‘Ga tot de mier, gij luiaard! Zie haar wegen, en word wijs; dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, haar brood bereidt in de zomer, haar spijs vergadert in den oogst.’ of ‘Als je van beren leren kan, Van slimme beren leren kan, Dan sta je later zelden meer voor aap.’ In de dierenwereld ben je zelden onder vreemden. Het plantenrijk echter is ruim bedeeld met voorbeelden waarvan de mens ruimschoots kan opsteken. Het mycelium om maar iets te noemen, waarvan de paddenstoel het zichtbare vruchtlichaam is, vertakt zich onzichtbaar ondergronds tot een wijd verbreid netwerk. Door microscopisch dunne schimmeldraden, hyfen, zijn de bovengrondse schimmels met elkaar verbonden. Dat ondergronds fijnmazige netwerk is van levensbelang, het leert ons dat ook wij mensen onderling met lijnen aan elkaar zijn verbonden. Dat geen schepsel kan leven buiten de eenheid, zonder de gemeenschap. Dat zijn altijd zijn is met, dat wezen altijd samen is.
Levend tussen vreemden
Een uitspraak van Merlin Sheldrake – fungi teach us that life is relationship – is de ruggengraat van de dichtbundel van Laura Mijnders. Het is de rode draad in haar bundel “Tussen vreemden”, waardoor de beschreven gebeurtenissen binnen de verhaallijn met elkaar zijn verbonden. Dat plot is in de bundel onderverdeeld in drie parten. Door de teksten volg ik de jonge Laura tot een volwassen Mijnders. De titel van het boek zet mij echter op een verkeerd been, want de dichter beweegt zich onder bekenden. Hoewel ze zich natuurlijk kan voelen als levend tussen vreemden. Want zelfs bekenden kunnen je als onbekenden overkomen. Dat jij je met je gedachten en ideeën misplaatst voelt tussen de grote gemene deler van het gezin of de vriendenkring. Een vreemde in het ouderlijk huis door niet begrepen te worden. Ongezien zijn.


In de verzen komt dat niet meteen tot uiting, die buitenstaander in het groepsgevoel. Tussen vreemden voelt Mijnders zich gekend, leest het. Echter schijnen die vreemden niet zo bijzonder. Ze vormen tezamen de wortels van haar bestaan. Ze kan niet zonder hoewel ze dat op een moment wel zou willen. Broers zoek je niet uit, die krijg je. Voorbijgangers kun je uitzoeken, deze vind je. In het eerste deel, of hoofdstuk, lees ik Laura Mijnders als een opgroeiend mens. Nog onwetend van de grote mensenwereld. Jeugdherinneringen die verwonderen. De plek in het gezin. De plaats in het zijn. Haar zijn. Rafelranden aan het opgroeien. Maar ook loopt het kind-wezen door het ouder-zijn, mengt zich de dochter met de moeder. Het geheel is verwarrend, maar op detail blijft de poëzie vertederend.
Korte verhalen in keurslijf van strofen
Het is een loslaten van de jeugd, het eigen zijn en dat wezen van die ander die voor haar heeft gekozen. Niet uit vrije wil, maar zo zoals het even loopt. Het zijn persoonlijke regels, individuele woorden, die mij een inkijk geven in het leven van deze dichter. En er zijn overeenkomsten, parallellen te trekken – ik voel verwantschap, ik proef eendracht en zie consensus. Hoe kan het dat een vreemde zich toch als een bekende in mijn leven kan begeven. Het moet dat mycelium-effect zijn. Het gevolg van die weids verbreide vertakkende wortelstokken. Ergens verkleven de hyfen van Mijnders met mijn schimmeldraden.
Eigenlijk zijn het geen gedichten, maar korte verhalen die Mijnders in een keurslijf van strofen dwingt. Als de alinea’s in proza zijn de coupletten in poëzie. Deze dichtwijze houdt het midden tussen proza en poëzie – balanceert op de rand van tekst en lied, maar valt nergens in de verkeerde kant. Daardoor ontstaat een natuurlijke vertelstem die ruimte laat voor reflectie. Het blijft het uiterlijk van dichten houden, het ritme van woorden in regels die nergens rijmen.
De Groninger bodem
In het tweede deel leert Mijnders de wereld kennen, althans probeert zij wat liefde is. Onderkent dat paddenstoelen haar de weg wezen, zonder het zijn van relaties te weten. “tijdens het hardlopen denk je het ineens / te begrijpen: hoeveel groter de dingen zijn / dan jij en hoe angstaanjagend veel ellende er / voor dat besef steeds weer nodig is: een crisis / een impasse, een eind of misschien een begin”. Ze leeft zich in, in de Groninger bodem. En dat doet ze wonderwel grondig en overtuigend; ik haal de provincie zo voor de geest, en zie de aarde hoofdschuddend spreken. En ik word van de ene herinnering in de andere gegooid, soms heb ik een déjà-vu en dan weer kijk ik op van het blad en stel me een situatie voor. Haar gedichten hebben de breedte van korte verhalen. Het klinkt zo vertrouwd, maar staat toch zo ver van mij.

Deel drie betekent afscheid nemen. Na jeugd en volwassenheid is ouder zijn een natuurlijke lijn. Niet dat de dichter een overrijpe toestand heeft bereikt. Zij neemt afstand van wat rest. Wat overblijft van een geleefd leven. Het is onvermijdelijk dat het eens klaar is, maar nooit af. “een dorpsgenoot vroeg me ooit wat er van / me zou overblijven als ik nu eindelijk eens besloot / wie ik zou willen zijn”. Het is niet het einde van een eigen leven, maar het slot van een voorgeslacht. Een moeder die de dochter niet meer herkent. Een zijn dat langzaam een was wordt. “er is sprake van een vader die zijn gedachten / tussen de nerven van het houten bed rusten laat, hij weet / van de half opgegeten haring die door de kamer zwerft”.
Mijnders spreekt zich niet uit. Ze gebruikt metaforen om haar leven te duiden. Om het leven van de vreemden om haar heen te vatten. Beschrijft in gevleugelde woorden geuren en kleuren. Achter dat bloemetjesbehang echter zit een donkere angst geplakt. Een spanning die in de gelaagde poëzie een schoongeveegde stoep verbeeldt. Het is alsof er een zon achter de wolken schijnt, dat deze na regen de kop opsteekt. Maar Mijnders lacht meermalen als een boerin met kiespijn. Een schampere grijns in de mimiek van een levensstuntelaar. Ze knoeit zich echter niet door de taal. “… er is geen / gewenst antwoord mogelijk op de vragen / / die we niet langer stellen en dus nemen we / genoegen met wat er is, ik las ooit dat alles / energie is, dat we met elkaar verbonden zijn”. “Je wordt vanzelf weer nieuw” zijn de famous last words van de dichter in deze bundel. Daar houd ik me dan maar aan vast.
Tussen Vreemden. Dichtbundel van Laura Mijnders. Verschenen bij Uitgeverij Passage Groningen, 2026.

Geef een reactie