Auteur: Jurjen K. van der Hoek

  • De lotgevallen van Mozes, David, Jona, Jezus en de rest

    Het was een lang gekoesterde wens om een kinderbijbel uit te geven. Een rijk geïllustreerd, eenvoudig te lezen boek. Voor kinderen te begrijpen en voor ouders helder uit te leggen. Een soort journaal in makkelijke taal. Zelfs te verstaan voor mensen die de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt. Een boek derhalve met een lage drempel; je kunt er zo binnenstappen en luisteren naar de verhalen. Die wens had uitgeverij Buddy Books, net als het duo Bram Kasse en Michel de Boer. Kasse herschreef de tekst, of eigenlijk hertaalde hij de verhalen. De Boer maakte daarbij levendige afbeeldingen; hij verbeeldde de verhalen. En door Buddy Books ligt het boek in de winkels.

    Het is geen volledige bijbel, van kaft tot kaft, van A tot Z of, om in de sfeer te blijven, van alfa tot omega: van Genesis tot Openbaring. De schrijver heeft enkel die verhalen uit het geheel gelicht met een avontuurlijke kern. Het is daarom een min of meer spannende bijbel geworden om er zo nu en dan, op het puntje van de stoel en met rode oortjes, naar te luisteren: De Avonturenbijbel. Zo nu en dan, want niet alle verhalen zijn even spannend, hoewel Kasse er wel zijn best op heeft gedaan de spanning erin te schrijven. Vooral wanneer een verhaal over verschillende bladzijden is uitgesmeerd, moet je een dag wachten voordat het vervolg komt. Ieder hoofdstuk heeft een cliffhanger, zodat de kleine luisteraar nauwelijks kan wachten. Het zijn verhalen voor het slapengaan, iedere avond een volgende. Honderdvijftig dagen lang.

    Meest spannende avonturen

    Kasse en De Boer weten van de hoed en de rand. De schrijver heeft meer dan veertig boeken geschreven, waaronder diverse Bijbelverhalen. De illustrator heeft meer dan vijfhonderd boeken van tekeningen voorzien. Met partner Leontine Gaasenbeek is hij kinderboekenuitgeverij Buddy Books gestart. Een uitgeverij die een ruim assortiment en een kleurrijke reeks boeken in de brochure heeft. Naast religieus getinte uitgaven zijn er meerdere seculiere bundels uitgegeven. Buddy Books heeft als doel leuke, leerzame kinderboeken van Nederlandse bodem uit te geven. De Boer en Gaasenbeek doen dit door zelf te schrijven en te illustreren, maar werken ook samen met andere schrijvers, dichters en illustratoren.

    De Avonturenbijbel is een kinderbijbel die niet alleen jonge kinderen aanspreekt, maar ook wat oudere kinderen en zelfs pubers, evenals ouders en ouderen. Dat komt door de gemakkelijke taal waarin het is opgesteld; het leest eenvoudig weg. Kinderen kunnen de tekst zelf lezen en de verhalen spellen. Ouders of een ouder kind kunnen voorlezen. Voor de onderliggende, ofwel bijbehorende, teksten kan de ‘echte’ ofwel ‘grote mensen’-Bijbel worden nageslagen. Ieder verhaal heeft namelijk één of meerdere tekstverwijzingen. Het is geen droge tekst, geen kerkelijke taal. Het is een kennismaking. De volgens de samenstellers meest spannende avonturen zijn uit de Bijbel genomen en hertaald, soms ook herschreven: De verboden boom, De hoogste toren van de wereld, De ladder zonder eind, De nachtmerrie van de farao, De grote ontsnapping, Simson en Delila, David en Goliath, Jona in de walvis, In de kuil vol leeuwen. Er wordt wel van de originele tekst afgeweken om het verhaal menselijker te maken, eenvoudig te begrijpen, omdat het vaak in een huidige tijd is gezet en daarmee actueel wordt. Een cadeau voor de wereld, Dwars door het dak, Het foute antwoord, Wie is de verrader?, Wind en vuur, Alles wordt nieuw. “Kom maar snel terug, Jezus.” zijn de laatste woorden, en dat is waar de gelovige op hoopt.

    Eenvoudig leesbaar gemaakt

    Hoewel het niet zozeer een evangelisch boekwerk is om dwingend zieltjes te winnen, zogezegd, komen God en Jezus wel voortdurend om de hoek kijken. Ook De Avonturenbijbel is een religieus boek. God is de kern. De verhalen zijn misschien enigszins eenvoudig voor kerkmensen, wat al te gemakkelijk, maar al die anderen kunnen op deze manier de Bijbel leren kennen. De boodschap is duidelijk en helder, voor iedereen te begrijpen. De ‘echte’ Bijbel kan nog weleens geheimzinnig en duister zijn, tegenstrijdig soms, mysterieus en vaag, zelfs voor volwassen gelovigen. In De Avonturenbijbel, en al die andere kinderbijbels, zijn deze moeilijke verhalen eenvoudig leesbaar gemaakt. Niet dat ze daardoor aan kracht verliezen; ze winnen juist aan toegankelijkheid.

    De verhalen kunnen objectief gelezen worden, zonder afleidende gedachten over hoe het zou moeten zijn of hoe het werkelijk is. Zonder vooroordeel ziet de lezer en hoort de luisteraar het heil en de verlossing en merkt deze waar het werkelijk om draait in deze versie van de Bijbel: geloven als een kind in de woorden van een kind. Vertellingen waar zij beelden bij kunnen maken en waar zij de fantasie op kunnen loslaten. Het is echter geen fantasie, hoewel het fantastische verhalen zijn met avontuurlijke tekeningen. Het grote verhaal is klein gemaakt. De Avonturenbijbel is een menselijk boek; de lezer en luisteraar kunnen zichzelf erin herkennen, zo aansprekend is de tekst. De originele tekst is namelijk beeldender gemaakt, mede door de speelse illustraties. Er is een eenvoudige sfeer ingebracht.

    De verhalen staan dicht bij de mens; zijn onhebbelijkheden hoeven niet eens sterk te worden uitvergroot, de verhalen zijn ervan doordrongen: lusten en lasten, list en bedrog, ruzie en jaloezie, verraad. Maar ook de mooie kant, die vooral met en door God wordt beleefd, of, wanneer je daar niet in gelooft, de zonnige kant van het leven wanneer je de hand van een hogere macht erin ziet. Maar die hogere macht kan ook de goedheid van de mens zelf zijn, het sociale aspect: de liefde voor de ander – geloof, hoop en liefde. De verhalen hebben zin, ook wanneer je niet religieus bent. In ieder mens schuilt een kleine god; ieder mens weet wel wat goed is, en anders is hij van de duivel bezeten. Zo zwart-wit is het, zo simpel. Ter lering ende vermaeck.

    De Avonturenbijbel. Tekst: Bram Kasse. Illustraties: Michel de Boer. Kleuradvies: Leontine Gaasenbeek. Theologisch advies: Laurens Snoek. Uitgave: Buddy Books, 2025.

    De Avonturenbijbel, Bram Kasse, Michel de Boer
    De Avonturenbijbel, Bram Kasse, Michel de Boer
    Leontine Gaasenbeek, Bram Kasse, Michel de Boer

  • Een vergeten schipbreuk centraal in de kunst

    Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in menigte af kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk van de twee bij ons zijnde schepen, wegens gebrek een leeftogt, werden ingezouten. De zoodanige, die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch niet onsmakelijk, maar na verloop van twee dagen, ging hun het vel in den mond en van den tong als mede op andere plaatsen van het ligchaam en van handen en voeten af.” Bij het lezen van deze passage uit het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat kreeg Dolph Kessler kippenvel op meerdere plaatsen van het lichaam. Mij lopen de rillingen over de rug wanneer ik het dagboek in bewerkte vorm naar 19e eeuws Nederlands verder doorlees.

    Hidde Dirks Kat, Egbarta Veenhuizen
    De jacht op een walvis. Tekening: Egbarta Veenhuizen (315 x 170 cm. / 2016).

    Het boek waarin dat ‘Dagboek van eener reize ter walvisch- en robben-vangst gedaan in de jaren 1777 en 1778’ staat afgedrukt, vond ik in de vitrine bij de presentatie van Egbarta Veenhuizen in Museum Belvédère. Daar had de kunstenaar tot voor kort een kamer ingericht met werken geïnspireerd op haar verblijf op Groenland. “Tijdens een reis in het voorjaar van 2015 naar Groenland sloten wij (…) dat land in ons hart”, schrijft Kessler. Een plek die tot de verbeelding spreekt, op dit moment eerder hot dan cool. Een half jaar later ontdekte Kessler bij toeval het dagboek van de walvisvaarder. Hij raakte in de ban van Hidde Kat. En ook partner Egbarta Veenhuizen liet zich inspireren door de 18e eeuwse dramatiek.

    Groenland, Egbarta Veenhuizen
    Installatie “Groenland” van Egbarta Veenhuizen in Museum Belvédère.

    Veenhuizen heeft mij gevraagd haar kunstzinnige doen en laten met betrekking tot Groenland, in museum en atelier, filmisch vast te leggen voor een door mij te maken internationale video van het project. Om met huid en haar in de materie op te gaan, leek het mij verstandig het boek dan maar te lezen, dat beschikbaar kwam toen de tentoonstelling werd uitgeruimd. En het blijkt ook mij aan zich te binden. Niet alleen door de spanning van het huiveringwekkende avontuur, ook de gedetailleerde beschrijving van het leven en werken van de ‘wilden’ en de eigen gevoelens en angsten van Kat boeien mateloos.

    Bijgeschaafde tekst

    Het door Wijdemeer in 2018 uitgegeven boek heeft als kern het journaal van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat. Het verhaal is een van de inspiratiebronnen voor Veenhuizen om de bewoners van Groenland en hun historie te betrekken bij en in haar kunst. Tegelijkertijd schiet Dolph Kessler met de fotocamera in de aanslag een grote serie platen van de omgeving aldaar en de bewoners van Groenland. Het dagboek werd onderdeel van een project in het culturele hoofdstadprogramma 2018. De schrijver Kat is dan ook van verschillende kanten tegen het licht gehouden. Het dagboek is literair doorgenomen. Er is onderzocht waarom het pas 40 jaar na de scheepsramp van 1777, in het jaar 1817, wordt uitgebracht. Het past in een tijd dat historisch waargebeurde verhalen hoog worden geacht en dat het verhaal als lering en vermaak voor schoolkinderen kan dienen. De scherpe kanten worden echter van het origineel afgehaald. Het wordt herschreven in de spelling van die tijd en niet in het ouderwetse Nederlands van Kat.

    Titelblad 1e uitgave dagboek Hidde Dirks Kat, tekening Egbarta Veenhuizen

    De passage op 7 oktober “de Klok 9 uur gingen wy met ons 49 Man weg, twee bleeven in de Sloep leggen, die niet gaan konden, de eerste dag verdronken daar verscheiden van het Volk by ons, ik zelfs raakte 2 maal tussen de Schotsen, en over het Hooft toe nat, maar kreegen my weer, moesten toen met die natte Kleeren loopen…” wordt in het dagboek van 1818: “Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen, geraakten, door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het water, verdronken, en werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf geraakte tweemaal van het ijs af, doch werd telkens weêr opgehaald en gered door de twee haken, vóór dat het ijs zich weêr toesloot, en moest zoo met mijne natte kleederen al den volgenden tijd gaan, hetwelk mij ongemeen verzwakte.” De taal van het hart wordt overmatig omgeven met dramatiek, alsof het een script geworden is voor een rampenfilm of avontuurlijke opera.

    “Des kreegen wy zo een hoge Zee”

    Het is de meest vergeten schipbreuk uit de vaderlandse geschiedenis. Maar met het opzetten van het project en de verschijning van het boek proberen de samenstellers deze vergissing recht te zetten. Want het is me nogal een geschiedenis. Bij tijd en wijle een dramatisch verhaal met de nodige ontberingen in de diepvrieskou van Groenland. Het avontuur begint naar verhouding zo melodramatisch meeslepend mooi. Monsterde Kat als commandeur voor zijn vaart op een groot aantal schepen aan om een succesvol bedoelde walvisvaart aan te vangen. Maar hadden ze nog in de thuishaven wel in de gaten welke beproeving en ellende de zeelieden te wachten zouden staan aan de overzijde van de Atlantische Oceaan tegen de poolcirkel? Konden ze zich kleden tegen de strenge kou en de snerpende wind? Tweehonderdvijftig jaar geleden was de maatschappij daarop nog niet ingericht. Lezen we nu over de verschrikkingen, dan kunnen wij ons daar nauwelijks een voorstelling bij maken. Maar toch, wanneer je de originele tekst van Kat volgt, is het als een dramatische film waarbij de Hel van ’63 een hittegolf is.

    Schilderij Abraham Storck (1644-1708) Foto zuidkust Groenland: Dolph Kessler

    De originele tekst is dus logischerwijs geweld aangedaan. Het oorspronkelijke manuscript is herschreven naar de tijd dat het is uitgegeven om het makkelijker toegankelijk en leesbaar te maken. De achttiende-eeuwse schrijfwijze is in de nu alweer verouderde moderne spelling gezet. In die tijd werd de taal aangepast en vernieuwd en keek men anders aan tegen werkelijkheden en de realiteit. Maar hoewel er kommer en kwel is weggeschreven, blijft staan dat de reis allesbehalve een pretje moet zijn geweest. “…des kreegen wy zo een hoge Zee, dat wy dagten, dat wy de dag niet weer beleeft zouden hebben, die Schotsen stieten ze geweldig tegen malkanderen, dat het droevig was te hooren.”

    Ongekerstend maar sociaal vaardig

    Eerst, aangekomen bij het ijs, worden er een aantal walvissen gevangen. Maar al snel vergaan er enkele schepen door storm en onweer, door aanvaring met ijsschotsen. Wanneer het schip van Kat als verloren wordt beschouwd en de omgeving overloopt van traan en vet van uitgebeende walvissen, komen ijsberen op bezoek. Natuurlijk is er nauwelijks plek om te schuilen, dus zal de vijand bestreden moeten worden. Het levert welkome proviand op, want de scheepsbeschuiten raken op. Kat schrijft beeldend, ik kan me inleven. Van dag tot dag word ik meer matroos: ik sta op een vrije walvisloze dag aan de reling en kijk over de uitgestrekte ijsvlakte. Sluit ik mijn ogen, dan zie ik welhaast niets anders dan wit ijs en zwart water. Voelt de punt van mijn neus koud aan, dan beginnen mijn bevroren tenen te tintelen. Beeldend beschreven voel ik de ontberingen aan den lijve.

    Het afspekken van een walvis Foto: Groenland in 2015, Dolph Kessler

    Maar er is hoop. Want hoewel er bemanning doodvriest, staat hulp paraat. Wat Kat steevast ‘wilden’ noemt, zijn Inuit – de autochtone inlanders. Ondanks dat deze ongekerstend zijn, hebben ze christelijke hebbelijkheden en zijn sociaal vaardig. Een lang verhaal kort: hoewel het boek bij de uitgever is uitverkocht, valt het vast nog te lezen bij de bibliotheek of is aan te schaffen via de boekhandel. Kat en zijn bemanning — wat er nog van over is — worden gered en belanden in de thuishaven. Ze zijn helden. Twee opvarenden publiceren meteen hun dagboek. Kat echter is zo onder de indruk van zijn wederwaardigheden en houdt het verhaal eerst voor zich. Tientallen jaren later geeft hij toch toestemming zijn ervaringen te boekstaven. Zelf acht hij dit niet dermate noodzakelijk, maar men vindt dat het niet vergeten mag worden. Ameland, want daar slijt Hidde Dirks Kat zijn laatste jaren, is trots op zijn walvisvaarder die na deze rampzalige reis dan maar de koopvaardij ingaat.

    Hidde Dirks Kat, Groenland, walvisvaart

    De koude rillingen

    Het boek is een volledig naslagwerk met daarin een kaart, waardoor de tocht over zee per mijl en aan land per kilometer kan worden gevolgd. Het dagboek van de Amelander walvisvaarder staat derhalve centraal, maar de uitgave is extra bijzonder gemaakt door er interessante teksten aan toe te voegen. Zo wordt de bewerkte versie die in 1817 is uitgegeven onder de loep genomen. Wat deed het veranderen, waarom waren de wijzigingen noodzakelijk, is het script zorgzaam aangepast? Kat blijkt niet alleen de tocht van dag tot dag te beschrijven om zo de unieke historie in de geschiedenis te plaatsen, ook is hij een opmerkzaam mens en bekijkt nauwgezet de behuizing en vervoermiddelen van de Inuit. De walvisvaart krijgt aandacht en Groenland in de tijd van de walvisjacht. Het levensverhaal van de man en het Ameland van Hidde Dirks Kat worden in afzonderlijke hoofdstukken beschreven. En er wordt gedetailleerd gekeken naar het feit of Kat een held te noemen is.

    Fotograaf Dolph Kessler omschrijft wat hem en zijn partner Egbarta Veenhuizen raakte op dat grote ijs. Maar eerst was daar het dagboek dat dit grote ijs beschreef en Kessler de koude rillingen over de rug deed lopen en waarvan hij bijzonder warm werd van binnen. De diagnose: koorts. Koortsachtig ging het paar op zoek naar de sporen van Kat. Veenhuizen met een schetsboek, Kessler met de fotocamera. In de ban van het landschap werd het een project voor Kunstmaand Ameland 2015 en later onderdeel van Culturele Hoofdstad 2018. En nog steeds reist Veenhuizen met haar Groenlandinstallatie langs musea en denkt erover bij de al bestaande figuren nieuwe te maken en te laten aansluiten bij het verhaal.

    Het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat. De meest vergeten schipbreuk uit de vaderlandse geschiedenis 1777-1778. Diverse schrijvers. Tekeningen Egbarta Veenhuizen. Fotografie Dolph Kessler. Uitgeverij Wijdemeer, eerste druk januari 2018.

    Hidde Dirks Kat, Groenland, walvisvaart
  • Op een zekere dag in Amsterdam-Zuidoost

    Door het fotoboek “24-7 Amsterdam Zuidoost” – van Stichting United en uitgegeven in het kader van Amsterdam 750 – bladerend, adem ik de Bijlmermeer in lagen: kinderen op de markt, gebed in een moskee, zwervers die stil observeren, lachende klanten in kapsalons, honden rennend naast hun baasjes, ijscokarren die rinkelen, sporters op pleinen, kunstenaars aan muren, cafés vol drankjes en gesprekken. Elke pagina legt een fragment vast, een moment van kleur, geluid, beweging en geur, en samen vormen ze het ritme van de wijk, een organisme dat ademt, leeft en voortdurend herschrijft wat het betekent om aanwezig te zijn in Amsterdam-Zuidoost.

    Overal is ritme, kleur, geur, beweging

    De Bijlmermeer, in het hart van Amsterdam-Zuidoost, beweegt op een ritme dat zowel zichtbaar als onzichtbaar is. Flats rijzen op als kolommen van beton en glas, hun galerijen en portieken vormen een netwerk van lijnen en schaduwen waarin het leven zich voortdurend herschrijft. Marktkramen glanzen in de zon, kinderen rennen en lachen, stemmen mengen zich, het zachte gebed klinkt vanuit de moskee, terwijl zwervers stil observeren en klanten in kapsalons lachen. Honden trekken hun baasjes voort, kunstenaars hangen hun werk op muren, sporters rennen over pleinen, en een ijscokar rinkelt langzaam voorbij. Cafés vullen zich met drankjes op een warme dag; overal is ritme, kleur, geur, beweging en licht. De wijk is geen plan, geen experiment, geen statisch bouwwerk. Ze ademt, leeft, en reageert op alles wat erin gebeurt.

    24-7 amsterdam zuidoost

    In de uitgave 24-7 zijn een serie foto’s afgedrukt die het dagelijks leven in deze stadswijk perfect verbeelden. Een groep van elf fotografen is uitgenodigd een specifieke dag in het jaar 2025 vast te leggen. Daarnaast zijn er foto´s verzameld van bewoners van de wijk. De weerslag is een fotografische tijdcapsule waar ik in stap zodra ik het boek open. Ik blader dan door de pagina’s en voel het ritme van de wijk als een continu organisme. Mijn ogen volgen kinderen op de markt, hun stemmen bijna hoorbaar, hun bewegingen levendig in mijn verbeelding. Een jongen met een skateboard glijdt langs een galerij; een moeder buigt zich zachtjes naar een kind dat struikelt. Vanuit een moskee klinkt een moment van stilte, een gebed dat zich mengt met de drukte van de markt en het geroezemoes van de straten. In een kapsalon lachen klanten, buiten rennen honden langs trottoirs, een ijscokar rinkelt voorbij, kunstenaars exposeren hun werk, sporters spelen en zwervers observeren alles met kalme ogen.

    De zon glijdt langs gevels

    Elke pagina voegt een laag toe: geuren van vers brood, gebakken vis, koffie; kleuren van groenten, bloemen, graffiti; ritme van voetstappen, stemmen, de metro die ergens ondergronds pulseert. Alles gebeurt tegelijk, en toch neem ik het afzonderlijk op, alsof de wijk zichzelf in fragmenten aan mij laat zien, een collage van leven, aanwezigheid en beweging. De flats rijzen hoog, galerijen leiden de blik, pleinen vangen licht en schaduw. De zon glijdt langs gevels, een regenbui glanst over muren en tegels, muziek klinkt uit open ramen, het zachte geblaf van een hond mengt zich met stemmen. Alles echoot door het fotoboek, in mij, en vormt een continu organisme dat groter is dan elk afzonderlijk beeld.

    Kenny Zschüschen, 24-7 amsterdam zuidoost
    Kenny Zschüschen

    Op een klein plein wordt een kind opgetild door een glimlachende volwassene, een sporter sprint langs, een kunstenaar laat een penseel over de muur glijden. Alles gebeurt tegelijk, alles leeft, alles ademt. De Bijlmer reageert op alles: geluid, licht, geur, beweging, aanwezigheid. Elk moment is vluchtig, maar samen vormen ze het ritme van de wijk. Ik blader verder en ervaar meer, van pagina naar pagina, langs kinderen, ouderen, jongeren, marktkramen, portieken, galerijen, cafés, honden, ijscokar, kunst, sport en spel. Alles is verbonden, alles ademt, alles beweegt. Het is rauw, kleurrijk, intens, onvoorspelbaar en vertrouwd tegelijk. Geen plan, geen experiment, geen utopie; de Bijlmermeer is een organisme, een kunstwerk, een ritme, een gemeenschap die ademt in ieder beeld, ieder geluid, ieder gebaar, iedere ademhaling.

    Mijn blik volgt het ritme

    De lucht van een zomerse 5 juni, de glans van graffiti in de regen, het rinkelende geluid van de ijscokar, de warmte van mensen en straten — alles wordt opgenomen, versterkt, herhaald. Mijn blik volgt het ritme, mijn verbeelding ademt met de wijk mee. En terwijl ik de laatste pagina omsla, werpt het fotoboek nieuwe schaduwen, nieuwe glans, nieuwe mogelijkheden. Ik sluit het, deel van dezelfde ademhaling, dezelfde beweging, dezelfde aanwezigheid die deze wijk vormt en steeds opnieuw herschrijft, moment voor moment, beeld voor beeld, adem voor adem.

    24-7 is meer dan een document, meer dan een moment; het is een dagboek van uur tot uur op die ene dag, die ene donderdag 5 juni 2025. Het leven staat er een ogenblik stil, voor zolang de sluitertijd van de fotocamera dit toestaat. De mensen lijken bevroren, statisch in het moment, maar de dynamiek straalt van de gezichten en uit de platen. De portretten ademen geen pose, maar een leven. De mensen staan niet model voor de Bijlmer, maar zijn Amsterdam-Zuidoost.

    24-7 Amsterdam Zuidoost. Een tijdcapsule in foto’s. Elf lokale fotografen en publieksfoto’s. Initiatief Hans Moonen. Teksten Auke van der Hoek, Kenny Zschüschen. Uitgave van Stichting United, 2025.

  • Een fanboek van verzamelaars voor kunstenaar Theo Wolvecamp

    Verzamelaars zijn belangrijke factoren in de kunstwereld. Zonder verzamelaars zou het bijvoorbeeld welhaast onmogelijk zijn een museum te stichten en in stand te houden. Maar het verzamelen is tevens een belangrijk element voor het welzijn van kunstenaars. Vooral wanneer de betreffende kunstenaar zo bij een bepaalde collectioneur in de smaak valt dat deze hem of haar gaat volgen en uit de verschillende stadia in het oeuvre werk aankoopt. En op een zeker moment zelfs vriendschappelijke betrekkingen aangaat. Kind aan huis wordt, bij wijze van spreken. Regelmatig dan het atelier en tentoonstellingen bezoekt. En het er met de kunstenaar over heeft, omdat smaak en gevoel overeenkomen. De ware verzamelaar gaat echter niet bepalen welk werk er gemaakt gaat worden, maar laat de kunstenaar vrij om een eigen weg te gaan.

    De verzamelaar kan mecenas zijn. Hij of zij kan de kunstenaar financiële zekerheid bieden door werk aan te kopen zonder tussenkomst van een galerie. Het stelt de kunstenaar in staat zich te richten op het creatieve werk, zonder zich zorgen te maken over het brood op de plank. Culturele filantropie is het behoud van de kunst. Van betekenis is de vriendschap die de verzamelaar met de kunstenaar opbouwt. De kunstenaar die via zijn werk door de verzamelaar wordt ontdekt. Van het oeuvre verdwijnt over het algemeen een aanmerkelijk deel in de verzameling. In de vriendschap heeft de verzamelaar een wezenlijk aandeel door de kunstenaar op te merken en verder te helpen, het werk uiteindelijk onder de mensen te brengen via tentoonstellingen van de collectie. Werk te schenken aan musea of in een bijzonder geval rond de collectie zelf een museum op te richten.

    Theo Wolvecamp

    Exoperimenteel in afzondering

    De verzamelaars van het werk van Theo Wolvecamp zijn zover gegaan dat ze de tijd rijp vinden om zijn oeuvre te boekstaven. Daarbij vooral nader op zijn kunstenaarschap en zijn leven als mens in te gaan. Hem voor de eeuwigheid vast te leggen. Zijn werk te tonen, maar niet minder belangrijk, een inkijk in zijn leven te geven. De dialoog tussen de kunstenaar en zijn materiaal. Voor deze uitgave is er natuurlijk al over Wolvecamp geschreven en is zijn werk al onder de mensen gekomen, maar de verzamelaars vinden het belangrijk de vriendschap te benadrukken. De kunst vanuit de hoek van de sympathie voor de kunstenaar te bekijken. Niet dat het daardoor een betere kwaliteit heeft of van meer belang is voor de kunstwereld, maar dat het is opgemerkt en van waarde is door de mens erachter te leren kennen. ‘Zeg me wie je vrienden zijn en ik zeg je wie jij bent.’

    De uitgave “Theo Wolvecamp – experimenteel in afzondering” is een fanboek te noemen. De kunstliefhebbers en -verzamelaars Gerhard Roetgering en Lex Schrama zijn bewonderaars van het werk van Wolvecamp. Door verschillende werken en series van hem aan te kopen konden ze een vriendschap aanknopen. Bij het honderdste geboortejaar van de kunstenaar, in 2025, wilden ze extra aandacht aan hem besteden door middel van het boek. De kunstenaar en zijn kunst, het waarom en hoe. Wie was hij en wat is zijn werk. Hij wordt geschaard bij de CoBrA-groep, maar van kindertekeningen en volkskunst – onder meer kenmerkend voor deze schilders – moest hij niets weten. “Dat is toch waanzin. Daar heb ik nooit in geloofd.” Hij was een individualist die experimenteel met de kunst omging. In zijn stijl van werken spelen vorm en kleur een ondergeschikte rol.

    Theo Wolvecamp

    De afbeelding is het belangrijkste

    Hij hield zich het liefst afzijdig van de kunstwereld, maar ging er bij tijd en wijle toch wel met plezier op in. Hij had het niet graag over zijn eigen werk, maar sprak honderduit over het werk van anderen. In zijn zichzelf opgelegde isolement zijn prachtige werken ontstaan, althans wanneer men interesse heeft in de experimenteel abstracte en over het algemeen non-figuratieve kunst. Roetgering en Schrama hebben dat, en met hen vele anderen. In het boek passeren meerdere bewonderaars de revue. Daarin of daaruit blijkt ook waarom het werk van Wolvecamp verwondert en wordt bewonderd. De speciale plaats die hij in de kunstwereld inneemt.

    Daar hij hoge eisen aan zichzelf stelde, had hij gerede twijfel aan zijn eigen kunnen. “Het komt van binnen uit en toch gaat het buiten je om.” De schilder zag ertegenop aan een nieuw maagdelijk wit doek te beginnen. Hoe herkenbaar voor de kunstenaar en zijn heilig moeten, zou je zeggen. Wolvecamp schilderde daarom wel oude en door hemzelf afgekeurde werken over. Dan had hij een begin om op verder te gaan. Zo zijn er vele van zijn werken verloren gegaan, maar ook vernietigde hij uit onzekerheid werk; hij trapte dwars door de doeken. Hij experimenteerde met vorm en kleur op verschillende manieren om de realiteit te symboliseren. Versimpelde de werkelijkheid op zijn gevoel in een weloverwogen enkel gebaar, een embleem, een vignet waaraan het zijn te herkennen is. Een gebaar evenwel dat werd herhaald naargelang dat voor de spiegeling van de gedachte noodzakelijk bleek. En die weerslag van het denkbeeld kreeg vorm zonder daaraan een naam te verbinden. De meeste werken van zijn hand bestaan in zichzelf, hebben geen uitleg nodig, zijn ‘compositie’ en ‘zonder titel’. Zo kan de beschouwer onbevangen zien en kijken. “Een goed schilderij hoeft geen gekunstelde titel te hebben. Het moet aanspreken door zijn harmonie en zijn kracht, zijn individualiteit. In feite hoeft de titel helemaal niet. Eerst schilder ik, en dan vind ik de associaties. Als ik er geen vind, noem ik de afbeelding enkel ‘schilderij’ of ‘compositie’. De afbeelding is het belangrijkste.”

    Theo Wolvecamp

    Beeld en gedachte

    In het boek komt de kunstenaar zelf aan het woord. Kan hij zichzelf plaatsen en beelden naast het bestaan van zijn werk. In een tweegesprek wordt summier de biografie van Wolvecamp doorgenomen. Waar hij vandaan komt en wat hem heeft gevormd. Maar vooral hoe hij naar de buitenwereld keek waarin hij zich noodgedwongen zo nu en dan moest bewegen. Door zijn antwoorden op de vragen leert de lezer de kunstenaar kennen en zijn werk begrijpen. Want dit werk heeft niet altijd een gemakkelijke ingang. De materie is psychisch geladen en dat komt niet over wanneer de beschouwer op een andere golflengte zit. Beeld en gedachte dienen op elkaar afgestemd te zijn om de vorm te herkennen.

    “Uitgaande van de materie tracht ik te komen tot een levensexpressie in de vorm van een schilderij dat niet alleen een bouwsel is van kleur en lijnen, maar waarin een spontaan humaan sentiment een overwinning is op de materie en ieder esthetisch begrip”, want wie kan beter de bedoeling uitleggen dan de kunstenaar zelf. Kunsthistorici proberen het in de voortgang van de tijd te plaatsen, maar slaan de plank weleens mis. Verbinden grote woorden en zalvende opmerkingen aan het hoe en waarom. Weten wat de kunstenaar gedacht moet hebben, doorzien zijn beweegredenen. Maar kennen zij de maker van iets uit niets echt? “Mijn werk is het resultaat van een zéér persoonlijk ontstaansproces. Het duurt soms wel negen jaar en tachtig lagen verf voordat een doek klaar is, alvorens ik via de materie het doek een ziel heb gegeven, de mijne.”

    Theo Wolvecamp

    Dierbare vriendschap

    De dierbare vriendschap is liefdevol beschreven. Het is niet vanuit kunsthistorisch perspectief geschreven, maar gezien als vriend, als fan, geïnteresseerd in de mens achter zijn kunst. De tekst in het boek is in opdracht van de samenstellers geschreven, de verzamelaars die een hartelijke band met Wolvecamp hadden. Niet zij schreven echter de onpartijdige teksten; het is een derde die het in perspectief uit monden van vrienden optekent. Dus min of meer als buitenstaander, niet te romantisch, objectief. De uitgave houdt daardoor het midden tussen een biografie en een portret. Het naschrift, ergens verstopt in het slot van het boek, zegt alles:

    “De kunstschilder Theo Wolvecamp overleed op 11 oktober 1992 in Amsterdam. Hij werd 67 jaar oud. Vanaf het eerste uur was hij nauw betrokken bij CoBrA, met o.a. Karel Appel, Constant en Corneille, die in het naoorlogse Parijs als ‘uitgelaten schoolkinderen’, zoals Corneille het noemde, elke schilderkunstige regel aan hun laars lapten. De abstract-expressionist Wolvecamp leefde meer teruggetrokken dan zijn collega’s, schilderde moeizamer en weerbarstiger dan zij, vernietigde ook eigen werk. ‘Je veroorzaakt iets vanuit een vaag idee. Het komt van binnen uit en toch gaat het buiten je om’, zei Wolvecamp in een van de sporadische interviews die hij gaf.”

    Theo Wolvecamp – experimenteel in afzondering. Samenstelling: Gerhard Roetgering en Lex Schrama. Uitgave Van Spijk Art Books, 2025.

    Theo Wolvecamp
  • Houwen in steen en stikken met draad bij Kunstlokaal No.8

    Ze heeft de vorm vrij gehakt uit harde, zware steen: Ada van Wonderen. Het ruwe materiaal geeft onder haar handen, hamer en beitel een figuur prijs die zich lang verborgen heeft weten te houden. Wanneer ik de ruimte van Kunstlokaal No.8 binnenstap en om mij heen kijk, meen ik stenen doosjes in diverse afmetingen te zien. Doosjes die nog geopend moeten worden, die nog een vorm in zich dragen, besloten houden. Dat is het spannende van de gebeeldhouwde figuren: ik heb het gevoel dat zij nog niet af zijn. Dat het houders zijn van een gedachte, een veronderstelling. Want wat zal er onder die gebeitelde, ruigharige huid schuilgaan? Wat zal de spiegelglad gepolijste aaibaarheid verbergen? De steen zal het weten; deze is beeld geworden.

    Verwonderlijk. Suggestief beeld. De suggestie is echter vals, want dit ís wat het is. Dit is niet het begin, maar het resultaat van deze kunst. Er hoeft niets open; de vorm blijft gesloten. Een blokje steen dat zich verheft op pootjes. Het volume komt los van de aarde, is uit de tijd genomen en kent, na schuren, slijpen en kloppen, een eigen moment. Op dat tijdstip kruist mijn blik tweebenen, viervoeters en veelpoten. In dat ogenblik beschouw ik het bevroren uur: een punt dat door Ada van Wonderen is stilgezet in het tijdperk van deze brokken hardheid. De steentijd. De evolutie van Belgisch hardsteen, van marmer en albast, is hier gestopt, in dit figuur vervolmaakt. Dit is het sublieme stadium. De schepper heeft gesproken: het is goed zo.

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde

    Afgemeten gedaante

    Van Wonderen hakt geen objecten; het zijn figuren die in de steen tot uiting komen. Figuranten in de tijd, met menselijke en dierlijke trekken. Benen, voeten en poten houden het lichaam omhoog. En wanneer de materie vermoeid raakt van het staan, zijgt zij neer en steekt de dikke pootjes onder de zit uit. De figuren zijn in essentie het gestel van een levend wezen: de romp naar model gevormd, zonder hoofd, schouders, knie en  teen. In de kern is dit het wezenlijk voornaamste deel; daarom krijgt het in deze vorm het meeste gewicht aangemeten. Maar eigenlijk is de gestalte als zodanig van minder belang. Zij is plomp en statisch door het gebruikte materiaal, monumentaal in detail. De bewerkte huid maakt het ding tot levende steen, een dynamische vorm. Deze huid is door de kunstenaar gebeiteld en ingesneden.

    Albast, marmer of diabaas hebben een natuurlijke belijning. Daarin hoeft Van Wonderen niet in te grijpen; de gedaante afmeten is voldoende. Door de deur kom ik de ruimte binnen, zoals gebruikelijk. Rechts, op een sokkel tegen de wand, zie ik een roodmarmeren figuurtje. Het is mooi gelijnd, natuurlijk ingetekend. Het draagt de titel ‘Zie mij’. Het is denkelijk een zelfportret van de kunstenaar die mij binnen nodigt. Maar eerst trek ik nog de bovenste lade van de tekenkast o de gang open. Daar vind ik afdrukken van houtsneden op ruw geschept papier. In veelvoud is de tweepoter een poort geworden: een grafische schets om de figuur in de vingers te krijgen.

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde

    Bij afzonderlijke tentoonstellingen laat Kunstlokaal No.8 altijd een vierkant boekje verschijnen. Klein maar fijn, met net genoeg beeldbladen en teksten om de kunstenaars voor te stellen. Niet zelden grijpen de daarin afgebeelde werken mooi in elkaar en aaneen. Deze keer is de overgang wel heel bijzonder. Schaf u het boekje aan en zie zelf de perfecte wisseling van de zwarte viervoet met witte structuur naar het witte draad op zwart kunstleer. Ada van Wonderen spiegelt zich in Janneke Hogerheijde. Hogerheijde reflecteert op Van Wonderen. Hogerheijde wordt in het boekje voorgesteld als een tekenaar met de naaimachine. In dat genoemde wit op zwart laat zij de draad uitwaaieren als een explosie: de oerknal, met klein diafragma en lange sluitertijd vastgelegd.

    Gestikt patroon

    Waar de draad machinaal door het kunstleer ploegt, ontstaan plattegronden van een niet nader te noemen woongemeenschap. Hoewel enkel het stratenplan de aandacht krijgt, nieuwe wegen zoekt, kan het zicht in vogelvlucht heel wel een moment vóór de ruilverkaveling zijn: iedere keuterboer heeft nog een stukje land dat, samen met de andere percelen, een lappendeken vormt. Of het zijn de sloten in een veenafgraving. Tegelijkertijd is het eenvoudigweg een abstracte vormgeving die geen realistisch uitgangspunt behoeft te hebben. De draad stuurt zichzelf niet langs de geleider. Het is wel een machine, maar geen zelfdenkend wezen. De kunstenaar moet de stof onder de persvoet door geleiden om een gewenst stiksel te verkrijgen. Die navigatie geeft een bijzonder effect, maar blijft enigszins naïef in uitvoering en beeltenis. 

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde

    Meer tot de verbeelding sprekend zijn de monochrome werken in rood en blauw. Althans, op afstand lijken het éénkleurige, vlakke beeltenissen. Kom ik dichterbij, dan blijken door de verwerking van draden in de huid een scala aan structuren zichtbaar, en daarmee schakeringen en verzadigingen. Het hoogtepunt hierin is de ‘Symphony in Blue’, waarbij een gele monochromie wordt overstemd door blauwe draden die vlakken verdichten of juist doorzichtig laten. Een muziekstuk waarbij de eerste viool virtuoos over de partituur van het orkest speelt.

    Aldus houwt de één in harde steen, terwijl de ander stikt met losse draden. Beiden zetten zichzelf in de tijd, beelden het moment van zijn uit. Ieder met een vreemd verlangen nieuwe wegen te zoeken. En het Kunstlokaal weet paden te plaveien om ons te laten verwonderen, iedere keer opnieuw.

    Houwen en Stikken. Werken van Ada van Wonderen en Janneke Hogerheijde bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. Van 7 februari tot en met 1 maart 2026.

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde
    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde
  • Jolanda Meulendijks zweeft door haar wereld van kunst

    Gaat een kunstenaar het werk van een collega duiden, dan lijkt het commentaar op een andere golflengte te komen te liggen. Er verschuift iets in de manier waarop dat werk wordt benaderd. Het is alsof de interpretatie zich in een andere dimensie bevindt. De kunstenaar raakt mogelijk een andere snaar, met een andere resonantie dan de drieklanken, tertsen en intervallen van kunsthistorici en recensenten. Niet zozeer hoger of beter, maar anders gestemd.

    Waar het werk vaak wordt geplaatst binnen stijl, ontwikkeling en context, kijkt een kunstenaar vanuit het maken zelf. Alsof hij gevoeliger is, of beschikt over een extra zintuig om door de lagen van zichtbaarheid heen te breken. Dat levert een lezing op waarin minder wordt geordend en verklaard, en meer wordt herkend. In het werk van de ander wordt iets gevoeld dat verwant is aan de eigen praktijk. Niet omdat stijl of techniek overeen hoeven te komen, maar omdat het zoeken, het twijfelen en het nemen van beslissingen voor iedere kunstenaar herkenbaar terrein zijn.

    Die benadering is geen correctie op andere manieren van kijken, maar zet er een andere blik naast. Een perspectief dat ontstaat vanuit ervaring en het werk van binnenuit lijkt te benaderen. Het is een manier van kijken die dichter bij de kern beweegt, juist omdat zij voortkomt uit het proces van het maken. Vanuit die positie lijkt de waarde van het werk soms anders te worden ingeschat, omdat de kunstenaar herkent waar het werk zijn oorsprong heeft.

    Jolanda Meulendijks

    Lichtvoetig los te komen van gewicht

    “Een kunstenaar denkt deels met de handen”, schrijft Olphaert den Otter in het boek dat het werk van Jolanda Meulendijks toont. “De bron van dat handelen is een idee”, vervolgt de schilder, zanger, schrijver en spreker (een multiman). Hij legt het werk van Meulendijks langs een cultureel-filosofische lat en ziet dat het goed is. Dat haar maakproces zich laat opdelen in ‘denken’, ‘doen’ en ‘ding’. “In het ideale geval leidt het zien van een kunstwerk de kunstkijker terug naar die bron.”

    In zijn essay ontleedt Den Otter haar werk. Dat werk laat van niets iets worden. Eerder gebruikte materialen en dragers — bedrukte bladen uit een atlas bijvoorbeeld — krijgen een nieuwe functie in het overbrengen van een verhaal. Maar ook koper, draad, karton, natuursteen en keramiek dragen zichzelf als mededeling. Soms op wezensvreemde plekken, soms karakteristiek aan de wand bevestigd of een ruimte vullend.

    Het verhaal van Jolanda Meulendijks maakt zij door middel van de beeldende kunst kenbaar en brengt het de wereld in. In of door haar werk lijkt zij te zweven, lichtvoetig los te komen van gewicht. Haar werk wordt wel tentoongesteld alsof het op lucht drijft. Alsof zintuiglijke krachten de objecten en installaties losmaken van de zwaartekracht. Lichtheid, het figuurlijk zweven, leidt tot speelsheid. “Het zoeken is naar een evenwicht, tussen het lichte en het zware, tussen het stille en het beweeglijke.”

    Het opmerken van materie die door een ander als niet ter zake doende wordt gezien, werkt bevrijdend. Je hoeft niet krampachtig het penseel vast te houden om details uit te werken of met de kwast het grote gebaar te maken, maar kunt waarnemen dat afwijkend materiaal in de kunst her- en opgewaardeerd wordt. Onooglijk niets kan zichtbaar iets worden.

    Jolanda Meulendijks is in die zin een hergebruiker. In haar kunst recyclen onbruikbare voorwerpen tot kunstzinnige objecten. Zij werkt op gevoel; intuïtief slaat zij aan op vormen omdat zij voortdurend aanstaat om ze op te merken. Laat ik ze achteloos zwerven, zij zet ze op een voetstuk zodat ik er wel acht op moet slaan.

    “Het sublieme tastbaar maken is een paradox”

    “In het werk van Jolanda Meulendijks buitelen verschillende waarden door elkaar.” Daardoor struikelt mijn concentratie soms en leiden details mij af van het geheel. Maar juist die bijzonderheden maken voor mij het werk af. Een glans op koper, een kleurnuance op karton, een knoop in touw. Die finesse vraagt aandacht. Een kleine den op een groen eiland in een installatie fluistert om gezien te worden. Het zijn eigenaardigheden die de blik vangen zonder antwoord te geven op de gestelde vraag.

    De intuïtie van Meulendijks vergelijkt Den Otter met doendenken, of populair gezegd: spiergeheugen. “Je weet wat je moet doen, zonder het te weten.” Laat de rede het dan afweten op het moment dat het kunstwerk zichzelf maakt? Dat de gedachte doet wat eerder is gedaan, zich herinnert te doen? De rede lijkt dan op automatische piloot te gaan en de handeling voert zich als vanzelf uit. In theorie kan dat zo zijn. Maar mij dunkt dat, wanneer inspiratie het voortouw neemt, de kunstenaar bij de les moet blijven om het meest sublieme resultaat te bereiken. “Het sublieme tastbaar maken is een paradox. Het kan niet, maar het moet.”

    Een kunstwerk kan zichzelf niet maken; het heeft geen eigen boodschap die zonder de kunstenaar wordt gemengd. Wel kan de kunstenaar plots het juiste doen, het goede beeld aanbrengen of intuïtief de gepaste woorden vinden. “De kunstenaar handelt in overeenstemming met zijn of haar kern”, stelt Den Otter kijkend naar het werk van Meulendijks en zijn eigen werk voor ogen houdend. “In dat handelen zit geschiedenis, biografie, groei. De beslissingen over je werk zijn eerder genomen, of minstens voorbereid; nú kan je handelen en er ontstaat iets vanzelfsprekends. Iets volgroeids.”

    Maar kunst lijkt mij niet vanzelfsprekend. Wel wanneer het kunstje beheerst wordt en dertien werken in een dozijn verschijnen – variatie op variatie tot in het oneindige. De kunstenaar kan gerijpt zijn, de kunst volwassen geworden. Volgroeid, maar niet uitgegroeid. Zij kan altijd nog boven zichzelf uitstijgen. En dat zie ik gebeuren in het oeuvre van Jolanda Meulendijks. Voortdurend ontsluit zij een nieuw facet van de wereld waarvan ik het bestaan niet kende.

    Geknoopt, geslagen, gekleurd en gevormd

    Den Otter raakt ook daaraan: “(Een wereld) waarin alles er niettemin toe doet. Maar wat niet met het verstand te vatten is.” Het werk ondergaan lijkt meer op herinneren dan op begrijpen. Jawel, niet altijd begrijp ik wat ik zie, maar het herinnert mij aan wat ik eerder zag. Dat handvat maakt het werk niet plaatsbaar, maar wel beter te doorzien. “Ze geeft dingen ten geschenke aan het oog (…). Zo hebben ogenschijnlijk eenvoudige dingen een hoge taak meegekregen.”

    Die opdracht is erin geknoopt, geslagen, gekleurd en gevormd. Zo wordt het werk een middel om mijn nieuwsgierige geest te overtuigen van zijn bestaanswaarde. Het moet er zijn, als het er is. Het is er om het verhaal. De vertelling die de wereld in moet.

    swing. jolanda meulendijks. between everything and all. Tekst Olphaert den Otter. Uitgave Van Spijk Art Books, 2025.

    Jolanda Meulendijks, Van Spijk Art Books
  • Bajesdorp Veenhuizen

    tekst Clemens van den Brink

    Beste Jurjen. 

    Verrassend, zoals je mijn/onze  boeken beoordeelt. Mijn dank daarvoor. Mooi beschreven en de spijker op zijn kop! Speciaal hoe je de verhalen aan de koffietafel met een glimlach  ervaart, is precies zoals ik voor ogen had. Mooi ook zoals je dat weergeeft: een gevoel van “ouwe jongens krentenbrood met een rouwrandje” dat er zowel gevoel, spanning als humor zit in de verhalen die voorheen onder de pet bleven door zwijgplicht. Wat dit laatste betreft: ik voel nog steeds de rem die Veenhuizen erop legt. Men praat daar nog steeds liever over de weduwen, de   wezen en bedelaars van toen dan over gevangenen…  En ja, die zijn nog steeds niet weg te denken uit BajesDorp  Veenhuizen. 

    >Wordt vervolgd<

    Met vriendelijke groet, Clemens.

  • Geen enkele dag is hetzelfde in het werk van Riki Mijling

    Het klinkt paradoxaal. Every day is the same. Terwijl Riki Mijling in en door haar werk juist benadrukt dat geen dag hetzelfde is. In het boek over haar werk van de laatste jaren, 2019 tot 2025, zal ik ongetwijfeld de duiding vinden. Curator/schrijver Antoon Melissen en journalist/filosoof Jonathan Janssen buigen zich over de non-figuratie waarin abstracte monochromie de boventoon voert. In het najaar van 2016 trof ik het werk van Mijling aan in Jubbega. Kunstlokaal No. 8 koppelde daar haar vloerobjecten aan het wandwerk van Aimée Terburg onder de titel “Formeel en ferm”.

    Terugkijkend kan ik mezelf citeren: “Vooral de meetkundige objecten van Mijling hebben ruimte nodig om rust te ervaren. In zichzelf gekeerd nemen ze hun plek in. Grote volumes grijpen langs elkaar en gaan de strijd met de ruimte daardoor niet aan. Maar de delen in deze interactieve kunst kunnen van elkaar worden genomen. Ze gaan dan schuiven of laten zich stapelen om de ruimte in positieve zin geweld aan te doen. Zo kan het beeld in iedere gewenste verhouding worden herschapen. Het bruine cortenstaal dwingt om betast te worden, aangeraakt, gestreeld. (…) Maat wordt genomen en afmeting bepaald in open vierkanten die weerkaatsen in een massief blok staal. Het lijken celdelingen, waarbij de ene kubus ontstaat uit en door de andere. Een experiment verder wordt de ruimte tot vlak om met delen te schuiven en openingen te laten kieren, als een spatie tussen woorden. Een ruimte om op adem te komen.”

    Mathematisch uitgangspunt

    De stalen, metalen en cortenstalen objecten van Riki Mijling lijken eender van vorm te zijn, maar hebben ieder een eigen uitstraling. Geen enkel is hetzelfde, geen twee zijn er gelijk. Niets is wat het lijkt. Daarom die schijnbare tegenstelling in titel en object. Hoewel deze vormen machinaal ogen, dragen ze sporen van handmatige makelij. De verschijning is eender, langs de meetlat gelegd en waterpas gemaakt, maar de gevlamde structuur van de egale huid geeft ieder voorwerp een eigen signatuur. Mijling stoeit met het vierkant en de rechthoek. Op het eerste gezicht geeft dit mathematisch uitgangspunt de vormen een gelijkmatige aard. Maar bij nader inzien geeft de bewerking van het pantser, dat de inhoud bij wijze van spreken veilig stelt, het ding een persoonlijk karakter.

    Wanneer dan de multiples zich tot elkaar gaan verhouden, de volumes zich stapelen tot een nieuw object, tezamen tot een andere vorm, en de wandobjecten in een tegengesteld tableau worden gehangen, dan is geen dag hetzelfde. Iedere dag kan er een andere samenhang worden gemaakt. De opstelling kan worden gewijzigd. Dat is mogelijk in de ruimte waarbinnen het driedimensionale zich afspeelt. Waar een spel met verhoudingen gespeeld kan worden. Dat kan de kunstenaar doen, maar ook de eigenaar van het samengestelde object en zelfs de toeschouwer kan zich erin mengen. Maar is het een vlak werk en beweegt het zich in de tweede dimensie, dan ligt het figuur vast.

    Een metafoor voor de dag

    De objecten zijn weloverwogen samengesteld. De delen verhouden zich correct tot elkaar. Door de samenstelling te wijzigen ontstaan nieuwe verhoudingen. Dat ordenen en schikken doet de kunstenaar eenmalig, daarna kan de kijker of de eigenaar naar believen schuiven en herschikken. Zo is het object een metafoor voor de dag. Hoewel iedere dag met de handelingen en bezigheden daarin routineus op de vorige en de volgende lijkt, is er toch altijd een verschil te ontdekken. Die diversiteit zit niet in de eerste blik; door oppervlakkig te kijken lijkt iedere vorm op de andere – every day is the same. Maar door beter te kijken, strenger op te letten, ontdek ik minieme verschillen in uitvoering. Het raamwerk van de dag, van het jaar, van de tijd, kent weinig verschillen, nauwelijks diversiteit. Maar in detail is variatie te ontdekken. Dat is de kern van het werk van Riki Mijling. Op het oog geen verschil, de vorm herhaalt zich. Op details verandert iedere eenheid in herhaling.

    Mijling heeft haar eigen blokkendoos geconstrueerd. Met de bouwstenen is naar wens te stoeien. Met de geometrische abstractie kunnen figuren worden gecomponeerd. De objecten schijnen statisch, echter door te reorganiseren komt er beweging. Niet op het moment, maar in de tijd. Gezien de veranderlijke aard van haar modulaire werken — de vrijheid om deze te herschikken en te wijzigen — voltooi ik bij wijze van spreken de laatste fase van haar schepping. Ben ik tot medewerker geworden in plaats van dat ik een onafhankelijke waarnemer ben, vindt Antoon Melissen. “Haar werk is verlost van versiering en verhaal. De vorm is eerder ingetogen en fijngevoelig dan indrukwekkend”, schrijft hij. Het wil minimaal aanwezig zijn met een warme uitstraling. Het verwerkte staal is koel en schijnt emotieloos, maar door de patina wordt het warm en lijkt het kwetsbaar. Geometrische abstractie, ofwel minimal art, neemt afstand van het persoonlijke, sluit emotie en lichamelijkheid uit. Juist dat individuele element is voor Mijling een belangrijke bron; daar bij die bron begint haar werk. Haar werken getuigen van een diepe innerlijke betrokkenheid bij vorm, ruimte en materie. Ze zoekt de leegte om deze te bewerken, de ruimte om deze te vullen. Het maakproces zelf daarbij is essentieel, niet het resultaat ervan. De werken hebben geen origineel, geen voorgeschreven uitkomst, geen onveranderlijk eindproduct. De objecten kunnen voortdurend wijzigen en binnen de compositie andere relaties tot elkaar leggen.

    Hoewel ons leven een stabiel stramien schijnt te volgen, dag in dag uit, herinneren Mijlings veranderlijke werken ons eraan dat herhaling een illusie is. Wat er gebeurt, herhaalt zich nooit helemaal op dezelfde manier, lees ik in de uitgave. Mijlings werk ademt de ruimte tussen erkenning en verwachting. “Het werk vereist concentratie, een andere manier van kijken: niet naar wat er is, maar naar wat is veranderd. (…) Wie de tijd neemt, zal zien dat wat eerst verscheen als uniform, zich als veelvoudig openbaart. De verschillen en nuances ontstaan door de geraffineerde verschillen binnen die herhaling.

    Herhaling is de basis van ons leven

    Jonathan Janssen is van mening dat wij mensen herhaling associëren met routine, monotonie en verveling. Dat zal zo zijn wanneer je in een patroon zit dat je niet leuk vindt. “Maar herhaling kan ook spannend zijn en innovatief.” Janssen haalt hierbij als voorbeeld de Griekse mythe over het figuur Sisyphus aan. Het leven lijkt soms zinloos of herhalend, maar de mens kan toch betekenis vinden door het werk te accepteren en door te gaan. “Herhaling is de basis van onze levens. Iedere dag doen we dezelfde dingen, lijkt het wel, dag na dag. Maar geen twee dagen zijn hetzelfde. Herhaling veronderstelt verandering. Want wanneer niets verandert, kan niets zich herhalen — alles blijft bij hetzelfde. Tegelijk scherpt herhaling onze zintuigen aan voor wat er verandert.” Met deze wetenschap, deze denkwijze, kijk ik op een andere manier naar de werken van Riki Mijling en zie dat niets hetzelfde is. Dat haar modellen dynamische tekeningen zijn, schetsen die een metafoor zijn voor en van het leven.

    Riki Mijling. Every Day is the Same. Teksten Antoon Melissen en Jonathan Janssen. Uitgave Van Spijk Art Books, 2025.

  • Getuigen à décharge doen een boek open over gevangenisdorp Veenhuizen

    Het lag al een tijd op mijn koffietafel. Wanneer ik meer dan een moment niets te doen dacht te hebben, pakte ik het op en las er een kort verhaal uit. Het bedoelde boek, dat geen standaard koffietafelboek is – het is niet groot maar wel dik, het heeft geen harde cover maar is slap en buigzaam, het is ook niet rijk geïllustreerd maar kan wel een gesprek opstarten of als inspiratie dienen – dat boek is een verzameling verhalen. Verhalen van het Veenhuizen toen het nog een gesloten gevangenisdorp was. Want daar gaat het om.

    Al eerder publiceerde verhalenverzamelaar, ofwel tekstcollectioneur, Clemens van den Brink een trilogie met uit de school geklapte overleveringen. Vooral de bewaarders lieten het achterste van hun tong zien, nadat de deuren open mochten en de vuile was buiten kon hangen. Want lange tijd was Veenhuizen een onneembare veste, een kasteel met hoge muren en een slotgracht waarvan de brug opgehaald bleef. Wat binnen was, kwam niet naar buiten.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    Daarom is het nu zo interessant bij het van het slot gaan van de poort. De deuren zwaaien open en de verhalen mogen wereldkundig worden. Juist die mysterieuze geslotenheid maakt de openbaring magisch. Het wel en wee dat destijds werd beschouwd als de normale gang van zaken in een gevangenis, zijn nu sensationele en wetenswaardige anekdotes. Voor zijn trilogie bajesverhalen had Van den Brink al legio kluchten en geestigheden bij elkaar gebracht. Vooral uit de mond van menig bewaarder opgetekend, daar bewaarden – ofwel gevangenen – de in Veenhuizen opgedane ervaringen liever voor zichzelf hielden. Maar druppelsgewijs komen deze eveneens los naar aanleiding van de publicaties. Ook kon Van den Brink putten uit zijn eigen beleving als zoon van een bewaker en dus bewoner van het Tweede Gesticht. Met zijn boeken tilt hij meer dan een tip van de sluier op; hij opent de stoffige gordijnen.

    Doorgaande reeks boeken, schier eindeloos

    Veenhuizen bezette een bijzondere plaats in het Nederlandse gevangeniswezen. En nog is het een buitengewone plek, want nog altijd kan men daar in een cel terechtkomen wanneer er een scheve schaats wordt gereden. De tot nu toe in een vijftal boeken verschenen bajesverhalen zijn daarom niet actueel, daar nog steeds geldt: what happens in Veenhuizen stays in Veenhuizen. Maar de tijd verstrijkt, dus nieuws wordt oud en mag in druk verschijnen in nieuwe uitgaven. Daarom is de serie van Van den Brink een doorgaande reeks boeken, schier eindeloos, want de verhalen blijven komen. Gevraagd en ongevraagd. Voortdurend komen er nog niet eerder vertelde verhalen bij. Bewaarders die eerder aarzelden hun verhaal te doen, kloppen nu bij de schrijver aan om dit alsnog recht te zetten.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    En zal pa Clemens na verloop van tijd zijn pen moeten neerleggen, dan neemt zoon Ivo het over en zal hij Veenhuizen blijven ontsluiten. Al eerder werkte hij samen met zijn vader aan een gelikte uitgave van Bajesverhalen. Kunstmatige intelligentie (AI) werd ingezet om de ruwe verhalen te redigeren. Zo’n eindredacteur is een uitkomst. Het leest mee, verbetert fouten en zet de spelling recht, maar verandert niets aan de toon en de oorspronkelijke stijl. Ook werd AI te hulp geroepen om foto’s te bedenken die recht doen aan de situatie en de tijd: oude verhalen afgewisseld met nieuwe anekdotes. Zo is ook de bundel Uit de Bajes, verschenen bij uitgeverij Noordboek, een gemengde uitgave. Uit de trilogie zijn de meest aansprekende en sensationele verhalen genomen en aangevuld met nieuwe, bijzondere vertellingen.

    Van pauperopvang tot bajesdorp

    Een collectors item is de door Wouter Winter voor het stripblad MaXiX getekend beeldverhaal Bajesverhalen. Een levendige beeldvertaling van een ontsnappingsanekdote. De trilogie bracht Van den Brink in eigen beheer uit, maar de nieuwste uitgave ziet het licht via een uitgeverij. Zo heeft hij ook de distributie uit handen gegeven en kan hij zich, zonder zelf het woord te hoeven verspreiden, wijden aan het interviewen van bewakers en bewaarden om nieuw materiaal te verzamelen voor een zoveelste deel in de serie. Hoewel het vierde deel naadloos aansluit bij de eerdere drie delen – de met AI tot stand gekomen versie valt daarbij uit de toon – wordt in Uit de Bajes eerst de stichting van het dorp Veenhuizen als pauperopvang tot bajesdorp behandeld. Generaal Van den Bosch stond aan de wieg door de Maatschappij van Weldadigheid onder andere hier te vestigen. Het verhaal is bekend. Veenhuizen groeide uit tot een eiland zonder letterlijk los te komen van Nederland. Figuurlijk werd het een eiland, afgesloten om opgesloten foute mensen her op te voeden – bij wijze van spreken.

    Want zo was dat eerst. De landlopers, wezen en bedelaars kwamen in Veenhuizen terecht om hen weer op het rechte pad te helpen. Sommigen kwamen moedwillig terug omdat ze in het pauperdorp gratis onderdak hadden. Later kreeg de gevangenis een strenge bewaking om de zwaarste misdadigers, voor wie op dat moment geen andere plek was, in toom te houden. Het betekende voor de boeven niet alleen gedwongen huisvesting; voor het kosteloze verblijf moesten ze wel iets terugdoen. Zo werd er op het land gewerkt, getuinierd en aan bosbouw gedaan – onder toezicht. Ik kan mij heugen dat ik, wanneer ik langs het dorp reed over de Hoofdweg, meerdere landarbeiders bezig zag in de velden. “Veenhuizen, met louter gevangenen en bewakers, werd bijna geheel zelfvoorzienend en was afgesloten van de buitenwereld tot 1985. De verhalen bleven onder de pet…” lees ik op de achterflap van het boek.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    De verhalen vertellen niet alleen over het leven achter de poort en tussen de vier muren van de cellen. Veenhuizen is een wereld op zichzelf, met dezelfde ups en downs als in de normale maatschappij. In deze bewaakte samenleving, waarin mensen tegen wil en dank tot elkaar veroordeeld zijn, helpen ze elkaar waar nodig, sporten en spelen samen, discussiëren en maken fysiek ruzie met lotgenoten en bewaarders. Want wanneer je zo bij elkaar op de lip zit, schuurt het weleens en ontvlammen korte lontjes. Sensationele, verfilmingwaardige verhalen zijn die over uitbraken. Gevangenen blijken creatieve geesten in het bedenken van manieren om voortijdig hun straf eenzijdig te beëindigen. De meeste pogingen lopen op niets uit, maar er zijn onvindbare gevangenen van wie nooit enig teken van leven meer is gehoord. Over het algemeen spreken de verhalen van naamloze figuren, of althans personen die ongekend de geschiedenisboeken ingaan. Maar ook bekende criminelen waren te gast in Veenhuizen. En wel BN’ers die eens te diep in het glaasje keken en toch nog achter het stuur kropen. Lichte vergrijpen kregen onderdak voordat ze zwaar werden. Niet alle overtreders van de wet hielden het goede over van hun verblijf in Drenthe. Ze deden Veenhuizen nog eens aan of werden doorverwezen naar zwaarder bewaakte inrichtingen.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    De verhalen uit de bajes zijn overwegend onderhoudend, niet echt dramatisch te noemen. Meer voor aan de keukentafel: vermakelijk en boeiend. Daarom ligt het boek op mijn koffietafel om er zo nu en dan eens door te bladeren en er met een glimlach in te lezen. Hoewel de verhalen, als je goed nagaat, wel triest zijn, blijken ze toch een vermakelijke toon te hebben. De sfeer van oude jongens krentenbrood met een rouwrandje. De best bewaarde, aangrijpende en spannende verhalen over hoe het vroeger in dat Veenhuizen was. Wie zat er en wat gebeurde er? De buitenwereld wilde het zo graag weten. Door zwijgplicht bleven de verhalen van ex-gevangenen en bewakers lang geheim. Maar nu vader en zoon Van den Brink het blik openen, kan de boulevardpers er naar hartenlust in struinen. Want er zijn talloze sappige weetjes uit de boeken te puren, met namen die tot de verbeelding spreken. En nog is de bodem van de put niet bereikt, is de bron niet opgedroogd. Dus ik maak mijn borst alvast nat voor een volgend deel in de serie bajesverhalen. “Voel de spanning. Beleef de historie. Geniet van de humor.” Deze slogan bij de boeken is meer dan waar: bij Clemens van den Brink is het voelen, beleven en genieten. Hij vertelt een spannende geschiedenis van het dorp Veenhuizen op een humoristische manier. Uit de eerste hand, getuigen à décharge.

    Uit de Bajes. Veenhuizen. Verzamelde verhalen vertelt door Clemens van den Brink. Uitgeverij Noordboek, 2025.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis
  • Het surrealisme van Geer van der Klugt

    Stap ik Galerie Getekend binnen, sta ik meteen weer buiten. Treed ik door de deur, over de drempel, dan loop ik het bos van Geer van der Klugt in. De tekening die een hele muur beslaat, valt niet te ontlopen. In de relatief kleine ruimte komt deze hard binnen, niet alleen qua formaat, maar ook qua stemming. Het bosgezicht is triest in schoonheid. Zojuist lijkt brandmeester te zijn gegeven; de bluswagens zijn weggereden. Het bos staat nog uit te puffen en herstelt zich zichtbaar moeizaam van de eerdere vuurzee. Het bluswater staat het bos nog tot de lippen. Zandpaden zijn door rupsbanden geplaveid. Kale, bladerloze stammen en armetierig fiere dennen houden de schijn op, maar verhullen de afbraak met moeite. De grond is weggespoeld, stenen bedekken de aarde. Kort gezegd: een droevige aanblik van een bomengroep die ooit een bos was. Van der Klugt heeft in pastel, houtskool en gouache een onheilspellend landschap opgezet: een omgeving waarin ik niet graag ben, maar die mij in deze galerie wordt opgedrongen. Het is zaak door de ellende heen te kijken en de schoonheid van de compositie te herkennen.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend

    Wat is er gebeurd in dat verweerde bos

    Draai ik me om en zie ik het andere werk in de ruimte, dan lijkt het bos zich te hebben gerehabiliteerd. Toch klopt het niet helemaal wat ik denk te zien. Er schemert nog steeds afbraak tussen de bomen. Het is geen vrolijk aanzicht; spanning heerst in de lijnen en vlakken die de kunstenaar heeft getrokken en geplaatst. De bosvijver in “CATCH” lijkt door vissers overhaast verlaten. Twee hengels staan nog als reigers te turen in het met riet omzoomde water. Wat is er gebeurd in dat verweerde bos waar het zonlicht de oevers beschijnt en het water zachtjes licht aantikt? Het volgende bosgezicht geeft al zo’n troosteloze indruk. Stammen zijn mager als brandhout. Het hout kreupelt om staande te blijven. Een mist trekt langs de bomen, een nevel die niet is opgekomen, maar vrijgelaten; een ijle waas die eerder aan drijfgassen doet denken dan aan natuur. Vaak doet in Van der Klugts werk iets meer aan niets denken dan dat het werkelijk is wat het lijkt. Feit is dat er een sfeer van mysterie hangt in zijn boslandschappen. De mens, als die al aanwezig was of ooit is geweest, is weggetekend of uitgegumd.

    Van buiten naar binnen

    Volgens de summiere handleiding bij de expositie — die ik overigens op de website van de galerie vind, want de werken gaan zonder beschrijving, wat het plezier in kijken ten goede komt — zijn de bosgezichten ouder werk van Van der Klugt. Het recente werk is minder krachtig aanwezig en past qua formaat boven de bank. Het brengt mij van buiten naar binnen en schept een huiselijke sfeer; ik kijk binnen bij de kunstenaar. Dat veronderstel ik, me beseffend dat er ruimte gelaten wordt voor eigen interpretatie en verbeelding. Terwijl de buitenbeelden me een ietwat mistroostige blik op de natuur geven, kan ik onder dak de betrekkelijke gezelligheid beschouwen. Toch is de sfeer ongemakkelijk, om niet te zeggen ingewikkeld. Wat gebeurt daar tussen de vier muren? Het is onduidelijk. En juist daarom is het boeiend: de kijker weet niet wat hij of zij ziet. Eigen verbeelding moet het beeld interpreteren. De gezelligheid is betrekkelijk, omdat er een kille sfeer van onwetendheid hangt. Zodoende staat een groot vraagteken op mijn voorhoofd geschreven. Gelukkig ben ik alleen op een onbewaakt ogenblik in de galerie, dus kan ik dat sein van verwondering snel verdoezelen en net doen alsof mijn neus bloedt.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend

    Ik vraag mij af wat ik zie. Letterlijk valt het te omschrijven, figuurlijk tast ik in het duister. Mijn gevoel zal spreken om de sfeer te pakken. Wat opvalt, is de jas die aan de muur hangt, als een rode draad door de composities. De bewoner is ter plaatse; de jas verraadt zijn aanwezigheid. Maar we zien hem niet, want hij is bezig de tekening te maken. Eigenlijk is de kijker dus zelf de bewoner van het huis, terwijl het bezoek net is vertrokken door de nog openstaande deur. Wie goed kijkt, merkt telkens iets dat niet klopt of dat tegen de regels van de esthetiek is. Iets dat schoonheid in de weg staat. Het kan een lawine zijn die modder het huis in smijt, kogelgaten in de muur, of stoïcijnse hazen die een stoel laten dansen – één, twee, in de maat.

    Kijken om te zien

    De hond kijkt het gelaten aan en ik zit aan een lege tafel, tuur door het raam naar buiten. Opeens krijg ik enorme trek in een kop pruttelkoffie. Dat is wat kunst doet: weet je niet wat je ziet, dan vullen andere zintuigen het beeld aan. In de kribbe in de hal vind ik nog een tweetal tekeningen; daar is ook een bosgezicht dat me enigszins vrolijk stemt. Het zonlicht piekt tussen de strak oprijzende stammen en bereikt met moeite de onbegroeide bosgrond. Er is geen schuilplaats voor een levend wezen. In de kribbe, of eigenlijk een lectuurstandaard om tekeningen langs te bladeren, zit een plaat die afwijkt van de andere getoonde composities. Op de getekende bank ontwaar ik een stel mensen. Aan de muur hangen twee jassen, terwijl aan de geopende deur nog een jas hangt — de bewoner meldt zijn aanwezigheid. De bankhangers doen met elkaar wat ze kunnen in een lege kamer met enkel een eenpersoonsbed en een designachtig bijzettafeltje. Of is het een brancard waarop een laken de derde persoon bedekt? Zitten de mensen triest bij elkaar? De verklaring is voor velerlei uitleg vatbaar. Kijk je om te zien, of zie je om te kijken? Wil je zien wat je ziet, of kijk je zonder te zien? De voorstelling is abstract in werkelijkheid; surrealisme wordt dat genoemd. Geer van der Klugt tekent de wereld surrealistisch van zich af om een onwerkelijke sfeer tastbaar te maken. Je weet niet wat de toekomst zal brengen, daarom maak je het hier en nu vast mee.

    “You don’t know the future”, tekeningen van Geer van der Klugt bij Galerie Getekend. Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 18 januari tot en met 8 maart 2026.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend