Hlub, Hlub is een schreeuw om hulp. Maar wie verstaat het? Het lijkt wel het zwijgen van de vis, het woordloos communiceren onder water. Blub, Blub. Of is het een gesmoorde kreet om het zwijgen te doorbreken, juist, om aandacht te vragen. Dat moet ook wel om uit de benarde positie te komen die over 86 pagina´s is uitgeschreven. Het betreft een man op het strand, verzandt door de getijden. Hij is alleen, wil dat graag zijn maar toch ook weer niet. In het onderhavige verhaal krijgt de man gezelschap van zijn filosofische gedachten en daarmee haalt hij herinneringen op uit het verleden. Want met gedachten ben je nooit alleen, heb je altijd gezelschap. Met je mijmeringen kun je de hele wereld in huis halen. De man alleen is hoofdpersoon en lijdend voorwerp in dit verhaal. Het verhaal van Adrie Krijgsman. Autobiografisch beschreven in de eerste persoon enkelvoud, uit de eerste hand dus.
De mensen daar op het strand lopen letterlijk over hem heen aan het slot van het relaas. Men ziet hem niet, hij wordt niet opgemerkt. Half verscholen onder het zand als een scheermes schelp. Hij is daar verzeild geraakt om er te verpozen, te ontsnappen uit de dagelijkse bezigheden. Een pijn rechts onder de ribben lijkt roet in het eten te gooien en zorgt uiteindelijk voor een gillend Hlub. Een wulk voor de schelpenverzameling is de boosdoener. De man bukt en de pijn schiet door zijn lendenen, hij valt als een blok en voelt dat het laatste uur heeft geslagen. Hlub, hlub!
Verbeelding en realiteit
De scheidslijn tussen droom en werkelijkheid is poreus. De grens kan zonder paspoort worden overgestoken. In dat mistige grensgebied, de nevel over het niemandsland, is de fantasie koning over prins waarheid. Het boek leest als een waar gebeurd verhaal waarin elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen berust op louter toeval of waanideeën. Er gebeuren zoveel bedenkelijk onwerkelijke dingen in de vertelling, dat het weer meer een surrealistisch gelijkend schilderij in een stroom van woorden is. Dat verbeelding en realiteit af en aan bewegen gelijk het zeewater met eb en vloed.
Het verhaal aan één stuk (mag het een onsje meer zijn) lijkt geschreven om in een enkele adem uit en door te lezen. En dat is me waarlijk gelukt met een sixpack trappistentripel onder handbereik. Ik zit nog na te puffen en uit te hijgen, want er is tussen begin en eind – tussen pagina 4 en pagina 90 – geen verlet of rustmoment omschreven. Het is echter eigenlijk oprecht vloeken in de kerk om het boek in één avond uit te lezen. Want Adrie Krijgsman heeft er uiteraard meer avonden aan zitten schrijven en bijgeschaafd. Gestreept en geschrapt. Kill your darlings, dat. En dan zal ik vervolgens het bloed, dat zweet en die tranen in een poep en een scheet, in een vloek en een zucht verwerken. Dat is heiligschennis, ongekend! Hlub!

Leest lekker weg
Als een cabaretier die een one-manshow op toneel brengt en de draad lijkt kwijt te raken omdat hij ieder eindje oppakt om een boom op te zetten en over uit te wijden, maar tot besluit de losse draden weer aan elkaar weet te knopen. Zo laat Krijgsman het verhaal als een marathonschaatser gladjes over de baan glijdt aan een stuk doorlopen over de pagina’s. Er is geen hoofdstuk indeling, laat staan dat er afgesloten dan wel afgeronde alinea’s zijn om even over uit te ademen en in op te laden voor een nieuwe krachtsinspanning. Hoewel van inspanning nauwelijks sprake is, want de te lezen tekst vergt dan wel spierballen maar het leest lekker weg zoals dat heet. Voor de vuist weg, a prima vista, de titel bereidt me hoegenaamd niet voor op de inhoud. (Hoewel de illustratie op de omslag, met het krijtteken van een misdaadscene op een bed schelpen, me op weg kon helpen.)
Geen enkel moment echter kan ik mijn gedachten laten afdwalen of de aandacht door een venster naar elders laten vervliegen. Ik moet als lezer bij de les blijven anders raak ik de draad die de schrijver krampachtig vasthoudt op mijn beurt zomaar kwijt. Ik moet mee in de maalstroom van gedachten, denkbeelden, beweringen. Er is geen ontkomen aan wil ik de strekking van de vertelling weten, de zin van het verhaal doorgronden. In de laagdrempelige filosofische beredenering, Adrie Krijgsman zo karakteristiek eigen, voert hij mij wel losjes langs en door de wereld van zijn gedachten. Hij kan zo heerlijk voor zichzelf uit mijmeren en mij toch naadloos meenemen in zijn overpeinzingen.
In doodsnood
Het is een lust de beslommeringen, de zorgen en narigheid van de hoofdpersoon te weten, want de mens heeft het meest plezier in het gebrek van de naaste, die andere. Maar, vraag ik me al lezende af, wat heb ik eraan dit te weten, dit persoonlijke relaas te kennen. Te weten hoe Adrie Krijgsman aan dat strand terecht is gekomen. In doodsnood is hij en ziet zijn leven als in een film aan zich voorbij trekken met alle zijpaden en kronkelwegen, uitstapjes, dagdromen en nachtmerries. Heeft die kennisoverdracht een diepere grond en betekenis of is het gewoon afleiding van hem en voor mij van en uit het dagelijks leven. Voor enkele momenten mij terugtrekken en mij begeven in de lijdensweg van een ander. Het leidt af, ik recreëer er een avond mee. Maar heeft het iets te betekenen, kan ik door de lagen heen lezen. De diepere grond ontdekken, de basis van het verhaal. Waarom werd het geschreven. Waar gaat dit over? Wat is dit voor droombeeld? Eigenaardige gedachtenworsteling, denkvoorstelling die normaal gesproken er weinig toe doet. Maar Krijgsman houdt het hele boek door ernstig de aandacht vast. Zijn hak op de tak gelijkende gedachtegang is een vloeiend voortkabbelend verhaal. Als tijdverdrijf geschreven tot lering en vermaak voor mij. Of om de denkbeelden en persoonlijke zienswijzen in een ingepakt cadeau aan de wereld kenbaar te maken. Omfloerst een mening uiten, want er zitten legio adders onder het gras.
Wakker uit de droom
De wens is de vader van de gedachte. Adrie wil naar zee, vermaak aan het strand. Liefst met vrienden, maar iedereen is bezet. Maar hij is toch graag alleen. Bij het begin van de vertelling is hij al op het strand, om een aantal pagina’s verderop terug te gaan in de tijd. Mij te laten weten hoe hij liggend als een gestrande potvis aan zee is beland. Is het een droom? Is het fantasie of is het de waarheid. De verbeelding heeft altijd een kern van waarheid. Maar voor dit verhaal is een zeker weten van weinig belang. Het kan waar zijn, maar er is geen man overboord wanneer ik van een koude kermis thuis op de koffie kom. Hij schrikt wakker uit de droom, want hoort een deurbel of de wekker in zijn oor. Ik als lezer sukkel dan in een hazenslaap en ben gewaar van zijn nachtmerrie. Want een pijnscheut trekt door zijn lendenen, het houdt hem die dag naar het strand danig bezig. Het verhaal is aan de kapstok van het leven gehangen. De schrijver wisselt van kledingstuk wanneer de gesteldheid van het relaas dat weer verwacht. De pijn is een jas, geliefde Mia is een vest, herinneringen zijn veelkleurige shirts en blouses. De trui van het filosofisch mijmeren past het best en houdt warm.
Krijgsman schrijft wel reisverhalen die in andere boeken zijn gedrukt. Dit, deze bespiegeling van een zijn, is een gids door zijn gedachten. Langs de paden van zijn brein, het cerebrum dat de structuur van een walnoot heeft. Zijn wereld in een notendop. “Zolang ik niet alles weet, niet echt alles weet, is er altijd reden voor twijfel.” Dus komt aan het eind van het verhaal toch weer oud zeer omhoog, komt God om de hoek kijken. Krijgsman is er klaar mee of toch niet? Het is een open slot, want de sleutel is kwijt. “Ik lijk mezelf niet meer te begrijpen, wat op zijn minst vreemd is.”
Hlub! Een vertelling. Adrie Krijgsman. Uitgegeven bij Brave New Books, 2024.

Geef een reactie