Verhalende dichtkunst. Dan denk ik meteen aan iemand als Homerus, Poe of Shakespeare. The Canterbury Tales of De Goddelijke Komedie. De vertelling is op rijm gezet en beslaat legio versregels en talloze strofen. Het narratief van Jolanda Kooijmans heeft daarmee van doen, maar ook weer niet. De epiek van Venus and Adonis, Ilias en Odyssee vind ik er niet in terug. Hoewel de dramatiek van deze onderwerpen wel overeenkomen met de thema’s kwaad, vervreemding, verdraaiing en angst. De duivel vliegt als een raaf tussen de regels door, maar krast ook luid hoorbaar op een afstandje. Ik meen er Edgar Allen in te horen. Ik bespreek de dichtbundel ADDERTJE, waarin smakelijk satan wordt opgediend.
De vertellingen lopen over verschillende pagina’s door en zouden eigenlijk in een enkele adem moeten worden gelezen. Hoewel je de losse onderdelen best kunt opvatten als een krantenstrip. Drie plaatjes, niet meer, maar het smaakt naar meer. Dus de volgende ochtendkrant meteen op de strippagina gekeken voor het vervolg. Zo houdt Kooijmans mij ook bij de les en kan ik niet wachten de volgende pagina te lezen. Vooral in het vierde verhaal in de mij voorliggende bundel, CONSTANT, geeft de dichter iedere keer aan het eind van de tekst een preview van de volgende bladzij en deze begint daar met de laatste regels van de vorige om de draad weer op te pakken. Zo golven de apocalyptische verhalen door van de ene naar de andere cliffhanger.

Vlag die lading dekt
Op elke pagina lijkt een afgerond deel uit het verhaal te staan, maar het heeft geen begin en geen eind, het kan echter uitstekend los – bevrijdt van het geheel – gelezen worden. Zo goed zit de poëzie van Kooijmans wel in elkaar, dat de details op zichzelf staan en als onafhankelijk gedicht kunnen worden gelezen. Maar telkens blijft de lust het volledige verhaal te kennen. De magie zit in de losse onderdelen, zoals de krantenstrip de betovering verliest waanneer verzameld in een album. Het raakt de spanning kwijt – de lezer wil geprikkeld worden om de aandacht vast te houden. Desondanks dat dwingt in theorie Kooijmans mij de bladzij om te slaan en de volgende pagina te lezen. Gehypnotiseerd van de woorden gaat mijn blik in extase door de bundel.
Aan ADDERTJE heeft de bundel de titel te danken. Het is de vlag die de lading dekt. Want onder het gras, kronkelt Addertje tussen de regels door en jeukt in mijn gedachten wanneer het me op het verkeerde been zet, ik de zin niet meteen doorzie en kan ontleden. Het diertje, een mensje gelijk, wordt verrassend geboren in en door een bevroren meer. Er is niet op het gerekend en lacht daarom in een vuistje. ‘een lege maag komt ter wereld / met Addertje eromheen’ Een lege maag, want het heeft voortdurend honger. Zin in, zoals ik honger naar wat komen gaat in de poëzie van Jolanda Kooijmans. Addertje merkt zijn wereld op, om zich heen. Merkt vreemdsoortigheden op die zich wenden en keren, meanderen door het verhaal.

Beeld aan de woorden
Wanneer ik denk de verhaallijn ingelezen te hebben, doemt er een nieuw feitje op waardoor ik uit de tekst raak en bij vrijwel het begin opnieuw begin om maar niets te missen. Addertje valt na een volvette voeding, een dieet van zwaluwkuikens, terug in de geadopteerde moederschoot. Ook hij/zij/hun heeft ergens gaandeweg iets gemist of over het hoofd gezien en denkt opnieuw voor een geboorte te beginnen. Door de kuikens ontwikkelt het amfibie vleugels en wordt een kleine draak. ‘uit haar bek komt een roze damp / en een tong als een flakkerende vlam’ Waar lees ik dat, ik ga op mijn stappen terug. Sloeg zijwegen in zodat ik van het rechte pad afraak aan de hand van Kooijmans. Stap stap stap.
Addertje beleeft wat een avonturen, het is nauwelijks niet voor te stellen. Daarom teken ik het voor mezelf in mijzelf gedachtig uit en herinner me eraan. Het geeft beeld aan de woorden. Dat beeld transformeert vervolgens tot een surrealistisch schilderij, een kunstwerk dat meer fantastisch is dan een ware wereld vertegenwoordigt. De metaforen vliegen me om de oren. De symbolen zijn niet van de lucht. ‘wat niet bestaat in de onderwereld / zijn dagen en nachten / Addertje droomt van de zon en de maan / de wilgen en de wind / het gekabbel van het water’ Dat beeld voor ogen houd ik vast in gedachten. Beeldend geschreven, sprekend gedacht. Dit eindigt in een zondvloed, het kwaad schoon gewassen. Moedermeer bedekt de wereld met een kletsnatte mantel (der liefde?), hun vleit zich over het bestaan waar Addertje toeschouwer is. Waar ik beschouwer ben om met krachtige schoolzwemslagen door het verhaal te laveren. Mijn begrip stroomt vol. Wordt vervolgd.

Dief in de nacht
ZUUZ is vervolgens een ik-verhaal, een persoonlijk relaas. Meer persoonlijk dan de andere vertellingen. Die ik is namelijk de dichter. Die ik dat kan echter ook heel goed de lezer zijn. Ik hoef niet van een afstandje te lezen, ik kan zelf de vertelling meemaken, het zijn beleven. Maar die ik-persoon staat erbij en kijkt ernaar. Zoals ik de beren zie die broodjes smeren. Het is er niet en toch maak je het mee. Het kan niet zijn en waarlijk valt het voor. De gedachte is met de fantasie een veelkoppig buideldier, dat de waarheid in zichzelf opbergt. Er een moment op kauwt en herkauwt, dan de ontwarde wartaal spuit. Het is andermaal alsof ik Dali in de bundel ontmoet, althans meelift op zijn penseel. Of Magritte of Kahlo. Of Breton, Lucebert. Dicht bij de realiteit ben, deze als het ware kan aanraken. Maar toch blijft die werkelijkheid verpakt in cellofaan. Het schuurt aan de waarheid, maar is er verre van. Het had waar kunnen zijn, maar van een andere kant bekeken, evenwel weer niet.
Het ik kijkt tv met oudoom Drie wanneer plots de duivel in de beeldbuis verschijnt. Want het kwaad is overal en overkomt mij, ons als een dief in de nacht. Het is familie, maar staat toch telkens als ongenode gast voor de deur. Een zwager waarmee je gebrouilleerd bent, overhoop ligt en dus niet welkom is. Maar hij blijft zich opdringen. ‘hij iz hol van binnen weet je / zijn holte moet gevuld met ophef en gedoe’ En ZUUZ raakt bezeten van de duivel terwijl oom Drie sterft. De pastoor geeft hem het laatste sacrament en ondertussen zit de duivel in haar oor die haar walging en afkeer influistert. ‘de dood is nogal wiedez / alom en aldoor’ Echter oom schijnt schijndood te zijn, hij mag in extra tijd leven. Het verhaal mijmert door, kent uitstapjes en instappen. En uiteindelijk treedt toch de dood bij oom in. Zo vrolijk beschreven dat het een fijn moment zal zijn en waarschijnlijk is. Zo waarschijnlijk dat het huis even opveert.

Boer met kiespijn
‘aan de muur / achter dikke lagen vernis / en de plak van een honderdjarige rookpluim / van een honderdjarige bolknak / ligt een volwassen steur op een eikenhouten tafelblad’ is de beeldende beschrijving van een geschilderd stilleven. Het is na de start van BUBBLEBEEZ VERHALALA het begin. Die start is het slot, zoals een film wel begint met het einde en daarna onthult wat er in de tijden daarvoor heeft plaats gevonden om tot het laatste te komen. Een verhaal over verderf in een hilarisch snoeppapiertje gewikkeld. Het vertelt in gemaskeerd duidelijke taal de misstand met jongelui in kloosterlijke kringen. Zoals de omfloerste trom het teken is van rouw, bedekt de tamtam van het genot verdriet. Achter de lust schuilt wellust, het plezier wordt tegenzin.
Oogappel Ot lacht als een boer met kiespijn, ondergaat zijn lot want Jezus knipoogt naar hem. Ot houdt zich vast aan de Schrift, daaruit put hij nog enige bemoediging. En de dromen die in de nacht gedroomd worden geven de burger moed maar boezemen ook angst in. Het poëtische verhaal leest als een verwrongen nachtmerrie. Eindigt tot slot zoals het is begonnen en verder. Salvador proef ik, de Verlosser. Het is aan de godin van de jacht gelijk: Dali. Ik mis nog smeltende klokken als de volharding der herinnering. Het surrealisme sluipt tussen de regels door, zet zich vast in de gedachte bij de woorden. Hoewel het fantasie lijkt behandelen de gedichten werkelijke zaken. Het wordt echter niet met ware naam en toenaam verkondigt, modieus gekleed komt de naakte waarheid echter helder aan het licht. Ik kijk door de nevel naar het licht aan het eind van de tunnel. Door de symbolen en metaforen, de parabels en gelijkenissen, slaat de realiteit in als een bom, een donderslag aan heldere hemel.
ADDERTJE. Jolanda Kooijmans. Gedichten. Koppernik, 2025.

Leave a Reply