Mijn vlieger staat doof aan de horizon

Autobiografisch scan ik de verwikkelingen van Harry van Doveren. Ik lees de nieuwe bundel “ik kan vliegen” woord voor woord nauwkeurig, kopieer de tekst in gedachten naar mijn eigen wezen om het achter mijn oogleden te kunnen projecteren… In deze dichter herken ik mijzelf omdat hij zichzelf figuurlijk bloot geeft tussen de regels door van zijn poëzie. Bij zijn beschreven aannames van persoonlijk beleefde ervaringen ontgaat mij aanvankelijk de logica, zoals ik soms eveneens versteld sta van mijn eigen schrijfwijze na een nachtje slapen. Aan zijn denkkader moet ik eerstens wennen, maar daarna staat in tweede instantie zijn dichtkunst mij helder voor ogen. Ik ben uitgeslapen.

De axiomatische poëzie lijkt in experimentele zin enigszins abstract, omdat Van Doveren zich bedient van beeldspraak en overdrachtelijke uitdrukkingen. Mooie vondsten die tot nadenken stemmen, evenwel de lading letterlijk dekken. En natuurlijk wenst de lezer dezes dan voorbeelden. Welnu, wat te denken van “volgde waarheid en leugen op de evenwichtsbalk” en hoe te mijmeren met “zag geschiedenis opgerold terug in celluloid” of stil te staan bij “herboren beesten kruipen als kruimels uit de braadpan” en “vliegen werd een horizon begraven”.

Ja, ik besef dat de zinnen uit hun verband zijn genomen en schijnen gekortwiekt. Dat er voor dan wel achter de woorden betekenissen zijn en volgen. Maar veel van de gevleugelde regels zijn goed als oneliners en kunnen best alleen de kooi uit de lucht in. Dat is de kracht van Harry van Doveren, dat het dichten een ongerijmd welhaast labyrintisch geheel lijkt maar juist staat als een huis. De lezer moet alleen wel durven die woning binnen te gaan om de heterogene pannenlappen tot homogene lappendeken samen te brengen.

Onderzoeken en ondervinden

Autobiografisch leer ik de mens Van Doveren door zijn woorden kennen. Door zijn taal mij eigen te maken, zo zodat ik het woordelijk kan verstaan, letterlijk kan horen. Om slechts enkele gelezen woorden beter in de context te begrijpen zoek ik verder buiten de teksten. Om te weten wie Jannis Kounellis was, welke de pijlen van Statius zijn en wat udon is en waar Geilo ligt. Mijn neus is niet zolang dat ik de betekenis uit mijn hoofd kan oplepelen. De dichter zet mij aan tot intellectuele handelingen om mijn kennis te verbreden en mijn geest te ontwikkelen waarbij mijn kunde zich verdiept.

De bundel “ik kan vliegen” deelt zich in drieën. Drie hoofdstukken of perioden van tijd. De voorjaren gaan inderdaad over de lente van des dichters leven. Het onderzoeken en ondervinden, het uitproberen en evalueren, het leven leren verstaan door kennis van goed en kwaad. Het paradijs is verlaten en de hof van heden ligt met een grimlach voor hem open. Ik ervaar de tekst wel als déjà-rêvé, dat had je gedroomd, of beter beleef ik het als déjà-vu, been there done that. “in mijn voorjaren was ik er stellig van overtuigd dat / ‘ik hou van je’ zeggen onherroepelijk was en meedogenloos / eenduidig * gelijk wiskundige symbolen en formules”.

In de tussenjaren legt Harry zijn voorjaren af – “wikkelde touw om mijn schoolboeken”. Het is de tijd van volwassen zijn, meneer Van Doveren zijn. De wereld is evenwel nog eenvoudig en begrijpelijk. En ik volg hem op de voet, schrijf mijn eigen wezen achter zijn gelikte pen. Maar het zijn wordt ongemerkt verward, het wezen raadselachtig. De maatschappij roept – nog niet in de kantlijn. Zijn wereld als béta is in die jaren tussen onweten en weten complex. “het komt / er op aan wat ik doe zeg of schrijf” In zijn lente kon hij groter zijn dan de tijd, maar in de jaren van onderscheid leek hij juist kleiner en nietiger dan Pluto in het zonnestelsel.

Hij zoekt verbanden, sorteert teenlengtes, wilde zich blijven herkennen in het rumoer van de nacht – in het vinden van kracht in zwakheid. Hij strijdt met zichzelf zoals Jacob met de engel, met zijn verleden en zijn schuldgevoel. En langzaam verdwijnt het werkzame leven naar de kantlijn, is nog slechts een stelling in de marge. Dan is er de vrijheid van de najaren.

Het leven in dichten vangen

Hij reist nog wel door voor- en tussenjaren, omdat deze bestemmingen vorm moeten hebben en duidelijkheid krijgen. Een mens is wie hij was. De dichter dicht dichter bij zichzelf. De dichter beschouwt meer helder in de nadagen van wat een levenlang heet. “een stevige wind met een ongemakkelijk verleden” en de wind draait en legt zich neer, welhaast te rusten – welterusten. Hoewel Van Doveren lijkt af te rekenen met het zijn waarvan hij voordien onderdeel van uitmaakte, is het echter een balans opmaken – plussen en minnen, voren en tegens. Hij maakt een overzicht en kijkt wat het heeft opgeleverd. Neemt afscheid, speelt over en begint overnieuw: “blijf drinken tot jij in de lobby van het hotel verschijnt in / doorschijnende kousen met zwartfluwelen handschoenen / ivoorwitte bovenarmen en een nauw boordje om je hals” en eet met smaak een kers uit de tuin van Tsjechov. En ondertussen mijmert de dichter zonder scrupules door. Probeert het leven in dichten te vangen, sluit het zijn op in woorden, strooit letters als afgevallen bladeren in de herfst, het najaar, de najaren. In deze jaren door schade en schande wijs geworden doorziet hij zichzelf in wezen. Hij formuleert aannames als waarheden. Gedachte echtheid is zijn werkelijkheid waarmee ik instem wanneer het me uitkomt. “diepte en hoogte horen thuis in het vocabulaire van een / kunstenaar omdat hij de enige is die zijn hele leven lang / afdaalt opstijgt en voortdurend zoekt naar de plek waar / het lood de bodem raakt en de hemelse geest bloeit

De voorjaren zijn vervlogen, de tussenjaren maakten opvliegend, zodat Harry van Doveren in de najaren kan vliegen. Natuurlijk zet hij geen punt, trekt hij geen streep; hij beleeft de trage tijd waarin het duister verleden gekuist is met bloedrode verf. Hij zet het niet, maar het sluipt wel binnen: de punt. Maakt hij zich woordelijk zorgen? Ziet hij in de donkerte van de avond door het gordijn een rood met zwart gevuld teken voor het raam staan? Zijn dromen bedrog, spreekt de dichter de waarheid. Dat teken is metafoor voor de wachtende (die met de zeis?), het wakende einde of het nakende slot. “ik denk de laatste tijd zo vaak aan hem en aan wat dan – “ Ja, wat dan.

Het betreft hier een open einde. Natuurlijk denkt de mens wanneer de jaren van het zijn opraken aan een afronding, ooit, eens. Maar nu nog niet. In de bundel “ik kan vliegen” dicht Harry van Doveren zijn leven. Het is ongemeend een autobiografie. Een persoonlijke levensbeschrijving in puntige zinnen, scherp als het slagersmes in mijn keukenla. Het zet een kerf in mijn vlees. Ik voel het warme bloed langs mijn huid stromen. Op tijd stelpt de dichter echter het levensvocht dan weer. Zet mij op een verkeerd been en brengt mij vervolgens opnieuw in evenwicht. Het is aan hem gelegen dat ik blijf lezen, namelijk. Kennen en weten. Ik vlieg met hem mee naar de regenboog. Mijn vlieger staat doof aan de horizon. Geen nood meer te ledigen, geen noot meer te lenigen.

Harry van Doveren. Ik kan vliegen. Gedichten. Gaia Chapbooks, 2025.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *