Een poëtisch woord, achterommetjes van de droom

Als lezer voel ik mij ingenaaid en gebonden. De dichter pakt mij bij mijn kladden en laat me vijfenzeventig pagina’s lang niet meer los. Achteraf bezien te kort om de poëzie te laten indalen, dus begin ik nog eens bij ‘Gegroet’ en ben opnieuw verbonden met Frans Veenhoven. “Van binnen. / rijk van geest / misschien die / kan spreken / luisteren naar / of zwijgen / / het woord zal / niet volkomen / een sfeer van / de geest duiden / of dragen / / misverstanden / verwarren er / een helder / innerlijk weten / of denken / / de rijkdom is / in mij uniek / alleen kan ik / die bewaren / in ervaren”. Deze dichter en beeldend kunstenaar lijkt mij een exclusief kijkje in zijn bestaan te geven. Dichterbij zijn persoonlijk zijn kan ik niet komen. “Een poëtisch woord…” is een autobiografisch eigen uitgave. Hierin is Veenhoven dichtbij zichzelf gebleven waardoor het enigszins ver van mij af schijnt te staan bij eerste beschouwing. Maar niet zo verwijdert dat ik geen weg zal vinden om op de bestemming te komen.

Geen chocola van te maken

Ik kan een eind aan zijn hand met hem meegaan, maar soms halverwege of bijna aan het slot laat hij mijn greep los en moet ik alleen verder. Moet ik het zelf maar uitzoeken waar het doel van bestemming is. Dat is niet altijd even makkelijk, omdat Veenhoven wel gebruik maakt van abstracte beelden zonder uitleg te geven. Zich omstandigheden toe eigent die ik niet persoonlijk kan vormen. Waar ik geen chocola van kan maken. Maar het dartele in zijn taal en het speelse van zijn woorden maakt veel goed, zo niet alles. Ik volg hem dan maar als een rat naar Hamelen. Gedwee zijn pad nagaan en nog eens weer de woorden tot zinnen in mij wegen. De weg terug volgen om opnieuw te beginnen in de hoop de goede richting te vinden.

Hoewel hij niet het achterste van zijn tong laat zien, wat achter gesloten deuren is blijft verborgen – uiteraard, licht Veenhoven wel een tipje van de sluier op. Hij geeft wel een strobreed toe, maar ik moet zelf de speld in de hooiberg vinden. Zinnen maakt hij niet af of wisselt deze van aangenomen plaats, waardoor er gaten vallen die de lezer zelf moet opvullen om de betekenis van het vers te achterhalen. Het maakt de poëzie van Frans Veenhoven interactief. De leemtes vul ik op met aannames van hoe de dichter het bedoelt zal kunnen hebben. Creatief en taalgevoelig als ik ben achterhaal ik de waarheid meestal wel. Maar soms zijn de zinnen cryptisch uitgeschreven, moet de lezer maar uitzoeken welke kant het op gaat en wat de uitkomst is of zal zijn. Met beeldspraak en zinnebeelden word ik om de oren geslagen. Het geeft de poëzie van Veenhoven een speels maar doordacht karakter. Lichtvoetige verzen met een zware ondertoon. Bezwaarde gedichten van een verlichte geest. Dikwijls met een filosofische inslag, contemplatie van de koude grond.

Allerlei woorden in gedichten

Veenhoven schrijft beeldend. Hij hakt de woorden los uit het alfabet, maar de beitel schiet wel eens uit zodat er (te)veel letters wegvallen. Dan moet de lezer de vorm in gedachten afmaken, lijnen trekken die vermoedelijk getrokken zijn. Juist die onevenwichtige schijn maakt de verzen niet tot wanorde, maar geeft het sprekende kracht omdat ik het inzicht in mezelf moet vinden. Ik moet de poëzie, een allerlei woorden in gedichten, mij in gedachten toe-eigenen. Het uit de sfeer van de dichter in mijn eigen persoonlijke bubbel trekken. “dichter ben ik niet / soms lekt mijn pen / druppelt een traan / lekt mijn neus / regent het / als een vergiet / gedachten als wolken / verdwijnen voor de zon / vluchtende zwijnen / wroetten ondoorgrondelijk / rulle aarde / voor bloemen denk ik” heeft als titel ‘Ongedacht’, verrassend. De dichter dicht wel maar sluit de poëzie niet op, houdt de verzen open maar dikwijls weinig doorzichtig. ‘Omgegooid’ klinkt dan twijfelend, niet overtuigd van het eigen kunnen: “gezwicht voor / van al / ik weet niet wat / welk woord eerst / aaneengeregen / naar mijn zin / de koers omvat”. Niemand heeft zekerheid, iedereen aarzelt vandaag om morgen uit de overpeinzing te ontwaken en overtuigd te zijn van zichzelf. Stelligheid heeft tijd nodig, zoals deze woorden in gedichten dat hebben: ruimte aan momenten om de leegte gelaten te zekeren.

Mijn woorden die Veenhoven in de pen neemt

De poëzie van Frans Veenhoven heeft de geest van de standaard haiku waar in zeventien lettergrepen het hele verhaal vertelt moet worden. Dit is haiku 3.0, dezelfde sfeer maar uitgesponnen, uitgerekt en langer gemaakt. Niet dat hij geen eind kan vinden (zoals ik daar moeite mee heb), hij blijft de aandacht houden – maar het plot is soms eens onbevredigend. Meer of beter is het een uitgebreide tanka, een renga. Maar wel de strekking als deze Japanse lyriek zonder rijmvorm. Door niet alles schrijvend te zeggen wat een verklaring zou geven, kan de lezer de geschreven woorden tot zich nemen. Het is alsof ik het zelf heb geschreven, dat het mijn woorden zijn die Veenhoven in de pen neemt en vervolgens terugkaatst en ze mij in de mond legt.

Enzovoort. / / tja, je leest ’s wat… / je hoort ’s wat… / en zo kwamen er / enkele woorden / op mijn pad… / / ook papier sprak / schrijf maar hier… / niet geschreven / dus niet gelezen / en zo is dat… / / ik las is voorbij / kan even hangen… / maar verbleekt / naslag werkt / vertel me wat…”

De teneur is zo vanzelfsprekend, zo uit het leven gegrepen. Zijn leven die door de lage drempel de mijne wordt. Wel een lage drempel die met een Ikea-krukje geslecht moet worden. Want niet meteen doorzie je het lichte vers en lijkt het juist een zwaar gedicht te zijn. Maar wie daar doorheen kijkt, de abstracte benadering als realiteit beschouwd begrijpt de bedoeling. De ogen doorzien en de gedachte gaat open, de geest komt tot bloei wanneer de tijd genomen wordt om de schijnbaar onvolledige dichtregels te wegen.

Bij de brug. / / het gebeurde / verbijstering keek toe / zag het, zonder een plek te geven / mensen rondom met een mening / / van geen betekenis / een toeschouwer en passant / zai het, zonder er acht op te slaan / menigte rondom keek vertwijfeld / / we moeten wel verder / zo gezien haakte een voor een af / dachten, laat maar gauw vergeten / een drenkeling, bibberde ontsteld”.

Beeldend omschreven

Handelingen, voorvallen en omstandigheden zijn beeldend omschreven. Ik zie zo de werkwoorden in de regels werken, in de zinnen zijn. Veenhoven schrijft op wat hij ziet, intuïtief wat hij voelt. Gevoelsbeelden. Ervaringsvoorstellingen. Met een half woord moet ik genoeg hebben te weten waar ik sta in het gedicht. Hij laat weg, streept door, om veel te vertellen toch. Ik stel me zo voor dat hij een vertelling heeft te verhalen, gaandeweg in het proces van schrijven en herschrijven doen en laten laat verdwijnen om tot de essentie van de bezigheid of de situatie te komen. Hij doodt zijn lievelingen om een krachtig woordbeeld te scheppen. Proza wordt poëzie. Achterommetjes van de droom.

Zonder onderwerp. / / stilte / rust / leegte / gedachteloos / vol van / voelen / onbenoemd”.

Een poëtisch woord… Frans Veenhoven, gedichten. Een allerlei van woorden in gedichten. Eigen uitgave, 2024.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *