Sylvia Weve schetst een vrolijk huisgezin in het prentenboek “kleine piet”. De tekeningen ondersteunen niet alleen de tekst van Bette Westera, maar leggen deze tevens uit. De illustraties zijn ondermeer losjes geïnspireerd op de beroemde geometrisch-abstracte schilderijen van Piet Mondriaan. De tekst vindt ook vrijmoedig de oorsprong in de biografie van de kunstenaar. Natuurlijk weet de schrijfster niet precies wat er daar in het jaar 1877 is voorgevallen in de huiskamer van meester Mondriaan. Maar voor een vertelling die voorgelezen kan worden aan of gelezen wordt door een kind is dat van minder belang. Westera gaat mee in de fantasie van het kind, de kleine Piet.
Kleine Piet zit in de eerste klas van de lagere school. De lokalen bevinden zich onder zijn woonhuis, ofwel de meester woont boven de school. Vader Mondriaan is de bovenmeester, het hoofd der christelijke nationale school aan de Kortegracht te Amersfoort. Daar is tegenwoordig het Mondriaanhuis gevestigd, een museum dat het geboortehuis van Piet Mondriaan belicht en in wisselende exposities de hedendaagse kunst in relatie brengt met die van haar naamgever. Het Mondriaanhuis is de opdrachtgever van Westera en Weve om een geïllustreerd verhaal te hangen aan Piet Mondriaan, juist in het jaar dat het 150 jaar geleden is dat hij aan de Kortegracht 11 geboren is.

Wel, kleine Piet, leerling van zijn vader in meerdere opzichten. “Boven is papa papa, beneden is hij de meester.” In de gezellige huiskamer, waarbij de situatie wordt omschreven waardoor de lezer het kan dateren – kleine broer Willem slaapt en broertje Louis ligt als baby in de wieg. Grote zus Christien, Stientje in het boek, krijgt breiles van moeder, mama. Piet oefent op de letter L, netjes tussen de lijntjes. Verderop in de kamer werkt papa aan een schoolplaat. Vader is een all-round meester, hij kan naast taal en rekenen heel goed tekenen. Een gave die hij doorgeeft aan zijn later beroemde zoon Piet. De situatie in de huiskamer is door Sylvia Weve netjes tussen de lijnen van een Mondriaanschilderij gezet.
En krijgt de kinderlijke fantasie vorm. De letters in schoonschrift met krullen worden dartele figuurtjes, lachende en dansende gezichten, doordat de lussen zich niets aantrekken van de lijntjes waar ze tussen horen. Daar ligt de voedingsbodem al voor de bloei van de experimenterende modernist. In het boek zetten de lussen en krullen van de letter L zich door in de steken van het breipatroon. De steken van moeders sok staan netjes op een rij, terwijl de lussen in de broddellap van dochter Stientje metaforisch alle kanten op dansen.

In de klas hangt papa’s de avond ervoor getekende schoolplaat, een paardenkastanje vol in blad en een ruwe bolster waaraan Piet zich in gedachten nog heeft geprikt. Papa tekent naar de natuur. Westera neemt het woord voor kleine Piet. Naar de natuur, “zo heet dat als je tekeningen heel goed lukken. De vissen en de kikkers in papa’s sloot en plas zijn net echt. Zo hoort het ook, zegt papa.” En zo doet kleine Piet het, die na de lagere school en een vervolgopleiding tekenleraar wordt aan diezelfde school van papa.
De vissenkoppen die kleine Piet voor papa haalt als lesmateriaal bij het tekenen zetten hem aan tot fantaseren. “Wat zouden de ogen zien als ze niet dood waren?” Hij sluit zijn ogen en ziet de sloot waarin de vissen zwommen voor iemand ze ving. Hij hoort de kikkers kwaken en voelt de wind langs zijn blote benen strijken. Het riet ruist en het gras geurt. En de tekening van Weve verbeeldt die tekst van Westera fantasievol. Maar de tekening die Piet van de vissen maakt is niet welke papa voor ogen heeft. Dus moet hij wanneer de andere kinderen al naar huis zijn opnieuw beginnen aan het stilleven met dode vis. “Goed kijken, daar begint het mee.”

Piet gooit na afloop de koppen vanaf de brug in de stadsgracht en droomt over later wanneer hij zittend zijn benen boven het troebele water laat bungelen. Als hij groot is wil hij alleen nog maar “levende dingen schilderen, vissen met lenige lijven en dwarse koppen (…) Rode wolken, gele hemels en blauw bloeiende appelbomen.”
Wij weten wat er van geworden is, van die vissen en die wolken, van die hemels en die appelbomen. Het is een mooi verhaal, prachtig geïllustreerd. Het werpt een ander beeld op de strenge kunstenaar met zijn vakkundige hokjesgeest. Daar waar de kunstenaar is geboren, daar waar zijn kunst is uitgevonden, daar vertelt Bette Westera haar verhaal van de kleine Piet. Het boek is getiteld “kleine piet”, met als ondertitel “grote meester”. Die grote meester is eerst nog papa, maar wordt later Piet zelf. En op het omslag staat kleine Piet bij zijn bloeiende appelboom kijkend in een gracht vol vissen.
kleine piet, grote meester. Tekst Bette Westera, illustraties Sylvia Weve. Prentenboek uitgebracht ter ere van het 150e geboortejaar van Piet Mondriaan. Uitgave Mondriaanhuis Amersfoort, 2022.

Leave a Reply