Zou je welhaast aan het eind van de rit, maar echter nog lang niet over de finish, pas gelaagde regels kunnen schrijven, ingedikte herinneringen kunnen noteren. Wanneer je bijna alles van het leven hebt doorgemaakt terugkijken op wat was. Wat indruk heeft gemaakt of waar jij je over hebt opgewonden. Spreken de woorden meer en beter aan, dan wanneer je pas halverwege bent. Moet het leven doorregen met ervaringen zijn om doorwassen verhalen en gedichten te schrijven. Te kunnen schrijven. Het antwoord is ontkennend, maar ondervinding van het zijn is wel een voordeel. Terwijl iedere periode een eigen pluspunt heeft.
Carla van der Zwaag begon in haar tienerjaren al haar beleving in dichtvorm op te schrijven. Maar welk meisje van die leeftijd doet dat niet. Er zijn zoveel belevenissen te beleven, nieuwe indrukken uit te drukken. Dat moet een uitweg hebben en vindt deze in woorden op papier. Maar een dichtbundel van de Joodse schrijfster Hanny Michaelis zette haar op het spoor. “Nooit had zij Amsterdam zo liefgehad / als op de avond dat hij naast haar ging. / De straatlantarens brandden en er hing / een kleine maan boven de binnenstad.” Het maakte indruk op de jonge Carla, die poëzie van Michaelis. “Maar een verwachting, angstaanjagend zoet, / werd als een wonder ademloos geboren / in de ontroering van hun afscheidsgroet.” Wat zal zij graag zo willen dichten…
Deze dichter kijkt terug
Het duurt tot na haar huwelijk, na de opvoeding van drie kinderen en een loopbaan van 25 jaar als juffrouw voor de klas om serieus zich aan het schrijven te zetten. Ik lees deze informatie op de achterkant van haar debuutbundel Mika-eagen. In haar Fryske moedertaal dicht Van der Zwaag over diverse onderwerpen waarop met vreugde en rouw teruggekeken kan worden, thema’s die licht en duister in dit mensenleven tonen maar evenzo goed universeel zijn.
Deze dichter kijkt terug, want toen heeft op dit moment bij haar een grotere reikwijdte en meer verhaal dan nu en straks. Wanneer je van 1951 bent heb je het meeste wel gehad en kun je best over je schouder kijken in plaats van de neus achterna te lopen. Niet dat er niets meer te ervaren valt waarover geschreven kan worden. Dat is van later zorg. In deze eerste bundel is het goed even pas op de plaats te maken, een moment niet te vergeten, voor het ogenblik de tijd te memoreren. Om in het ritme te komen, het metrum en de rijm. Beeldspraak te eigenen, stijlmiddelen te beheersen en vormvastheid te bereiken.

Mika-eagen, dat zijn ogen gezien in de vlammen van de oude potkachel waarop de chocoladeketel geurend staat te pruttelen. Het vlammende licht schittert door de kunststof raampjes van de kacheldeur. Door het neergeslagen roet zijn cirkels gevormd, ogen die de kamer in staren. Carla hoort in de knisperende vlammen het vuur smoezen. Als een kip aan het spit draait ze zich in de warmte en is terug in haar kindertijd. “mar swart goud is troch / smoarch hout ferfongen”. Het is de spil waar de bundel omdraait.
Vier grondgedachten
Van der Zwaag heeft haar gedichten in deze bundel onderverdeelt in vier grondgedachten. Onder de kop Jeugd zie ik haar dwalen langs de velden van een mij bekende omgeving. In een enkel vers zelfs past het hele levensverhaal van haar moeder. De wereld lijkt weinig groter dan het boerenerf langs de vaart waarin ze tot slot is uitgestrooid. Als pendant is daar het eigen leven van de dichter gezet. Maar haar omstreken reiken verder. Het zijn volop herinneringen, er is genoeg fantasie om op voort te borduren. Belevenissen en voorvallen die anders aangevoeld zijn dan dat deze in werkelijkheid waren. Het is het zijn van toen, het denken van destijds. Om met humor op terug te kijken. Met een glimlach, maar ook ondertussen een traan wegpinkend.

In de Wereld gaat het over aardse zaken. Van der Zwaag heeft een observerende blik. Elke beweging is aanleiding een regel op te zetten, iedere beroering geeft inspiratie tot een zin. Zwaluwen jagen voor haar neus op muggen. De wind zingt door kale bomen en duwt een fietser in de rug, speelt met meisjeshaar en etst golfjes in de wegebbende zee. Kleurige bermen trekken vlinders aan, hommels vinden nectar in de schoot van kleine klaver. Het is een beeldende vertelling, poëtisch uitgeschreven. De woorden dansen op papier, draaien weelderig om gedachten. Maar niet altijd komt er een herkenbaar beeld boven drijven. Soms sluiten de regels zich en laten na meermaals overlezen vraagtekens achter. De eigenheid is wel sprekend uitgeschreven, maar is te privaat om te doorzien. Het zet meer aan tot nadenken dan de andere frivole dichtsels.

Het roofje van de wond krabben
Op vakantie geeft lucht en welhaast onbezonnen verzen. Maar er zit toch telkens een goedmoedig addertje onder het gras. Van der Zwaag brengt lagen aan in haar teksten. Tussen de lagen door kijk ik op, tuur uit het raam en weeg de woorden in mijn staren. Ik zie in gedachten dat wat beschreven een beeld doen ontstaan. Ik zie de schaduw van de wolken over de zeedijk schuiven, ook mijn ogen worden door schuimkopjes naar de andere kant, naar Makkum geleid. Het is een beeldend schrijven, een schrijvend beelden. En ieder verdicht verhaal heeft een plot, een slot dat niet altijd in de verwachting ligt. In de korte boog die ze aanlegt bouwt de spanning snel op, en treft de geschoten peil pijnlijk doel. De dichter krabt het roofje van de wond. De gracieuze dame laat zich bevallig fotograferen voor het oorlogsmonument, totdat ze ontdekt welk bloed er daar ooit heeft gevloeid en hoeveel. Het lachen is haar snel vergaan. Het zijn observaties, beschouwingen. Het geluk heeft scherpe randen, achter de wolken schijnt niet altijd de zon.

Foto Catrinus van Veen
En dan is er Ik. Ging het voorheen eerder over de ander, de omgeving, de ervaring. In dit onderwerp schouwt de dichter zichzelf, kijkt naar het beeld in de spiegel. Figuurlijk gaat ze met haar billen bloot. Maar nee, zo naakt staat ze niet voor me. Er moeten woorden blijven voor volgende bundels. Ze kan niet meteen haar hand overspelen. Maar ze geeft wel ruimhartig inzage in haar dagboek. Vooral deze laatste gedichten in de bundel geven stof tot nadenken. Ze is hierin persoonlijk haarzelf en dat schept een band. Het gaat over verlaten en verlies, “lek en brek”, de toekomst is ongewis maar kan wel met liefde worden beleefd. Ze komt onder de steen vandaan, stelt zich open. Het is nog wel wennen, voor het licht knijpt ze haar ogen dicht. “Under stiennen weikrûpe. / It beskûl fan muorren ferlitte. / Modderbaaiend boppekomme. / Wjuklam dochs de moedfearren útslaan. / Swarte harsendrab oan ‘e kant skowe. / It stjonkbist efternei sitte. / Troch blommige greiden strune. / My ûnder de minsken jaan.”
Mika-eagen. Carla van der Zwaag. Gedichten. Uitgave: Utjouwerij Hispel, 2022.

Leave a Reply