Het is als kijken door een beslagen ruit, wanneer ik de nieuwe bundel van Jan Kleefstra open en zijn teksten lees. De beslagen ruit weerhoudt mij van zien. Ik zie de ruit, maar niet wat er achter zit. Schimmen zie ik, geen scherpe contouren. In het doffe venster wordt de wereld gesmoord. De realiteit is gesluierd zoals de bruid voordat het bevrijdende ofwel het verbindende ja-woord heeft geklonken. Op die manier maar dan anders treed ik de gedichten van Kleefstra in de bundel “Winterflarden” tegemoet. Na eerste lezing helderen de woorden niet. Blijft het raam vaag, het perspectief onduidelijk. Dieper moet ik gaan, de woorden wegen. De ogen van de pagina’s afhouden om de blik in het oneindige te laten vertrekken. Geen verstand op nul echter, want de rede dient tastbaar te blijven. Ik dien de gedachten over wat ik lees laten gaan. En dan komen als vanzelf beelden naar boven. Beelden die bij woorden passen. De film die draait bij zinnen. De regels treffen doel. Het ja-woord klinkt, de ruit schoon geveegd. En dan worden opeens de woorden duidelijk, kijk ik er naar en zie waarde en betekenis. De bruikbaarheid, de draagwijdte. Weegt het zwaar of blijft het licht als een veer.
Kunst is geen exacte wetenschap
De woorden werden door Kleefstra gewogen en in zijn samenstelling niet licht bevonden. Volgens Uitgeverij Aspekt, waar deze zesde bundel onlangs verscheen, veegt de dichter wat flarden winterrestjes bijeen en staart naar de wolken. En dat is precies wat ik doe. Ik lees snippers tekst om mij een beeld te vormen. En tuur dan in de verste verte door het raam van mijn kamer. Ins Blaue hinein laat ik onvoorbereid de woorden in mijn geest indalen. Om boven mijn verstand te komen met het vermoeden welke betekenis Kleefstra aan de compositie heeft gegeven, aan het gedicht heeft opgedragen. Want de precieze strekking valt lastig te achterhalen. Kunst is geen exacte wetenschap. Een werk zal zichzelf moeten verantwoorden, een gedicht verdient geen uitleg. De verdienste is juist dat het geen toelichting nodig heeft. Het verklaart zichzelf voor wie de tijd neemt het uitzicht tot inzicht te laten indalen, zodat het duidelijk wordt.
Dus de bundel nog eens ter hand genomen. De zinnen langzaam voor mezelf uitlezen, hardop als betreft het een luisterboek. Ik hoor mezelf spreken. De hond schrikt verbaasd op vanuit zijn rustende slaap, spreekt de baas daar een bekend woord? En bij dat aanhoren, tijdens dat luisteren ondertussen, vorm ik in gedachten beelden. De hond, laat ik hem Malin noemen, staat kwispelend naast me. Met een verlangende blik: hoorde ik daar ‘uit‘. De gelezen en uitgesproken woorden – nee, daar was geen uit bij – representeren zich als voorstelling in mijn brein. In de schedel is een filmhuis ingericht om die indruk te projecteren. Want beelden beklijven meer dan omschrijvingen, beschrijvingen verdienen voorstellingen. De beeldspraak van Kleefstra geeft mij een denkbeeld.

De dichter geeft een half woord
De dichter speelt met de taal. Zijn vrije verzen vervliegen echter niet. Metrum en rijm zijn geen handboeien of benauwen niet als een dwangbuis. Wel blijft er eenheid van idee en speelt ritme een rol. Het is geen rommeltje, het is meer overdacht dan de orthodoxe dichtvorm. Zoals het abstract meer reflectie verdient dan de realiteit nodig heeft. De werkelijkheid spreekt voor zich, het non-figuratieve ofwel het bovenzinnelijke doet beroep op het gevoel. De dichter geeft, zeg maar, een half woord en daaraan zal ik genoeg hebben. Hij suggereert en ik vul in. De zinnen worden nauwelijks afgemaakt, maar hij geeft voldoende aanleiding om er als lezer op aan te slaan.
Dat Kleefstra een natuurmens is klinkt tussen de regels door. Hij zet in liefde een boom op voor het bos. Met Christiaan Kuitwaard trekt hij het veld in om zijn wezen aan de planten te verbinden, waar de kunstenaar deze in getekende beelden portretteert. Jan hangt een gedachtewolk aan een tak van de tekenboom. Misschien vind ik daar het verhaal, dat voorzichtig op tintelende lucht voor mij uit zal dwarrelen. In de lege regels, de witte zinnen als bezinning. Kleefstra neemt de woorden van me over en schrijft ‘in het kristal van schimmelende melk / op het achterlijf van de vuurjuffer / heb ik het pad al bijna afgelegd‘. Dat pad zal ik nog vinden.

Inzicht, doorzicht, beleven
Het is dat ik tussen de regels door de betekenis en reden vind. In het vrije vers is de leegte van belang. De rust om op gedachte te komen, bij zinnen te komen. Kleefstra schrijft in die lege regels zijn waarheid. In woorden vindt hij de werkelijkheid, die ik zonder woorden abstract beleef. Niet met zoveel woorden omschrijft hij datgene wat hij wil zeggen. Maar door die zin open te laten vul ik deze zelf in. Vooral door meermalen te lezen en de stilte te vinden tussen de zinnen in mijn gedachten raak ik aan de strekking. Inzicht, doorzicht, beleven. ‘Waarom er bomen groeien / het water om de kleinste vlinder vecht / / ik draag er een heldere nacht naartoe / / half onder het waas / waarin druppels gelijk wespen / in de wangen steken / / om de diepe slaap te verontrusten moet ik recht / in het oog van de maan blijven staren / / om stil te zijn heb ik / de schaduw van mijzelf nodig / / om het daglicht te weerkaatsen / moet er iets verloren gaan’
De bundel vindt de afsluiting in een handvol Beschouwingen, als zou het voorgaande in Parelzang, De nabootsing, Ochtendragen en Laatbloeiers geen reflectie op de overdachte werkelijkheid zijn. Kleefstra ziet het zich aan en in raadselachtige gedichten probeert hij uit de warboel van het zijn de schoonheid te pakken. Maar beschouwingen zijn het, alle. Als kloosterling zit hij contemplatief in meditatie tussen wat hij voor zichzelf en de wereld waardevol acht. Trekt de natuur in en beschrijft deze op een wijze om over na te denken, diepzinnig te bespiegelen. En in die spiegel doemt mijn eigen zijn op wanneer ik de waas van het raam veeg. En zoals Kleefstra weleens gedacht heeft en vanuit die gedachte geschreven heeft, zo drijven mijn gedachten als wolken langs de hemel, verwaaien tussen de takken van de boom, vliegen alle kanten uit op de vleugels van de ganzen, de kievit en de ooievaar.

Het verstand op nul
‘Telkens als de weemoed zich aan de seconden vertilt, ontbreekt er wel een verhaal. En toch wordt er gezongen, blijft niemand er bij stil staan. Een bos dunt zichzelf wel uit. Maar wij hebben het geduld niet’, las ik eerder. Dat geduld moet ik hier en nu opbrengen tot het raam droog is en doorzicht geeft, de woorden indalen, de taal zichzelf uitdunt. Daar wacht ik op, maar ‘het wachten komt simpelweg tijd tekort’. In Winterflarden veegt Jan Kleefstra de laatste restjes ijs, sneeuw en kou bij elkaar om welgemoed de lente te begroeten. Het voorjaar nodigt hem uit tot een beschouwelijke reflectie. En ik zie zijn spiegelbeeld in het raam, het venster duidt een weemoedig wezen met een twinkeling in de ogen. Want ‘de lange reis van het woord heeft niet tot bewonderenswaardig zwijgen geleid’. Dat woord mag ook niet zwijgen, want het moet gezegd, het verhaal uitgesproken. De vertelling van de planten, zodat de liefde vanzelf terug keert en het weten nergens meer voor nodig is. Dan lig ik languit in het gras en staar naar de wolken. De blik op oneindig, het verstand op nul.
Winterflarden. Jan Kleefstra, gedichten. Illustraties van Christiaan Kuitwaard. Uitgeverij ASPEKT, 2024.

Geef een reactie