Waarom zal ik het levensverhaal van iemand kennen. Ik heb al genoeg van doen met mezelf op de rails te houden, bij wijze van spreken. Waarom is de ander interessant. Heeft deze naam of faam. Is dan de biografie roddelpraat, boulevard-geflaneer van de hoofdpersoon. Aandachtvragerij. Soms is een leven zo wetenswaardig dat anderen daar iets van willen kennen. Dat het resultaat van een zijn dermate interessant is dat je dat wezen voordien wilt onderzoeken. Niet Jan-met-de-pet, maar Karel-met-de-kroon. Het verhaal leest dan als een schelmenroman, een heldendicht of een ridderepos.
Het kan gortdroog zijn omdat zelfs tussen de regels door niets meer valt toe te voegen. Dat alle fantasie is dood geslagen. Dat kan proza doen. In de poëzie kunnen zinnen gevolgd worden door witregels om op adem te komen. Even de gedachten laten gaan. Overdenken wat er zojuist gelezen is om op te laden voordat je verder gaat. Dat kan bij Elmar Kuiper in de uitgave “Wytbekroek“. Zijn gedichten geven minimale aanwijzingen om maximaal te beleven. Want ik lees mezelf in zijn transparante poëzie. Kuiper laat ruimte waarin mijn eigen gedachten kunnen binnentreden. Ik kan mezelf terugvinden in zijn herinneringen, alsof ze van mij zijn, alsof ik deze heb meegemaakt. Een soort van déjà vu: ik was daar, toen ook. Natuurlijk is dat niet zo. Elmar is geen Jurjen of andersom. Maar de schrijver weet het zo te formuleren dat de lezer zichzelf er in herkent, kan herkennen. Dat komt doordat de generatie dezelfde is zodat ervaringen overeen komen. Niet dat de poëzie daardoor aan kracht inboet wanneer wij allen uit de tijd zijn. De volgende tijd neemt de ervaringen mee.
De roek als verhalenverteller
Wytbekroek. Roek, uit de familie van de kraaien, heeft een opvallend witte snavel. In het boek is hij de verhalenverteller. Hij skrast en krast zijn geluiden op het papier. De kraai is een mysterieus dier, de roek evenzo een geheimzinnige vogel. Wanneer je hem ziet met zijn kop scheef, is het alsof hij jouw gedachten kan lezen. Weet wat jij denkt en daarop participeert. Die verhalen, geen fantasiën, geeft hij door aan de wereld onderwijl in parmantige pas straten en pleinen overstekend.

De kraai foarop is de lieder mei de hege hoed. Wa’t nei syn gong sjocht, sjocht sûnder muoite de gelikenis mei de swarte fûgel, de roek. Allinnich de brede grize snaffel, keal oan ‘e basis, ûntbrekt. De priemende ogen kijken rond zich om te zien of de stoet goed verloopt. Of alles er wel zo devoot aan toe gaat als een rouwstoet betaamt. Een kraai, de grote neef onder de huisvogels, is in zijn zwartheid een onaangenaam dier. Toch is het even sierlijk als een vogel zijn kan. Het laat zich zweven op de winden, de vleugels uitgestrekt en de topjes iets omhoog. Met oog voor detail weet het exact daar te landen waar het wil. Door zijn grootheid kan de vogel in plaats van alleen maar hippen, zoals de vink en de mees doen, ook lopen. De beide poten kunnen zich afzonderlijk van elkaar bewegen en daarmee kan de vogel, parmantig in het rond blikkend, als een heer rondstappen. De kraai is onlosmakelijk verbonden aan de hulpen die een dode naar het graf dragen.
Zo’n vogel had mijn broer vroeger, een tamme kraai. Gedroeg zich als een postduif. Mensen zeggen dat ze kunnen leren praten, maar dat heb ik die ka nooit horen doen. De roek van Elmar Kuiper kan dat wel, op zijn duistere manier. Hij zegt hem zijn gedachten voor; Kuiper schrijft deze als het gezang van de zwarte vogel op. En tekent bot en onbehouwen uit wat lyrisch in woorden is geschreven. In deze tekeningen is hij de roek, die volgens de mythe kostbaarheden verzameld waarmee een slordig nest wordt gebouwd. Zo rommelig lijken de illustraties van Kuiper ook in elkaar te zitten. Maar het is een evenwichtig samenspel van simpele gedachten die opborrelen in de geest. Een uitweg vinden in woorden, maar beter nog het pad van de beeldende kunst bewandelen. Geen esthetische waarheden, veeleer grof gebroken fantasmen. Deze staan in schril contrast met de poëtische regels.
Van dichter naar schilder
Waar zijn poëzie weloverwogen en volwassen is, lijkt hij zich in zijn schilderkunst juist een zekere onbevangenheid te permitteren. Een interessante tegenstelling: de dichter die zijn taal beheerst tegenover de schilder die de verf ruimte geeft om te ontsporen. Zijn zangerige maar weerbarstige poëzie, waarin werkelijkheid, verbeelding en absurditeit voortdurend in elkaar grijpen, is de inspiratie voor de beeldende kunst. Zintuiglijk ga ik mee op de ritmische balans. Terwijl ik lees, raak ik steeds verder verstrikt in de gedachtewereld van Elmar Kuiper. Herinneringen, gesprekken met ouders, beschouwingen van kinderen – met de dood voor ogen. Het zijn zo onderwerpen van alleman. Daarmee kan ik mij vereenzelvigen. Mijn zijn bestaat ook uit deze elementen van leven. Daarom staat de poëzie van Kuiper met beide voeten in het leven, terwijl de beelden dat leven optillen naar een andere werkelijkheid.

Het Frysk danst
Niet iedereen zal zich daarin kunnen vinden, terwijl wie vooral het wit tussen de woorden leest en de lege regels doorneemt zich in de lyrische besprekingen kan vinden. De taal hoeft dan stellig geen drempel te zijn. Het Frysk danst over het papier, ook voor degene die de spraak niet machtig is. Het gevoel is universeel, de sfeer voor iedereen begrijpelijk. Daarvoor moet je door de woorden heen zien, kijken langs het idioom van de spraak. Dan is het taaleigen niet persoonlijk voor die bepaalde streek, maar kan het zich overal doen gelden. Dan is het onbelangrijk dat je kunt verstaan en het alleen ervaart als klanken.
“soms
sykje ik
in útwei
sis ik tsjin mysels:
kop derfoar, El!
drink ik kofje
út in mok
mei I love daddy
derop
soms
tink ik dat ik
de wurden drink
dy’tsto my skonken hast”
Een prachtige gedachte waar ik die van mij in kan plaatsen. Ik kan het Fries spellen en nazeggen. Dat is geen noodzaak, want je hoeft het niet te kunnen spellen, het resoneert in gedachten. Ook wie het Fries niet beheerst kan de poëzie ervaren, fonetisch dan, maar de emotie klinkt erin door en bepaalt het gevoel.
De dood is een vast onderdeel van het leven. Een onontkoombaar fenomeen – een grens die iedereen vroeg of laat over moet. Dat een dichter daarover dicht is niet verwonderlijk. Zoals de tekstdichter ofwel liedjessmid verzen maakt die over liefde gaan. Want dat is ook het leven. Maar zo onomwonden als ‘ik hou van jou’ daartoe verlaagt de poëet zich over het algemeen niet. In de poëzie wordt tussen de regels door de liefde bedreven. Ligt het er niet dik bovenop, maar klinkt er wel in door.

Elmar Kuiper schilt de woorden van de taal, zoals een appel haar jas laat uitdoen. De letters komen los van het alfabet, waardoor de dichter deze naar eigen inzicht kan leggen. Net als in zijn collages lijken de details soms minder te passen, maar vormen uiteindelijk toch een doorlopend geheel. In de taal is dat beter zichtbaar dan in het beeld. Zijn gedichten zijn geen traditionele poëzie. Het zijn vaak kleine verhalen, met veel suggestieve invallen. Een overmoed aan witruimte waarin de lezer zelf het plot dient in te vullen. Waarom zal ik het levensverhaal van Elmar Kuiper kennen? Wel, omdat hij zijn leven niet aan mij opdringt, maar mij erin laat binnengaan met mijn eigen ervaringen. Kuiper geeft de voorzet, ik schiet op doel. Mis ik dan heb ik het niet begrepen. Meestal echter is het een voltreffer en grijpt de keeper in lucht. Kuiper is een beste aangever.
Wytbekroek. Elmar Kuiper, poëzie en kunst. Utjouwerij Hispel, 2026.

Geef een reactie