Schilderen is een vorm van herkennen

In “Waarom een schilderij werkt” ontleedt Jurriaan Benschop eerst de kunstenaar alvorens hij voor mij het kunstwerk analyseert. Hij begeeft zich in het atelier, het heilige der heiligen waarin de kunst ontstaat. En spreekt met de maker om hiermee en daarna zijn of haar werk te begrijpen. Te kunnen begrijpen. Want ken je de man of vrouw achter het werk, of beter weet je waarom hij of zij dat zo heeft laten ontstaan, dan gaat in dit geval het schilderij leven en kan het werken. Maar ook moet je volgens Benschop spreken en discussiëren met medekijkers om het werk van de kunstenaar te interpreteren. Vragen stellen, standpunten bediscussiëren om tot een houding door te dringen. Een schilderij werkt altijd, maar niet voortdurend heeft het invloed op allen die het zien. Je kunt een schilderij ondergaan, er naar kijken, het observeren en beschouwen. Maar dat wil niet zeggen dat het voor jou gaat werken, dat het aanslaat. De beweging moet van beide kanten komen. Zowel het schilderij als de kijker moeten er moeite voor doen om tot elkaar te komen, elkaar te ontmoeten. De schilder heeft daarin voorwerk gedaan. Op welke manier dat hoe en waarom waartoe leidt onderzoekt Benschop in zijn boek.

Hij bespreekt vooral de hedendaagse kunst. Met een voorkeur voor het abstracte idioom, omdat daarin het ervaren en de emotie de meeste invloed hebben. Een landschap of stilleven, een portret of stadsgezicht, die zie je maar onderga je niet. Je kijkt naar iets wat zichtbaar is en in die zin werkt het schilderij zoals het zou moeten doen. De schilder heeft die plek op aarde of deze mens in de wereld, dat potje en dit bosje bloemen, deze straat, zo neergezet dat het werkelijkheid is. Maar het laat niets over aan de verbeelding. Om een abstract schilderij te doorzien moet de kijker meer zijn of haar best doen. Er wordt beroep gedaan op de verbeeldingskracht, het inlevingsvermogen. Die verbeeldingsruimte moet de kijker ook krijgen om het kleurvlak te doorzien.

De kern net niet nooit raken

Schilderen is een vorm van herkennen, dat inzien gebeurt in een flits. Het is er opeens, plots begrijp je wat je maakt en wat je ziet. Dat geldt voor de maker zowel als voor de kijker. Want voor de maker zowel als voor de kijker moet een schilderij werken wil het kloppen. Maar de bron van die herkenning is niet direct te benoemen. De woorden om dat te omschrijven zullen de kern net niet nooit raken. Want, citeer ik Lara de Moor vanuit het boek, “schilderen staat in essentie voor de mogelijkheid een atmosfeer te scheppen waar je met woorden niet bij kunt, een zowel mentaal als emotioneel geladen ruimte die verder geen rechtvaardiging behoeft.” Het zien van een schilderij is iets anders dan het praten erover. Want woorden beschrijven niet dat waar beelden kunnen verbeelden. Schilderen gaat over kijken en zien. Hoe meer ik kijk, des te meer details er aan de oppervlakte verschijnen en hoe verfijnder het schilderij voor mijn ogen wordt. Het schilderij gaat voor mij werken.

Het kunstwerk werkt in mijn waarneming en beleving. Het krijgt een plek in mijn leven en beleven. Als ik volgens Benschop de sporen, prikkels en overwegingen die in het kunstwerk zijn opgeslagen interpreteer, dan komt het werk tot leven en belandt het in een andere sfeer, een hogere dimensie zou je kunnen zeggen. In het schilderij wordt de driedimensionale wereld gevangen in twee dimensies. Het geeft een beeldrealiteit, waarin dingen samen komen die daarbuiten niet zo zijn aan te treffen. Een schilderij heeft een eigen werkelijkheid, een sfeer waardoor het een ontsnapping biedt.

Monet als schilder een voorbeeld

Het schilderij begint met observeren, het kijken dan naar iets dat opvalt. Het is niet belangrijk of de kijker de aanleiding ervan herkent, de drijfveer erin vindt. Het gaat om het directe effect dat het schilderij heeft, om het pre-verbale. De gedachte die aan een omschrijving voorgaat, een indruk die al is gemaakt nog voor een woord opkomt. Schilderen is transformatie. De driedimensionale ruimte wordt tot tweedimensionaal beeld. Gedachte wordt beeld, woord krijgt vorm. Belangrijk is dat er een punt van herkenning is. Om het ervaren van iets dat misschien niet eerder letterlijk zo werd gezien, maar toch bekend voorkomt of in stemming een snaar raakt.

Voor diverse gesproken kunstenaars in het boek is Monet als schilder een voorbeeld. Bij hem ging het in het schilderij er niet om hoe het was, maar hoe hij het zag, en hoe het zich op een specifiek moment voordeed met het licht dat bij dat tijdstip van de dag paste. Die atmosferisch, gekleurde waarneming werkt omdat het een gevoel vertegenwoordigd. Want het wezenlijke moment van de kunst vindt plaats in het hoofd. Het is niet het medium, de verf op het doek, maar de spanning van een idee of inzicht die het kunstwerk leven geeft.

Bij schilderkunst hoort een lichaam dat het maakt, bij een schilderij hoort huid en oppervlak, een kleur die aan idee ontsnapt”, schrijft Benschop in zijn boek. “Het bijzondere aan een schilderij is nu juist dat het een plek is waar het conceptuele kan samenkomen met zintuiglijke kwaliteiten. Het beeld komt op de maker toe, meer dan het wordt gecomponeerd. Dan moet het nog uitgevoerd worden, maar eerst moet het beeld gezien worden.

De kunst beter begrijpen

Sommige schilderijen werken als grond onder de voeten, ze zijn geaard. Andere werken eerder luchtig, de ruimte wordt door kleur en geest bepaald. Kleur roept een ruimte op, een herinnering aan landschap bijvoorbeeld, aan water, aan lucht. Maar niets is uiteraard letterlijk in het schilderij aanwezig – het is slechts modder aan een kwastje, laagjes verf op linnen. Het gaat om de afbeelding, het gaat om directe kleurwerking en verbeelding.

Weet ik na het lezen van het boek nu waarom een schilderij werkt? Ik ken nu de achtergronden, de motieven – het hoe en waarom een schilderij is ontstaan. Benschop heeft voor mij de grond bepaald, het leven vast gesteld. De afbeelding en de figuratie uitgeplozen. Het medium aangewezen, de bedoeling achterhaald. Niet door zijn eigen woorden er tegenaan te zetten, maar de gedachten van de kunstenaars erover te achterhalen. Ik weet nu hoe een en ander in elkaar steekt, maar of het schilderij werkt bepaal ik zelf. Het is als smaak, ik vind iets mooi of niet. Het schilderij kan voor een ander werken, maar voor mij lui en futloos aan de wand hangen. Vast staat dat Jurriaan Benschop met zijn “Waarom een schilderij werkt” een standaardwerk heeft afgeleverd om de kunst beter te begrijpen door de kunstenaars te kennen. Het boek is met zijn tekst en tal van kleurenreproducties een reclamefolder of reisgids voor een vervullend bezoek aan een museum voor hedendaagse kunst.

Waarom een schilderij werkt. Jurriaan Benschop. Onderzoek naar de veelvormige schilderkunst van onze tijd. Uitgeverij Van Oorschot, 2022.

Jurriaan Benschop

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *