Het werd mij door de auteur spontaan toegestuurd. Ongevraagd, maar niet ongewenst. Ik zag hem als gast bij een presentatie van dichtbundels een aantal maanden geleden. Over zijn heftige presentatie destijds schreef ik: “De Friese taal die meer krachttermen kent dan welk dialect dan ook, geeft het gesproken woord ballen. Het gespierde woord spreekt zelfs de slechte verstaander aan. Lubbert Jan de Vries las niet voor maar sprak uit, met bladgedicht als geheugensteun. Door zijn hele ziel en zaligheid achter het rebelse gedicht te zetten bleven de zinnen langer hangen. De gebalde vuist van de Friese taal kan beluisterd worden zonder gelezen te zijn.” Maar gelezen moest er dus worden, want De Vries legde mij via PostNL een in de tweede landstaal vertaalde, meest invloedrijke gedicht van Walt Whitman voor: Song of Myself – Liet fan mysels.

Ik schoof het eerst terzijde. Legde het op de stapel van nog te lezen en te bespreken boeken. Een beetje onderaan, zodat het langer uit zicht zou blijven. Want ik mag dan met plezier geschriften in de Friese taal lezen, deze oersetting fan Lubbert Jan (Bert) de Vries is van een ander kaliber. “That’s different, cook,” zoals Louis van Gaal in steenkolenengels zou zeggen. Whitmans werk ken ik niet, dus een vertaling daarvan laat alle alarmbellen rinkelen. Me ertoe zetten het te lezen stelde ik dus alsmaar uit. Tot de tijd begon te dringen. Ik zag Lubbert Jan al onrustig, benieuwd achter zijn laptop zitten, steeds maar mijn website raadplegend of ik al iets zou hebben geschreven over zijn werk. Dus zette ik mij aan de verdaagde opdracht, de vertraagde taak.
Experiment met vorm en inhoud
Wie is Walt Whitman en waarom zou je zijn internationaal vermaarde werk overzetten in een taal met een relatief klein bereik? Ed Folsom verklaart dat in zijn, eveneens vertaalde, inleiding: “…sadat elkenien foar wa’t it Frysk it oeroantinken fan taal is it gedicht yn en op ’e eigen tonge fiele kin, yn it eigen fleis.” Internet raadplegend weet ik nu het een en ander over deze negentiende-eeuwse Amerikaanse poëet met Engelse en Nederlandse wortels, Walt Whitman. Die met zijn werk destijds de gezapige en ingedutte dichtwereld danig heeft opgeschud. Hij deed met de poëzie wat Van Gogh deed met de beeldende kunst en later Mondriaan en Picasso, Lucebert en Ginsberg. Hij liet zien dat een vast vormschema en het traditionele rijm helemaal niet nodig waren om de zinnen te laten golven, de woorden te doen beklijven. Wat we nu experimentele poëzie noemen: poëzie die afwijkt van de traditie door te experimenteren met vorm en inhoud. Het loslaten van rijm, metrum, regelmaat van de regellengte of indeling van de verzen. Meer gebruik makend van het wit, waarin de weggelaten woorden of gedachten voor zichzelf spreken.

Walt Whitman schrijft in vrije verzen, los, ademend, bijna alsof hij spreekt. Dat was in zijn tijd revolutionair. Zoals de expressionisten de klassieken wakker schudden. Het is een lied van mijzelf, over het eigen ik in de wereld van het zijn. In de kern is Song of Myself een viering van het zelf, maar niet in de zin van egoïsme. Geen zelfvergoding of eigenliefde, het is geen uitgedijd narcistisch gedicht. Whitman stelt dat zijn eigen bestaan verbonden is met alles en iedereen: het lichaam én de ziel, de natuur, andere mensen en zelfs met leven en dood.
Leven dat uit leven voortkomt
Song of Myself laat zich niet lezen als een tekst die iets wil zeggen. Het is eerder een tekst die wil zijn. Een aanwezigheid. Bij Walt Whitman begint het “ik” niet bij de grens van de huid. Het is geen afgesloten lichaam, maar een doorgang. Een plek waar de wereld doorheen stroomt. Er zit iets eigenaardigs in die beweging. Het is geen identiteit die zich vastzet, maar een die zich juist oplost. Alsof het zelf pas werkelijk wordt door zich te verspreiden. Het gedicht groeit dan ook niet in een rechte lijn. Het zwelt. Het dijt uit. Zoals gras dat geen centrum kent, maar overal tegelijk verschijnt. Misschien is dat ook waarom Whitman steeds weer bij dat gras uitkomt: het is laag, gewoon, maar tegelijk een teken van iets dat alles verbindt – leven dat uit leven voortkomt.

Na het lange gedicht is in het boek het voorwoord uit Leaves of Grass opgenomen, tevens in een Friese vertaling. Dat voorwoord leest niet als een gewone inleiding, niet als een verklaring vooraf van wat komen gaat. Het is eerder een stroom gedachten. Een bezielde beweging van woorden. Alsof Whitman al schrijvend zoekt naar wat een mens eigenlijk is en wat poëzie kan doen. Niet de verheven mens alleen telt daarin mee. Niet enkel zij die geschiedenis schrijven of macht bezitten. Maar juist ook die anderen. De alledaagse mens. Figuren die langs ons heen bewegen. In de straat. Op het plein. Langs de rand van het bestaan. Mensen die we eenmaal zien en daarna misschien nooit meer terugzien, maar die toch blijven hangen in het geheugen. Als een onverklaarbaar déjà-vu. Whitman haalt hen uit de anonimiteit. Alsof ieder mens een eigen universum met zich meedraagt. Een binnenwereld die doorgaans verborgen blijft onder het oppervlak van het dagelijkse. Het gaat hem om een gelijkwaardigheid van bestaan. Alsof geen enkel leven er zomaar is.
Het gedicht zwerft
Ook het lichaam krijgt bij hem een plaats die in zijn tijd ongewoon moet hebben aangevoeld. Het lichaam hoeft niet overwonnen of verstopt te worden. Ademhaling. Huid. Verlangen. Aanraking. Het behoort allemaal tot het mens-zijn. Ziel en lichaam zijn geen tegenpolen, maar bewegen samen op. Zoals wind die door het gras trekt. Het voorwoord tot Leaves of Grass dwaalt. Het gedicht Song of Myself zwerft. Van de straat naar de sterren. Van het tastbare naar het ongrijpbare. Van een grasspriet naar de kosmos. Soms lijkt Whitman zichzelf onderweg kwijt te raken in zijn eigen woordenstroom. Maar misschien is juist dát de bedoeling. Het leven laat zich immers ook niet strak ordenen.


Die gedachte van dwalen en kwijtraken werkt hij uit in Song of Myself. Het gedicht begint met de beroemde woorden: “I celebrate myself.” Een zin die gemakkelijk verkeerd begrepen kan worden. Alsof hier iemand zichzelf verheerlijkt. Maar gaandeweg wordt duidelijk dat dit “ik” veel groter is dan enkel de persoon Whitman zelf. Alsof de dichter zichzelf probeert te laten samenvallen met alles wat leeft. Alsof ieder mens deel uitmaakt van hetzelfde grote ademhalen.
Whitman maakt nauwelijks onderscheid tussen hoog en laag. Het voorname bevindt zich niet enkel in kerken, boeken of verheven gedachten. Het zit ook in arbeid, stof, zweet, huid en aanraking. Het alledaagse krijgt bij hem iets bijna heiligs. Soms leest het gedicht alsof Whitman door de wereld zwerft en alles tegelijk wil opnemen: geluiden, lichamen, landschappen, mensenmassa’s, blikken, bewegingen. Niets mag verloren gaan. Alles draagt betekenis. Whitman probeert misschien vooral te zeggen dat achter het gewone iets groters schuilgaat. Dat mensen meer zijn dan zichtbaar is. Dat onder alle afzonderlijke levens een verborgen samenhang bestaat. Zoals gras. Schijnbaar eenvoudig. Maar onder de aarde verbonden door wortels die niemand ziet.

Circus Whitman
Tijdens het lezen van de Friese vertaling van Song of Myself – Liet fan mysels komt een herinnering bovendrijven: de voorstelling Circus Whitman van Suver Nuver. Lang geleden gezien, maar blijkbaar ergens blijven hangen. Niet letterlijk, meer als een sfeer die terugkeert. Iets in Whitmans woorden – juist in het Fries – roept opnieuw datzelfde gevoel op van lichamen, stemmen, beweging en een bijna ontembare veelheid aan leven. Alsof ook daar mensen niet netjes geordend worden opgevoerd, maar verschijnen in hun kwetsbaarheid, vreemdheid en menselijkheid. Misschien zit daar ook iets typisch Fries in. Dat aardse. Dat ongepolijste. Alsof Whitman via de Friese taal opnieuw dichter bij gras, modder, adem en landschap komt te liggen. En ineens blijkt die herinnering aan Suver Nuver niet eens zo ver verwijderd van Whitmans wereld.
Whitman lezen kan ik niet in één keer door en uit. De vertaling door Lubbert Jan de Vries laat zich ook niet in een enkele dag of nacht doorlezen. De tekst komt binnen. En hoewel ik meen dat poëzie gelezen moet worden om te beklijven, dat voorlezen het begrijpen in de weg staat, lijkt me het positief dat dit werk van De Vries door Lubbert Jan voorgedragen wordt. Met handen en voeten, met brede gebaren en de mimiek hem zo eigen. Het Fries is zijn taal, daarin kan hij zich uiten door er in te leven. Door hem komen de woorden tot leven, meer dan wanneer ik deze voor mezelf uitspreek. “Ik lit myn barbaarske gjalp klinke oer de dakken fan de wrâld!” “For every atom belonging to me as good belongs to you.”
Walt Whitman – Liet fan Myself. Yn de oersetting fan Lubbert Jan de Vries. Utjouwerij Hispel, 2024.


Leave a Reply