In de haven. Over het water. Zijn blik glijdt naar de einder, kijkt in de verte. Maar daar rusten zijn ogen niet. Hij beschouwt wat anderen aanmerken als horizonvervuiling. Hij ziet wel de schoonheid van wat het eind van de wereld schijnt, maar zijn aandacht verdwijnt niet met de zee. Hij kijkt niet verder dan zijn neus lang is. Hij ziet dat wat er kort voor zijn voeten ligt, op armlengte, minder dan een steenworp afstand. Dat heeft zijn interesse. Daar ligt zijn verhaal. Tussen de meerpalen, op de pieren, in de loodsen. De boeien boeien hem, de meeuwen schreeuwen om zijn aandacht. Er is altijd rumoer, bedrijvigheid, leven. Daar in de haven. Maar nu is het stil, de meeuwen houden de adem in, de branding is vlak als een spiegel. Want terwijl ik dit schrijf, hem daar op het havenhoofd plaats, in de tegenwoordige tijd – is het verleden tijd. Jan Roos vereeuwigde dat wat hem het meest aan het hart lag: het leven in en rond de haven van Harlingen. Kortgeleden moest hij noodgedwongen zelf het leven loslaten. Wat hij achterliet is een oeuvre aan tekeningen en schilderingen waarin de grens tussen land en water het middelpunt vormt. Geen idyllische voorstellingen van zee en strand, maar ruige beelden die in enkele vegen en streken tot stand lijken te zijn gekomen. Het is de romantiek van Harlingen, aan de rafelranden van de stad waar hij werd geboren, opgroeide en stierf.


Museum Belvédère kreeg zijn afscheidstentoonstelling; door een ernstige ziekte zag hij zijn einde naderen. Het is een waardig afscheid, waarbij ik als museumbezoeker langer stilsta dan normaal. De forse afmetingen van de werken, op museumformaat, komen krachtig binnen, vooral omdat ik weet dat de hand van deze meester nooit meer een compositie zal opzetten. Zijn ogen zijn gesloten, maar door zijn blik zie ik nog steeds en kan ik vrijwel voor altijd de schoonheid van de Harlinger haven ervaren. Een schoonheid die niet mooier is gemaakt dan zij is. Roos heeft de scherpe kanten er niet afgeschuurd, de rommel niet eerst opgeruimd. Zijn stillevens geven de bedrijvigheid van het moment weer. Ik ruik de zee, de smeerolie, de diesellucht. Ik hoor het water klotsen, metaal op ijzer bonken, de wind door netten en langs masten ruisen. Ik hoor de meeuwen schreeuwen en weet dat Jan Roos altijd van deze plek heeft gehouden.
Hij was er altijd
Het was zijn atelier, want het liefst toog hij met papier en pen naar de haven om er en plein air de situatie vast te leggen. Er is daar altijd wel iets gaande, voldoende inspiratie om met het verbeelden ervan een leven lang voort te kunnen. Jan Roos heeft de haven van Harlingen raak gedocumenteerd. Ik denk dat de arbeiders van het eerste uur zijn geest nog zien dwalen rond de boeien en de tonnen. Dat de meeuwen zijn schimmige aanwezigheid voelen. Want hij was er altijd. Bij nacht en ontij, in weer en wind. Vooral wanneer het klimaat zich van zijn meest extreme kant liet zien, kon het vuur van de inspiratie hoog oplaaien. In de grote werken op zaal van Museum Belvédère is dat goed voelbaar, welhaast tastbaar. Roos zette het leven op geleefd papier, op uitgeleefd karton. De drager kreeg onder zijn handen een nieuw leven toegemeten. Afgedankt voor dagelijks gebruik, opnieuw gebruikt voor de eeuwigheid.


Het boek is niet gesloten. Jan mag dan zijn laatste hoofdstuk hebben geschreven, er een punt achter hebben gezet, het verhaal gaat door. Zijn vertelling kan bij iedere tentoonstelling opnieuw verteld worden. Er komen geen woorden van de meester meer bij, maar er zullen telkens weer woorden van beschouwers aan worden toegevoegd. Het beeld is klaar – nog niet af. Wanneer de schilderingen zichtbaar worden, komen verschillende inzichten op. De maker mag uit de tijd zijn, de nalatenschap blijft bij de tijd. In Belvédère nog enkele momenten te zien; het boek blijft daarbij als herinnering. “Gelukkig hebben we de plaatjes nog…”
Geen catalogus
De tentoonstelling van Jan Roos in 2026 in Belvédère is zijn vijfentwintigste solo-expositie. Het boek dat erbij verschijnt, biedt het eerste grote overzicht van zijn leven en werk. Een bekroning van een kunstenaarsleven dat, gerekend vanaf de eerste expositie, meer dan vijfenveertig jaar beslaat. Wanneer ik het boek opensla, de catalogus bij de tentoonstelling, komt de haven van Harlingen me figuurlijk tegemoet. Het rumoer en de rotzooi spatten van de opgenomen werken af. Feitelijk is het boek geen catalogus, maar een overzicht van Roos’ oeuvre, een dwarsdoorsnede van zijn werkzame leven. Han Steenbruggen en Dirk van Ginkel, vrienden in en buiten de kunst, omschrijven Jan Roos in beschouwingen over zijn werk en in herinneringen aan de kunstenaar. Ook komt hijzelf door getranscribeerde gesprekken op papier aan het woord. “Wat hij wil meedelen ligt verankerd in zijn werk, die geweldige schilderijen die zich laten begrijpen als een voortdurende emotionele overgave aan zijn onderwerpen en zijn leefomgeving én als een zoektocht naar de kern der dagelijkse dingen, in de wetenschap dat alles met de tijd vervliegt”, kenschetst Steenbruggen Roos.


Zijn liefde voor water- en havenscènes – van het laden en lossen van vissersschepen, het boeten van netten op de kade, het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan een scheepsromp tot het meeuwenleven op de steigers – begon al op jonge leeftijd en duurde een leven lang. “Mijn leven lang heb ik ook dat eenvoudige leven willen schilderen, en altijd op een directe, eenvoudige manier.” De haven heeft voor hem een magische aantrekkingskracht. Hij vindt het er prachtig: al die hardwerkende mannen, de vonken van de snijbranders, de heen en weer rijdende kranen, de reusachtige stukken metaal waaruit zomaar een schip kan ontstaan, de herrie, de stank. Jan Roos woont letterlijk en figuurlijk in zijn onderwerp. In de haven is Roos een vertrouwde verschijning. Hij loopt bijna dagelijks de werf op, kiest een plek en gaat op de grond zitten tekenen. Voorovergebogen of op de knieën, met de blik gericht op het onderwerp. Hij groet de arbeiders, maar maakt geen praatje en houdt ze niet van hun werk. Iedereen accepteert zijn aanwezigheid. Zij doen hun werk, hij het zijne.
Havenwerker onder de havenwerkers
“Veel onderwerpen die Jan Roos tijdens zijn lange schildersloopbaan heeft geschilderd – de werf vlak bij zijn huis en de oude havenhoofden – bestaan niet meer en leven alleen nog voort in foto’s en in zijn schilderijen”, schrijft Han Steenbruggen. “Toch ontbreekt in zijn werken elke vorm van nostalgie. Hij schilderde zijn onderwerpen zonder bijgedachten – emotioneel betrokken, maar zonder erbij stil te staan dat ze eens zouden kunnen verdwijnen. Zijn benadering kenmerkt zich door waarnemen, verwonderen en schilderend opgaan in het moment. En daarbij gaat het niet alleen om zien, maar ook om ruiken, horen en voelen. (…) In die noordelijke havenstad legt hij de menselijke bedrijvigheid vast – als havenwerker onder de havenwerkers – en de alledaagse uitzichten tegen het decor van de zee met haar eeuwig wisselende getijden. Zijn wijze van schilderen kenmerkt zich door een intens beleven, zowel mentaal als fysiek, en hij weet daarmee al die onderwerpen, waarmee hij zo door en door vertrouwd is, te bezielen.”
“Dokwerkers, lassers, vissers, meeuwen, schroeven, rompen en ankers schilder ik op de grens van de dag en de nacht. Het leven verwijst naar de dood. Ik wil het nooit precies namaken, ik hou het graag een tikkeltje abstract. Wat ik niet mooi vind, laat ik weg. Altijd al gedaan. Het gaat mij meer om het gevoel van hier te zijn dan om het weergeven van de werkelijkheid”, laat Roos Van Ginkel weten. “Het is het mooist om op een scheepswerf of in de haven te zijn als er veel activiteit is. Als de havenmannen druk aan het werk zijn, laden en lossen, reparaties uitvoeren, herrie maken, hun troep overal neergooien, met overal die meeuwen die boven alles uit krijsen. Dat wil ik graag in mijn werk weergeven.”
Jan Roos – op de scheidslijn van land en zee. Tentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70, Oranjewoud. 21 februari tot en met 7 juni 2026.

Leave a Reply