Experimentele constructie geeft dichter Edwin de Groot rijker palet

alleen zijn is heerlijk / met al dat missen en weer afscheid nemen / eigenlijk wel het mooiste wat er is’ Timofei Sofer is een fictief personage, een 78-jarige bosarbeider uit Oost-Siberië. Een amateurdichter die op zijn eenzame tochten door de taiga de beleving poëtisch boekstaaft. Edwin de Groot bedacht de figuur om dit alter ego zijn woorden in de mond te leggen. Hij zou de gevonden gedichten uit het Russisch vertaald hebben om Sofer vleugels te geven. “Het gebruik van een alter ego constructie samen met de niet fictieve situering maakte, en dat is mijn motivatie, dat ik een rijker palet had om autobiografische en beschouwelijke zaken een andersoortig podium te geven en er een voor mij andere schrijfstijl op na te houden”, zegt De Groot over zijn keuze. “Een soort van experiment dus als het ware.”

De idee om zijn gedachten te situeren in de uitgestrekte wouden van Rusland ontstond na het lezen van een overdaad aan Russische literatuur. Daardoor kreeg Edwin de Groot een beeld voor ogen dat evengoed beleefd kon zijn door een autochtone Siberiër. De houthakker die medelijden heeft met de boom die hij gaat vellen. De eenvoudige bosarbeider die meervoudige filosofieën in zijn dagboek pent. ‘in mijn mond woont het geluk / van de smaak van hier / van hars en hout op de tong’. Uit de denkbeeldige observaties heeft hij een feitelijk relaas in expressieve en suggestieve dichtregels geschreven. Het had waar kunnen zijn, want de oorsprong is echt.

Het is een behendig klein boek in zakformaat. Om zo in de kontzak van de broek op voettocht of in de binnenzak van de jas op wandeling mee te nemen. Om eens aan te pakken en na te slaan gaandeweg onderweg, rustend op een bank of liggend in het gras. Uitkijkend over laagland, heide, door bossen, open plekken, lange lanen. Zodat ik voor het moment van lezen me waan op de plaats die beschreven is. De taiga. De uitgestrekte bossen, de koude naaldwouden. Glooiend over de vlakte langs het water tot in de heuvels.

Fictief figuur

Was hij er ooit, daar, de tekstdichter, de poëet. Of heeft hij zich zo kunnen inleven bij het lezen van plaatselijke literatuur dat hij zich daar fysiek denkend dacht aanwezig te zijn. Zich verplaatsend in de geest van een alter ego, een fictief figuur waaromheen in eerste instantie de mystiek van zijn en niet-zijn hangt. De gedachte overgenomen, de ziel bewoond. De ogen geopend en zien wat er te kijken valt. Voor de dichter, zowel als voor elke andere kunstenaar – schrijvend, beeldend, musicerend – bestaan er geen grenzen. Is 1000 kilometer als een enkele voetstap verder.

De gedachte laat zich niet begrenzen, vliegt eenvoudig van oost naar west, van zuid naar noord. Je hoeft op een bepaalde plek niet geweest te zijn om je er aanwezig te voelen. Dat is de kracht van inleving, verbeelding. Wanneer je maar de gave bezit om verder te denken dan hier en nu, dan lengte en breedte en eenvoudig de diepte in kunt. De fantasie, het geestesoog, heeft meer abstracte reikwijdte dan de realistische gedachte. Door de tekst van Edwin de Groot kan ik zodoende zijn in het bos tussen de bomen, op mezelf aangewezen met de Taigagedichten als reisgids door plaats en tijd. Voor het moment ben ik zijn alter ego en kleed me warm in gedachten. Ik ben de houthakker die de seizoenen opmerkt, de verandering in de natuur, de opwarming van de aarde.

Lichtvoetig en zwaarmoedig

De verzen van Edwin de Groot lezen als de wind die ruist tussen de bomen op de taiga. Maar feitelijk heeft de wind geen geluid. De takken die door luchtverplaatsing bewegen geven de wind een stem. De wind leeft zich in de bomen in, zoals ik meevoel met de woorden van de dichter. De wind is voor een vlaag de boom. Ben ik door het lezen dichters alter ego in het wel erg vrije vers. Lichtvoetig en zwaarmoedig. Schijnend als de ondergaande zon, mysterieus. Maar hij, Edwin?, is geen filosoof. “ik ben geen filosoof / ik hak hout / stroop af en toe een sneeuwhaas / schiet een hert voor de winter

De bosarbeider heeft diepe gedachten, mijmert voor zich uit in de idee van Edwin de Groot. Leeft met de seizoenen. Is een natuurmens. Ieder jaargetijde kent de eigen werkzaamheden en gedachten. Hoewel de bomen hem gezelschap houden is de houthakker veel alleen. “je kunt over niet te meten land / het aan-één-stuk-door-en-door / de ruimte, de mateloze vergezichten / gedichten schrijven van tientallen pagina’s lang / met hoofdrollen voor de grond, de bomen / de vogels die moeiteloos kilometers maken“.

Geven de taigagedichten ruimte om te ademen. Te beschouwen tussen de regels door. De tsjevengoer beneemt mij de adem. Gehaast slinger ik mij door de tekst die nauwelijks leestekens kent en prachtige volzinnen vormt. De ultrakorte poëtische essays sluiten de verzameling gedichten af. Het spreekt over personages, figuren met een verhaal. Dit heeft het meesterwerk van Andrej Platonov als inspiratie. Deze speelt zich af in de jaren voor, tijdens en vlak na de Russische Revolutie. In tijden van chaotisch oorlogsgeweld, ideologische verwarring en snakkende heilsverwachting. Platonovs doelloos dolende personages zijn gegrepen door geloof in de communistische heilstaat. Maar tegelijk door totale vertwijfeling, vanwege hun bodemloze ellende, en omdat het communisme hen voor ondoorgrondelijke raadselen stelt. In de woorden van De Groot herken ik Platonovs ontwortelde wezens die dolen tot in de dood. Het is een bizarre afsluiting van een met beleving doorregen gedichtenbundel. Dat begon met een ode aan Miklós Radnóti. Hongaars dichter en slachtoffer van de holocaust. Is hij het alter ego onder een andere naam?

Beschouwende stilte

poëzie mag ook lelijk zijn / laat het maar grijnzen als botten in een kuil / borrelen als een verzopen wolf kronkelvol paling / dat de regels na het lezen de volgende dag nog / in je kleren hangen als matrozenkots / poëzie moet als een steenmarter hardnekkig / je huis bezetten zoals de lucht van een natte hond / of als een wilde kat in je gordijnen’ Door de mond van B. op visite bij S. weet de dichter zijn eigen werk in dit boek niet beter te omschrijven. Ik had met deze dichtregels mijn bespreking kunnen staken. Het is kernachtig beschreven en heeft het gras voor mijn voeten weggemaaid, als het ware.

Edwin de Groot leeft zich in en spreekt zich uit. Ik laat bij het lezen mijn vinger onder de regels meebewegen om geen woord te missen. De ogen sluitend na een gedicht gelezen te hebben, als contemplatie zuchtend in de beschouwende stilte van het vespergebed. De buitenwereld verbannen naar zichzelf, van binnen ben ik de ongekroonde koning van de gedachte. De gedachten zijn vrij en onafhankelijk, laten zich niet dwingen hoewel de dichter voor een moment mijn gedachte overneemt, voor de tijd dat ik het boek opendoe en zijn verzen lees. Ik denk in zijn wezen. Dan. Ik ben in zijn beleving.

Taigagedichten. Edwin de Groot. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *