Wibo Kosters stemt de stad poëtisch op zijn gevoel

Van het platteland, dat ben ik. Met een weids uitzicht over de velden. Het landschap overzichtelijk. Sloten tot de einder, zover het oog reikt. Niets staat mijn blik in de weg, of het zouden de bomenrijen in het coulisselandschap moeten zijn. Het decor van een achterland. Een omgeving dat met moeite een agglomeratie is. Een dorp kent geen stadsuitbreiding, het implodeert eerder. De mensen trekken er weg naar de drukte waar het gebeurt, komen terug wanneer de rust gezocht wordt. Weidse uitzichten trekken wanneer de einder verdwijnt achter meerdere etagehoge bouwwerken. De ruimte gezocht wanneer huizenrijen benauwend werken.

Van buiten de stad dat ben ik. Ik versta een dialect die de tweede taal van het land genoemd is. En de grachtengordel is verder dan op steenworp afstand, de randstad niet binnen handbereik. Ik ben uitwoner van de stad. Daarom trekt dichter Wibo Kosters mij met zijn teksten tussen de bouwkunstige huizenblokken, de industriële gebouwen, de woontorens en wolkenkrabbers. Het oog reikt niet verder dan het verkeerslicht dat zelden op groen springt. De poëzie van de stad maakt mij inwoner, in gedachten. Het heeft alle schijn van een hersenspoeling, Kosters doet zijn best. De werkelijkheid is in zijn poëzie een abstract gegeven. Het absurdisme van hoge huizenbouw en overvolle parkeerplaatsen in vergelijking met mijn handzame lage landen met hier en daar een boerderij en een dorp rond een kerktoren schijnt afschrikwekkend.

Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie

Met zijn aandacht de omgeving zien

Paradoxaal lijkt de dichter vanuit de poort van de Achterhoek naar de Koekstad te komen om er alleen te zijn, anoniem te zijn. Alleen staat niet voor rust, anoniem niet voor eenzaam. Tussen alle mensen die als mieren rondlopen kun jij je alleen voelen, niemand kent je en slaat acht, je bent anoniem. “langzaam groeit de stad / in mij / worden straten namen / gezichten mensen” Want wanneer jij de stad bent ken je het stratenplan als je broekzak, blijven gezichten niet anoniem, worden figuren personen. Geen randfiguren of figuranten, maar hoofdpersonen in jouw rolprent die een Oscar voor de meest creatieve regisseur verdient.

Wibo Kosters noemt zijn dichtbundel “inwoner”. Het is zijn debuut als dichter. Daarin onderzoekt hij wat de stad maakt en wat het betekent daar te zijn. Hij woont in dit boek en ik kan er een tijdje verblijven. Medebewoner zijn, door zijn ogenblik naar de wereld kijken. Met zijn aandacht de omgeving zien. Ter illustratie van de teksten heeft kunstzinnige broer Bas Kosters simpel complexe tekeningen gemaakt, om niet te zeggen abstract naïeve schetsen. De huizenmannen doen mij denken aan blockheads (hit me with your rhythm stick resoneert tussen de lijnen). Blokhoofden in de diverse betekenissen van het woord. Een grijs huizenblok met rood puntdak vormt het hoofd. Een half open blik, een platte neus, de donkere wallen onder de ogen tekenen een uitgeputte indruk, een slaperig karakter. Maar het figuur moet wakker blijven, want de stad slaapt nooit. Er is altijd leven, nooit rust – zelfs in nachtelijk duister blijven mieren actief. Vandaar de omwallingen want de stad is een vermoeiend fenomeen.

Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie, Bas Kosters, Neil Young

Een gelaagde beschouwing

De bundel is gedicht rond een song van Neil Young. ‘Ambulance Blues’ kreeg een nieuwe tekstuele jas, waar de albumhoes van ‘On the beach’ – de blues is daar onderdeel van – is gekopieerd met een blokhoofd die naast de schoenen loopt. Het motto van poetry slammer Kosters is een strofe van de Canadese zanger: “I am a lonely visitor / I came too late to cause a stir”. Kosters voelt zich zo’n eenzame bezoeker van de stad en loopt blind door de straten van zijn herinneringen. Al schrijvend en beschrijvend, peinzend en filosoferend, stil staan en turen, is hij te laat om opschudding te veroorzaken. Met zijn poëzie probeert Kosters de stemming nog enigszins te ontwrichten.

De muzikant van oorsprong observeert en koppelt wat hij om zich heen ziet gebeuren aan zijn eigen geschiedenis en ontwikkeling. De bundel ‘inwoner’ is dan ook een autobiografie. Hij beschrijft zijn ervaringen van de straat, zijn gevoel tussen de huizen, zijn emotie als eenling in de stad. “ik lijk slechts een schim / achter een gordijn / in een gedicht”. Kosters zingt een vrolijke noot waarmee hij de toon zet in zijn gedichten. Het observeren en koppelen, zijn cynische kijk op de wereld, formuleert een humoristische ernst. De gedichten hebben een gelaagde beschouwing, waar bij herhaald lezen opeens het kwartje valt.

Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie, Bas Kosters

Mensen vluchten, gaan eropuit

Hij verheerlijkt de stad niet, want merkt ook wel de onhebbelijkheden aan de lijve. Door zijn eigen leven erin te schrijven worden de gedichten wel persoonlijk van sfeer. Dan raap ik dat kwartje van de vloer en probeer me in zijn wezen te verplaatsen. De teksten zijn wel cryptisch van toon, maar heb ik de smaak te pakken doorzie ik het geheim van de poëzie, zijn poëzie. Kijk ik met andere ogen naar die grote stad, wordt ik in gedachten van provinciaal een stedeling. Zie ik de tekortkomingen en de achterlijkheden van het centrum. De gezelligheid en het plezier in kerk en kroeg tegen beter weten in. Merk ik hoe de dingen intermenselijk werken, dat op sociaal niveau er nog weleens steekjes vallen. In de stad ben je anoniem, soms onzichtbaar lijkt het wel. Ga je in de grote massa mee. Daarom vluchten mensen, gaan ze eropuit, naar het strand of halfpension in een schuildorp. De tumbleweed rolt niet door de straten, de wijken zijn niet verlaten – maar veelal is het gevoel daar wel, ben je eenzaam in de meute en wordt je meegevoerd door de stroom. Op weg naar onbekende verte. Maar hulp is onderweg.

Het laatste deel in de bundel raakt het meest aan schrijvers persoonlijkheid. Het ontroert mij aandoenlijk. Dan is de lach van de grap uitgeklonken en grijnst de boer die kiespijn heeft. Dan wordt het leven serieus, omdat blijkt dat er een einde aan is. Kosters draait de sleutel in het slot en sluit af. Gezien het voorgaande prettig uit de toon valt, is het hier en nu meeslepend in mineur. Magere Hein klopt aan de deur en wanneer je eens hebt open gedaan klinken de woorden bekend in de oren: “je glipte weg terwijl de een sliep en de ander buiten rookte / en op dat moment bleven / je lijden / hoop / wijsheid en alles wat verborgen was geweest / verborgen” om af te sluiten met “misschien hoorde je een laatste lied op je hemelse ontvangst / dat moeten we ons hele leven zoeken / door de knoppen ergens tussen de zenders te draaien”. Kosters draait zijn ontvanger echter op majeur en laat zijn bundel niet triest eindigen. Er is immers hulp onderweg en het koninkrijk van de stad ligt open voor dochterlief, zij groeit van prinses tot koningin.

Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie

En ik ga naar huis en sluit dit stukje af met leven dat verstoft, verbrandde turf dat verwaait in de wind om de hoek van de straat. Dit mij meest dierbare vers uit de bundel wil ik de lezer hier niet onthouden. Het is zo herkenbaar, zo algemeen en toch persoonlijk. Het maakt een stemming, stemt het gemoed af, er is geen vals gevoel in – de andere overigens niet tekort gedaan: “ik kom je as halen / omdat niemand zich er / raad mee weet /  / het zit in een neutrale kartonnen dood / die een geschenkverpakking voor wijn lijkt /  / ik pak je uit en maak / een selfie met je asbeker / whatsapp mijn broers / dat we een eindje gaan rijden / doe je een veiligheidsgordel om /  / thuis zet ik je op zolder / met een asbak en een blikje bier / ik sluit af en rijd / met alle mogelijke omwegen naar huis”

inwoner, Wibo Kosters, gedichten. Bas Kosters, illustraties. Uitgeverij Anderszins, 2018.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *