Author: Jurjen K. van der Hoek

  • Met Egbarta Veenhuizen op reis door het innerlijk landschap

    Uitingen van de rijkdom die een reis door het innerlijk landschap kan bieden“, zo besluit kunsthistoricus en publicist Rients Kooistra zijn intro tot een boek over het werk van kunstenaar Egbarta Veenhuizen. Het is een enigszins gedateerd boek, maar de kunst die daarin getoond wordt blijft actueel. Zoals vrijwel elk kunstwerk niet tijdgebonden is. Vrijwel, want wat te denken van kunst die uitsluitend in het heden wil leven, zoals politieke propagandakunst en satirische prenten. Deze lopen het risico door datzelfde heden ingehaald te worden. Dat maakt het niet minder interessant, maar wel meer kwetsbaar voor veroudering dan kunst die zich richt op meer universele ervaringen. De persoonlijke ervaringen van Egbarta Veenhuizen blijken universeel, algemeen, om niet te zeggen wereldwijd aansprekend. In een uitgave bij Mauritsheech Publishers met een oplage van 500 exemplaren zal het boek inmiddels wel aan de man zijn. In de museumwinkel van Belvédère zag ik het liggen en het interesseerde me. Door een opdracht een korte film over haar Groenland-project te maken kreeg ik van de kunstenaar een gesigneerd exemplaar met als tegenprestatie dit artikel.

    Het werk dat in het boek, met als ondertitel ‘het raadsel wordt er niet minder om‘, staat afgedrukt omvat twee decennia van scheppen: 1990 tot 2010. Twintig jaren waarin het raadsel van creëren alsmaar dieper is doorgespit en uitgebeend. De dramatiek van het zijn, het mysterie van het leven, heeft kop en staart in de tekeningen van Veenhuizen. Handelingen en gebeurtenissen krijgen symbolische betekenissen, de menselijke figuur als metafoor in een cartooneske omgeving.

    Het beeld mij eigen maken

    Van de raad maak ik dus een daad door het boek te openen. Ik ga op reis door het innerlijk landschap. En probeer daarbij mijn landschap in dat van Veenhuizen te passen, zodat beide samenvallen – dat ik haar betekenis aanvoel. Want wat zie ik, welk beeld neem ik waar, wat is er aan de hand? Volgens Kooistra lijken de tekeningen rebussen en heeft de kijker als taak van de losse onderdelen één geheel te maken. Egbarta Veenhuizen geeft de woorden aan waarmee de lezer van haar beeld een verhaal dient te maken. De titel van het werk geeft nog een ingang. Echter, wanneer het werk zonder titel zich manifesteert, komt het aan op mijn eigen verbeeldingskracht. Feitelijk zijn dat de meest speelse werken, omdat ik dan een persoonlijke verklaring aan de tekening kan geven – het beeld mij eigen kan maken. Bij een opschrift gaat mijn gedachte een bepaalde kant op. Slaat mijn gedachte een weg in die door de kunstenaar is gewezen.

    In het geval van Veenhuizen is de benaming echter even cryptisch als het beeld zelf. Krijg ik de kop maar niet bij de romp, geeft het etiket het raadsel een gelaagde inhoud. Dus houd ik mij de uitspraak van Max Kozloff, in de vertaling van Huub Mous, maar voor: “The eye can never be forced to ‘think’, but the mind can be made to see“: “Het oog kan niet denken, maar de geest kan zien“. Ofwel niet het verstand op nul, maar wel de blik op oneindig. Dan zie ik slechts de buitenkant van een mens, die de verpakking is van die persoon. Het voorkomen, het aangezicht, is de gedaante van een mens. In dat silhouet schuilt het karakter, de geaardheid van het wezen. De tegenwoordigheid is wat ik als werkelijkheid beleef, het innerlijk is een abstract gevoel. De ziel van de figuur is dan te ontdekken wanneer de luchtbel wordt doorgeprikt, van het glazen huis de ruiten zijn ingegooid. De essentie van het beeld ligt in een diepere laag.

    Het kijken naar het werk van Egbarta Veenhuizen kan vragen losmaken waarop het zichtbare beeld geen antwoorden geeft. Wie zijn het, hebben ze een naam? De figuren zijn niet ‘naar het leven’ getekend. Een krantenfoto of een vergrijsde afdruk uit het familiealbum kan een bron van inspiratie zijn, maar over het algemeen is het portret uit het hoofd opgezet. Het gaat Veenhuizen ook niet om een specifiek persoon, meent kunsthistoricus Huub Mous. “Het gaat haar om de relatie tussen haarzelf als kunstenaar en een menselijke figuur die zij observeert.” Wie een mens tekent maakt zich een voorstelling van die persoon. Hij of zij ziet een beeld, een uiterlijke gestalte, observeert in zijn of haar verbeelding een lichaam, een houding. De kunstenaar heeft in de praktijk voldoende beeldmateriaal opgedaan om zonder model theoretisch een nauwkeurig lijf te beelden. En zelfs door de buitenkant een beeld te presenteren dat de binnenkant weergeeft. Die emotie, dat gevoel, spreekt dan in het zichtbare beeld, de tekening.

    Verplaatsen in de geest

    Het kijken naar de werken van Veenhuizen vergt doorkijken. Niet wat ik zie is wat het is, maar wat zich achter de voorstelling bevindt. De zichtbare werkelijkheid maskeert de inspiratie, het achterliggende idee. Het figuurlijke mombakkes verbergt de emotie van de maker. De maskers gaan af wanneer de kijker door die façade prikt en op eenzelfde golflengte komt te zitten. Dat vereist inleven en meevoelen, je verplaatsen in de geest van de kunstenaar. Dat is geen eenvoudige opgave, zoals ook het oplossen van een vijfsterrencryptogram dat niet is. Complexe woordspelingen, dubbele bodems en anagrammen kenmerken de hersenbreker. Egbarta Veenhuizen verwerkt in haar composities beeldspelingen, gelaagde visuele verwijzingen en beeldraadsels, waarvan de oplossing zich pas gaandeweg openbaart. Het is noodzaak zich in te leven in de denkwijze van de puzzelmaker. Wat bedoelt deze, wat heeft hij voor ogen? Je blokt en puzzelt, peinst en beredeneert. En opeens, eureka!, heb je de oplossing, het antwoord. Zo is dat met de kunst van Veenhuizen. Je kijkt en beschouwt, doorziet en overdenkt, en dan gaandeweg opent het beeld zich en begrijp je het idee. Het is niet eenvoudig, hoewel het picturaal herkenbaar is. Dat komt door die gelaagde betekenissen en visuele dubbelzinnigheden. De abstracte werkelijkheid, de symbolische realiteit. Logo’s van de emotie. Beeldmerken van het gevoel.

    Laat ik Huub Mous weer aan het woord: “In het werk van Egbarta Veenhuizen gaat het niet zozeer om het mechanisme van de betekenisgeving, maar meer om de manifestatie van een betekenis als zodanig.” Dat was eerst, zo is het begonnen. Het vroege werk heeft nog niet geheel de vorm gekregen die het zou moeten hebben, waar Veenhuizen naartoe wil om zichzelf te uiten. Ze is als kunstenaar nog in de groei. Haar kunst is nog in ontwikkeling. Het werkt langzaam toe naar de betekenis die in de houding en de mimiek van het lichaam ontdekt gaat worden. En daarmee komt dan de gelaagdheid in het werk binnen. En hoeft de kunstenaar niet meer te observeren, maar kan vanuit zichzelf werken.

    Het lijf is figuurlijk gezien haar lichaam. De verbeelde uitdrukking is haar gevoel. Dat maakt de werken puur persoonlijk, voor de buitenstaander minder makkelijk te doorgronden. Echter, Huub Mous weet wat daarvan de oorzaak is, misschien. “Misschien omdat het onbewuste moment van de artistieke creatie meer ruimte heeft gekregen in het proces dat aan het ontstaan van de voorstelling vooraf ging.” Een mooie volzin die de essentie van het werk probeert te vatten. Is de figuur meer herkenbaar, de duiding van het beeld blijft duister. Is er een verschuiving naar een verstaanbaar beeld, het antwoord op de vraag blijft dubbelzinnig. Dat is daarom dan ook de ondertitel van het boek: het raadsel wordt er niet minder om.

    Nog is het werk mysterieus, geheimzinnig. Veenhuizen weet haar kunst steeds dubbel te laden. Niet alleen in het platte vlak, maar zeker ook in een ruimtelijk beeld. Maar dat laat dit boek nog niet zien. Na dit boek zullen bezoeken aan arctische gebieden haar kunst thematiseren. Maar dat is gezegd met de kennis van nu. In 2011 had Veenhuizen er nog maar één reis opzitten. En lonkten Groenland en IJsland nog. Was de koude nog niet in de composities geslopen. De werken in dit boek stralen de warmte van het mogen scheppen. Het plezier in het tekenen, het ontdekken van aansprekende thema’s, het experimenteren met nieuwe technieken en handschriften. Het boek toont het werk niet in chronologische volgorde. De focus ligt eerst op het dan nieuwste werk. Waarna stapsgewijs door het oeuvre wordt gegaan, een stap achteruit en dan twee vooruit. Zo kan de betekenis met terugwerkende kracht duidelijk worden. Van het heden in 2011 naar het verleden van 1990. De reis door het innerlijk landschap heeft nog niet de eindbestemming bereikt, er is nog voldoende rijkdom te ontdekken.

    Egbarta Veenhuizen, het raadsel wordt er niet minder om: een selectie van werk (1990-2011). Tekst Rients Kooistra, Huub Mous. Uitgave Mauritsheech Publishers, 2011.

    Egbarta Veenhuizen
    Egbarta Veenhuizen
    Broos geheel

  • Marike Hoekstra werkt met verdriet in Trauerarbeit

    There will be other songs to sing, another fall, another spring, but there will never be another you.” Door de deur is meteen de drempel geslecht. De toon is gezet. ‘Trauerarbeit’ raakt de juiste snaar wanneer je er gevoelig voor bent. En dat ben ik. Het boek dat de weerslag is van een project spreekt aan, daar het over verlies gaat en de omgang daarmee. De zin op de titelpagina komt uit de jazzstandard “There will never be another you” geschreven door Mack Gordon voor de musical “Iceland’(1942), later gezongen door onder meer Chet Baker, Frank Sinatra en Andy Williams – kortgeleden nog door Rickie Lee Jones. Heel dikwijls kunnen anderen verwoorden waar jij met moeite woorden aan kunt geven. Zo gebruikt Marike Hoekstra teksten van elders in haar beeldende taal, omdat het wiel niet opnieuw uitgevonden hoeft te worden. Omdat verdriet en rouw universeel zijn, passen bestaande woorden, klanken en beelden vaak als een aangemeten jas. Een jas die je aan de kapstok kunt hangen en voor een moment aan iets anders wilt denken. Maar die jas hangt daar in het zicht. Soms storend aanwezig, maar meestal een uitkomst bij regenachtig weer – de tranen zijn nooit ver.

    Kun je werken aan verdriet? Je kunt werken met verdriet, dat moet wanneer het je overkomt. Verdriet kun je niet verwerken. Verdriet is nooit af, nooit klaar. Er staat geen punt achter verdriet, altijd een komma en soms zelfs een dubbele punt. In ‘Trauerarbeit’ draagt Marike Hoekstra het verdriet op handen. Letterlijk. Op het omslag is dat in tekening al meteen zichtbaar gemaakt. Het is niet eenvoudig de gelaagde tekeningen in het boek te duiden. In hun expressiviteit geven deze een directe impressie van de emotie. En dat is niet eenvoudig door een buitenstaander te beoordelen. Het dient bekeken te worden, aangevoeld, begrepen. Dus houd ik me liever bij de sfeer waarin het boek zich aandient wanneer ik het open.

    Een eeuwige vlam

    Om te werken met verdriet daarvoor kent de Nederlandse taal geen juiste term die de lading dekt, schrijft Marike Hoekstra in haar nawoord ofwel de verantwoording. Er is zoiets als (professionele) rouwverwerking, dat impliceert dat het verdriet eens klaar moet zijn. Dat je over het dode punt raakt en verder met het leven gaat. Maar dat is niet mogelijk. Het dode punt is geen stip op de horizon. Er is licht aan het eind van de tunnel, maar heel vaak wordt dat door iets of iemand uitgedaan. Soms is er een iets of iemand die het vuur opstookt. Want een vonk is er altijd, een eeuwige vlam.

    In de toelichting geeft Hoekstra uitleg aan haar kunst. Beelden hebben echter geen verklaring nodig. Zodra er tekst in het beeld verschijnt rijzen er vragen, dan wenst de kijker antwoorden. Zonder titel en zonder woorden leeft het beeld, kan het een individuele gewaarwording zijn. Maar duikt een tekst op, een uitgeschreven gedicht in de schildering of een uitgeknipt fragment in een collage, dan is de ervaring onpersoonlijk, dan spreekt het gevoel van de maker honderduit. Omdat het hier echter zeer persoonlijke kunst betreft waarbij ik aansluiting moet zoeken om de betekenis ervan te vinden, is de motivering van het werk een welkome aanvulling. Het is geen uitleg derhalve maar een toelichting, een verantwoording waarom het er is en de manier waarop het er is zoals het er is. De inspiratie van het zijn.

    Hoekstra is in de tijd op reis gegaan, vanwege haar verdriet echter nooit meer thuis gekomen. Die dag van verlies heeft haar leven gebroken, er is een voor en een na. Door de tekeningen een beeld aan het verdriet te geven, verdwijnt het niet. En dat is ook niet de bedoeling. De kunst is geen uitlaatklep, het is een middel om het verlies als een gevonden goed te kunnen beschouwen. Het tekenen is een ritueel geworden om met verdriet te werken. Het is geen verwerken, want het verdriet moet niet weg. De gebeurtenis, oorzaak van het verdriet, is geweest. De treurnis echter is.

    Loze beloften

    Verdriet zit niet tussen de oren, het werken ermee is een dagtaak. Het betaalt niet uit, maar loont wel – het levert iets op. Werken met verdriet, trauerarbeit – rouwarbeid, geeft het leven kleur maar het krijgt niet de glans die het voorheen had. Je kunt het oppoetsen tot je een ons weegt, het blijft een lachen als de boer met kiespijn. Door de zielenpijn heen denk je de zon achter de wolken te zien schijnen. Na regen komt zonneschijn, na lijden komt verblijden, na storm komt stilte; het zijn holle frasen – loze beloften. Want je kunt geen krokodillentranen huilen, er bestaan geen rozen zonder doornen. “Kleine zorgen kun je delen. Maar er is een soort verdriet dat mensen niet meer kunnen helen. En dat hoeft ook niet“, hoor ik Toon Hermans bij leven zeggen. En zo is het. En Vasalis schreef “Veel soorten van verdriet, ik noem ze niet. Maar een, het afstand doen en scheiden. En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.”

    Marike Hoekstra haalt in haar werk Vasalis meermalen aan, want de dichter en psychiater kan met woorden troosten waar de kunstenaar probeert met beelden te helen. “Moeder, zeid hij, waarom schreit gij? / Waarom greit gij op mijn lijk? / Boven leef ik, boven zweef ik / Engeltje van ’t hemelrijk”; Joost van den Vondel draagt de pijn, waardoor het leed beter te verdragen is. De woorden van Paternak maken een winternacht tot zomerwende. Een tekst kan het beeld overnemen, echter nooit vertalen. De taal van het woord past never nooit niet de spraak van het beeld. Een beeld zegt meer dan duizend woorden is niet zomaar bedacht. Het beeld is universeel, het woord plaatsgebonden.

    Geboortedatum

    Het boek ‘Trauerarbeit’ spreekt mij aan, zoals het iedereen zal aanspreken die met rouw te maken heeft. Het boek is daarin een goede raadgever, omdat het past als een handschoen. Vele van de tekeningen zijn zo als pleister op mijn wonde te leggen. Niet om te helen of te genezen, maar om ermee te leren omgaan. Vooral een specifieke datum in het boek bleek bij mij de weemoed op te roepen, waardoor ‘Trauerarbeit’ voor mij een bijzonder kleinood is geworden. Een boek dat een ereplaats in mijn boekenkast heeft gekregen. Wanneer je ontdekt dat jouw geboortedatum een bijzonder moment betekent in het verlies bij een ander mens schept dat een band. Een verbinding is gelegd, die niet fysiek is en waar die ander geen weet van heeft. Nu wel, nu ik het hier beschrijf. Zo is Noah, het onderwerp (middelpunt) en inspiratie voor het boek, opeens eigen en vertrouwd. Ik zal voortaan op mijn verjaardag denken aan zijn geboortedag. Zo dragen mensen samen het leed van de wereld.

    Marike Hoekstra viert het leven. Ze heeft geen afscheid genomen. Wel fysiek; het lichaam is gegaan. Door over Noah te tekenen, hem op te nemen in haar kunst, kan ze hem echter blijven liefkozen. Blijven aanraken. Niet met de vingers, hoewel het scheppen van nieuw leven op papier handwerk is, het betasten doet ze nu met haar emotie. Voelen is gevoel geworden. De ene keer liefdevol, de andere keer opstandig en dwars. Die wisseling van stemming valt opmerkelijk duidelijk in de kunstwerken te lezen. Met zachte hand verdraagt verleden tijd werkelijkheid. Met harde hand blokkeert weemoed het verlies. Ermee leven betekent niet achterlaten. Noah is nog steeds onderdeel van het gezin. Door de tekeningen blijft ze in gesprek. Dat betekent niet dat ze haar verdriet niet heeft verwerkt; ze werkt ermee om het vooral niet te vergeten. Het project is geen afgerond geheel, het blijft voortdurend in beweging en groeit uit tot een levende legende. Niet een aandenken als is het een souvenir van een leven, maar een denken aan om niet te vergeten.

    Ik volg haar in het rouwproces. Een ontwikkeling die geen resultaat vergt. Dat resultaat is al het proces op zichzelf. Expressief handschrift. De werkelijkheid abstract. De realiteit is hard, maar moet beleefd. Het kind blijft leven in het sterven, omdat het beeld krijgt. Fotocollages pakken fragmenten, omgeving die herkent wordt, maar het blijft buitenshuis, gaat buiten de mens om, onpersoonlijk. De tekeningen zijn meer nadrukkelijk, geven duidelijk weer waar de geest een uitweg zoekt. Het is niet alles treurnis in dit boek, het is veel meer een liefdevolle uitgave, een monument. Een herinnering aan een leven dat te snel tot een einde is gekomen. Schreef Bram Vermeulen “en als ik dood ga, huil maar niet / ik ben niet echt dood moet je weten / het is het verlangen dat ik achterliet / dood ben ik pas als jij dat bent vergeten” dan houd ik me daar aan vast wanneer ik het boek van Marike Hoekstra nog eens doorblader en de beelden beleef.

    Trauerarbeit. Beeld, tekst en ontwerp Marike Hoekstra. Uitgave in eigen beheer, 2025.

    Marike Hoekstra, Trauerarbeit

  • Mijn wilsbeschikking als gelukkig mens

    Voorin, het staat er, zwart op wit gedrukt: Voor Harry. Twee bladen daarvoor staat met de hand geschreven: Voor Jurjen. Het is van mij, voor mij. Deze dunne gedichtenbundel, dik genoeg om er in te verdwalen, lijvig als het leven. Na de inhoudsopgave en zes regels van de Harry van Doveren val ik meteen met mijn neus in de ranzige boter. Schrijfster dezes, de poëte Kine Brettschreider, slaat met pen en papier wild om zich heen – het recept om te lezen doorregen met opiaten en opioïden. Direct is al duidelijk dat het minder duidelijk is. Dat het verkeerde been wordt uitgestoken, waarover ik als een ezel meerdere malen struikel. Desondanks houd ik de opdracht in het achterhoofd: “we willen dat iedereen ons zonder misverstanden begrijpt / misschien is het goed om eens te zeggen dat onze levenslust / zich afzet tegen de onveranderlijkheid van verveling”. Waar las ik dat eerder?

    De dichter geeft aanwijzingen hoe dagelijkse dingen tegemoet te gaan. Korte notities als boodschappenbriefje voor de supermarkt van het leven. Harry, zo zou je kunnen zijn. Maar ik voel me aangesproken. Ze had het toch voorin geschreven? Maar de bundel is geen recept voor mijn leven, het is het voorschrift waar de dichter zich aan wil houden. Probeert te houden. Daaruit kan ik mijn eigen voordeel trekken. Want, maakt de kunstenaar niet vooreerst het kunstwerk voor zichzelf? Later, wanneer een gevoel overeenkomt met de kijker wordt een juiste snaar geraakt, klinkt het vertrouwd en kan het de wereld in.

    Aandacht en geduld

    Weeszinnen, lees ik, die kop noch staart lijken te hebben. Losse woorden, rondgestrooid dat het gedrukt staat. Maar tussen de regels door, zelfs tussen de woorden door, vallen er verbanden te ontdekken – relaties te leggen. Kine vermeldt veel niet, laat ruimte om te associëren. Alles klopt echter, valt niet uit elkaar maar past aan. Poëzie lezen vraagt aandacht en geduld. Sterker nog: als je een gedicht na één keer lezen meteen kunt doorgronden, dan is er iets mis met de poëzie of met de lezer.

    hortensia

    Dat Kine de hortensia als springplank neemt om een theebloem te worden is niet zomaar uit de lucht gegrepen. Die bloemen fungeren in de bundel niet alleen als planten, maar ook als symbolen voor verschillende manieren van in het leven staan. Het is een dichterlijke hang naar harmonie, vrede en liefde. Door alle manieren te vinden om de plant te bemesten, te kruisen en te cultiveren is ze feitelijk bezig de wereld zichzelf te laten worden. Alle menselijke besmettingen te doen verdwijnen en terug te keren naar de hof van Eden. Het paradijs op haar vierkante meter onder dak in de kas of het atelier, de keuken. Nadat ze alle variëteiten in overvloed heeft uitgeprobeerd moet ze constateren dat het een onmogelijk streven is de wereld te veranderen door bij zichzelf te beginnen. Ondanks de aandacht te laten groeien om te verbinden kan zij in het diepst van haar gedachten geen waardevolle relatie opbouwen.

    De theorie loochent de praktijk. In schoonheid is ze harmonieus oprecht, zoals de hydrangea. Ze richt zich op de enkeling, niet op de samenhang van onderdelen als in de bloomingteaflower. Ze dreigt erysimum te worden, derde keus, maar ze bezit veerkracht hoewel ze zich in de achtergrond het best op de plaats voelt. Dat is een aanname gezien het pseudoniem dat ze bezigt. Ze wil floreren vanuit haar eigen basis, zonder de behoefte aan applaus. Voor het voetlicht treedt ze met poëzie die is opgeslagen in dichtbundels. Dus waarom zou ze zich verontschuldigen geen theebloem te zijn. Waarom zal een dichter zich überhaupt pardonneren voor wat hij of zij niet is of juist wel wil zijn. De lezer verdicht lyrisch het bewustzijn om de geest te personifiëren.

    theebloem

    Kine geeft meermalen in haar verzen een opsomming van wat te doen, hoe te zijn. Waarom op aarde te zijn. In de geest van alter ego Ig is niet alles ijdelheid, integendeel. Ig lijkt daarbij zowel een personage als een afsplitsing van de dichter zelf, een stem waarin verschillende kanten van haar persoonlijkheid samenkomen. Ze bestaat uit diverse perspectieven, van verschillende kanten te bekijken. Een legering van gedachten, dus wel een theebloem. In Ig komen alle genen van Kine samen. Ik zie dat voor me, een bolletje met jasmijn, roos, goudsbloem en lelie. Een boeketje dat je schenkt als blijk van waardering. Voor Jurjen.

    Iets moet er gebeuren

    Na 22 jaren in het leven maakt Ig het testament op van haar jeugd. De wilsbeschikking staat er echter al na drie weken. Want Ig kent geen leeftijd, heeft geen grenzen. Voelde zich eerder een trekpoptt, Kine trok aan de touwtjes. En dat doet ze nog steeds, want Ig leeft voort buiten het diepst van haar gedachten. Wat heerlijk om zo gemaskeerd het leven tegemoet te treden. “de tijd vliegt niet zonder betekenis / iets moet er gebeuren / het weigeren / het kwetsen / / / doorgroeien en iets zeggen / geen lege loods zijn / waar iemand wanhopig rondrent

    kine brettschreider, ig

    Het wereldgemiddelde, de doorsnede van de mensheid, vindt het helemaal niet zo gek om het hoofd eens helemaal leeg te maken. Woorden en klanken die in de weg zitten uit te schrijven, van je af te schrijven, uit te spuwen. Dat braaksel heeft die Harry bijeen geveegd om poëzie, die zich niet als gedichten laat vermommen, uit te drukken. Geen fastfood, maar krachtvoer. Deze Kine doet dat eens netjes over op een meer gestroomlijnde en overdachte wijze. (Leven onder één dak maakt van de een en de ander een twee-eenheid.) De tweede lezing bij het lezen van gelukkig de mens stuurt het woordenboek iedere kant op die Van Dale maar voor mogelijk heeft gehouden. De eerste lezing is behoudend als een psalmboek. Echter het is een zaak van de bewuste klok en de onbewuste klepel. De bestaande tekst naar je hand zetten voor de goede verstaander onaf te maken.

    Ik meen er fragmenten uit melodieuze liedteksten in te herkennen, die hier een andere betekenis hebben om aan de context te rammelen. Concrete observaties krijgen plots een vervreemdend karakter. Lichamelijk, alledaags en licht ontregelend. Het verklaart zichzelf niet volledig, het blijft rondzingen in beeldklanken. Die vervelende feedback piept en bromt mij tussen de oren. Zo kan ik dit dichtwerk vergelijken maar niet verklaren. Misschien is dat uiteindelijk ook precies de bedoeling van deze bundel: niet begrepen worden als een rekensom, maar ervaren worden als een toestand. Daar ik niet telkens besef wat ik lees, zingt het begrip vervelend rond in mijn hoofd. In de gelaagde poëzie lijkt de schijn te worden opgehouden. Schijnt het lijk uit de kast te komen. Maar ik kan die kast maar niet van het slot krijgen. Ligt de sleutel onder de mat of in de bloempot, achter het behang geplakt of boven de deur op het kozijn gelegd. En dan blijkt de kast helemaal niet op slot te zitten, ik kan zo bij de inhoud – het lijk aanraken en betasten.

    Een boekje open

    Begrijp ik wie of wat Kine is, denk ik haar persoonlijk te kennen, dan kan ik een vinger achter haar verantwoording krijgen. Dan vallen de woorden als een puzzel in elkaar, passen mij de regels en stemmen de zinnen overeen waar ze eerder dachten niet aaneen te sluiten. Het dichtwerk correspondeert met mijn geestelijk zijn. De brief is in duidelijk handschrift opgesteld. De dichter doet met deze bundel een boekje open. Het is een uiterst persoonlijk geschrift. In ‘sexo’ komt ze bij haar zeer toegewijde persoonlijkheid. Het is een ode aan haar derde keus, de Harry van de opdracht. Gedurende de bundel groeit hij uit van een naam in een opdracht tot een voortdurend aanwezige figuur in de achtergrond van de gedichten. Met hem wil zij door tegen wil en dank, tot de dood hen scheidt. Hij is haar icoon, idolaat maar niet overdreven schrijft ze hem voor zich uit in iets wat een toekomstig liefdeslied zal zijn. Harry wikt de woorden, waar Kine de tekst beschikt. “we wilden al vroeg terug de aarde in / meer nog dan dat we dieren zagen in de wolken / ik leverde dertien jaren in om even oud te zijn met jou / voor een minder moeilijk later of zullen we hand in hand” (…) “we zeggen We doen alle steden op dezelfde manier / daklozen in twee huizen waar we niet wilden zijn”

    De twee beelddichten – nee, geen klankdichten, tralala – ter illustratie in de bundel vormen een verhelderend verkapte rebus overgoten met humor om de serieuze inval te verluchtigen. Hier kan mijn geest voor een moment het voorgaande overdenken en me voorbereiden op wat komen gaat. Als in de stille meditatie tijdens het avondgebed, de vesper. Contemplatief glimlach ik fluisterend bij ‘mama’. De jonge Kine, toen nog Angeline, weet niet wat te tekenen en vraagt mama om raad. Het advies is: teken maar een huis. Waarop de actie: een gearceerde cirkel. Tegendraads zoals de dichtbundel afwijkt van het rechte pad der poëzie. Ik houd ervan. Het is mijn wilsbeschikking als gelukkig mens.

    kine brettschreider – sorry dat ik geen theebloem ben / vrede dat waren marsen. gaia chapbooks #46, 2026

    kine brettschreider, gaia chapbooks

  • Ruud van Empel maakt natuur in zijn perfecte wereld

    Een perfecte wereld. Wat is dat? Hoe ziet die eruit, hoe ligt die erbij? Wat moet ik me daarbij voorstellen? Kun je dat maken, een perfecte wereld? En voor wie is die dan perfect? Is een perfecte wereld universeel? Of maak je een perfecte wereld voor jezelf? Deel je die in naar jouw eigen goeddunken? Dan is het de perfecte wereld voor een enkel persoon. Bezit dus iedereen een perfecte wereld, een eigen perfecte wereld? In gedachten, voor de geest, achter de oogleden. Sluit je de ogen, dan zie je het zo voor je: de perfecte wereld.

    Ruud van Empel
    Ruud van Empel

    Ruud van Empel maakt een perfecte wereld. Niet alleen voor zichzelf. Het is wel zijn idee en vormgeving, maar deze is universeel, want iedereen vindt het perfect. Zijn beelden gaan de aardbol over en krijgen overal applaus. Maar de wereld die Van Empel schept is zijn perfectie. Zoals hij die voor zich ziet, ofwel: waar hij zich als kunstenaar goed bij voelt. Het is een wereld die nooit bewaarheid zal worden, nooit echt kan zijn. Zijn perfect world is opgebouwd uit legio fragmenten van en uit de reële wereld. Hij manipuleert de werkelijkheid om een nieuwe, niet-bestaande echtheid te creëren. Het is niet waar, maar het had wel waar kunnen zijn. Want de geschapen omgeving lijkt zo fotografisch echt; het had zo en plein air geschoten kunnen zijn. Echter, wanneer iets te mooi is om waar te zijn, is het dat vaak ook. Zeker in het geval van de tot in detail bewerkte foto’s van Ruud van Empel.

    Om de vormen

    Beoefent hij als kunstenaar de fotografie? Hij begint met fotograferen; dat deel is documentair — hij legt vast wat bruikbaar kan zijn. Daarna volgt een langdurig montageproces. Daarin worden alle artistieke beslissingen genomen. “Dus is het, voor zover ik weet, meer montagekunst dan fotografie”, vertelt Ruud mij in een gesprek dat ik met Van Empel had voor een korte film over zijn tentoonstelling ‘Making Nature’ bij Museum Belvédère in het voorjaar van 2019. “Zo voel ik het en daarom noem ik mij eigenlijk nooit een fotograaf. Mijn platen worden gemonteerd uit meerdere foto’s, elk detail. Het gaat mij om de vormen en niet om de realiteit perfect weer te geven.”

    Van Empel maakt de perfectie; hij zet de realiteit naar zijn hand. Daarmee is hij de schepper van zijn eigen wereld. Maar hij vindt het wiel niet opnieuw uit. Uit wat ooit is geschapen, of geëvolueerd tot de werkelijkheid van nu, snijdt hij details om daarmee een divers beeld op te zetten. De collagetechniek maakt het hem mogelijk om elementen uit de werkelijkheid in het picturale veld te transplanteren en beelden die niet bij elkaar passen met elkaar te combineren, lees ik in het voorwoord van kunsthistoricus Xavier Canonne. Het is een preface tot het boek ‘A Perfect World’, waarin een dwarsdoorsnede van het werk van Ruud van Empel is opgenomen. Vanaf het begin, toen hij aan de slag was met fysieke schaar en lijmpot, tot aan de jaren negentig van de vorige eeuw, toen Van Empel digitaal begon te werken. Het softwareprogramma Photoshop geeft hem voldoende mogelijkheden “om beelden te bewerken, te verbeteren en ook te creëren in een mozaïek van elementen die worden samengevoegd tot een soort valstrikken voor het oog, de laatste fase voordat de kunstmatige intelligentie zijn intrede doet”.

    Ideaal van schoonheid

    Echter, deze laatste stap — het kunstmatig scheppen van beelden — weigert Ruud van Empel te zetten. Hij geeft de voorkeur aan het plezier van het geduldig reconstrueren van beelden die hij zelf heeft gefotografeerd boven het snel creëren van onpersoonlijke werken. “Het oeuvre van Van Empel, een beetje gekenmerkt door een milde nostalgie naar de kindertijd, is een weerspiegeling van een min of meer geïdealiseerde wereld, versterkt door herinneringen en overtroffen door de computer. (…) Een hele wereld die stilstaat, alsof ze bevroren is in haar ideaal van schoonheid.” Daarmee schijnt Van Empel dus geen perfecte wereld te maken, maar een ideale omgeving. Een plek waar hij zijn geest kan laten rusten, terwijl de beschouwer ogen tekortkomt om alle details tot zich te nemen. De manier van scheppen is monnikenwerk, een waar kunststukje, realiseer ik me wanneer ik mijn ogen de kost geef om het hele beeld te overzien.

    In de uitgave gaan curator Christoph Ruys en publicist Lex van de Haterd breedvoerig in op de kunst van Ruud van Empel. Werk dat uitstekend past in deze tijd van beeldcultuur, maar tegelijk afwijkt van het nu omdat het geen snelheid heeft — waar juist aandachtig naar gekeken moet worden. Wil je het snel tot je nemen, omdat je meer te doen hebt en vlug naar een volgend moment moet, dan mis je de torren en spinnen, kijk je langs de vogels en vlinders heen en merk je de diversiteit aan begroeiing en figuratie niet op. Deze collages zijn geen snelle hap van de muur, maar eerder een viergangenmenu met een lange nazit. Ruys en Van de Haterd schrijven het mysterie dat om het werk hangt enigszins weg. De techniek wordt uitgelegd, het perspectief ontrafeld. “Van Empel maakt fotowerken van mensen en van de natuur die heel realistisch lijken, maar het niet zijn”, herhaalt Van de Haterd nog maar eens. “Dat is niet iets wat je in één oogopslag ziet, maar wel iets wat je meteen voelt. Een soort dreiging, een spanning, die hij er bewust inlegt.”

    Creatief kijken

    Het boek nodigt mij uit creatief te kijken, om te geloven dat het anders kan, dat je het beeld op verschillende manieren kunt interpreteren. Hoewel Ruud van Empel een loopje met de waarheid lijkt te nemen, is het geen fake news wat hij brengt. Het is een manier om achter de werkelijkheid te kijken, om de realiteit te zien en de fantasie te begrijpen. Het is niet waar, maar het had wel waar kunnen zijn. Het is perfect, een idee waarnaar we kunnen streven, een rijk gevoel. Dus blader ik snel door om mij te wentelen in de maakbare wereld van Van Empel. Van de eerste werken via werken uit 2005 tot 2016 en stillevens naar de laatste landschappen. De kunstenaar heeft een breed scala aan onderwerpen die hem inspireren, zoveel is duidelijk. Naarmate hij de digitale techniek beter onder de knie krijgt, worden de beelden kijkplaten; er is zoveel in te zien dat ik er even rustig voor ga zitten.

    Het is natuurlijk veel meer beeldende kunst”, hoor ik Ruud van Empel zelf zeggen, “omdat ik vanuit niets begin op te bouwen en tot het beeld kom dat ik zelf helemaal onder controle heb. Dat is fundamenteel echt iets anders dan wat fotografen doen, die buiten documentair fotograferen.” Hij noemt zijn beelden foto-objecten. Het is geen klassieke fotografie, maar meer het object ervan. Geen probleem voor mij dat het resultaat biologisch of natuurkundig niet klopt. Voor mij klopt het juist wanneer ik bedenk dat dit een perfecte wereld zou kunnen zijn. Voor meerdere momenten waan ik mij in de Hof van Eden, de hof Van Empel.

    Ruud van Empel – A perfect world. Retrospective. Voorwoord Xavier Canonne. Essays door Christoph Ruys en Lex van de Haterd. Uitgave WBOOKS, 2026.

    Ruud van Empel
  • Cocreaties van Wim Biewenga in presentatie met Lieve van Loon op het Hoogeland

    Herinneringen zijn er om op te halen. Ze liggen te wachten in het geheugen. Zijn daar ooit achtergebleven in en door het leven te leven. Door de jeugd, via de middelbare en volwassen jaren heen, blijven deze daar overwegend onaangeroerd hangen. Wanneer er bij een voorval of door een gebeurtenis gedachten aan iets speciaals zijn, komen ze wel tevoorschijn en voor het voetlicht. Maar anders blijven ze tussen de coulissen dwalen, wachtend op het moment dat ze echt nodig zijn en hun rol moeten uitspreken. Is het leven voor het grootste deel geleefd, dan komen herinneringen wel boven water.

    Van oude mensen en dingen die voorbijgaan

    Die voorbije tijd lijkt verloren, maar de momenten worden teruggevonden. Wanneer er nauwelijks nog toekomst schijnt, lijken herinneringen belangrijker te worden. Die ogenblikken zijn opnieuw te beleven, te voelen en te ruiken. De geluiden komen terug in gedachten, de smaak van vroeger. Beschouwend, figuurlijk over de schouder kijkend en bespiegelend letterlijk dat wat was herbelevend. Er wordt gegraven in het geheugen om iets tastbaars op te diepen, er zijn grijpbare dingen fysiek verborgen in enveloppen en dozen op zolder. Lang niet aangeraakt en bekeken. Foto’s met lachende mensen, oude brillen, bijbeltjes en andere geschriften, ansichtkaarten van lang vervlogen vakanties. Onooglijke zaken die maar blijven, want herinneringen nemen nauwelijks plaats in, dus waarom ze wegdoen.

    Wim Biewenga, Gerard de Kleijn

    Werkend leven vastgelegd in notities

    Tussen de paperassen van weleer vond Wim Biewenga de werkboekjes van zijn vader. Vader Tjasse Willem was bij leven landbouwer in het noorden van Groningen. Zijn leven is werken en dat werken staat geadministreerd in een soort van dagboeken. Werkboeken waarin de hoeveelheid dagelijkse arbeid per dag en datum is uitgeschreven. Voor hem toen als geheugensteun bij de groei van het gewas, de inzet van personeel, de kosten en het weer. Vader is overleden wanneer Wim puber is. Lang zijn de boekjes onaangeroerd weggestopt, maar te belangrijk in de emotie om er afstand van te doen. De vondst brengt Wim terug bij zijn vader, hij ontdekt erin en het voert hem terug naar het Hooge Land waar hij is geboren en getogen. Denkend aan die streek, het werk dat er gedaan is. Bieten rooien, koeien opzetten, vlas inhalen, koolzaad eggen. Het schoffelen, het zaaien, het oogsten, het dorsen. En alles gedaan door hetzelfde personeel.

    De aantekeningen gebruikt Wim om Tjasse Willem te laten voortleven in zijn kunst. Is vader landbouwer, de zoon is kunstenaar. Hoewel de twee lang niet meer aan tafel zitten, brengt het hen nader tot elkaar. Het herinnert Wim aan vroeger, maar niet uit nostalgische overwegingen hergebruikt hij het beschreven papier. Door vaders schrijfsels raakt de zoon geïnspireerd en interpreteert hij de notities in tekeningen. Met Oost-Indische inkt, Siberisch krijt en pastel bewerkt hij de teksten en werkt deze grotendeels weg. Enkel de voor hem en in de beeltenis belangrijke aantekeningen blijven leesbaar. Het werkblad is zijn canvas, de drager van zijn kunst.

    Twee werelden nader tot elkaar gebracht

    In het boek dat verscheen rond dit project, door organisator en curator Gerard de Kleijn omschreven als coproductie tussen vader en zoon, worden vraagtekens gezet bij deze werkwijze. “Wat bezielt hem? Heeft hij expres bepaalde aantekeningen weggelakt of schuilt de betekenis juist in wat nog wel leesbaar is? Behelst zijn bewerking een commentaar of is het een puur willekeurige interventie? Drukken de toevoegingen van Wim een verlangen uit naar de tijd en het land van zijn jeugd? Of is het een ode aan de eenvoud en de puurheid van de landbouw van vroeger?” De beschouwer mag er de antwoorden bij schrijven. Zoals iedere kunst vragen oproept, is dat hierbij niet anders. Deze manier van werken is puur emotioneel, het brengt twee werelden nader tot elkaar. Het laat de tijden overlappen.

    Mooi vind ik het hoe De Kleijn die twee werelden als cocreaties wegzet in de uitgave ‘Wim Biewenga – zelfde personeel’. Hij ziet in de arbeid van vader Biewenga de ‘onderbouw’, het Rijk van de Noodzaak. Het werk van zoon Biewenga staat voor het Rijk van de Speelsheid, de ‘bovenbouw’. Daar bevinden zich ook de religie, de filosofie en de dichtkunst volgens De Kleijn. “Met het speels bewerken van de dagboeken vindt er een synthese plaats tussen het Rijk van de Noodzaak en het Rijk van de Speelsheid, Noodzaak en Speelsheid gaan in elkaar over.” Wim Biewenga speelt met zijn herinneringen, filosofeert beeldend over de werkelijkheid van Tjasse Willem Biewenga. Over de nuchtere mededelingen tekent Wim een poëtische toevoeging. Zo vullen beide werelden, beide rijken, elkaar aan.

    A trip down memory lane

    “Verwondering is de inspiratie van waaruit Wim Biewenga werkt. Het is zijn drijfveer om te maken wat hij maakt. Van de gecompliceerde wereld maakt hij een versimpelde uitdrukking”, onder meer met deze woorden opende ik onlangs een tentoonstelling van zijn werk in De Kunsthof te Appingedam. “Herinneringen spelen een spel met zijn gedachten. Vanuit het verleden maken indrukken zich uitdrukking in het heden. Of beter gezegd: de uitdrukking maakt zoveel indruk dat het een beeld verdient. Dat het verleden mag voortleven in het heden, naar de toekomst toe.” Deze uitstalling laat een kleine greep uit ‘Zelfde personeel’ zien, in De Kunsthof in een tableau met zes bewerkte aantekeningen. De complete serie behelst meer dan 100 bladen. De presentatie is een trip down memory lane, want het meest recente werk in het oeuvre van Biewenga is hier gehangen. In die composities kijkt hij om en ziet ‘zijn’ Hoogeland. De plek waar hij een jeugd doorbracht. En hij beschouwt vormen die spellen duiden, meccano, houten speelgoed. De tamme kraai die meeging op de schouder naar school. Maar ook de humor waarmee zijn werk is doorregen. Het is een vrolijke tentoonstelling met een open blik naar het verleden. Dat belooft wat voor de toekomst, want Wim Biewenga blijft bezig. Ondanks een eerdere verschillende carrière leeft en beleeft hij de kunst in hart en nieren.

    Een zoekende kunstenaar

    Het toen van Biewenga is gecombineerd met het nu van Lieve van Loon. Zij is nog zoekende in de kunst. Niet verwonderlijk, daar zij pas twee jaar geleden een kunstopleiding heeft afgerond. Alle kennis die ze heeft opgedaan schudt ze van zich af om het goede te behouden. De voedingsbodem waarop haar kunst kan groeien, haar stijl zal bloeien. Nu is het nog rondkijken, experimenteren, heeft haar kunst nog niet de kracht in eenvoud. Het simpele gegeven dat de sterke kant is van haar mede-exposant. Er zijn al wel puntige composities opgehangen, maar het geheel valt enigszins uit elkaar doordat er nog geen duidelijke lijn valt te ontdekken. Het is een manco, maar dat hoeft geen probleem te zijn.

    De thematiek drijft enigszins uiteen, hoewel Van Loon de onderwerpen wel in eenzelfde stijl probeert vast te leggen. Tafels, potten en flessen – zo eigen aan het stilleven – stelt ze rumoerig en levendig, beweeglijk zelfs, op in haar composities. Een dynamisch leven door deze in een enkele compositie van diverse kanten te laten bekijken. Wat opvalt zijn de dik aangezette omtreklijnen waarbinnen grote vlakken zich bewegen. Zij is tevens glazenier en maakt glas-in-loodramen, wat deze vorm van creëren als gevolg heeft. Binnen het vak loopt nog geen lijn, er is nog geen weg van A naar beter. Maar de belofte ligt in de lijn der verwachting. Ik denk dat ik wel meer zal zien en horen van deze Lieve van Loon.

    Eigenlijk is het in deze tentoonstelling zaak langer te kijken om iets gewaar te worden”, gaf ik mijn toehoorders tijdens de vernissage als raad mee. “Langer kijken en daardoor ontdekken. Elk kunstwerk heeft een verborgen detail, een plek waar het gevoel kan rusten. Gedachten niet bedenken, niets willen verzinnen of onderscheiden. Dan legt het object, het schilderij – de tekening, als vanzelf zijn aard, zijn karakteristiek bloot. De vorm van kijken overkomt je dan. Ineens merk je iets op, krijgt de beeltenis een handvat. Is er herkenning, spreekt het.

    Wim Biewenga – zelfde personeel. Tekst en samenstelling Gerard de Kleijn. Uitgave Van Spijk Art Books / Livingstone Editions, 2026. Tentoonstelling werken Wim Biewenga en Lieve van Loon bij De Kunsthof, Blankenstein 2, Appingedam. Van 25 april tot 14 juni 2026.

  • Lucien de fantastische Faust van Rani de Prée

    Het is een duister verhaal. Nietsvermoedend begin ik eraan en al snel word ik de mysterieuze wereld van Lucien ingetrokken. Een donker beeldverhaal met scherpe randen, omdat het voortdurend langs de werkelijkheid schuurt zonder er werkelijk deel van uit te maken. Nergens lijkt die wereld helemaal waar. Alsof Alice in Wonderland een tweede leven heeft gekregen, gereïncarneerd in Lucien, die bovenmenselijke krachten bezit. Zo buitengewoon dat het haast goddelijk aandoet.

    Die Lucien zit, door zijn bijna holistische verbondenheid met alles om hem heen, gevangen in een duistere tunnel, een donkere belevenis waar geen einde aan lijkt te komen. Maar ergens schijnt licht aan het eind van die tunnel. Verblindend wit licht. Alsof dromen misschien bedrog zijn, maar hoop de mens toch laat geloven dat er meer bestaat tussen hemel en aarde dan wij kunnen bevatten.

    Het is een schimmig verhaal dat door de manier waarop het in beeld gebracht is amper meer helderheid rond het thema schept. In een aquarelachtige techniek staat de stijl van werken de duidelijkheid soms zelfs in de weg. Toch speelt juist die beeldtaal een belangrijke rol. De gestileerde pagina’s lossen bijna op, alsof de wereld van Lucien nooit helemaal materie wordt, nooit volledig aangeraakt kan worden. Figuren lijken uit mist opgebouwd of in nevel gehuld. Decor en emotie vloeien in elkaar over.

    Daardoor leest het boek minder als een traditionele strip en meer als een beeldende contemplatie over vergankelijkheid — een melancholische beschouwing waarin sfeer belangrijker wordt dan plot.

    Donker, vervreemdend

    Bij Rani De Prée geen klare lijn, maar een troebel vlak. Alles lijkt in dienst te staan van de mystiek van het onderwerp. Het zou zomaar kunnen doorgaan voor het storyboard van een film noir. Of voor de beeldende uitschrijving van een stop-motionanimatiefilm als Coraline — gotisch, donker, vervreemdend. Toch heeft Lucien naast die schaduwzijde ook iets lichts in zich. Nergens lopen mij werkelijk de rillingen over de rug. Mijn blik bevriest niet op een enkele plaat. Ik durf verder te kijken, dieper te beschouwen.

    De strip trekt mij het verhaal binnen als een zachte wind die eerst nog rustig ruist, maar daarna aanzwelt tot een storm die blijft bulderen. De ontroering beweegt mijn gemoed om het geheim achter de platen te willen kennen, begrijpen, achterhalen.

    Het is een tot in detail uitgewerkt beeldverhaal van in eerste instantie de donkere kant van een leven. Maar die duisternis krijgt steeds meer contouren om uiteindelijk bijna op te lossen in een fel hemels licht. Het is zaak het verhaal meerdere keren te ‘lezen’ om de essentie ervan te kunnen grijpen. Zoals ik ook films vaker kijk omdat er telkens weer nieuwe details opduiken die mij eerder ontgaan zijn.

    Daarbij lijkt de tekst vooral de beelden te begeleiden. Ze zet een lijn uit, maar voelt ergens ook overbodig. Dit verhaal wil misschien niet gelezen maar bekeken worden. De Prée werkt visueel zo sterk dat de platen op zichzelf al voldoende verhaal dragen. In de mimiek van de personages, in hun bewegingen en in de kleurstellingen ligt al genoeg drama besloten. De tekstballonnen sturen de kijker slechts een richting op en maken hem daarmee tot lezer.

    Dat verhaal is verzonnen, maar ergens voelt het alsof het in een andere werkelijkheid waar zou kunnen zijn. Alsof Edgar Allan Poe zich nog eens omdraait in zijn graf.

    Breuklijn in de gedachte

    Het boek laat zich ervaren als een droom tijdens de slaap van de nacht. Een droom die na een kort ontwaken in een volgende snurkende roes weer verdergaat. Alsof de draad opnieuw wordt opgepakt, terwijl het verhaal ongemerkt een andere richting inslaat. Even is er een onderbreking, een breuklijn in de gedachte — ik draai me om, ga plassen, sluit opnieuw mijn ogen en slaap verder.

    Maar dat verder is eigenlijk geen verder. De droom begint opnieuw. Met dezelfde personen, een gelijkende verhaallijn, maar telkens vanuit een andere invalshoek. Die breekpunten worden in het boek aangegeven als de zijden van een dobbelsteen; iedere zijde draagt een ander embleem als titel van een hoofdstuk.

    Is er werkelijk een bovennatuurlijke vloek over Lucien uitgesproken? Of vertelt het verhaal eerder over het menselijke gevoel buiten het leven te staan? Over iemand die de wereld wel ziet, maar er nooit helemaal deel van kan worden? Het is aan de lezer, of eigenlijk kijker, dit zelf uit te zoeken – beter dan dat ik dat hier probeer te duiden.

    Misschien schuilt juist daarin de aantrekkingskracht van Lucien. Het verhaal laat zich niet volledig grijpen. Alsof Rani De Prée geen klassiek verhaal wil vertellen, maar eerder een toestand wil oproepen — een sluimering tussen droom en dood, doezelen tussen herinnering en voorgevoel. Lucien voelt daardoor minder als een personage van vlees en bloed dan als een dolende figuur uit een vergeten mythe. Iemand die niet werkelijk in de wereld leeft, maar er langsheen beweegt. Het duizelt me soms voor ogen, zoals de blik van Lucien één is van verbazing en verwondering.

    Een zwevende tijdelijkheid

    De vloek die hij met zich meedraagt lijkt bovendien groter dan een fantasiegegeven alleen. Alsof hij voortdurend de kwetsbaarheid van het leven zichtbaar maakt. Waar anderen zorgeloos voortbewegen, draagt hij steeds het besef van sterfelijkheid met zich mee. Niet als veroorzaker van de dood, maar als iemand die haar onvermijdelijkheid blootlegt. Een wandelende herinnering aan vergankelijkheid. Een zwevende tijdelijkheid.

    Lucien, Rani de Prée, MENLU

    Wat daarbij interessant blijft, is dat de lezer voortdurend tussen afschuw en medelijden wordt geplaatst. Lucien oogt als een monster, een zonderling, een onheilspellende verschijning. Maar tegelijk schuilt er iets tragisch in hem. Hij lijkt iemand die nergens werkelijk thuis kan raken omdat zijn aanwezigheid de wereld aantast. Dat maakt hem tot een klassieke romantische figuur: vervloekt, eenzaam en zoekend naar betekenis in een werkelijkheid die hem afwijst. Zoals Frankenstein’s Monster verlangend naar verbondenheid en menselijkheid. Of de rusteloze zoeker Faust die grenzen wil overschrijden en daardoor vervreemdt van het gewone leven.

    Misschien verklaart dat ook waarom het verhaal zich moeilijk volledig laat navertellen. Sommige werken willen niet logisch ontleed worden, maar gevoeld. Ze bewegen zich meer als poëzie dan als proza. Niet alles hoeft daarin verklaard te worden. Juist het onuitgesprokene blijft tussen de beelden resoneren. Die open ruimtes nodigen de lezer uit om eigen angsten, herinneringen en melancholie in het verhaal te projecteren.

    LUCIEN. Beeldverhaal van Rani de Prée (tekst & tekeningen). Uitgeverij MENLU, 2026.

    Lucien, Rani de Prée, MENLU
    Lucien, Rani de Prée, MENLU
  • De mythe van de jaren zestig in kaarten uitgelegd

    De editor van het boek The 1960s in Maps, de Britse schrijver Gordon Kerr, is volgens zijn uitgever “passionate about the 60s”. Dat blijkt wanneer ik zijn boek, in vertaling verschenen als Atlas van de jaren 60, doorblader, lees en bekijk. Aan de hand van kaarten van illustrator Claire Rollet schrijft Kerr inderdaad met zichtbaar enthousiasme. Hij somt belangrijke en tot de verbeelding sprekende gebeurtenissen niet chronologisch op, maar benadert deze cartografisch. Dus niet alleen: “dit gebeurde”, maar: waar gebeurde het, hoe verspreidde het zich, welke netwerken ontstonden er? Daardoor krijg ik zicht op de culturele en politieke dynamiek van het decennium.

    Gordon Kerr, Claire Rollet, Ger Meesters, Noordboek, Jaren 60

    Over de jaren zestig wordt vaak geschreven alsof iedereen erbij was. Alsof een volledige generatie gezamenlijk naar Woodstock trok, protesterend door Parijs liep of psychedelisch verlicht de wereld opnieuw uitvond. Maar wie in 1955 werd geboren, zoals ik, beleefde de jaren zestig vooral van onderaf. Als kind. Als toeschouwer van een wereld die in beweging raakte zonder dat je de omvang ervan volledig kon bevatten.

    Mijn eigen decennium waren eerder de jaren zeventig. De jaren waarin de rook van de revolutie langzaam optrok en zichtbaar werd wat er van alle idealen was overgebleven. Misschien kijk ik daarom met enige scepsis naar boeken die de jaren zestig proberen samen te vatten. Het gevaar bestaat al snel dat het tijdperk wordt gereduceerd tot een kleurrijke ansichtkaart van protest, popmuziek en flowerpower. Toch weet Gordon Kerr in Atlas van de jaren 60 aan dat gevaar gedeeltelijk te ontsnappen. Juist doordat hij niet alleen gebeurtenissen toont, maar bewegingen zichtbaar maakt. Stromen van mensen, muziek, politieke spanning en culturele aantrekkingskracht. De kaarten laten zien hoe ideeën zich over de wereld verspreidden lang voordat globalisering een modewoord werd.

    Niet chronologisch maar geografisch

    Sommige tijdperken verdwijnen niet wanneer ze voorbij zijn. Ze blijven rondzingen in boeken, documentaires, muziek en collectieve verbeelding, alsof de geschiedenis weigert definitief verleden tijd te worden. Ik liep wel rond in de jaren zestig, maar nog niet bewust genoeg om ze werkelijk te beleven. De grote woorden van revolutie, protest en culturele bevrijding bereikten mij eerder als achtergrondruis dan als persoonlijke ervaring. Misschien beleefde ik de jaren zestig aanvankelijk vooral in de schaduw van mijn oudere broer — als een wereld waar ik nieuwsgierig naar keek, maar nog niet helemaal toe behoorde.

    Die leemte kan ik nu alsnog gedeeltelijk invullen met deze atlas. Want de jaren zestig laten zich moeilijk vangen in een rechte lijn van jaartallen en gebeurtenissen. Het was een decennium dat alle kanten op trok, zwalkte, explodeerde en weer uiteenviel. In The 1960s in Maps probeert Gordon Kerr die onrust niet chronologisch, maar geografisch zichtbaar te maken. En vreemd genoeg werkt dat verrassend goed. In de vertaling van Ger Meesters voor Uitgeverij Noordboek blijf ik steeds verder bladeren en houden de talloze kaarten mijn aandacht vast. Het is een levendig boek dat gebeurtenissen en voorvallen visueel tot leven brengt.

    Gordon Kerr, Claire Rollet, Ger Meesters, Noordboek, Jaren 60

    Nodigt uit tot dwalen

    Niet de tijd, maar de ruimte wordt hier het geheugen van een tijdperk. Routes van protest, verspreiding van popmuziek, de trek van hippies richting Kathmandu, de zenuwbanen van de Koude Oorlog — alles ontvouwt zich als een wereldwijde migratie van ideeën. Alsof idealen, muziek, revolutie en verbeelding zich over de aardbol bewogen als weersystemen. Het aardige van dit boek is dat het de geschiedenis niet doodanalyseert. Het nodigt eerder uit tot dwalen. De lezer bladert niet van hoofdstuk naar hoofdstuk, maar zwerft van continent naar continent, van Beatles-hysterie naar kernproeven, van flowerpower naar geopolitieke dreiging. De kaarten functioneren daarbij niet louter als illustratie, maar als een andere manier van kijken. Ze maken zichtbaar hoe dicht utopie en onrust soms naast elkaar lagen.

    Toch schuilt daarin ook de beperking van het boek. Kaarten suggereren overzicht, terwijl de jaren zestig juist een tijdperk waren waarin het overzicht verloren ging. Achter iedere pijl, route of gekleurde landkaart gaat een werkelijkheid schuil die grilliger, persoonlijker en chaotischer was dan cartografie ooit volledig kan vatten. Maar misschien is juist dát de charme van deze uitgave: het probeert het ongrijpbare niet definitief vast te pinnen, maar slechts contouren zichtbaar te maken. Het boek leest daardoor minder als een historische studie en meer als een visuele tijdreis. Een bladerboek voor nieuwsgierige geesten, nostalgici en iedereen die wil begrijpen hoe ideeën zich ooit als een elektrische lading over de wereld verspreidden.

    Het boek verdeelt het tijdperk van die tien tumultueuze jaren in hoofdstukken waarbinnen de memorabele gebeurtenissen zich afspelen. Van politiek tot sport via muziek en misdaad, en van wetenschap, geneeskunde en technologie tot cultuur en tegencultuur via maatschappij en oorlog en conflict. Binnen deze hoofdthema’s behandelt Kerr diverse gebeurtenissen waarvan ik het bestaan niet kende. Van popmuziek tot geopolitieke dreiging en van tegencultuur tot ruimtevaart: Kerr probeert een decennium in kaart te brengen dat voortdurend in beweging was. Daardoor is het boek voor mij tevens een eyeopener, waar het voor lezers die de jaren zestig bewuster hebben meegemaakt eerder een trip down memory lane zal zijn. Het is een boek dat een tijdperk, dat allang tot mythe is uitgegroeid, opnieuw zichtbaar probeert te maken.

    Atlas van de jaren 60. Vertaling van The 1960s in Maps. Samengesteld door Gordon Kerr. Geïllustreerd door Claire Rollet. Uitgeverij Noordboek, 2025.

    Gordon Kerr, Claire Rollet, Ger Meesters, Noordboek, Jaren 60

  • Harlinger haven ruiken, horen en voelen

    In de haven. Over het water. Zijn blik glijdt naar de einder, kijkt in de verte. Maar daar rusten zijn ogen niet. Hij beschouwt wat anderen aanmerken als horizonvervuiling. Hij ziet wel de schoonheid van wat het eind van de wereld schijnt, maar zijn aandacht verdwijnt niet met de zee. Hij kijkt niet verder dan zijn neus lang is. Hij ziet dat wat er kort voor zijn voeten ligt, op armlengte, minder dan een steenworp afstand. Dat heeft zijn interesse. Daar ligt zijn verhaal. Tussen de meerpalen, op de pieren, in de loodsen. De boeien boeien hem, de meeuwen schreeuwen om zijn aandacht. Er is altijd rumoer, bedrijvigheid, leven. Daar in de haven. Maar nu is het stil, de meeuwen houden de adem in, de branding is vlak als een spiegel. Want terwijl ik dit schrijf, hem daar op het havenhoofd plaats, in de tegenwoordige tijd – is het verleden tijd. Jan Roos vereeuwigde dat wat hem het meest aan het hart lag: het leven in en rond de haven van Harlingen. Kortgeleden moest hij noodgedwongen zelf het leven loslaten. Wat hij achterliet is een oeuvre aan tekeningen en schilderingen waarin de grens tussen land en water het middelpunt vormt. Geen idyllische voorstellingen van zee en strand, maar ruige beelden die in enkele vegen en streken tot stand lijken te zijn gekomen. Het is de romantiek van Harlingen, aan de rafelranden van de stad waar hij werd geboren, opgroeide en stierf.

    Museum Belvédère kreeg zijn afscheidstentoonstelling; door een ernstige ziekte zag hij zijn einde naderen. Het is een waardig afscheid, waarbij ik als museumbezoeker langer stilsta dan normaal. De forse afmetingen van de werken, op museumformaat, komen krachtig binnen, vooral omdat ik weet dat de hand van deze meester nooit meer een compositie zal opzetten. Zijn ogen zijn gesloten, maar door zijn blik zie ik nog steeds en kan ik vrijwel voor altijd de schoonheid van de Harlinger haven ervaren. Een schoonheid die niet mooier is gemaakt dan zij is. Roos heeft de scherpe kanten er niet afgeschuurd, de rommel niet eerst opgeruimd. Zijn stillevens geven de bedrijvigheid van het moment weer. Ik ruik de zee, de smeerolie, de diesellucht. Ik hoor het water klotsen, metaal op ijzer bonken, de wind door netten en langs masten ruisen. Ik hoor de meeuwen schreeuwen en weet dat Jan Roos altijd van deze plek heeft gehouden.

    Hij was er altijd

    Het was zijn atelier, want het liefst toog hij met papier en pen naar de haven om er en plein air de situatie vast te leggen. Er is daar altijd wel iets gaande, voldoende inspiratie om met het verbeelden ervan een leven lang voort te kunnen. Jan Roos heeft de haven van Harlingen raak gedocumenteerd. Ik denk dat de arbeiders van het eerste uur zijn geest nog zien dwalen rond de boeien en de tonnen. Dat de meeuwen zijn schimmige aanwezigheid voelen. Want hij was er altijd. Bij nacht en ontij, in weer en wind. Vooral wanneer het klimaat zich van zijn meest extreme kant liet zien, kon het vuur van de inspiratie hoog oplaaien. In de grote werken op zaal van Museum Belvédère is dat goed voelbaar, welhaast tastbaar. Roos zette het leven op geleefd papier, op uitgeleefd karton. De drager kreeg onder zijn handen een nieuw leven toegemeten. Afgedankt voor dagelijks gebruik, opnieuw gebruikt voor de eeuwigheid.

    Het boek is niet gesloten. Jan mag dan zijn laatste hoofdstuk hebben geschreven, er een punt achter hebben gezet, het verhaal gaat door. Zijn vertelling kan bij iedere tentoonstelling opnieuw verteld worden. Er komen geen woorden van de meester meer bij, maar er zullen telkens weer woorden van beschouwers aan worden toegevoegd. Het beeld is klaar – nog niet af. Wanneer de schilderingen zichtbaar worden, komen verschillende inzichten op. De maker mag uit de tijd zijn, de nalatenschap blijft bij de tijd. In Belvédère nog enkele momenten te zien; het boek blijft daarbij als herinnering. “Gelukkig hebben we de plaatjes nog…”

    Geen catalogus

    De tentoonstelling van Jan Roos in 2026 in Belvédère is zijn vijfentwintigste solo-expositie. Het boek dat erbij verschijnt, biedt het eerste grote overzicht van zijn leven en werk. Een bekroning van een kunstenaarsleven dat, gerekend vanaf de eerste expositie, meer dan vijfenveertig jaar beslaat. Wanneer ik het boek opensla, de catalogus bij de tentoonstelling, komt de haven van Harlingen me figuurlijk tegemoet. Het rumoer en de rotzooi spatten van de opgenomen werken af. Feitelijk is het boek geen catalogus, maar een overzicht van Roos’ oeuvre, een dwarsdoorsnede van zijn werkzame leven. Han Steenbruggen en Dirk van Ginkel, vrienden in en buiten de kunst, omschrijven Jan Roos in beschouwingen over zijn werk en in herinneringen aan de kunstenaar. Ook komt hijzelf door getranscribeerde gesprekken op papier aan het woord. “Wat hij wil meedelen ligt verankerd in zijn werk, die geweldige schilderijen die zich laten begrijpen als een voortdurende emotionele overgave aan zijn onderwerpen en zijn leefomgeving én als een zoektocht naar de kern der dagelijkse dingen, in de wetenschap dat alles met de tijd vervliegt”, kenschetst Steenbruggen Roos.

    Zijn liefde voor water- en havenscènes – van het laden en lossen van vissersschepen, het boeten van netten op de kade, het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan een scheepsromp tot het meeuwenleven op de steigers – begon al op jonge leeftijd en duurde een leven lang. “Mijn leven lang heb ik ook dat eenvoudige leven willen schilderen, en altijd op een directe, eenvoudige manier.” De haven heeft voor hem een magische aantrekkingskracht. Hij vindt het er prachtig: al die hardwerkende mannen, de vonken van de snijbranders, de heen en weer rijdende kranen, de reusachtige stukken metaal waaruit zomaar een schip kan ontstaan, de herrie, de stank. Jan Roos woont letterlijk en figuurlijk in zijn onderwerp. In de haven is Roos een vertrouwde verschijning. Hij loopt bijna dagelijks de werf op, kiest een plek en gaat op de grond zitten tekenen. Voorovergebogen of op de knieën, met de blik gericht op het onderwerp. Hij groet de arbeiders, maar maakt geen praatje en houdt ze niet van hun werk. Iedereen accepteert zijn aanwezigheid. Zij doen hun werk, hij het zijne.

    Havenwerker onder de havenwerkers

    “Veel onderwerpen die Jan Roos tijdens zijn lange schildersloopbaan heeft geschilderd – de werf vlak bij zijn huis en de oude havenhoofden – bestaan niet meer en leven alleen nog voort in foto’s en in zijn schilderijen”, schrijft Han Steenbruggen. “Toch ontbreekt in zijn werken elke vorm van nostalgie. Hij schilderde zijn onderwerpen zonder bijgedachten – emotioneel betrokken, maar zonder erbij stil te staan dat ze eens zouden kunnen verdwijnen. Zijn benadering kenmerkt zich door waarnemen, verwonderen en schilderend opgaan in het moment. En daarbij gaat het niet alleen om zien, maar ook om ruiken, horen en voelen. (…) In die noordelijke havenstad legt hij de menselijke bedrijvigheid vast – als havenwerker onder de havenwerkers – en de alledaagse uitzichten tegen het decor van de zee met haar eeuwig wisselende getijden. Zijn wijze van schilderen kenmerkt zich door een intens beleven, zowel mentaal als fysiek, en hij weet daarmee al die onderwerpen, waarmee hij zo door en door vertrouwd is, te bezielen.”

    “Dokwerkers, lassers, vissers, meeuwen, schroeven, rompen en ankers schilder ik op de grens van de dag en de nacht. Het leven verwijst naar de dood. Ik wil het nooit precies namaken, ik hou het graag een tikkeltje abstract. Wat ik niet mooi vind, laat ik weg. Altijd al gedaan. Het gaat mij meer om het gevoel van hier te zijn dan om het weergeven van de werkelijkheid”, laat Roos Van Ginkel weten. “Het is het mooist om op een scheepswerf of in de haven te zijn als er veel activiteit is. Als de havenmannen druk aan het werk zijn, laden en lossen, reparaties uitvoeren, herrie maken, hun troep overal neergooien, met overal die meeuwen die boven alles uit krijsen. Dat wil ik graag in mijn werk weergeven.”

    Jan Roos – op de scheidslijn van land en zee. Tentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70, Oranjewoud. 21 februari tot en met 7 juni 2026.

    Jan Roos, Museum Belvédère
  • Biografie Blaupot ten Cate herinnert aan een onstuimig leven

    Museum Belvédère bezit een schilderij dat maar moeilijk in samenhang met andere werken uit de collectie getoond kan worden. Het zal overigens niet het enige kunstwerk in de collectie zijn dat meestal achterblijft in het depot en maar zelden zichtbaar is voor het publiek. Maar deze specifieke eenling krijgt toch met enige regelmaat een plek op zaal, omdat directeur-conservator Han Steenbruggen het zo mooi vindt. Het betreft een werk van Anne Marie Blaupot ten Cate en toont een dromerig geschilderd portret van twee vrouwen. Geschilderd in haar Parijse jaren, schrijft Steenbruggen in het voorwoord van een biografie over haar leven: “(…) alles zoveel zachter en subtieler op elkaar afgestemd. Die ritmische opeenvolging van ogen, monden, schouders en armen, het versluierde coloriet en de donkere accenten rond en boven de figuren. Het zijn die beeldende middelen waarmee ze de melancholie in de blik van de twee vrouwen diepere betekenis geeft.

    Dit schilderij is min of meer het vertrekpunt om een avontuurlijk verhaal over haar leven te schrijven. Hoewel deze “Twee vrouwen” een ingetogen karakter hebben, geldt dat zeker niet voor de maker ervan. Anne Marie Blaupot ten Cate, geboren in Nijehaske onder de rook van Heerenveen, dreigt een vergeten kunstenaar te worden. Althans: zij verdween mogelijk anoniem in de vergetelheid van de kunstgeschiedenis. Wijlen Susan van den Berg verdiepte zich in leven en werk van Blaupot ten Cate, maar kon deze beschouwing niet afmaken vanwege haar plotselinge overlijden in 2023. Van den Berg had al eerder in een boek aandacht gevraagd voor een onopgemerkte kunstenaar: Hanny Korevaar. Kunsthistorica en publiciste Van den Berg, nog maar net aan Museum Belvédère verbonden als conservator, stond bij leven bekend om haar nauwgezette studie van de kunst en de kunstenaars waarover zij schreef. De uitgaven van haar hand mogen kleine parels in de kunstbibliotheek heten. Van een biografie over Blaupot ten Cate is het echter niet gekomen en ook voor het samenstellen van een tentoonstelling ontbrak Steenbruggen aanvankelijk de moed. Niet meer nadat Hanneke Boonstra zich had gemeld. Boonstra wist niets van de plannen van het museum, maar werkte al aan een onderzoek dat zou uitmonden in een biografische schets en een bescheiden tentoonstelling.

    Tussen figuratie en abstractie

    In de schaduw van de kunstgeschiedenis leeft Anne Marie Blaupot ten Cate een heftig en bij tijd en wijle stormachtig bestaan. Hartstochtelijk op zoek naar erkenning, bewegend tussen grootheden die haar niet onopgemerkt voorbij lieten gaan. Tegelijkertijd ontwikkelt zij driftig een stijl die wordt omschreven als lyrisch expressionisme en later als intuïtieve abstractie. Wat haar bovendien bijzonder maakt, is dat haar werk nooit helemaal opgaat in één stroming. Ze beweegt tussen figuratie en abstractie, tussen Parijs en Noord-Afrika, tussen schilderkunst en textielkunst. Daardoor houdt haar oeuvre iets zwervends en ongrijpbaars — alsof het voortdurend onderweg is. Want zij is een wereldburger die nooit langer dan enkele jaren op één plaats verblijft en dikwijls terugkeert naar waar ze eerder was.

    Haar leven en werk vormen een zoektocht naar vrijheid — eerst in de zichtbare werkelijkheid, later steeds meer in kleur, ritme en innerlijke beweging. “Een schilderij is ritme, beweging, klank en kleur”, zegt ze daar zelf over. “Zoiets als dansen.” De kunst van Anne Marie Blaupot ten Cate lijkt zich niet te willen laten vastzetten in één stijl of richting. Haar werk beweegt. Alsof het onderweg is naar iets wat niet volledig zichtbaar wordt, maar zich slechts laat vermoeden — dat er meer schuilgaat achter de afbeelding dan wat zichtbaar is. Eerst nog herkenbaar in mensen, steden en landschappen, later steeds vrijer in kleur, ritme en gebaar. Niet de werkelijkheid zelf wordt geschilderd, maar de adem ervan.

    Door een intieme tentoonstelling achter in de westvleugel van Belvédère krijgt de museumbezoeker een glinstering te zien van het ritme, de beweging, de klank en de kleur waarvan Blaupot ten Cate zich bediende. Hoewel klein van opzet maakt de tentoonstelling groots zichtbaar waarom Van den Berg en later Boonstra haar uit de schaduw voor het voetlicht wilden brengen. De dromerige sfeer die zowel in het figuratieve werk als in de abstracties naar voren komt, zet zich af tegen de dreiging van het dagelijks bestaan. De zorgen en moeiten waarmee zij te kampen had, worden niet verwerkt in de schilderijen. Haar depressieve momenten, verloren liefdes, geldzorgen en de oorlogsdreiging krijgen geen plek in de overwegend montere verbeeldingen. Wel lijken de geportretteerde figuren in zichzelf gekeerd, melancholisch, haast hulpeloos in hun blik. Het kijken is doordringend en houdt de aandacht onwillekeurig vast. Deze fysieke openheid sluit de beschouwer als het ware op; de voorstelling magnetiseert het beschouwende oog.

    Menselijk en zintuiglijk

    Wat bij het werk van Anne Marie Blaupot ten Cate opvalt, is dat de vormen nooit hard worden. Zelfs wanneer haar werk richting abstractie schuift, blijft het menselijk en zintuiglijk. Alsof verf geen materiaal is, maar een gevoelslaag. Haar doeken hebben iets muzikaals; kleurvlakken raken elkaar zoals tonen dat doen in een compositie. Niet bedacht vanuit theorie, maar vanuit intuïtie. Je zou kunnen zeggen dat zij schilderde zoals een dichter schrijft: zoekend naar een innerlijke ruimte waarin de zichtbare wereld oplost in stemming, herinnering en beweging. Haar werk bezit daardoor iets nomadisch — alsof het nergens definitief wil aankomen. Parijs, reizen, textiel, licht, aarde en stilte vloeien er ongemerkt in samen.

    Ik kom steeds weer tot abstractie, maar is het dan geen uitvlucht? Abstracte kunst kan zo gemakkelijk zijn, dat is zeker. Met het rein abstracte kan ik nog wel wat verder komen wat ritme, kleur en compositie betreft. Maar ik geloof het toch te moeten zoeken in een combinatie van droom en werkelijkheid, van innerlijk beleefde emoties en sensaties.” De beschrijving die Hanneke Boonstra van deze kunstenaar geeft, is samengesteld uit de vele bewaard gebleven brieven. Deze memorabilia zijn voor biografieën van tal van kunstenaars een vruchtbare voedingsbodem gebleken. Hoe zou dat tegenwoordig zijn, in onze digitale tijd waarin men nauwelijks nog tot een geschreven brief komt? Blaupot ten Cate heeft vele kantjes volgeschreven om het thuisfront van haar wederwaardigheden in en door de wereld op de hoogte te brengen. Haar doen en laten, haar leven en werk.

    Het is een onstuimig leven dat zich nauwelijks laat beteugelen. Zoveel maakt de lezer op uit deze uitgave. Maar dat heftige bestaan, het leven levend tot het gaatje, vindt nauwelijks weerslag in haar schilderijen. Tussen alle drukte door lijkt het schilderen een rustpunt te zijn geweest. Een stiltemoment. En nog werkt dat zo wanneer ik in het museum langs haar werken loop. De manier waarop het zijn in beeld is gebracht, zet aan tot nadenken. Natuurlijk zijn daar de weemoedige portretten, maar ook de dansende abstracties. “Abstract schilderen is eigenlijk een combinatie van stemmingen, die al werkend tot een schilderij uitgroeien. Pas later herken je dingen die je er onbewust hebt ingebracht.” Het onderbewuste speelt een grote rol in zowel het maken als het kijken naar de kunst van Blaupot ten Cate. Zij was een componist die muziek verdichtte in schilderijen. Als een dans over een kleurig podium. Zo zal de wereld haar herinneren.

    Anne Marie Blaupot ten Cate. Een onstuimig leven. Auteur: Hanneke Boonstra. Uitgave: Waanders Uitgevers, 2026. Kamerpresentatie Museum Belvédère, 21 februari tot en met 7 juni 2026.

    Anne Marie Blaupot ten Cate, Hanneke Boonstra, biografie, Museum Belvédère, Waanders Uitgevers
  • Takkenhoogte bezien door museumbezoekers

    Het is een unieke uitgave”, zegt Han van Hagen wanneer ik met hem naar de parkeerplaats loop. “Niet eerder kwam er een boek uit waarin de museumbezoeker zelf aan het woord komt over een tentoonstelling. Altijd zijn het kunsthistorici en recensenten die erover schrijven. Maar voor mij is het belangrijker hoe het publiek over mijn werk denkt.” Han heeft mij een exemplaar van zijn nieuwe boek beloofd. Het ligt in zijn auto. Ik zoek hem op in Museum Belvédère waar opnieuw zijn serie “Takkenhoogte” wordt tentoongesteld. Althans: de keuze die museumbezoekers daaruit hebben gemaakt.

    Over die eerste tentoonstelling in het voorjaar van 2025, en het daarbij verschenen boek als catalogus, schreef ik eerder. Een doorsnee museumbezoeker ben ik niet. Ik zie, beschouw en kijk om te oordelen. Techniek en compositie interesseren me minder; het gaat mij in mijn besprekingen om het gevoel – de emotie die ik ondervind kijkend naar het werk. Die ervaring zet ik om in woorden. Feitelijk wat de bezoekers met de etsen in Takkenhoogte ook hebben gedaan.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek

    Het ontstaan van de serie en de bijzondere werkwijze van de afzonderlijke delen in het geheel mogen inmiddels meer dan bekend zijn. Na het bezoeken van een tentoonstelling van Hercules Segers in het Rijksmuseum was Van Hagen zodanig geïnspireerd dat hij op eenzelfde wijze als de zeventiende-eeuwse kunstenaar wilde werken. Segers maakte unica van zijn prenten door elke afdruk anders te behandelen. Geraakt besloot Van Hagen in diens trant een prent te maken om te ervaren wat er zou gebeuren. Het werd een serie die door de tijd uitwaaierde tot een oplage van driehonderd bladen van een en dezelfde etsplaat. Iedere afdruk kreeg een verschillende, unieke bewerking, zodat het museum een wandvullende opstelling kon maken. En dat was slechts een keuze uit de totale serie. Basaal opgehangen met spelden vormden de 104 prenten een wonderwand, een kunstinstallatie die de monumentale maat van Takkenhoogte aangeeft.

    Welke keuze maakten zij en waarom

    De serie had als bijkomend verschijnsel”, schreef ik in mijn eerdere beschouwing, “dat Van Hagen gaandeweg merkte dat iedere afdruk een eigen karakter had. Een persoonlijk gevoel aanboorde, een individueel gemoed aansprak. Bij iedere afbeelding bleek een bepaalde stemming te horen. De nuchtere technische zijde werd overstemd door een informele, emotionele kant. Zoals afzonderlijke beschouwers een andere beleving kunnen hebben bij hetzelfde kunstwerk, zo is er in de serie Takkenhoogte voor iedere beschouwer een eigen afdruk. Uiteraard kan dat per dag verschillen; kan het vandaag deze zijn, terwijl het gisteren die andere was en het morgen weer de volgende is. Zo heeft Takkenhoogte alle emoties die voorhanden zijn in zich. Zijn alle uitkomsten mogelijk, heeft ieder resultaat een verwachting.”

    En juist deze emotie interesseerde Han van Hagen. Door de wijze van exposeren bekeken bezoekers eerst de hele wand als een geheel, waarna zij op de afzonderlijke prenten gingen inzoomen. “Welke keuze maakten zij daarbij en waarom?” Dat wilde Van Hagen graag weten. Door middel van een vraag op een tekstbord nodigde hij de bezoekers uit daarop een reactie te geven. En die reacties waren zo waardevol dat de kunstenaar ze wilde vastleggen in een speciale uitgave van Takkenhoogte, namelijk de Bezoekers. Een kleine tachtig respondenten zijn in het boek opgenomen, met daarnaast hun gekozen prent.

    Alle reacties”, verantwoordt Han van Hagen zijn in eigen beheer uitgegeven boek, “die de bezoekers mij toevertrouwden, getuigen van een persoonlijke beleving. De keuze van een bepaalde prent was vaak aanleiding om gevoelens onder woorden te brengen. (…) De afbeelding op een prent blijkt tot ontroering te kunnen leiden én troost te bieden.” Al bladerend door de uitgave valt het mij op dat er veel herinneringen worden opgehaald, dat reageerders zich in woorden van hun kwetsbare kant laten zien. Dat verlies door een prent beter wordt verwerkt. Ook geven de platen aanleiding een persoonlijk verhaal te vertellen, of inspireren zij collega-kunstenaars in hun eigen werk. “In bijna alle reacties laat de schrijver zijn of haar binnenwereld zien. Takkenhoogte is een klankbord geworden van het gemoed.

    Meer dan kreupelhout

    De prenten roepen emotie op, zoals kunst een kwestie van gevoel is. Het is geen vluchtig, terloops zien; de werken verdienen een onderzoekende manier van kijken, een beschouwen. Een doorzien, zodat het vlierbosje meer is dan kreupelhout. Dat het een portret wordt van dit stukje natuur. Dat het zich even divers tot de buitenwereld kan verhouden als de mensen die ernaar kijken. Dat er voor iedere dag van het jaar een emotie is; dan zal Han van Hagen er echter nog een aantal bij moeten maken, in de hoop dat de etsplaat dit aankan.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek

    Op deze plaats zou ik de emoties van de bezoekers kunnen herhalen. Of de mij meest aansprekende uitspraken kunnen citeren. Ik doe dit niet, daar Van Hagen dat zelf al voldoende gedaan heeft in zijn boek Takkenhoogte – de bezoekers. Waarin de bezoekers op hun eigen manier een takkenbosje beschouwen in een wat wild gegroeid gebiedje, ergens argeloos en onnadrukkelijk aanwezig in de achtertuin die overgaat in het heideveld. In die overgave en concentratie spelen stemmingen een rol, maar ook levenservaringen, het geheugen, herinneringen en verhalen. Een bepaald beeld in de reeks trekt dan de aandacht om iets persoonlijks op te diepen uit het individuele leven zelf. Dan gaat het uiteindelijk over het mysterie van geboorte en dood, de essentie van familie, het verliezen van dierbaren – hoe ver weg soms ook –, de liefde en de erotiek, de voortdurende inspirerende inzichten en vergezichten van landschappen, kunstwerken en geschriften, het wonder van de taalgeboorte van de allerkleinsten, de betekenis van vriendschap. Verdorie, nu haal ik toch een reactie aan. Bedankt, Leo Divendal.

    Het is een uniek project, dat “Takkenhoogte”, dat een buitengewoon vervolg heeft gekregen. Meestal legt museumpersoneel of een galeriehouder wel een gastenboek bij een tentoonstelling of expositie. Daarin kunnen bezoekers iets schrijven, maar dat zijn doorgaans algemene reacties en geen respons op afzonderlijke werken. In het geval van Takkenhoogte zijn de reacties een waardevolle toevoeging voor zowel de maker als de kijker. Het geeft een inkijk in hoe kunst beleefd wordt. Niet enkel wordt het werk van Han van Hagen beschreven; de beschouwende bezoekers gaan tevens in op hun individuele kunstbeleving, die universeel blijkt te zijn. Kunst geeft vorm aan de persoonlijke beleving van de werkelijkheid. De beleving van Han van Hagen blijkt echter minder persoonlijk dan hij vermoedde. Zijn werkelijkheid blijkt waarheid en echtheid voor velen. “Kunst doet waarvoor het bestemd is, zij zet aan tot ervaren, denken of leidt tot ontroering, een binnenwereld wordt bereikt”, vult de kunstenaar aan.

    TAKKENHOOGTE – de Bezoekers – . Han van Hagen. Uitgave van Kunstcentrum Hofstede Duet, 2026. Te zien in Museum Belvédère van 5 mei tot en met 7 juni 2026.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek
    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek