Beeldspraak van brilslang en boktor, olifant en neushoorn

De dieren die Jan Bouwstra laat acteren in filosofische fabels zijn precies als mensen. Met dezelfde mensen-wensen en dezelfde mensen-streken. Maar het Grote Dierenbos uit de Fabeltjeskrant is een poppenhuis vergeleken met het landgoed waarop de brilslang, de boktor en de andere dieren elkaar bevragen over leven en zijn. De lezende mens zou willen zo diepzinnig te kunnen mijmeren als de neushoorn en de olifant of de krekel en de egel dat doen. In de korte verhalen van schrijver, dichter en biochemicus Bouwstra verlaagt hij de hoge drempel van zware filosofische kwesties op een lichtvoetige wijze. Door de dieren uit zijn rijk beschouwend voor het voetlicht te zetten, maakt hij de wijsbegeerte tot een lust voor het begrip. Het gedachtegoed en de levensvisie van de muis en de kikker of de pad en de uil zijn het meer waar mijn denken en doen in spiegelen. Stille wateren, diepe gronden.

Verzonnen verhaal met een moraal

Een fabel is een verzonnen verhaal met een moraal waarin dieren de hoofdrol spelen. Maar deze korte verhalen van Bouwstra, amper meer dan twee bladzijden lang, schijnen helemaal niet denkbeeldig of onwerkelijk. Deze belichten wezenlijke gebeurtenissen, enkel zijn de hoofdpersonen geen mensen maar dieren. Ze hebben de animale eigenschappen die de schepping hen heeft ingeprent, en de karakteristieken die hen door de mensen zijn toegedicht. Daarin zijn ze zelf gaan geloven en hebben deze rangorde als van nature aangenomen. De sluwe vos, de wijze uil, de pad die de leiding neemt. Terwijl Bouwstra hen menselijke kenmerken toeschrijft of eigenlijk kwaliteiten die een mens als ik wel zou willen hebben. De dieren denken kinderlijk na over volwassen onderwerpen als liefde, schoonheid, macht, vriendschap, tijd en taal. Ze benaderen deze naïef en onbevangen, maar worden dan weer wel door wijze dieren terecht gewezen, worden levensvragen beantwoord. Want er zijn altijd betweters en beterweters, in welke samenleving dan ook.

Hof van Eden houdt zich schuil

Er wordt in de fabels van Bouwstra vaak en veel nagedacht bij zonsondergang of in het schemerlicht van de nieuwe dag. Op momenten dat het verstand wegdrijft, de sfeer zich opent voor een bezinning op het bestaan. De schrijver weet die ogenblikken poëtische stemmingen toe te dichten. ‘Die ochtend werd het licht in dauw verpakt tot kleine diamantjes die even schitterden in het mos om daarna te verdwijnen. (…) Het was vroeg in de ochtend, de dag twijfelde over wat zij worden wilde, totdat de zon door de wolken heen brandde en het bos begroette met haar stralen. (…) Het ruisen van de bomen werd gesponnen in de stilte van een blauwe hemelkoepel, die ver boven alles uitreikte. (…) Het was ochtend en de nevels losten op, terwijl de uren van de dag werden uitgegoten over een bos waarin de dieren ontwaakten.

In dat bos van de dieren lijkt de Hof van Eden zich schuil te houden, maar net na het moment van de zondeval. De dieren weten nog niet dat er is gesnoept van de appel, dat de mens in een oogwenk weet van goed en kwaad. In een bliksemflits interpreteert de mens voortaan subjectief ethische waarden, beseft wat leven is en dat er iedere dag een nieuwe keuze is tussen twee kwaden. De dieren zijn nog in gedachten bij dat tijdpunt van de ongerepte schepping, zo zoals de wereld bedoelt is of was. Maar toch sijpelt al het dierlijke in het menszijn door en andersom. Bij de diepe gedachten, het lessen van de dorst naar kennis van het bestaan, moet het lichaam gevoed worden. Dus kan een rups waarmee een gesprek is gevoerd of een muis die een retorische vraag heeft gesteld zomaar pardoes worden opgepeuzeld door de merel of de uil, de pad of de brilslang. Niets dierlijks is de beesten vreemd.

Met zichzelf in tweespraak

Jan Bouwstra schrijft om een landschap te scheppen in zijn hoofd, waarin hij ronddoolt en geniet van de verschieten die verschijnen. En waarin diverse dieren vertellen waar hij zelf mee rondloopt. Hij is zijn dieren. ‘Ik alleen kan leven in het landschap dat ik creëer van mijn gedachten’, laat hij de uil plechtig zeggen, ‘ik volg de route die mijn dromen mij wijzen door dat landschap heen. Ik bedenk niet waar ik naartoe ga, ik volg alleen de weg.’ Het is alsof ik hem, de schrijver van de fabels, zelf de worden hoor formuleren. “In fabels meng ik metaforen”, schrijft Bouwstra in zijn voorwoord, “filosofische gedachten, fantasievolle invallen en humor tot miniatuurtjes die boven mij uitstijgen, alsof ze geschreven zijn door iemand die ik niet ken.” In die kleine formaat teksten kan hij zich verplaatsen in de gedachten van de dieren. Kan hij met zichzelf in tweespraak zijn, een dialoog voeren terwijl hijzelf het antwoord weet of denkt te weten op prangende levensvragen. Hijzelf is de reis en elke dag is hij het uitzicht van zijn ziel. Maar niet iedereen kan zo anders kijken of hoort wat de reisgenoot zegt. Het verhaal gaat soms het ene oor in en het andere uit, ofwel is het alsof de woorden om je heen zwerven zonder een weg naar binnen te vinden. Wat is de zin van het leven, wat is het nut van bestaan. De hele diergaarde vraagt zich dat af en de helft denkt het te weten.

Tijd is niet van ons, wij zijn van de tijd

Dromen is schuilen in jezelf, houdt Bouwstra in de hoedanigheid van luiaard mij voor. Hij schrijft woorden die behoefte voelen om betekenis te zijn. Terwijl ik ze lees besef ik mij dat deze in een moment verblijven dat nooit terug komt, een ogenblik waarin vervolgens een nieuw zijn plaatsneemt. Of, zoals de mier bij de dageraad opmerkt, dit uur heeft nooit eerder bestaan. ‘Elke seconde krijgen wij iets wat daarna weer weg is en nooit terugkomt.’ Wat later zegt de mier, die even wijs uit de hoek komt als de uil: ‘De tijd is niet van ons, maar wij zijn van de tijd.’ En nog enkele oneliners die tot de verbeelding spreken zijn in monden van verschillende dieren gelegd: Met twijfelen begint het onderzoek naar of iets waar is. / Het leven is niet te begrijpen als je eraan deelneemt. / Het denken maakt alles expres ingewikkeld omdat het denken daarvan leeft. / Jij bestaat alleen uit indrukken die anderen van jou hebben. / Kunst is een afdruk in de tijd van de beschaving.

Jan Bouwstra verzamelt woorden en schud ze uit op papier. Wanneer ik ze lees krijgen ze daarmee pas betekenis. Vormen deze beelden in mijn gedachten. Het klopt dus, het is waar dat de fabeldieren bang zijn dat ze alleen een verhaal zijn. Alleen een gelezen leven zijn, dat ze gewoon werden bedacht. Dat zij niet zelf speler maar het spel zijn. Dat er iemand anders in ze is die hen speelt. ‘Wij zijn onderworpen aan iemand waarvan wij denken dat wij het zijn. Waardoor wij naar elkaar toe worden bewogen zonder te weten waarom. Of van elkaar af.’ Sommige vragen verdienen geen antwoord. Diverse antwoorden hebben geen vraag. Of zoals de brilslang opmerkt: ‘Ik ontdekte ineens dat ik niet de gedachte van iemand anders ben, ik ben de gedachte van mijzelf!’ ‘En anderen hoeven dat niet te snappen, want als iedereen begrijpt wie jij bent, dan ben jij niet bijzonder meer’, voegt de mier daaraan toe.

De brilslang, de boktor en de andere dieren. Filosofische fabels. Jan Bouwstra. Met illustraties van Angela van der Meulen. Uitgeverij Noordboek, 2024.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *