Berichten over gemeenplaatsen

Het wat. Dat is zoeken. Zoeken naar zin. Gekomen uit het schijnbaar niets. Iets vinden. Wat. Het wat. Wat is het wat. Wat zoeken. Wat vinden. Hetgeen. Dewelke. Maar anders. En anders. Want anders blijft het gissen. Wat als er niets is. Of anders wat als er iets is. Harry van Doveren blikt in de bundel “brieven aan topos” terug over zijn schouder de voortijd in. De voorbije tijd uit. Een dichter, een kind van na de oorlog. Voor zijn moeder een vreemde in de slaapkamer, had ze spijt? Zijn komst in 53 bracht de wereld niet op orde. Na de schone schijn van de bevrijding liep de wereld verloren. Niet hij was het ondergeschoven kind, maar wordt wel later een bèta, die woorden becijfert.

Terugkijken in de tijd

Met stelligheid beziet de dichter de wereld en vertaalt zijn inzicht in experimentele poëzie. De taal van het hart dat door de geest wordt ingefluisterd. Hij rekent af met het leven als middelbaar mens, althans de jaren van zijn volwassenheid. Nu hij tot de groep bejaarden behoort, kan Van Doveren zich omkeren en terugkijken in de tijd. Is de periode van niet droog zijn achter de oren opeens minder serieus dan destijds verondersteld. Hij wil het wel opnieuw beleven, de twijfel is vanzelfsprekend. Wat had hij beter moeten zien of beter kunnen laten.

In metaforen beschrijft de dichter zichzelf. Met symbolen logiseert Harry wie Van Doveren is: maakt hij zichzelf tot logos en kan hij brieven aan topos schrijven. Zijn gemeenplaatsen zijn reeds eerder besproken en toegelicht. Hij schijnt een clichémannetje. Deze bundel “brieven aan topos” lijkt een afrekening, een vereffening met een tijd van leven. In het gesloten archief waar de familie gerubriceerd verblijft, zet de dichter een boom op. Aan de stam groeien takken tegen de diepte in. Luchtwortels laten appels niet ver van de boom vallen. Met een diavoorstelling van vergeelde foto’s krijgt de herinnering beeld en lijkt het verleden zich opnieuw te manifesteren.

Het gewicht van het leven

Het verborgen verleden fluistert om aandacht. Attentie staat geschreven tussen de regels door. Wat was krijgt geen uitroepteken, het vraagteken is uitgewist – geretoucheerd. Een puntkomma laat het daar en toen doorlopen in het hier en nu. Wie leert van wat was, slaat geen deuren dicht (om andere te openen) en verbrandt geen schepen achter zich. Zelfs geen roeiboot waarin je zicht houdt op wat was, waar je was en niets ziet van wat voor je ligt, waar je naartoe gaat. De topoi zijn te dierbaar om links te laten liggen. In het gewicht van het leven, de belangrijkheid van zijn, dienen deze herhaald te worden. Om niet zichtbaar in herhalingen te vallen, niet letterlijk te papegaaien, omschrijft hij de clichés cryptisch en blijft iedere platitude fris en fruitig.

Hij geeft inkijk in een manier van leven. Zijn leven, dat Harry Van Doveren als voorbeeld neemt voor wie hij is. En waaraan ik mezelf kan spiegelen. Contemplatief lees ik dan ook zijn gedichten. Meditatief laat ik de regels op me inwerken. Dat verdient voortdurend een nadere beschouwing, een herhalend lezen. Zijn woorden zijn aanvechtbaar, op de letter echter minder omstreden. Ziet de zin in het stoppen met de waan van een dag. Door daaruit te breken valt het droombeeld in duigen, een verbeelding waaraan de dichter graag gehoor zou geven. Want hoewel de waarheid fantasie lijkt, is de illusie geen bedrog. De echtheid schijnt vaag, het is een gave dit te ontsleutelen. Ook wanneer de dichter onuitgewerkte opstartregels opsomt. Dit zet mij tot het aanvullen, de drang wat af te maken. “in Scheveningen wonen kinderen die in zee plassen” en dan vul ik aan met “in Allahabad leven kinderen die zich in de Ganges wassen”. “het absurde wordt vanzelf minder absurd dan de waarheid” om daarna door te formuleren “de nieuwe wereld overschaduwt de oude”. Maar wie ben ik dat ik als lezer de dichter zal aanvullen? Het is zo’n woeste gedachte…

Gedichten die op teksten lijken

Ieder gedicht is het waard om gelezen te worden. De betekenis te achterhalen, hoewel dat niet relevant of zelfs triviaal is. De waarde van een tekst is persoonlijk, zoals de kunst een individueel gegeven is. Het is de waarheid van de schrijver, dat door de lezer onderkend kan worden maar er ook een eigen werkelijkheid aan kan ophangen. Het gedicht is een kapstok, de jas past ruim of zit te krap maar zal nooit als gegoten zitten. Maar hoe hij zijn toen omschrijft, daar kan ik iets mee, dat vult mijn ervaring wel aan. Wij zijn van dezelfde lichting, welhaast. Dus de wereld toen had voor ons een eendere betekenis, blijkt nu. De golf van gevoelens overspoelde een vergelijkbaar idee, in de branding is het water even nat – over een ieder schijnt dezelfde zon of in de tweede landstaal geschreven: wêr’t wy op ‘e wrâld ek binne oeral skynt deselde sinne. Hij was daar en ik ben hier, tussen muren van het gezin. Iedere ouder drukt een eigen stempel, samen vormt het een karakter wanneer alle zegels zijn geplakt.

Er zijn gedichten die op teksten lijken, waarbij ik moet bepalen tot welke stijlfamilie deze behoren. Echter gaat het in de kunst niet om techniek wat mij betreft, maar over gevoel en voorstellingsvermogen. En dat laatste stelt Harry van Doveren op de proef, dat vermogen mij een beeld van de tekst te maken. Hij daagt mij uit zijn poëzie te doorgronden. Daarom neem ik de spade ter hand en graaf me in om vervolgens, weer, tegen de diepte in te groeien. En ondertussen legt hij mij verholen zijn vaardigheid uit. Lees ik weer en nog eens, en over en weer, vooral “opkijkend temidden van … onverzonnen beelden”. Het is beeldend beschreven, maar uit het vage beeldscherm komt maar langzaam een duidelijk testbeeld naar voren. Deze brief is geschreven met onzichtbare inkt, ik moet het tegen het licht houden om te kennen wat er staat.

Geheimzinnige liefdesliederen

Het middendeel van deze compositie is een ode. Een lofdicht lijkt me aan de lieve waar de bundel aan is opgedragen. Het toen is afgedaan, het was. “verliefdheid begint met een appel plukken / met een gespeeld steels van de ladder vallen / om na tig valpartijen te ontdekken / / dat het romantische gen hardleers is / dat het een verdrietigingsmonster is – een parasiet / die liefde pijn doet met uit de tijd vallen” en verder “door dichter bij de grond te komen waar ik bij leven ten diepste / op stond * om me daar te verenigen met wat uit mijn leven was / gevallen en wat ik zo hartstochtelijk miste” Liefdesliederen worden met de pen van Van Doveren geschreven telkens meer geheimzinnig. Hoewel hij zich bloot geeft, ontkleedt hij zich niet. Door “in een landschap met onbegraven gedichten” lees ik de daad, de daad van liefde. Het hoogtepunt. Zal ik het voorlezen? Ja, doe maar! “verteerde poëzie / / / tot pre-poëzie / van voor de tijd dat ik een spijker in een boom kon slaan * mijn / grijphand legt een veer op jouw beschorste waar de zon nooit / komt * de jaarringen van een boom * een orgaan in het spleetje en / de koe gaat dood * zoemgrond spokende lokstoffen * haasje over / de sloot * sneeuwval op jouw bekken / nagedruppel in het kuiltje” Een voorbeeld van het raadselachtige geheim, het idioom waarin Van Doveren zich met gemak wentelt. “verlangen een verstrooid bezit / in verzet met zwijgen / / / heb je gemerkt dat mijn verlangen in korte tijd een ander / uiterlijk heeft gekregen * hoe mijn hoofd door de spaken / van letters tolde toen jouw woorden niet meer droog werden? / / / geef een voorsetje met drie geruisloze zelf-pogingen / in doorschemeren waarom / / / – mijn rechterhand voelde de aangeleerde glimlach horen / – mijn linkerhand zag zichzelf over gewaaghals schrijven / – mijn leven hoorde mij door een spiegel kijken”

De apotheose is vrijwel een afrekening met wat vader was. Met wat twee vaders waren. Zo hij was, ben jij geworden, zo jij bent dacht hij te zijn. Harde werker, diepe denker. Hij gaf het leven, jij nam het terug. Hij was de zender, jij ontving.

Twijfel. Ik aarzel, ben onzeker over deze (te) lange tekst. Dat wil zeggen: feitelijk behoef ik het wat niet te verklaren. Het wat verklaart zichzelf. Mijn duiding kan schuren tegen dichters’ invulling. Mijn waarheid zal een halve zijn. Zal nooit de hele lading dekken. Ik kan het cryptogram oplossen wanneer ik mij kan inleven in wat de bedenker ervan heeft geïnspireerd. Kom ik niet tot een eensluidend woord, dan kijk ik stiekem achter in het blad om het antwoord te vinden. Maar zo’n uitvlucht geeft Van Doveren mij niet. Ik moet goed lezen en nog eens en weer. De woorden wegen, de zinnen overwegen. De regels in beraad nemen. Inleven. Meevoelen. Dan openbaart het onbekende in de tekst zich. Ik herken woorden die ook in mijn dictionaire staan. De manier waarop deze door de dichter zijn gerangschikt; that’s a different kettle of fish. Maar ik hoef niet te beredeneren of motiveren, dat kan de poëzie heel goed autonoom voor zichzelf doen. Mijn taak is de lezer op het spoor zetten. Waarbij de rails weleens kunnen wijken en niet meer parallel lopen. Dat de lezer het spoor bijster is en het spoorboekje de juiste weg moet wijzen. Mijn lezing kan dat spoorboekje zijn. Dat houd ik mijzelf dan maar voor.

“Niemand – / / / ontving een klacht / veegde hierna zijn stoep / betaalde op tijd de rekeningen
/ / was er vrede hij was voor vrede / was er oorlog hij ging / de kranten noemden hem de held van sneuvelen / / wat doet mij op hem lijken? / wat doet hem op mij lijken? / ik ontving nooit een klacht / / veegde mijn stoep / betaalde op tijd mijn koelkast / met een apart groen bakje”

brieven aan topos. harry van doveren. gaia chapbooks, 2025.

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *