Om te begrijpen wat het betekent lichamelijk te zijn

Het is een eigenaardige gewoonte van de mens om mensen in hokjes te zetten. Om vat te krijgen op een grote gemene deler. Niet uitzonderlijk unieke personen af te zonderen van de rest, maar alles op een hoop te gooien. Vooral recensenten en kunstcritici, om niet te zeggen kunsthistorici, hebben daar een handje van. Er dient een stijl te zijn die in een isme past, anders valt er niet over te oordelen en te verhalen. Natuurlijk bestaat er altijd een mate van overeenkomst; geen mens is volledig uniek en toch is ieder mens buitengewoon. Kunstenaars beginnen een nieuwe stroming zonder het zelf te weten. Pas achteraf beschrijven kunstkenners de soort waarin het werk enig is en waarop het reageert. Stijlen krijgen onderlinge relaties aangemeten. Kunstenaars worden geschaard in een groep. En wanneer schijnbaar gelijkgestemde kunstenaars zich in één plaats of streek ophopen, wordt al snel gesproken over een school.

De term “School of London” werd gelanceerd door de Amerikaanse schilder R.B. Kitaj bij een door hem georganiseerde tentoonstelling in Londen in 1976. “Niet een samenhangende stijl of stroming in de moderne Britse schilderkunst, maar een bonte verzameling van individuele, eigenzinnige schilders in naoorlogs Londen die één ding gemeen hadden: de gedeelde fascinatie voor de menselijke vorm”, lees ik in de uitgave London Calling. Het boek verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling in Kunstmuseum Den Haag. Het beschrijft de zogenoemde school en een veertiental kunstenaars die daartoe gerekend kunnen worden. Slechts een zestal daarvan vormt de kern van de School of London en krijgt extra aandacht.

Londen als kunststad

De auteurs vragen zich overigens af of er buiten die school ook ‘alternatieve’ schilders waren die ‘parallelle bewegingen’ maakten. Schilders die de figuratieve schildertraditie trouw bleven en haar nieuw leven inbliezen. Vrouwelijke makers en kunstenaars met een niet-westerse migratieachtergrond. Londen blijkt een smeltkroes van creatieve geesten te zijn, waarvan de school slechts een klein, maar wel degelijk belangrijk onderdeel vormt.

Het boek toont in vergrijsde foto’s het Londen van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Op die manier kan de lezer de sfeer aanvoelen van de plaats en de tijd waarin de naoorlogse kunst zich bewoog en waar de inspiratie lag. Natuurlijk is het niet slechts dat decennium waarin de Britse kunst zich heeft afgespeeld. Achteraf bezien vormde de school zich in een periode waarin Londen de plaats van Parijs als kunststad probeerde over te nemen. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was een deel van de kunstscene immers naar Londen gevlucht om zich daar in vrijheid verder te ontwikkelen. Al snel bleek echter dat New York City dit stokje overnam; de nieuwe wereld werd the place to be. Londen oefende wel een aantrekkingskracht uit die bijna dierlijk was: kunstenaars kwamen erop af als beren op honing. De school was dan ook niet enkel een Londense aangelegenheid; veel kunstenaars van buiten de regio en zelfs van overzee schoven aan in de ‘banken’. Ze hadden opleiding, interesse en sociale kring met elkaar gemeen. Maar het was geen afgebakende generatie, noch een verzameling studenten van één bepaalde academie.

Methode om het leven vast te leggen

School of London werd een strategisch begrip”, schrijven Elena Crippa en Thijs de Raedt in London Calling, “in een poging juist daar iets aan te doen; de geschiedenis van naoorlogse Britse kunst opnieuw te bezien naast — of tegenover — internationale ontwikkelingen.” De kunstenaars die tot de school worden gerekend hielden zich bezig met de werkelijkheid als een puur visuele, formele aangelegenheid. Dat was in die tijd not done. De traditie moest worden afgelegd; er diende abstract gewerkt te worden, minimalistischer, met minder nadruk op vorm en verf, op het schilderen als handeling. Toch stond de School of London wel degelijk in een traditie, zonder daarom traditioneel te werk te gaan.

Terwijl ik door het boek blader, zie ik hoe met de gebruikelijke manier van verbeelden de hand wordt gelicht. In het verbeelden van de realiteit sluipt een mate van abstractie binnen. Ook wordt het menselijk lichaam soms bijna surrealistisch benaderd. Maar altijd draait het om het leven achter de menselijke vorm.

De schilderkunst als methode om het leven vast te leggen in zijn meest directe, betrokken en intense vorm betekent niet dat ik meteen begrijp wat ik zie. In de literaire verwijzingen en verhalende benaderingen dien ik dieper door te dringen om een vinger achter de afbeelding te krijgen. De kunstenaars verkennen het menselijk lichaam nauwelijks platonisch, maar eerder de emotie in het figuur, het gevoel achter de uitdrukking. Mag het lijf zichtbaar zijn — in sommige gevallen zelfs open, bloot en afstotend — dan nog ligt de affectie er dik bovenop. Er gaat een rilling over mijn rug wanneer ik die sensatie doorvoel. Wanneer de ervaring van het onderwerp dezelfde blijkt te zijn als die welke de kunstenaar inspireerde tot dat specifieke bezielde werk. Niet de werkelijkheid is overgenomen, maar de essentie van de emotie is gevat.

Het schilderen is waarnemen. Niet van de waarheid, maar van de echtheid daarachter. Mijn kijken is gadeslaan, het opmerken van die oprechtheid. Tekortkomingen worden niet overschilderd of weggepoetst, maar juist grotesk uitvergroot. Het lichaam krijgt gestalte zoals het is, niet mooier gemaakt. Het is wat het is. En juist daardoor werkelijk werkelijk. Men beeldt uit wat men ziet en voelt. Zelfs dat wat het daglicht niet kan verdragen. Het is een zintuiglijke ervaring; niet de waarneming dicteert de handeling van het schilderen — het schilderen ís waarnemen. Composities zijn gebaseerd op observaties en tekeningen ter plaatse. Doeken worden keer op keer overschilderd totdat een opwindend en overtuigend beeld ontstaat: een intense en aangrijpende verbeelding van menselijke aanwezigheid. De schilderijen bevatten een menselijkheid die nooit anoniem is, het resultaat van intieme observatie en nabijheid.

Politiek bewustzijn

Niet alleen het westerse menselijk lichaam staat centraal binnen de School of London; ook de gekleurde medemens krijgt een nadrukkelijke plaats in de groepswerken. Zo krijgt de kunst van een aantal leden van de school een politieke en activistische lading. Mensenrechten komen aan de orde, want uitgaande van lijf en leden heeft ieder mens het recht te bestaan. Sanjukta Sunderason concludeert dat “vanuit het perspectief van kunstenaars van kleur de menselijke gestalte in de kunst juist dat soort kwesties zichtbaar zou moeten maken, in plaats van alleen de technische aspecten van de menselijke figuur.” Door in te gaan op maatschappelijke vraagstukken, stelt Sunderason, biedt de menselijke gestalte in de kunst niet alleen tegenwicht aan abstractie in de kunst, maar ook — en wellicht belangrijker nog — aan de abstrahering van het politieke bewustzijn zelf.

Met London Calling wordt de School of London onderzocht: wat de betekenis van deze groep gelijkgestemde kunstenaars voor de kunstwereld is geweest, en welke kunstenaars binnen en buiten de groep het kunstklimaat in Engeland hebben bepaald. Het boek beschrijft in het kort de kunstenaars die aanvankelijk tot de school gerekend kunnen worden. Het zestal dat uiteindelijk de kern vormt krijgt meer aandacht, waarbij Francis Bacon duidelijk boven het maaiveld uitsteekt. Het boek toont vele werken naast de essays die de school binnen de Britse schilderkunst duiden. Dat maakt de uitgave tot een complete catalogus bij de tentoonstelling en tot een degelijk naslagwerk wanneer Kunstmuseum Den Haag afscheid heeft genomen van de Londense composities.

Simpel gesteld is de School of London inderdaad een school, waarin de beschouwer wordt onderwezen in het kijken — beter kijken. Terwijl de kunstenaars leren het onderwerp werkelijk te zien, niet enkel de zichtbare werkelijkheid waar te nemen maar de echtheid daarachter te ervaren. Niet beelden, maar verbeelden. De schilderkunst gebruiken als middel om menselijkheid in de moderne tijd te onderzoeken — om te begrijpen wat het betekent lichamelijk te zijn. Verf en figuratie bezitten het vermogen de menselijke ervaring tastbaar te maken en te bevragen. Dat is de kracht én de instructie die de School of London als erfenis achterlaat.

London Calling – Francis Bacon, Lucian Freud,David Hockney, Paula Rego. Uitgave verschenen bij de tentoonstelling in Kunstmuseum Den Haag, 14 februari tot en met 7 juni 2026. Samenstelling en redactie Thijs de Raedt. Waanders Uitgevers, Zwolle 2026.

Kunstmuseum Den Haag, London Calling, School of London, Waanders Uitgevers
Kunstmuseum Den Haag, London Calling, School of London, Waanders Uitgevers

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *