunnen de woorden de mijne zijn. Gaandeweg zal ik spreekbuis zijn: “Ik weet niet wat u denkt en daarom denk ik zelf”.

Maar na het laatste gedicht is het nog niet af, want wanneer zal het ooit klaar zijn? Dag 72 op de bladzijden 152 en 153 geven wel de laatste blik op zijn beleefde wereld. Daarna is er een uitleg over het project, krijg ik een kijk in de keuken achter de schermen. Legt Marijnissen de methode uit, van Het idee tot Presentaties via Het notitieboek en de Afwerking. Hij is niet over één nacht ijs gegaan, terwijl ik mij soms op een dunne laag bevroren water waag en een nat pak haal. Te snel wil ik resultaat, terwijl de spanningsboog is op te rekken met 4 maal daags een vers. Die inname houdt de laatste druppel uit de emmer. Er is nog een overbodige inhoud op de eerste regels, maar ach. En Hans F. legt nog eens het idee van de 72 uit. Laatste voetnoten die de bundel van een eindcommentaar voorzien, want gedachten zijn vrij en hebben geen grenzen. “Deze poëzie ontstond los van de dichter en laat zich daarom makkelijk aan elke lezer aanpassen.”
Onderuit, 72 gedichten in 72 dagen. Hans F. Marijnissen. Uitgeverij Leeuwenhof, 2022.

Leave a Reply