Het is of ik verstofte Dali verfschappen bewandel. Alsof ik biomorfische beelden van Joan Miró betast. Dat komt omdat de spontaan poëtische droomwereld van Joris Miedema zich vormt door technische objecten los te weken van de oorspronkelijke functie om ze in een organische figurenruimte te integreren. Zo zoals die surrealistische objecten zich manifesteren staan Miedema’s vrije verzen mij voor ogen. Zo verschijnen de woordelijke figuren uit de nevels van de tijd als zijn het op de eeuwigheid voorbereide uitdrukkingen. Zo kan mijn aardse bestaan tussen krakende planken eindigen. Maar zoek voordat het zover is achter elk geschreven en gedrukt woord een puzzelstuk eeuwigheid, hoewel ik de lidwoorden in deze meer links dan rechts laat liggen.
“Algen uit een andere dimensie” is het tweede deel van het 2023 drieluik van Miedema. In dit triptiek staat geen deel in hiërarchie van beschouwing boven of onder, voor of achter de ander. En dicht geslagen geeft het een nieuw nog niet beschreven verhaal. Maar dat is koffiedik kijken, de toekomst voorspellen die voor Miedema tevens nog ongewis is. Langs welk pad zal de zoektocht naar het eeuwige leven hem leiden. Welke obstakels liggen nog op zijn weg om de doordringbaarheid van de maatschappij te testen. Levenloze libellen, het eerste deel van dit altaarstuk, vlogen al voor hem uit. En nu plet hij algen uit een tegengestelde ruimte. Wat zal er aan geleedpotigen, wieren, schimmels en mossen nog op hem af komen. Want zijn deze niet de oudste organismen op aarde en bezitten dus het DNA van een eeuwig leven waarnaar Miedema op zoek is. Behalve dan die insecten, spinnen en duizendpoten; deze zijn overwegend alleen maar een last en lastig.

Totaal abstract niet en herkenbaar wel
Natuurlijk probeer ik aanknopingspunten te vinden. Punten die een verhaallijn doen vermoeden. Waar de libellen afsloten zonder voleinding. En waar de algen de draad weer oppakken. Het scharnier tussen het eerste en het tweede luik past kierend in de sponning. Ergens zal het tweede op het eerste deel aansluiten. Want het heet niet zomaar een drieluik te zijn. En wanneer er aansluiting is zal ik teruggrijpen op en in mijn recensie over de eerste bundel. Dat ik daarin ook al de eeuwigheid van en in Miedema’s geest zocht. En nu ook weer deze niet te definiëren schat zoek. Maar nog niet heb gevonden. Miedema is er ook nog aan bezig. Niet nu al vindt hij die eeuwigheid en houdt het einde open. Geeft niet het slot prijs. Want er gaat nog een laatste deel volgen na deze. Niet al zijn kruid wordt verschoten in deel twee. Hoewel hij mijn idee al wel op de korrel neemt en met scherp op mijn visie schiet.
Joris Miedema zou in een hyperrealistische stijl schrijven. Hij isoleert wel een fragment uit de werkelijkheid, maar schept geen levensecht beeld daarvan. Wel zeker ontdek ik expressie en emotie in de verdichtingen van wat ik als echt ervaar. Miedema trekt onderwerpen uit de werkelijke realiteit en laat ze daarboven zweven. Hij schrijft in mijn optiek in een surrealistische stijl. De beschreven beelden zijn samengesteld in onverwachte, verrassende en schokkende combinaties. Totaal abstract niet en herkenbaar wel, maar daarbij veraf staand van de mij bekende werkelijkheid. De alledaagse realiteit krijgt uit deze poëtische pen een draai naar links of een bocht naar rechts maar gaat zeker niet recht op het doel af. Vaker moet ik terug treden op het meest onbegaanbare pad om de duiding onder de knie te krijgen. De gedichten gaan wel over hemzelf, over zijn persoon, althans lijken de levensloop van de meester aan te doen. Door de gekte, de krankzinnige rotatie van de realiteit tot abstracte werkelijkheid, schemert het origineel van een gegeven tastbaarheid.

Als een paling in een emmer snot
Miedema verdraait zijn inzicht gaandeweg het vers. Slaat met mij een andere richting in dan ik bij aanvang heb verwacht. Zo bezien kijk ik niet over mijn schouder de vergetelheid in, maar zie ik recht in de gebroken ogen van de voorbije tijd. Ik wend en keer met de woorden van Miedema. Spin en tol om de eeuwigheid niet te verliezen. Maar het is al ijdelheid.
Net als het vorige deel is ook dit deel gefragmenteerd in drie delen. Een tweede triptiek in een drieluik. Miedema klieft zijn emotie, splijt zijn gevoel. Want dat eerste luik hier is die autobiografische duiding, informatie uit de eerste hand. Met gedachtekronkels zoals alleen kinderen in hun geest kunnen laten bewegen. Als een paling in een emmer snot. Ik zal goed en aandachtig overlezen om de opgebouwde spanning in mezelf te laten dalen. Metaforen vliegen me om de oren. Beeldspraak en zinnebeeld is aan de orde van het gedicht. Met dit geschreven woord probeert Miedema zijn Joris te bestrijden. De draak in hemzelf met zichzelf te steken. In het hoofd een loszittend mannenkoor dat de teloorgang van zijn brein zegeviert.

De eeuwigheid is ver weg
Raakt hij langzaam van het padje wanneer hij alleen nog in eikenhout droomt en zichzelf hypnotiseert met een op de kop gehouden wc-borstel. De zin van het leven kroop uit zijn mond. Ben ik de weg kwijt in de geboorte van zijn zoon? Zijn grijze zoon die pas kleur krijgt door het schijnsel van de regenboog, terwijl het half opgerookte sigaren regent uit een grauwe verkromming – een week lang. Het zijn dromen, zoals alleen een jong mens kan dagdromen. Fantasieën als kinderen zonder kop. De wereld is voor hen ongerept en alles kan nog worden ontdekt. In het diepst van zijn wezen is de kleine Joris een Christoffel Columbus, een Abel Tasman, een James Cook of Marco Polo. En nu halfweg op leeftijd denkt hij zich Willem Barentz vast in het ijs, of meer fictief Robinson Crusoë alleen op een eiland. De eeuwigheid is ver weg. Nog.
En dan schiet de dichter zich de ruimte in. Want hij las ergens een andere werkelijkheid te ervaren door te stoppen met ademen. Om de zaken van een andere kant te bekijken. Als een god van boven te bezien. Maar nog voortdurend blijft de materie aards, de onderwerpen almaar werelds. Wat kun je anders wanneer je toch met beide benen op de grond staat terwijl je geest zich in hoger sferen begeeft. En de fruitvliegjes als microscopische dinosaurussen en pterodactylussen rond de appels blijven hangen in de minuscule prehistorische bossen. Dan blijft de geest vooralsnog in de fles en vervliegt niet in de eeuwigheid. Nog niet.

Geen stip op de horizon zien
Zo gebeurde het. En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag. En Joris plaatst op het derde luik van deze tweede triptiek in de drie-eenheid een vooruitblik op de eeuwigheid. In zijn zoektocht vangt hij een glimp op van wat een bestaan zonder begin en einde kan zijn. Wat het voor een mens betekent voortdurend in het hier en nu te blijven vast zitten. Altijd maar doorleven en terugkijken. Geen stip op de horizon zien. Want er is geen doel, er is geen stop. Het einde is niets. Miedema kan nu nog mijmeren en filosoferen, maar wanneer hij in de derde bundel de eeuwigheid heeft gevonden zal hij stilvallen. Dat denk ik zo alleen voor mezelf uit.
De beweeglijk creatieve geest echter zal wel andere wegen vinden om het vrije vers te voeden. En daarbij is het lang niet zeker dat de dichter ooit zal vinden wat hij zoekt. Het is een najagen van de duisternis, dat jaagt op het licht. De eeuwigheid zal de honger naar voortduring inhalen en neersabelen. Het begin streeft het einde voorbij. Het hier en nu struikelt over het dan en straks. We leven maar even en dood zullen we altijd zijn. Door me te verdiepen in de geschriften van Joris Miedema kan ik het onvermijdelijke iets oprekken. Zijn in het wezen van die gedachte is een bovenaards goed. Dat de wind onder bewindvoering komt. Dat de zonsopgang zich niet kan omkeren. Dat de overtollige stilte blijft plakken als boter aan de dijen. Dat een grondwerker per ongeluk kerfstokken heeft omgekapt. Voor de duur van het lezen van 44 gedichten is het een weldaad me Joris Miedema te denken. In zijn geest en verstand de voorstellingen te vormen die hij mij voorschrijft. Ik ga zijn gedachtegang geloven, zijn overdenking veronderstellen.
Het is opzegbaar, daarom staat het geschreven: “de dagdromen die niet zijn uitgekomen / hangen aan de bomen / waar iets onzegbaars / weegbaar is geworden / / een kind zit op één van de takken / de stippen van lieveheersbeestjes / door te strepen / hij hoopt een juiste combinatie / te krassen / / waardoor zijn dagdroom openbreekt / en zijn moeder / eruit kruipt”. Een hunkering naar toen, een verlangen naar hier, een rusteloos zoeken naar straks. Hoewel de dichter sterk is in taal, krachtig en vitaal, wordt hij klein en hulpeloos in emotie. De woorden helpen hem dan uit dat tranendal, omhoog naar het licht. Het licht van die algen uit een andere dimensie. Want denken te leven in een ruimte boven de werkelijkheid heeft een creatieve geest nodig.
Algen uit een andere dimensie. Joris Miedema. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

Geef een reactie