Auteur: Jurjen K. van der Hoek

  • Kijken naar de mens in Kunstlokaal No.8

    Het is wel impressief. Imponerend ook. Wanneer ik nu over de drempel van Kunstlokaal No.8 stap, ontmoeten een groot aantal paar ogen mijn blik. Boren deze ogen zich in mijn rug wanneer ik mij wend of keer. De vorsende blikken lijken mijn beschouwen te volgen. Vanaf de wanden van de ruimte is het alsof Peter Geerts – want om zijn oogopslag gaat het hier – mij aandachtig aankijkt, zijn ogen mij nazien: wat zal jij schrijven over mijn zijn? Het zijn van Geerts bestaat in dit lokaal uit een zichtbare werkelijkheid. Daar ken ik hem niet van. Hij is gewoon mij zijn geestelijke waarheid te tonen. En fijn voor mij, zijn daar enkele werken van tussen de zelfportretten gehangen. Alsof dit werk dat andere in balans brengt. Dat de tegenstrijd in werkelijkheid en abstractie zich op deze manier laat compenseren.

    Kunstlokaal No.8, Peter Geerts, Geer Steyn

    Heeft Geerts afleiding gezocht. Zijn emotie willen afreageren met rede. Zijn gevoel ligt echter tevens besloten in de werkelijkheid van zijn reflectie. In eerste instantie kijkt hij zichzelf bij het maken van een portret doordringend aan. Het eigen ik dient namelijk in beeld te worden doorgrond. Het is zaak geconcentreerd te beschouwen om aandachtig te portretteren. Wie ben ik, schijnt hij zichzelf aldoor af te vragen. Wie is deze mens. Op diverse manieren heeft hij zichzelf bestudeerd, zijn kop geschilderd. En welhaast aldoor en face of soms driekwart; je moet jezelf wel in de gaten houden. Een enkele keer sluipt de humor in wanneer het hoofd neigt of de mond openvalt, er een glimlach op de lippen verschijnt.

    Meest abstract schilder

    Echter zocht Geerts geen verzetje om eens een andere vaardigheid aan te spreken. Een opdracht aan de leerlingen in zijn schilderklas bracht hem op het spoor deze richting in te gaan. Om deze wisselwerking met zijn abstracte composities te maken. Iedere week een jaar lang liet hij zichzelf aan hemzelf zien. Schijnt hij een persoonlijke kant van zijn kunstpraktijk te hebben opgebouwd, hoewel de meest abstracte schilder zich uiteraard tevens individueel laat kennen. Zijn basis zet hij daarin vast langs wiskundige lijnen om grip te krijgen op de situatie, schreef ik eens eerder over zijn concreet kijken en ervaren. De opgelegde begrenzing overschildert hij, waardoor het vierkant verdwijnpunt wordt. Maar in het abstracte landschap is er geen omgeving, het is niets, een schijfje tijd. Een plat perspectief waarin ik verdwijn in de non-figuratie, zoals ik wordt opgeslokt door de blikken in de portretten. Bij zijn werk moet ik de gedachten op nul zetten en de blik op oneindig. Dan ontmoet ik Peter Geerts in zijn werk.

    Kunstlokaal No.8, Peter Geerts, Geer Steyn

    Geer Steyn en de menselijke figuur

    Beeldenaar Geer Steyn ontdekt in steen de menselijke figuur en ontdoet deze van restvormen. Wat overblijft is een figuur die meer weg heeft van een klomp materie dan een realistisch persoon. In steen houwt hij zich een abstract beeld, uit klei of met brons vormt Steyn een versimpelde figuratie. Het menselijk lichaam is benaderd als een soort terrein met huid, plooien, rondingen, reliëf, lijnen en oppervlakken waarin ik als het ware kan verdwalen. En waarin de kunstenaar rondkijkt en ontdekt dat de mens van nature hoekig is, zoals Evert Rinsema ooit heeft geconstateerd. Die uitspraak van de Friese schoenmaker en schrijver sluit heel goed aan bij de hoekige, geometrische benadering door Geer Steyn van de menselijke figuur. Hij is echter niet zomaar een beeldhouwer die toevallig hoekige mensen maakt. Hij heeft geleerd om de menselijke figuur te bekijken als een constructie van massa’s, vlakken en ruimten. De beelden van Steyn zijn monumentale abstracties, bouwwerken als het ware, waarbij menselijke gestalten zijn teruggebracht tot massieve, ruimtelijk opgebouwde vormen. Geconstrueerd uit steen, samengesteld in brons.

    Monumentaal klein

    De monumentale opbouw op klein formaat heeft Steyn meesterlijk voortgezet in sobere penningen. Enkel de essentie van de vorm is op de munt gezet, zodat de beeltenis een kubistisch karakter krijgt. Niet meer dan vlak en lijn kunnen plaats krijgen in de kleine cirkelvormen, maar duiden toch expressieve verschijningen. Voor Steyn is een penning óók een sculptuur: een kwestie van volume, licht en ruimte. Want monumentaal zit bij Steyn niet uitsluitend in de afmetingen. Een penning kan klein zijn en toch monumentaal denken. Het beeldende verhaal van Steyn bestaat uit de mens als vorm, opgebouwd uit massa, ruimte en zwaartekracht — en vervolgens steeds verder teruggebracht tot de essentie.

    Bij deze aandacht voor de menselijke figuur richt inrichter Marcel Prins zich op het atelier van de beeldhouwer. Peter Geerts kijkt naar zichzelf, terwijl Geer Steyn een breder perspectief heeft: de mens is losgemaakt van de individuele verschijning. Als toevoeging heeft Prins dan een installatie gemaakt die de werkruimte van Geer Steyn symboliseert. Hij heeft het gevoel van het Amsterdamse atelier ingevoerd in het kunstlokaal in Jubbega. Zo komen kijken, maken en ervaren samen in één ruimte.

    Concreet en Tastbaar. Werken van Peter Geerts en Geer Steyn bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. Van 5 tot en met 27 september 2026.

    Kunstlokaal No.8, Peter Geerts, Geer Steyn
  • Waarom zal ik het levensverhaal van Elmar Kuiper kennen?

    Waarom zal ik het levensverhaal van iemand kennen. Ik heb al genoeg van doen met mezelf op de rails te houden, bij wijze van spreken. Waarom is de ander interessant. Heeft deze naam of faam. Is dan de biografie roddelpraat, boulevard-geflaneer van de hoofdpersoon. Aandachtvragerij. Soms is een leven zo wetenswaardig dat anderen daar iets van willen kennen. Dat het resultaat van een zijn dermate interessant is dat je dat wezen voordien wilt onderzoeken. Niet Jan-met-de-pet, maar Karel-met-de-kroon. Het verhaal leest dan als een schelmenroman, een heldendicht of een ridderepos.

    Het kan gortdroog zijn omdat zelfs tussen de regels door niets meer valt toe te voegen. Dat alle fantasie is dood geslagen. Dat kan proza doen. In de poëzie kunnen zinnen gevolgd worden door witregels om op adem te komen. Even de gedachten laten gaan. Overdenken wat er zojuist gelezen is om op te laden voordat je verder gaat. Dat kan bij Elmar Kuiper in de uitgave “Wytbekroek“. Zijn gedichten geven minimale aanwijzingen om maximaal te beleven. Want ik lees mezelf in zijn transparante poëzie. Kuiper laat ruimte waarin mijn eigen gedachten kunnen binnentreden. Ik kan mezelf terugvinden in zijn herinneringen, alsof ze van mij zijn, alsof ik deze heb meegemaakt. Een soort van déjà vu: ik was daar, toen ook. Natuurlijk is dat niet zo. Elmar is geen Jurjen of andersom. Maar de schrijver weet het zo te formuleren dat de lezer zichzelf er in herkent, kan herkennen. Dat komt doordat de generatie dezelfde is zodat ervaringen overeen komen. Niet dat de poëzie daardoor aan kracht inboet wanneer wij allen uit de tijd zijn. De volgende tijd neemt de ervaringen mee.

    De roek als verhalenverteller

    Wytbekroek. Roek, uit de familie van de kraaien, heeft een opvallend witte snavel. In het boek is hij de verhalenverteller. Hij skrast en krast zijn geluiden op het papier. De kraai is een mysterieus dier, de roek evenzo een geheimzinnige vogel. Wanneer je hem ziet met zijn kop scheef, is het alsof hij jouw gedachten kan lezen. Weet wat jij denkt en daarop participeert. Die verhalen, geen fantasiën, geeft hij door aan de wereld onderwijl in parmantige pas straten en pleinen overstekend.

    Wytbekroek, Elmar Kuiper, poëzie, kunst

    De kraai foarop is de lieder mei de hege hoed. Wa’t nei syn gong sjocht, sjocht sûnder muoite de gelikenis mei de swarte fûgel, de roek. Allinnich de brede grize snaffel, keal oan ‘e basis, ûntbrekt. De priemende ogen kijken rond zich om te zien of de stoet goed verloopt. Of alles er wel zo devoot aan toe gaat als een rouwstoet betaamt. Een kraai, de grote neef onder de huisvogels, is in zijn zwartheid een onaangenaam dier. Toch is het even sierlijk als een vogel zijn kan. Het laat zich zweven op de winden, de vleugels uitgestrekt en de topjes iets omhoog. Met oog voor detail weet het exact daar te landen waar het wil. Door zijn grootheid kan de vogel in plaats van alleen maar hippen, zoals de vink en de mees doen, ook lopen. De beide poten kunnen zich afzonderlijk van elkaar bewegen en daarmee kan de vogel, parmantig in het rond blikkend, als een heer rondstappen. De kraai is onlosmakelijk verbonden aan de hulpen die een dode naar het graf dragen.

    Zo’n vogel had mijn broer vroeger, een tamme kraai. Gedroeg zich als een postduif. Mensen zeggen dat ze kunnen leren praten, maar dat heb ik die ka nooit horen doen. De roek van Elmar Kuiper kan dat wel, op zijn duistere manier. Hij zegt hem zijn gedachten voor; Kuiper schrijft deze als het gezang van de zwarte vogel op. En tekent bot en onbehouwen uit wat lyrisch in woorden is geschreven. In deze tekeningen is hij de roek, die volgens de mythe kostbaarheden verzameld waarmee een slordig nest wordt gebouwd. Zo rommelig lijken de illustraties van Kuiper ook in elkaar te zitten. Maar het is een evenwichtig samenspel van simpele gedachten die opborrelen in de geest. Een uitweg vinden in woorden, maar beter nog het pad van de beeldende kunst bewandelen. Geen esthetische waarheden, veeleer grof gebroken fantasmen. Deze staan in schril contrast met de poëtische regels.

    Van dichter naar schilder

    Waar zijn poëzie weloverwogen en volwassen is, lijkt hij zich in zijn schilderkunst juist een zekere onbevangenheid te permitteren. Een interessante tegenstelling: de dichter die zijn taal beheerst tegenover de schilder die de verf ruimte geeft om te ontsporen. Zijn zangerige  maar weerbarstige poëzie, waarin werkelijkheid, verbeelding en absurditeit voortdurend in elkaar grijpen, is de inspiratie voor de beeldende kunst. Zintuiglijk ga ik mee op de ritmische balans. Terwijl ik lees, raak ik steeds verder verstrikt in de gedachtewereld van Elmar Kuiper. Herinneringen, gesprekken met ouders, beschouwingen van kinderen – met de dood voor ogen. Het zijn zo onderwerpen van alleman. Daarmee kan ik mij vereenzelvigen. Mijn zijn bestaat ook uit deze elementen van leven. Daarom staat de poëzie van Kuiper met beide voeten in het leven, terwijl de beelden dat leven optillen naar een andere werkelijkheid.

    Wytbekroek, Elmar Kuiper, poëzie, kunst

    Het Frysk danst

    Niet iedereen zal zich daarin kunnen vinden, terwijl wie vooral het wit tussen de woorden leest en de lege regels doorneemt zich in de lyrische besprekingen kan vinden. De taal hoeft dan stellig geen drempel te zijn. Het Frysk danst over het papier, ook voor degene die de spraak niet machtig is. Het gevoel is universeel, de sfeer voor iedereen begrijpelijk. Daarvoor moet je door de woorden heen zien, kijken langs het idioom van de spraak. Dan is het taaleigen niet persoonlijk voor die bepaalde streek, maar kan het zich overal doen gelden. Dan is het onbelangrijk dat je kunt verstaan en het alleen ervaart als klanken.

    “soms

    sykje ik

    in útwei

    sis ik tsjin mysels:

    kop derfoar, El!

    drink ik kofje

    út in mok

    mei I love daddy

    derop

    soms

    tink ik dat ik

    de wurden drink

    dy’tsto my skonken hast”

    Een prachtige gedachte waar ik die van mij in kan plaatsen. Ik kan het Fries spellen en nazeggen. Dat is geen noodzaak, want je hoeft het niet te kunnen spellen, het resoneert in gedachten. Ook wie het Fries niet beheerst kan de poëzie ervaren, fonetisch dan, maar de emotie klinkt erin door en bepaalt het gevoel.

    De dood is een vast onderdeel van het leven. Een onontkoombaar fenomeen – een grens die iedereen vroeg of laat over moet. Dat een dichter daarover dicht is niet verwonderlijk. Zoals de tekstdichter ofwel liedjessmid verzen maakt die over liefde gaan. Want dat is ook het leven. Maar zo onomwonden als ‘ik hou van jou’ daartoe verlaagt de poëet zich over het algemeen niet. In de poëzie wordt tussen de regels door de liefde bedreven. Ligt het er niet dik bovenop, maar klinkt er wel in door.

    Wytbekroek, Elmar Kuiper, poëzie, kunst

    Elmar Kuiper schilt de woorden van de taal, zoals een appel haar jas laat uitdoen. De letters komen los van het alfabet, waardoor de dichter deze naar eigen inzicht kan leggen. Net als in zijn collages lijken de details soms minder te passen, maar vormen uiteindelijk toch een doorlopend geheel. In de taal is dat beter zichtbaar dan in het beeld. Zijn gedichten zijn geen traditionele poëzie. Het zijn vaak kleine verhalen, met veel suggestieve invallen. Een overmoed aan witruimte waarin de lezer zelf het plot dient in te vullen. Waarom zal ik het levensverhaal van Elmar Kuiper kennen? Wel, omdat hij zijn leven niet aan mij opdringt, maar mij erin laat binnengaan met mijn eigen ervaringen. Kuiper geeft de voorzet, ik schiet op doel. Mis ik dan heb ik het niet begrepen. Meestal echter is het een voltreffer en grijpt de keeper in lucht. Kuiper is een beste aangever.

    Wytbekroek. Elmar Kuiper, poëzie en kunst. Utjouwerij Hispel, 2026.

    Wytbekroek, Elmar Kuiper, poëzie, kunst
  • Het zwarte randje van het bruine goud

    Ik ben een liefhebber. Dat mag ik wel eerlijk toegeven. Ik houd erg van chocola. Puur, melk, wit. Hoewel wit geen chocola is, zeggen de kenners. Met hazelnoten, boerenjongens, zeezout, toffee of nougat. Heerlijk, daar kun je me ’s nachts voor wakker maken, bij wijze van spreken. Chocola geeft me een goed gevoel. Alleen al de lekkere smaak en het smelten van chocolade in de mond zorgen voor een directe psychologische beloning en troost. Het past in mijn dieet om de wereld door een roze bril te bekijken. Maar het is oppassen met de calorieën en verzadigde vetten.

    Dat ik een liefhebber van kunst ben, sluit hier mooi bij aan. Van realisme tot abstract, van Cobra tot Zero, van impressionisme tot expressionisme. Nee, daar hoef je me ’s nachts niet voor wakker te maken – beter van niet – maar ik maak bij daglicht graag tijd voor een voor mij oogstrelende presentatie waarvan ik een goed gevoel krijg. Nu wil het geval dat beide liefhebberijen op dit moment samenkomen in Museum Belvédère.

    Het zwarte randje

    De bitterzoete smaak van chocola. De kunst van Fransix Tenda Lomba. Die chocola mag dan wel een bruine lekkernij zijn, het heeft natuurlijk ook een zwart randje. Achter de zoete smaak van de cacaoboon schuilt een geschiedenis van kolonialisme, uitbuiting en slavernij. En ook vandaag is de productie van cacao niet vrij van kinderarbeid en armoede. Daar begint bij Lomba het bittere in de zoete smaak. Hij laat mij niet alleen naar chocolade kijken, maar ook zien wat erachter schuilgaat.

    De figuren in zijn composities lijken van chocola. Van die Sinterklazen of Paashazen. Om in te bijten. Maar de adder onder het gras ligt op de loer. Het is te mooi om waar te zijn. Lomba laat wel degelijk de naakte waarheid zien, het zwarte randje aan het bruine goud. Verpakt in een veelkleurig papiertje; de sfeer zoals het verlichte Westen die ervaart van het donkere Congo, de geboortestreek van Lomba. Het is de buitenkant. In de gelaagde afbeeldingen houdt de kunstenaar zich groot, maar het verdriet is nooit ver weg. Ellende verpakt als lekkernij, hoe bitter wil je het hebben.

    Bruin goud

    Chocola. Zoet voor de één, bitter voor de ander. Zoet voor de consument die het in diverse variëteiten op de markt vindt. Bitter voor de mensen aan het begin van het productieproces, die krom liggen om met een zakcent afgescheept te worden. Chocola, het bruine goud. Alleen lijkt dat goud onderweg naar de supermarkt steeds meer waard te worden, terwijl degene die de cacao plukt er nauwelijks beter van wordt.

    Die uitbuiting, die scheve verhouding, wil de kunstenaar symboliseren in beeldmerken die relateren aan cacao en chocolade. Le bon chocolat lijkt met hand en tand te worden verdedigd. Niet door degenen die de cacaobonen oogsten, maar door de producenten die er veel munt uit slaan. Côte d’Or schuift de olifant naar voren; Afrika wordt gezien als de producent van die cacaoboon waaruit het bruine goud wordt gewonnen.

    De olifant

    De olifant wordt zo een beeldmerk dat ongemerkt een hele koloniale en economische wereld met zich meedraagt. Daarom zien we de dikhuid terug in de composities van Lomba. Chocola is de wikkel waarin hij de koloniale geschiedenis en de postkoloniale samenleving verpakt, de economische relaties tussen Afrika en het Westen én de manier waarop grondstoffen zoals cacao wereldwijde netwerken van macht en afhankelijkheid creëren.

    Niet meteen zie je die zwarte bladzij als je naar de vrolijke omslag kijkt. Het werk oogt opgeruimd, zoals in Congo zelfs van een triest feit een feestelijke gebeurtenis kan worden gemaakt. Maar achter de grijnzende grimas wellen de tranen. Dat is bij Lomba ook het geval. Als een boer met kiespijn.

    Op de website van het museum lees ik dat hij in zijn werk bekende logo’s combineert met motieven die zijn ontleend aan Afrikaanse en westerse beeldtradities en dat hij historische figuren schildert die gedrenkt lijken in chocolade. Waar zijn persoonlijke geschiedenis en die van Congo uitgangspunt zijn voor zijn kunst, vormen cacao en chocola daarbij de symbolen van verbinding tussen continenten, tussen verleden en heden, tussen productie en consumptie én tussen mensen.

    De felle kleuren in de setting van mens, dier, plant en boon zetten de beschouwer op het verkeerde been. Niet ndombolo zet de sfeer, maar de Congolese rumba. De composities drukken verdriet, protest en hoop uit. Ridders met sabel en speer staan model voor eeuwenlange onderdrukking, die voortduurt tot de dag van vandaag. Nog altijd wordt niet alleen de cacaoboon geroosterd en uitgeperst, ook de arbeider op de zongeblakerde plantage wacht eenzelfde lot. De uitbuiting is prachtig gesymboliseerd in de compositie Le choc est là, waarin de cacaoplukster iconische Delftsblauwe souvenirs in haar mand heeft verzameld. Het legt de link met Nederland, dat in het slavernijverleden zeker niet aan de zijlijn stond toe te kijken. Zo worden meerdere culturen door Lomba binnen het werk gehaald.

    Hoewel chocolade geen Nederlandse uitvinding is, heeft Nederland er wel een bijzondere geschiedenis mee. Nederland verdiende historisch veel aan cacao uit de koloniale wereld, terwijl de mensen die de cacao produceerden daar niet evenredig van profiteerden. Als dank kregen ze aardewerken klompjes en molentjes, de Hollandse variant van kralen en spiegeltjes. Lomba kan zich daar nog altijd, tig jaar na dato, kwaad over maken en reageert dat af in zijn kunst. Het zijn echter geen boosaardige schilderijen. Om de boodschap klaar en duidelijk over te brengen, blijft hij zich op een vriendelijke manier uiten.

    De wikkel

    Ik zie niet letterlijk bloed, zweet en tranen, maar het lichaamsvocht sijpelt wel tussen de kleurige vormen door. In de beeltenissen houdt Lomba zich groot. Wanneer hij de angst en pijn werkelijk zou afbeelden, loop ik eraan voorbij en wend mijn blik af. De echte ellende is te confronterend. Daarom is die verpakt in mooie kleuren en esthetisch verantwoorde figuratie. Wie zich echter de tijd geeft en een moment langer tussen de werken verblijft, kijkt door die fraaie laag heen en merkt de verborgen boodschap. Zoals je in proza of poëzie tussen de regels door de verholen waarheid kunt lezen, kun je in deze gelaagde kunst de werkelijkheid peuren.

    Hoewel geschoold in Amsterdam in de geest van een Nederlandse traditie, brengt hij toch zijn culturele roots in in de westerse kunst. Hij laat wat wij een primitieve beeldtaal noemen los op onze manier van vormgeven aan de verbeelding. Vanuit het oogsten van de cacaoboon kijkt hij op naar de consumptie ervan.

    Hij kijkt als het ware over mijn schouder wanneer ik op de bank voor de tv zit te smikkelen van het bruine goud. Vanaf nu, na het bezoek aan zijn werk in het museum, zit hij als een duiveltje op mijn schouder en bedenk ik mij driemaal voor ik een stuk van de reep breek.

    Mijn gemoed is bezwaard, mijn geweten ontaard. Bij iedere hap krijg ik de bittere smaak in mijn mond. Kan ik nog hard maken dat ik liefhebber ben? Kan dat nog met de wetenschap van nu? Lomba opent ogen. Met zijn kunst dicht hij de bevrediging.

    Kamerpresentatie Fransix Tenda Lomba – De bitterzoete smaak van chocola. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70, Oranjewoud. Westvleugel, van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Fransix Tenda Lomba, Museum Belvédère

  • Henk Zwerver improviseert op papier

    Henk Zwerver plaatst een komma waar andere kunstenaars een punt zetten. Zo begon ik kortgeleden mijn beschouwing over het werk van Zwerver, zoals ik dat zag in Kunstlokaal No.8. Die letters staan nog warm op mijn scherm, het artikel ligt nog digitaal te drogen, zo recentelijk is het geschreven. Als reactie op die recensie stuurde de kunstenaar mij zijn laatste gedrukte uitgave. “Dit is het boek dat de aanleiding vormde tot mijn recente expositie (…), mijn allereerste verschijnen voor publiek en meningsvorming.” Deze bundel collages kan ik voor kennisgeving aannemen, er verder niets mee doen en gezien in de boekenkast schuiven. “Ik stuur het je graag toe omdat jij de eerste bent die in geschreven woord reageerde op mijn spul.” Die conclusie zet mij aan tot dieper denken dan slechts een kijken zonder te zien. Maar zal ik herhalen wat ik eerder schreef? Zal mijn ambiguïteit, onbepaaldheid, andermaal de voortdurende komma onderkennen?

    Henk Zwerver, collages

    Dat is het namelijk wel. Die komma is belangrijk voor zijn werk. Hij gaat verder waar anderen afronden. Zijn idee reikt verder dan het zichtbaar geconstrueerde beeld. In de achtergrond van het een denkt hij door om de voorgrond van het andere samen te stellen. A prima vista betreedt Zwerver een pad dat hij zelf gaandeweg ontdekt. Zo werkt dat in zijn muziek en zo klinkt dat door in zijn kunst. Door de bundel Un appareil photo kom ik op het spoor van Henk Zwerver. Het boek heeft geen tekst, want beelden zeggen meer dan duizend woorden. Dus daaruit kon ik geen verhaal halen. Via zijn website ontdekte ik een andere dimensie, die van de muziek.

    De komma blijft staan

    Zwerver beoefent de vrije geïmproviseerde muziek. En net als dat in de kunst zo werkt, van het realisme naar de abstractie, heeft hij sporen verdiend in meer traditionele stijlen zoals beat en rock. Uiteindelijk maakt hij zich los van het keurslijf van de vierkwartsmaat en gaat het experiment aan door klankonderzoekend, pointillistisch en eigenzinnig de gitaar te bespelen. Diezelfde drang om vrij te zijn vind ik terug in zijn beeldende werk. Hij knipt en scheurt details uit de bekende wereld om er tot dan toe onbekende uitdrukkingen mee te maken. In zijn collages geeft hij omwonden commentaar op het zijn. Door anders te kijken en verdiepend te zien, ontdek ik de onomwonden kanttekening.

    Henk Zwerver, collages

    De aanleiding tot beelden, het materiaal waarmee Henk Zwerver werkt, is genomen uit de zichtbare werkelijkheid. Het resultaat van passen en meten, schuiven en verleggen, is van een onwerkelijke orde. Hij arrangeert en structureert een nieuwe regelmaat. Zo heb ik de wereld om mij heen nooit bekeken. Vanuit dit perspectief is het leven nog minder begrijpbaar dan het al was. Zwerver legt niet uit, maar roept juist vragen op. Hij zet geen punt, maar plaatst een komma. Het is niet zo, het is onder andere.

    Van snaren naar schaar en lijm

    Zijn muzikale domein is dat van de vrije improvisatie, waar klank, stilte en intuïtie belangrijker zijn dan melodie en vaste vorm. Die formulering kan ik over zijn beeldende kunst leggen, het dekt de lading naadloos. Henk Zwerver improviseert niet alleen in muziek. Ook op papier zoekt hij zonder vooropgezet plan naar samenhang. Waar hij als gitarist met snaren en klanken werkt, zijn het in zijn collages schaar en lijm die het beeld laten ontstaan. Hij improviseert dus niet alleen met geluid, maar zeker ook met beeld. Ook zijn collages zijn geïmproviseerde composities; de muzikale werkwijze heeft hij naar het beeld vertaald. Waar de muziek met moeite ingang vindt, zet het beeld deuren open. Alsof Zwerver zelf even genoeg heeft van de gestapelde en exploderende tonen, en afleiding zoekt in rustiger vaarwater.

    Een sprong naar voren, een stap terug

    Dat stille water heeft een diepe grond. Soms is de oppervlakte troebel, maakt kroos het water drabbig, en zie ik door de grote waternavel de bodem niet meer. Het bos en de bomen. De aandacht voor en de uitwerking van Zwervers omgeving maakt zijn wereld tot een abstract gegeven. Wat te denken van al dit knip- en plakwerk, het verstand gaat op nul waardoor de blik op oneindig kan staan. Want zonder punt is het werk oneindig. Henk Zwerver maakt geen punt waar hij een komma zet. Zijn punt is een abstract fenomeen. Niet actuele krantenknipsels maken zijn moodboard, maar fragmenten uit een voorgaand leven. Waar Zwerver in de muziek een sprong naar voren doet, zet hij in zijn collages een stap naar achteren. Het houdt elkaar in balans.

    De kunst is geen afleiding om tot rust te komen van de vrije geïmproviseerde muziek. Ik zie hem in gedachten stijf van de adrenaline de gitaar in de koffer doen, zich natrillend aan tafel zetten en al bladerend de schaar ter hand nemen. Werkend en beeldend komt hij tot rust en laat zich op voor een volgende muzikale sessie. Dat is het niet, dat is een fout beeld. De kunst is een verwacht voortvloeisel van de muziek. Dit gebeurt er wanneer een improviserend muzikant zijn manier van muziek maken naar het beeld vertaalt. Dit laat hij als spoor achter. Dit klinkt. In de bundel is het qua geluid stil, maar in gedachten is het even spraakmakend vergeleken met de klanken op het podium. Waar de cd de geluidsdrager is van de muzikale composities, is de bundel de beelddrager van de collagecomposities.

    Henk Zwerver, collages

    Een fotoapparaat zonder fotograaf

    Un appareil photo, een fotoapparaat. In de bundel is Henk Zwerver volgens de letter niet de fotograaf. Hij heeft de verzamelde beelden niet voor zijn lens gehad. Hij is echter wel de plaatjesmaker, waar hij als praatjesmaker tekortschiet. Het woord in zijn beeld is geen tekst, het is een karakter om in beeld te spreken. Het nodigt uit tot lezen, maar moet een uitnodiging tot kijken zijn. Zwerver legt de taak van fotograaf uit in de samengestelde beelden. De fotograaf ziet de wereld door een afgebakend kader. Zwerver bekijkt de wereld met een groothoeklens en heeft een breder panorama. Hij doorziet het werkelijke beeld. Zijn inzicht gaat voorbij aan de werkelijkheid en zet daar een nieuwe waarheid tegenover.

    Un appareil photo. Henk Zwerver. Uitgave in eigen beheer, voorjaar 2024.

    PS

    Dit schreef Marcel Prins als begeleidende tekst bij de presentatie in Kunstlokaal No.8. Woorden die nagloeien in mijn gedachten, maar mijn mening niet hebben vervormd. Toch wil ik mijn lezers dit knipsel niet onthouden:

    “Collages, met papier, schaar en lijm tot stand gekomen. Evenwichtzoekende composities van tekst- en fotofragmenten die klinken naar een andere tijd. Zwerver is niet alleen zijn naam, hij is een muzikaal circusartiest. Als balancerend kunstenaar daagt hij subtiel uit te kijken naar wat niet vanzelf spreekt. Hij knipt en schuift met historische snippers zoals hij klanken combineert tot ritmes en tonen. De berg verwonderingen reduceert hij. Wat overblijft is een uitgelezen selectie.”

    Henk Zwerver, collages
  • Werkelijkheid als uitgangspunt

    Waar Jan Snijder vertrekt vanuit de werkelijkheid en haar abstraheert tot gevoel, houdt Sabine Liedtke het zichtbare vast, maar tilt het uit de werkelijkheid naar een geconstrueerde, bijna onwerkelijke wereld. Het zijn de kunstenaars die op dit moment te zien zijn in De Kunsthof te Appingedam. Zij verbeelden niet de werkelijke omgeving; zij bepalen het innerlijk landschap. Het terrein van de emotie geven zij een in hun geest passend beeld. Die beeltenis kan schuren aan de werkelijkheid, maar is nooit de realiteit in zichzelf.

    Trekt Jan Snijder met potlood en papier de wereld in, dan schetst hij het zichtbare. In het atelier werkt hij die verbeelde gedachten uit tot een uitdrukking van zijn indruk van dat moment op die plaats. Voor hem heeft die omgeving een plek omdat hij daar, toen en daar, zijn inspiratie opdeed. Vanuit de werkelijkheid dus. Zodoende boetseert Snijder met potlood en penseel het Friese landschap naar zijn hand. Het is het gevoel dat hij heeft bij hetgeen hij ziet, observeert en ondergaat. Die emotie legt Snijder eerst globaal vast in een schets op die plek in dat land. Later wordt die uitgewerkt. Iedere krijtlijn en elke verfstreek geeft de toon, bepaalt de sfeer.

    Hoewel autodidact zou Jan Snijder een zoon van Museum Belvédère kunnen zijn. Hij beweegt zich in dezelfde geest: het Friese landschap, wind, water en wad, niet als afbeelding maar als abstract uitgangspunt. Daarin kan ik naadloos meegaan wanneer ik zijn manier van kijken overneem alsof het mijn eigen inzicht is. Dat kijken, daar gaat het bij Jan Snijder in eerste instantie om. Hij ziet, neemt waar, heeft daar een idee bij. In klad neemt hij dat mee naar huis om het in het net uit te voeren. Dat gevoel kan door de gedachte echter vertroebelen, in de tijd door de geest worden bijgeschaafd. Dat is juist wat de abstractie doet: het hoeft niet te kloppen met de zichtbare werkelijkheid als het maar parallel loopt aan de emotie.

    Abstractie als herinnering

    Abstracte ingevingen bij werkelijke observaties. Zo overdenkt Snijder de omgeving. Hij gebruikt elementen uit het landschap zonder deze in perspectief te zetten. De onderdelen zijn nauwelijks herkenbaar, maar nog wel is de werkelijkheid eruit af te leiden. De uitsnede is tijdloos, zonder plaatsaanduiding, van overal. Het is niet de essentie van de zichtbaarheid, maar het wezenlijke van de emotie daarbij. Iedere vlek, veeg of lijn stuwt mijn blik een nieuwe richting in. Er is veel te zien en genoeg te beleven in het werk van Jan Snijder. Het inspireert tot opnieuw kijken, nog eens kijken. Stilstaan en terugblikken.

    De details bouwen met elkaar een ondervonden landschap op, niet naar de waarneming in beeld gebracht, maar als het gevoel bij die plek, die plaats. Daarbij hoef ik niets van de werkelijkheid te herkennen. Er kan een herinnering aan een vorm zijn, zodat ik mijn emotie kan zetten tegen die van Snijder. Mijn beleving is de herbeleving van zijn ervaring. Niet door zijn ogen kijk ik naar wat ik zie, maar door zijn geest beleef ik wat ik ervaar in zijn werk.

    Jan Snijder is van de ratio, van het begrip voor het landschap, de natuur. Om daarop grip te krijgen leert hij de kijker zijn werk begrijpen. Niet met uitgesproken dwarse abstractie: in zijn composities is altijd nog de aanleiding tot het beeld te herkennen. Zijn onderzoek kan mijn beoordeling zijn. Hij kijkt voor mij, ik zie hem na.

    Een werkelijkheid die niet werkelijk is

    Ook Sabine Liedtke beleeft het landschap niet emotieloos. Maar haar gevoel beweegt zich als het ware in tegengestelde richting van dat van Snijder. Zij houdt vast aan het zichtbare, vertaalt dit echter niet in een realiteit. Het is wel werkelijk wat ik zie in haar verbeelding, maar die werkelijkheid is als een folly: een zorgvuldig opgebouwd beeld dat herkenbaar is, maar nergens helemaal werkelijk wordt.

    Zoals die beelden van Liedtke zijn te benoemen, laat zij de eindigheid in haar werk doorwerken en zet zij de composities in de eeuwigheid. Het is haar hemel, haar leven na de dood. Uit het nest als kraamkamer vliegt het leven om even later de dood te vinden. Waar het ei het wezen belooft, is de dood nooit ver weg. Schijndood, zacht, kan een wezen zonder leven zijn. De levenloze vogel, dode dingen als afgebroken takjes. Waar ik bij andere, niet met name te noemen kunstenaars, echte takjes als kunst waarneem heeft Sabine Liedtke deze getekend, stuk voor stuk.

    De vogel ligt er mooi bij, de snavel toe en de veren gladgestreken alsof afgelegd door de doodgraver. De dood wordt een gaaf antwoord op het leven. Niet mooier dan het is, maar meer toegankelijk door het lijk af te zonderen, afzonderlijk te laten zien. Dat is wat Sabine Liedtke doet: het onderwerp apart zetten, het van de bestaande context halen en het vervolgens uitzonderlijk in het niets in beeld brengen. Isoleren om beter te kijken, om in te kunnen zoomen op het onderwerp. Het vakkundige ontwerp bestuderen en de gedetailleerde uitwerking aanschouwen.

    Van voorstelling naar denkbeeld

    Echter, in de gemeenschap van de natuur is dan wel het detail te bestuderen; het samenzijn vormt de omgang met elkaar. Bij een hoop takken kun je een afzonderlijke ent oplichten alsof Mikado het spel is. Losse takjes op een rij turven het leven. De natuur schrijft de jaarringen van zich af en weet zodoende hoeveel tijd van zijn er nog is, met het klimaat in gedachten.

    Bij de composities van Liedtke meanderen mijn gedachten tussen voorstelling en denkbeeld, van werkelijkheid naar de opvatting daarover. Mijn idee van leven en dood reflecteert in haar werk. Waar Snijder de werkelijkheid door zijn emotie vervormt, past Liedtke het zijnde aan haar concept van die realiteit aan. De werkelijkheid van Jan Snijder is abstract omdat zij een gevoel verbeeldt, maar de werkelijkheid van Sabine Liedtke zweeft daarboven. Het irrealisme schijnt onwerkelijk, maar is in metafoor de ware werkelijkheid.

    Een eigen weg

    Kortom, het werk van beide kunstenaars is uniek in zichzelf. Zij kunnen wel beïnvloed zijn, gedreven vanuit een andere geest, en zich daardoor hebben laten leiden, maar zij gaan daarmee een eigen weg. Want zowel Jan Snijder als Sabine Liedtke staan in een traditie, zetten sporen in de kunstgeschiedenis. Zij geven een persoonlijke draai aan wat eerder is uitgesproken en afgebeeld. Zij groeien in een eigen stijl en borduren individueel voort op de thema’s landschap en natuur. Hoewel hun werken een realistische basis hebben, draait het uiteindelijk om het gevoel dat zij oproepen.

    Tentoonstelling schilderijen van Jan Snijder en tekeningen van Sabine Liedtke bij De Kunsthof, Blankenstein 2 in Appingedam. Van 15 augustus tot en met 4 oktober 2026.

    Foto’s © Gerbert Jonkman

    De Kunsthof, Sabine Liedtke, Jan Snijder
  • Een niet te vertrouwen herkenning

    Nicolas Dings koestert het verleden. Versteent die voorbije tijd om het paradoxaal in leven te houden. Zonder verleden is er geen heden, bestaat nu niet. Net als er geen kruin is zonder stam, dan is de boom een struik, kreupelhout, wanneer de mens zijn geschiedenis niet naleeft. Het verleden moet overleefd worden om het heden te leven. Overleven als in twee woorden: over leven. Leren van wat was, studeren op de toekomst. Terugkijken. Niet dat leven overdoen, maar leren van wat misging en de goede dingen bewaren.

    Wat een mens meemaakt en daarover denkt, vormt wie hij is. Herinneren is echter niet natuurlijk. Het vraagt om aandacht, om het denken aan en het onthouden van wat geweest is. Vergeten gaat vanzelf, het verleden slijt wanneer het niet wordt vastgehouden. Herinneren is een handeling tegen het voorbijgaan. Tegen de tijd die alles wat geweest is langzaam doet verdwijnen. Wie wil herinneren, moet blijven kijken naar wat achter hem ligt. Het cultureel geheugen, en vooral de collectieve herinnering, zegt iets over de identiteit van een samenleving of gemeenschap. Wat wordt herinnerd en wat men liever vergeet, heeft alles te maken met trots en schaamte.

    Het verleden krijgt een gezicht

    Nicolas Dings geeft het verleden een gezicht, zodat ik ermee kan communiceren door het in de ogen te kijken. Het gemaakte beeld is misschien niet helemaal mijn ding, maar het zet me wel aan het denken. In bizarre en absurde houdingen en gedaantes komen overgeleverde thema’s opnieuw tot leven. Feitelijk geeft Nicolas Dings de herinnering een tweede leven. Hij recyclet het verleden tot een nieuw heden. Volkskunst neemt wel plaats in de objecten, omdat die kunstuitingen passen in zijn manier van kunst bedrijven. Het gaat hem om de tegenstellingen die het leven tekenen: schoonheid en lelijkheid, banaliteit en verhevenheid, goed en kwaad. Juist die elementen vindt hij in de volkse kunstuitingen. Kunstzinnig weten dat is vergeten, krijgt in zijn handen een hedendaagse beeldtaal en een ander perspectief, zodat ik ernaar moet leren kijken.

    De werkelijkheid op het verkeerde been

    Nicolas Dings is een verzamelaar van mythes, lees ik in het boek De Blauwe Kamer. Truus Gubbels, PhD, ziet in hem “een manipulator van realiteit en materiaal die het geheugen op het verkeerde been zet.” Het is de kunst van het herinneren. Het nog weten doet een beroep op de verbeelding. Met Dings als reisleider ben ik op ontdekking in de fantasie. In elementen van zijn objecten klinkt het verleden door. Een was en is geweest dat herkenbaar is, dat zonder woorden is blijven steken in het verhaal dat een samenleving over zichzelf vertelt.

    Nicolas Dings boetseert herinneringen om deze in brons te verstillen. Het tijdelijke verheven, naar vergankelijkheid verwezen. Een nooit bestaand verleden met de details van een herinnering. Het beeld is een niet te vertrouwen herkenning. Ik ken het ergens van, een déjà vu bekruipt mij, maar die emotie klopt niet met mijn heugenis. Het is niet werkelijk, maar het had het kunnen zijn. De hergebruikte herinnering krijgt een nieuw uiterlijk waarop ik me niet kan verlaten. De kunstenaar maakt mij onderdeel van zijn dubbelzinnig spel. Ik ben figurant in zijn wonderlijke taferelen. Onverwachte elementen zetten mij op een verkeerd been. Spannend is zijn beeldende poëzie, een opwindende lyriek echoot tussen heden en verleden, natuur en kunst, werkelijkheid en fantasie.

    In het essay van sociaal geograaf Maurits Duivenis lees ik wat mij bijblijft, zoals de beelden van Nicolas Dings beklijven. “(…) maar het beeld zweeg in alle talen. Zoals het hoort. Beelden horen te zwijgen, want woorden doen er uiteindelijk niet toe.” En dan deze zin, die mijns inziens de lading van Dings dekt: “Het werk sprak een taal die ouder was dan de taal zelf.” Nog verder citeer ik Dings, want bij typerende omschrijvingen hoef ik zelf niet nog eens het wiel uit te vinden: “Men zegt dat Dings de werkelijkheid kneedt als een bakkersjongen die vroeg opstaat. Wie goed kijkt ziet een wereld waarin de rede het hoofd buigt voor het onverklaarbare. (…) Hij laat ons beelden zien die gelovig ogen, maar het geloof al hebben overleefd. En dat kunst troost biedt, maar ook gezelschap.”

    De mens in de spiegel

    Nicolas Dings laat mij lachen om pompeuze verschijningen, maar ook stilstaan bij ’s mensen neiging tot inbeelding en hoogmoed. In de serie Burger Kings bijvoorbeeld spelen vogels een menselijk spel. De traditionele fabel is door Dings eigentijds hernieuwd, zoals hij ook het verleden in de herinnering herneemt. De vogels spelen in zijn kleine schilderijen niet enkel mens, ze belichamen onze menselijke behoefte aan betekenis, aan identiteit, aan het zich onderscheiden. De kunstenaar spot met deze verlangens om toch zeker bijzonder te zijn, toch in elk geval boven het gewone uit te stijgen. De mens is een groepsdier dat toch heel graag boven het maaiveld wil uitsteken. De Burger Kings houden ons een spiegel voor. Niet omdat de vogels mens lijken, maar omdat ze laten zien hoe graag wij onszelf tot iets koninklijks willen verklaren.

    Eerstens is er de herinnering die het al oproept. De memorabilia die een samenleving met zich draagt, maar veelal opzettelijk of zonder opzet is vergeten. Het boek geeft een bloemlezing van een collectief geheugen, een samenbeleving. En dan is er de weerglans van wat de mens denkt te zijn. Door het verleden is de maatschappij grootgebracht, maar de opvoeding lijkt weggemoffeld in het heden. Voor de toekomst zet Dings de herinnering in een glazen kast te kijk – de vitrine in het museum. Kunnen we aapjes kijken en zien we onszelf. Zoals de aap op de cover van het boek.

    Nicolas Dings is een verhalenverteller. Iedere beeltenis en elk object is een passage uit het verhaal, dat ons – de kijkers – aanzet tot reflectie en bovenal zelfreflectie, bezinning en inkeer. Met de spiegelende vertellingen wil Dings geen prediker zijn. Want waar de profeet vooruitkijkt, kijkt Dings terug. Laten we niet vergeten. Niet uit nostalgie, maar om te zien wat in het verleden is blijven steken.

    Nicolas Dings | De blauwe kamer. Teksten Truus Gubbels PhD, Maurits Duivenis, Nicolas Dings. Uitgever Van Spijk Art Books & Jan van Hoof Galerie, 2026.

    Nicolas Dings, Van Spijk Art Books, Jn van Hoof Galerie, Truus Gubbels PhD, Maurits Duivenis
    Nicolas Dings
    Montefeltro

  • Kerken in de kerk

    Hoewel Gerrit Terpstra in zijn kwetsbare, zoekende en vaak uitbundige jaren, waarin de wereld voor het eerst werkelijk van hemzelf leek te worden, afscheid nam van kerk en geloof, is de fascinatie voor de Bijbelse verhalen en christelijke symbolen gebleven. Nu hij in de jaren is waarin ervaring zich opstapelt en het leven, met alle wendingen en tegenstellingen, steeds meer vorm krijgt, staat hij op het standpunt dat de waarden die de kern van de religie vormen, gekoesterd moeten worden. “Er is zoveel mysterie rond het bestaan dat we verbeelding nodig hebben om het leven aan te kunnen.

    Het geloof blijft

    Ondanks dat de religieuze overtuiging naar de achtergrond is verdwenen, zijn de waarden en vragen die ermee verbonden zijn in zijn werk blijven doorwerken. Het is een manier om naar het bestaan te kijken: verwondering, mysterie, eindigheid, betekenis en de behoefte aan verbeelding. Hoe uiteenlopend de verschijningsvormen ook zijn, in het werk van Gerrit Terpstra gaat het steeds weer om de vraag wat de dingen, de tijd en uiteindelijk het menselijk bestaan betekenen.

    Het gevoel hoeft niet los van het beeld te worden ingezet; het beeld moet het gevoel oproepen. Ik hoef niet eerst te weten welk religieus verhaal Terpstra bedoelt om iets van mysterie, verwondering, eindigheid of troost erin te ervaren. Daarin zit eigenlijk zijn positie als kunstenaar: verbeelding als middel om iets te benaderen wat zich niet rationeel laat verklaren. De religieuze gevoelswaarden vormen een onderlaag waarop zijn beeldtaal tot stand komt. En die is veelvormig, verhalend en existentieel.

    Hij vult zijn verwondering met kunstwerken die er volgens hem toe doen en die aanspraak maken op mijn emotie. Ik kan het doorzien en er waarde aan hechten, maar het ook afwijzen omdat ik niet doordring in de verdieping. Nu staan de symbolen mij niet vreemd voor ogen, omdat ik eenzelfde kerkelijke achtergrond heb als Terpstra. En hoe hij deze belijdenis vormgeeft, geeft handvatten om dat verhaal in gedachten terug te halen. De kunstenaar presenteert geen christelijke beelden, maar weeft het geloof zodanig in zijn werk dat het voelbaar wordt. Het kan plaats hebben binnen kerkmuren.

    Gekruid met het zout der aarde

    Het werk van Terpstra is voor een belangrijk deel ontstaan in een kerkzaal, omdat hij zowel de kerk van Sandfirden als het kerkje van Ginnum heeft gehuurd en er zijn atelier in heeft gevestigd. Misschien is het daarom dat zijn werk gekruid is met het zout der aarde. Het geurt naar vertrouwen en smaakt naar psalmen, omdat de eredienst nog echoot tussen de muren van de zaal die voorheen als kerk dienstdeed. Die werkplek verbindt hem als vanzelf met de Stichting Alde Fryske Tsjerken. Deze stichting bezit 58 kerken in Friesland die voor de toekomst behouden moeten blijven. Het zijn geen monumentaal grote gebouwen, maar de ruimte van de kleine kerken heeft wel iets monumentaals.

    De kerk als monument

    Op het moment dat de stichting het vijftigjarige bestaan viert en 55 kerken in de catalogus heeft, vat Terpstra het plan op om al deze gebouwen van de buitenkant te vereeuwigen. Dat idee beantwoordt aan zijn behoefte aan verhaal en betekenis. Het persoonlijke loopt samen met het historische en universele aspect van het Friese zijn. Hij bezoekt alle 55 kerken, laat de gebouwen op zich inwerken en maakt er lino’s van, gebaseerd op tekeningen en foto’s die hij ter plaatse heeft gemaakt. Dit is niet alleen een documentaire onderneming; gezien zijn bredere fascinatie voor religie en symboliek heeft een dergelijk kerkelijk landschap in zijn oeuvre bijna vanzelf een diepere betekenis.

    Van de ingesneden platen drukt hij een kleine oplage, die afzonderlijk wordt hergebruikt door de afdrukken al dan niet in te kleuren. De serie toont een levendig overzicht van historisch bezit dat onderhoud verdient. Terpstra plaatst de gebouwen boven ooghoogte, zodat de beschouwer ernaar opkijkt. Terwijl wij daar nu anders naar kijken, nam de kerk deze hogere plek in het dorp en de omgeving in. Men had ontzag voor haar en respecteerde de kerk als gemeenschap der gelovigen. Nu dat allemaal enigszins in de schaduw uit het licht is komen te staan, de Nederlander minder gelooft, raken kerken verlaten en verliezen zij hun oorspronkelijke functie. Ze blijven wel als monumenten van een rijk geloofsleven in het landschap staan, door de bemoeienis van stichtingen die streven naar behoud.

    Het boekje 55 Alde Fryske Tsjerken is een eerbetoon aan het monument kerk. De techniek van het snijden van linoleum staat een gedetailleerde beschouwing van de architectuur in de weg. Maar juist daardoor wordt de vinger gelegd op het monumentale karakter van de kerkgebouwen. De bouwwerken worden grootser aangezet dan ze in werkelijkheid zijn. Vooral de torens gutst Terpstra bombastisch uit het materiaal. Door de zwarte afdrukken in te kleuren haalt hij deze vervolgens van dat voetstuk en plaatst de kerken tussen de mensen en geeft hij ze terug aan de mensen.

    Terug in de kerk

    In de Bonifatiuskerk van Ter Idzard is een deel van de serie tentoongesteld in het kader van Tsjerkepaad, de jaarlijkse rondgang langs kerken die zich daarvoor buiten de zondagse eredienst om openstellen voor het publiek. Er worden diverse culturele activiteiten opgezet om het volk te onderhouden, dat daarbij de kerken kan bezichtigen. Het werk van Terpstra is dus gekozen voor de tentoonstelling in Ter Idzard. Daar toont hij niet alleen zijn lino’s, maar tevens de variaties die hij op het thema heeft gemaakt. De afdrukken zijn verwerkt in wandkleden die veel weg hebben van quilts. Voortdurend staat daarin de kerk centraal, en ook het geloof wanneer het kruis tussen koude kleuren warm naar voren komt. In het oog springen grote uitgevouwen leporello’s. In de harmonicaboeken krijgen de kerken een plek in het landschap toebedeeld alsof het een dorp met enkel kerkgebouwen betreft. Het is een surrealistische omgeving; het is niet zoals het lijkt, maar het had wel zo kunnen zijn.

    Het werk van Gerrit Terpstra is op de juiste plaats in deze voorheen religieuze omgeving. De zaal ademt nog de sfeer van weleer, ook al omdat de preekstoel en het pijporgel met de kleinste orgelgalerij van Nederland hun plek hebben behouden. Het is de sfeer waarin het werk van Terpstra correct kan ademen. In deze entourage is het gemaakt, in dit domein hoort het thuis. Kerken in de kerk, alsof Terpstra vertrouwen heeft in verbeelding. Hij geeft evenwel slechts het omhulsel weer, maar pakt in de variaties het kleinood uit.

    55 Alde Fryske Tsjerken. Gerrit Terpstra, linodruk/aquarel. Uitgave Wijdemeer Dokkum 2023. Tentoonstelling in Bonifatiuskerk, Idzardaweg 61, Ter Idzard. In kader van Tsjerkepaad 2026 van 4 juli tot en met 5 september op zaterdag van 13.30 tot 17.00 uur.

  • De groeipijnen van Museum Belvédère

    Ga je naar Museum Belvédère, dan kom je voor wind, water en wad. Voor kunst uit het noorden van Nederland die verbindingen legt met gevoelsgenoten in andere Europese windstreken. Reisgenoten door de kunst.

    Belvédère zou het museum van de verstilling zijn, was destijds de opzet. Verstilling betekent echter niet dat het er stil is of dat er geen publiekstrekker in de zalen kan worden tentoongesteld. Mercuur had wel die gedachte, maar Steenbruggen zocht na hem de grenzen op en liet ruimte voor het onverwachte. Toch sta je als bezoeker enigszins vreemd te kijken wanneer de grappenmakers onder de kunstenaars – het stripschap, de cartooneske tekenaars, de karikaturisten – met hun werk een plek krijgen aan de wanden.

    Een vreemde eend?

    Het profiel van Museum Belvédère blijkt echter breed genoeg om met Groeipijn Peter de Wit binnen te halen. Een tekenaar die op het eerste gezicht een vreemde eend lijkt in de bijt van de schilderkunstige traditie van het museum. Maar wie het profiel van Belvédère wat ruimer bekijkt, ziet dat er altijd ruimte is geweest voor kunstenaars die zich tussen schilderen en tekenen bewegen, voor illustratieve en stripachtige beeldtaal en zelfs voor ironie en humor. Te denken valt onder meer aan Joost Swarte, Hans Niemeijer en Martin Jarrie.

    De tentoonstelling is daarmee niet zozeer een breuk met het museumprofiel als wel een proef op de som van hoe ver dat profiel kan worden opgerekt. Han Steenbruggen wil het profiel van Belvédère niet als een keurslijf laten werken. Hij wil het brede spectrum laten zien en ruimte geven aan het experiment. Naast Jan Mankes uit de vaste collectie past daarin dus ook Peter de Wit als tijdelijke attractie. De Wit is een geweldige tekenaar met actuele thematiek, zegt Steenbruggen. Maar misschien is hij zelf ook wel een grote fan van Sigmund. Wie weet.

    Bij het bekijken van de tentoonstelling in een van de kamers in de westvleugel kan ik meer dan zo nu en dan een grinnik niet onderdrukken. En soms brengen de tekeningen mij zelfs tot ingehouden lachen, want te veel kabaal is ongepast. De met humor overladen tekeningen breken echter de stilte van het museum. De gedachten bij de cartoons vallen niet geruisloos in woorden op de vloer. Soms is een glimlach het enige geluid.

    Peter de Wit brengt de klare lijn van Joost Swarte terug in dit museum. Swarte was er net voor de lockdown te zien, gecombineerd met Jarrie. Swarte, de geestelijke en zakelijke vader van de klare lijn, waarmee De Wit op een humoristische en speelse manier aan de haal gaat.

    Meer dan Sigmund

    Peter de Wit is natuurlijk vooral bekend van Sigmund, de dagelijkse cartoon in de Volkskrant. Maar stripfanaten kennen hem al veel langer, onder meer van Stampede! en De Familie Fortuin. Zijn tekenwerk beperkt zich dus bepaald niet tot de psychiater met de vileine opmerkingen. Met Doodleuk, een reeks tekeningen over de dood, en nu Groeipijn, over kinderen en hun ouders, laat De Wit opnieuw een andere kant van zijn tekentalent zien. Het zijn zelfstandige reeksen waarin hij zich meer vrijheid veroorlooft dan in de krantencartoon. De onderwerpen verschillen hemelsbreed – de dood tegenover het opgroeien – maar in beide gevallen gebruikt De Wit zijn scherpe blik en gevoel voor humor om iets alledaags van een andere kant te bekijken.

    De tekenaar relativeert de actualiteit met een scherpe pen, gevoed door een puntig inzicht. Hij breekt het serieuze ouderschap open door de kinderen te laten zeggen waar het volgens hen op staat. Hen de hoofdrol te laten spelen. Wie zijn werkelijk de baas in huis? Wie laten van de wereldhuishouding geen spaan heel? De jeugd heeft de toekomst, dat blijkt eens te meer uit de tekeningen van De Wit. Hij staat de ernstige museumbezoeker meermaals op de tenen. Grappig is dat hij voor dit museum een speciaal toegesneden tekening heeft gemaakt. Vader met de kinderen op museumbezoek: “Kunst hoeft niet altijd mooi te zijn, hè. Misschien vonden jullie het wel mysterieus of verontrustend.” De kinderen: “Of gek”, “Of poepie”. Om te lachen.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère

    De tekeningen uit Groeipijn zijn momenteel te zien in Museum Belvédère en ook gebundeld in het gelijknamige boekje. In die bundel vrij werk, verschenen bij Concertobooks, verdedigt Han Steenbruggen op de flap zijn keuze om het werk van Peter de Wit museaal te tonen. “Ik ben een trouwe Volkskrant-lezer. In de ochtendhaast sla ik altijd veel over, maar nooit de dagelijkse strip van Peter de Wit.” Nou ja, nu weten we het. Doordat De Wit met slechts enkele trefzekere lijnen en opvallend open vormen zijn personages definieert, past hij in het profiel van het museum, vindt Steenbruggen. Met minimale middelen duidt hij een scène en weet hij emoties op te roepen. Bijna-niets wordt heel-veel. Dat sluit aan bij menig kunstwerk in de collectie.

    Peter de Wit tekent in Groeipijn met milde humor en een vriendelijke knipoog, meent Steenbruggen. Daardoor ontwapenen de kleine scènes en worden grote olifantenproblemen gereduceerd tot kleine muizenoplossingen. De botsingen tussen jong en oud worden daarmee in perspectief geplaatst en genuanceerd. De Wit ziet de betrekkelijkheid van de struikelblokken in de opvoeding in, de plaats van ouder en kind binnen het gezin. We zijn allemaal jong geweest. Onbevangen tekenen als kind kan Peter de Wit niet meer, daar is hij zich van bewust. “Maar neem van me aan, het plezier en de intensiteit zijn er niet minder om.” Hij laat zijn fantasie los op de strubbelingen van het ouder-zijn en het kind-zijn en deelt ons dat via zijn tekeningen haarfijn mee.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère

    Buiten de lijntjes

    De tekeningen van Peter de Wit kleuren iets buiten de lijntjes van het Belvédère-profiel. Het museum zoekt daarmee de grenzen van zijn karakter op. Het experiment heeft een interessante uitkomst. De wrange, pijnlijke, liefdevolle, ontroerende en grappige tekeningen verbeelden herkenbare situaties. Deze kamerpresentatie in de westvleugel van Museum Belvédère is een verademing tussen alle min of meer ernstige vertoningen. En krijg ik er niet genoeg van, dan zoek ik in de museumwinkel de gebundelde groeipijnen op. Want heb je de tekeningen in het museum gezien, dan kun je ze mee naar huis nemen in boekvorm.

    Groeipijn. Over kinderen en hun ouders. Peter de Wit. Uitgave Concertobooks, 2026. Publicatie bij tentoonstelling in Museum Belvédère te Oranjewoud, van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère
  • De plaatjes van Verkade, die gaan erin als gesneden koek

    De Nederlander is een verzamelaar. Vrijwel alles wat los en vast zit, kan onderdeel worden van een collectie. Kijk maar op de verzamelaarsstartpagina op internet: van kunst en antiek, postzegels en munten tot sigarenbandjes, luciferetiketten en sleutelhangers. Wat voor de buitenstaander soms weinig waarde lijkt te hebben, kan voor de verzamelaar juist grote emotionele betekenis hebben. Het gaat immers niet altijd om de financiële waarde, maar om het plezier van het bijeenbrengen en compleet maken.

    Ook de commercie weet die verzamelwoede al lang te benutten. Supermarktketens lokken klanten met spaaracties waarbij producten of plaatjes aan een collectie kunnen worden toegevoegd. Het verlangen te verzamelen en een serie compleet te krijgen, is daarbij een krachtig middel voor klantenbinding.

    Verzamelen als lokmiddel

    Meer dan een eeuw geleden was het echter nog ongebruikelijk om reclame en verzamelen zo met elkaar te verbinden. De firma Verkade bracht daar verandering in en zette het verzamelen van plaatjes in gang. Met de plaatjes die bij haar producten werden verstrekt en in albums konden worden geplakt, ontstond een fenomeen dat zou uitgroeien tot een ware rage. Daarmee kreeg de liefde voor de Nederlandse natuur een bijzondere plek in de huiskamer en kwam de ‘gewone’ Nederlander bovendien in contact met kunst.

    Generaties zijn opgegroeid met de plaatjes van Verkade. Kinderen verzamelden en ruilden de plaatjes en leerden zo over de natuur en het landschap. Niet alleen de plaatjes trokken de aandacht, ook de verhalen in de albums gaven de verzameling meerwaarde. De bekende auteur Jac.P. Thijsse had een persoonlijke en ontspannen schrijfstijl die vrijwel iedereen aansprak. Zijn teksten lijken tijdloos, maar blijken dat achteraf voor wat betreft de onderwerpen niet te zijn. Veel plekken die door schrijver en tekenaar werden besproken en verbeeld, verdwenen in de loop van de tijd. Door industrialisatie en expansie werden idyllische stukjes Nederland door de vooruitgang opgeslokt.

    Verkade, Voerman, WBOOKS

    Het is daarom dat het boek over de Verkadealbums, verschenen als catalogus bij de tentoonstelling in het Voerman Stadsmuseum Hattem, als titel Mijn gedroomde Nederland kreeg. Zoals het Nederland van honderd jaar geleden is afgebeeld, zo zal menigeen het graag terugzien. De droom is echter welhaast een nachtmerrie geworden, hoewel hoogleraar Theo Spek een hele rij gebieden opnoemt die verrassend gaaf zijn gebleven. In het nawoord van de uitgave breekt hij een lans voor het behoud van de landschappelijke schatten die ons land nog altijd bezit. “Niet als museumlandschap of natuurreservaat, maar als levende en veranderende landschappen waar plek is voor nieuwe functies. (…) Het verleden heeft zo bezien dus veel toekomst. En de albums van Verkade en de wondermooie afbeeldingen van Voerman daarin vormen daarvoor de blauwdruk.

    De magie van de Verkadeplaatjes

    Kleinzoon Peter Voerman probeert de magie achter de populariteit van de door de firma Verkade aan het begin van de twintigste eeuw in omloop gebrachte plaatjesalbums te ontrafelen. Natuurlijk staat hij daar niet helemaal onbevooroordeeld in als telg van deze kunstzinnige familie, maar hij heeft de ideeën, de inspiratie en de liefde voor het vak wel uit de eerste hand. Zijn opa is de zoon van de bekende IJsselschilder Jan Voerman sr. uit Hattem. Deze jr. rolde bij toeval in de productie van de Verkadealbums doordat zijn vader er niets in zag en zijn zoon naar voren schoof: “Ik bemoei me niet met die kleine dingen.” Omdat het in juni 2026 vijftig jaar geleden was dat opa Jan jr. overleed, kreeg kleinzoon Peter de kans om het verhaal achter zijn Verkadeplaatjes verder uit te zoeken en er een tentoonstelling van te maken.

    In eerste instantie wordt in het boek het ontstaan van de Verkadefabrieken in Zaandam belicht en daarna het idee achter de Verkadealbums. De heldere kijk op de historie van deze vorm van commerciële activiteit geeft de uitgave een bijzonder karakter. Het is niet enkel een boek dat de plaatjes in het zonnetje zet, maar de auteur graaft ook dieper in de geschiedenis en de achtergrond ervan. “En willen wij zo gaarne, dat de plaatjes niet alleen de verzamellust der kinderen zouden bevredigen”, schrijft grondlegger van het bedrijf Ericus Verkade, “maar ook dat ouders en anderen er vreugde van zouden hebben.” En dat plezier hebben, meer dan honderd jaar later, de ouders en anderen nog steeds. Vooral omdat het de natuur is die tot onderwerp is gemaakt en de schoonheid van het buitenleven ook nu weer volop in de belangstelling staat. “…wij zouden een vertelling trachten te geven van het jaar, van de verschillende jaargetijden, van bloemen, vogels, vlinders, kevers, die overal te vinden zijn in ons kleine land, doch maar door enkelen gekend.”

    Verkade, Voerman, WBOOKS

    De Verkadealbums zijn meer dan slechts een middel om de verkoopcijfers omhoog te jagen. Door de kennis van zaken van auteur Thijsse en de zichtbare liefde voor de natuur van de kunstenaars zijn het welhaast leerboeken, zo niet studieboeken. Nadat de natuur door het jaar heen en van iedere windstreek in Nederland is behandeld, verschuift de focus naar de dorpen en de steden, de grote rivieren, kamerplanten en het dierenleven in Artis.

    Het korte levensverhaal van Jan Voerman jr. en de biografie in vogelvlucht van Jac.P. Thijsse geven het boek van Peter Voerman een gelaagd accent. In zijn verhaal volgt de lezer de ontwikkeling van Jan jr. om de schoonheid van de natuur in zijn kunst weer te geven. Hij geeft alleen weer wat hij ziet, voegt niets toe en doet er niets aan af. Het beeld moet echt zijn, naar de waarheid werkelijk.

    De natuur door de ogen van Voerman

    De plaatjes voor Verkade zijn voor Jan Voerman jr. de opstap naar vrij werk. De opleiding tot tekenaar krijgt hij van vader Jan sr., maar hij ontwikkelt een eigen signatuur. In de reeks plaatjes documenteert hij de Nederlandse natuur en in zijn vrije werk legt hij het Voerman-leven vast. De plaatjes in Mijn gedroomde Nederland illustreren dat duidelijk. Zijn liefde voor het vak en de natuur spreken daarin boekdelen. Interessant is uiteraard om te vergelijken wat er toen was en wat er nu is. Dus om te zien wat er over is van de natuur en de omgeving zoals Thijsse deze heeft beschreven en Voerman en de andere tekenaars hebben vastgelegd. Kleinzoon Peter treedt daarom letterlijk in de voetsporen van opa Jan om ook dit aspect van de Verkadeplaatjes te onderzoeken.

    Het landschap op de Verkadeplaatjes ziet er zeer idyllisch uit. Veel mensen bekijken ze met nostalgie, een verlangen naar vroeger”, schrijft Peter Voerman. Misschien is dat wel de magie van de plaatjes: destijds de natuurlijke schoonheid onderkennen en nu een heimwee naar dat fraaie, kleinschalige landschap waarin de natuur meer ruimte heeft, doordat er minder mensen, huizen en wegen zijn. “Wat de reeks Verkadealbums ons nalaat is een prachtig beeld van het Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw.” De plaatjes laten echter niet de pijn zien die er in die tijd was. Nostalgie is herinnering waaruit de pijn is verdwenen, schrijft Theo Spek. “De zon scheen heel vaak ook niet, ook al lijkt dit op veel albumplaatjes vaak wel het geval te zijn geweest.” Maar pijn doet de producten van Verkade niet verkopen.

    Verkade, Voerman, WBOOKS

    Mijn gedroomde Nederland is een lofdicht op het werk van Jan Voerman jr. en de Verkadealbums. In die albums kan men nu dromen van dat Nederland van toen. Vroeger, toen alles beter was en mooi, schoon en lieflijk. Maar in het boek wordt ook de andere kant van die schoonheid belicht. Het geeft een compleet beeld van deze manier van verleiden door reclame, een manier om de consument aan producten te binden. De verzamelaars verorberen in die tijd veel rollen beschuit en pakken koek om zo snel mogelijk de albums met 144 plaatjes compleet te krijgen. Kinderen smeken hun ouders om koek en nog eens koek. De plaatjes van Verkade: die gingen erin als gesneden koek.

    Mijn gedroomde Nederland. Jan Voerman jr. & de Verkadealbums. Tekst: Peter Voerman, Marga Coesèl, Theo Spek. Uitgave bij gelijknamige tentoonstelling in het Voerman Stadsmuseum te Hattem. Van 8mei tot en met 4 oktober 2026. Uitgave WBOOKS, 2026.

    Verkade, Voerman, WBOOKS
  • Zolderopruiming aanleiding voor historische reconstructie

    Het begint bij een in onbruik geraakte hooizolder in de Amsterdamse wijk De Pijp, rond 1900. Nadat ik het boek had gelezen, moest ik natuurlijk de tentoonstelling in Museum Belvédère bekijken. Met eigen ogen de ervaring van Theo de Feyter in het huis van de kunstenaars beleven. Niet dat de attributen daar in de presentatie zo’n indruk op mij maken als ze met hem hebben gedaan toen hij ze op de Jan Steenzolder vond. Maar daarmee is het verhaal wel compleet. Is de cirkel rond omdat ik nu die vondsten kan aanraken, kan bepotelen, hoewel dat natuurlijk niet mag in het museum? Met mijn vingers langs de slotjes van de koffers gaan, de glooiingen van Cupido voelen, laatjes openen, documenten doorbladeren. Het wordt daarmee zo helder, zo waar wat De Feyter schrijft en beschrijft: beeld en verbeeld.

    Vinden, onderzoeken, verbeelden

    Het moet euforisch geweest zijn wat Theo de Feyter daar allemaal vond op die zolder. De zolder die door de jaren heen werd bevolkt door kunstenaars van allerlei kunne en van diverse kunde. In de hoogtijdagen was het er een zoete inval van kunstenaars die er, onder het genot van het een en ander, met elkaar spraken. De Feyter is archeoloog en kunstenaar en heeft met dezelfde omzichtige precisie als een archeoloog te werk gaat, de zolder uitgespit en omgeploegd. “Zo vond ik veel mooie en raadselachtige voorwerpen, maar ik wist er voorlopig maar één ding mee te doen: ik stelde er stillevens mee samen die ik ging tekenen”, schrijft De Feyter in Het Huis van de Kunstenaars. In zijn tekeningen vertellen de gevonden voorwerpen het verhaal van de geschiedenis van de zolder en brengen deze als het ware dichterbij. “Ik had het bij die tekeningen kunnen laten – ze legden het verleden van de Jan Steenzolder vast zoals ik het aantrof – maar door het kijken en voelbaar maken van die voorwerpen was als vanzelf een zoektocht begonnen naar de achtergrond en betekenis van de objecten.”

    Met kwast en pincet

    Een oudheidkundige bestudeert het verleden met spullen die mensen hebben achtergelaten. En dat is wat De Feyter normaal doet in de bodem bij opgravingen. Met kwast en pincet wordt de grond grondig onderzocht om fossielen of andere bodemschatten boven water te halen. De kunstenaar De Feyter weet zichzelf tot sporenonderzoeker te maken. Met zaklantaarn op en handschoenen aan onderzoekt hij de zolder centimeter voor centimeter. En wat hij vindt, is boven zijn eigen verwachting. Eerdere bewoners van het appartement dat hij bij woningruil in bezit heeft gekregen, hebben op de zolder waardevolle spullen achtergelaten die toen van onnut schenen te zijn geraakt. Bij een verhuizing onbewust van het bestaan ervan, of anderszins bewust daar laten staan. Voor De Feyter een rijke bron om op zoek te gaan naar het verleden van deze bijzondere plek in de Amsterdamse Pijp. “Hoe meer ik vond en hoe meer ik begreep, des te meer begon de geschiedenis voor me te leven.”

    Een verdwenen wereld geboekstaafd

    De vondsten zijn aanleiding tot diepgaand onderzoek naar de eerdere bewoners. De mensen en hun geschiedenis achter de spullen. Die uitkomsten geven het boek een gelaagdheid doordat De Feyter levensbeschrijvingen geeft van deze mensen, althans van wat hij in de ‘boeken’ daarover kan vinden. Het is een soort verborgen verleden dat zich schuilhoudt in de attributen op deze zolder. Namen uit de geschiedenis duiken op en komen boven drijven. En wanneer dan het ene gevonden is en het andere nog achterblijft, het een aan het licht komt en het ander nog in duisternis is, raakt de onderzoeker gaandeweg fanatiek om alles voor het voetlicht te halen. Iedere nieuwe ontdekking is aanleiding verder te zoeken en dieper in het verleden te graven. De onderste steen van de Jan Steenzolder moet boven en met veel sjorren en trekken – zoeken en vinden – lukt dat ook. “Telkens wanneer ik een nieuwe tekening maak, sleep ik die zichtbare en hoorbare geschiedenis achter me aan, zoals de verzameling conservenblikjes die je vroeger aan je fiets bond bij Luilak. Elke beweging geeft geluid.”

    Van hooizolder tot kunstenaarshuis

    In het gedegen aangepakte onderzoek legt Theo de Feyter de zolder als atelier en gemeenschapsruimte bloot. De mensen die voor hem daar op dat adres hebben gewoond, schuift hij gaandeweg uit het verleden in het heden. Voor hem heeft de ruimte een extra dimensie gekregen: hij bewoont een monumentaal pand wat betreft de voorgeschiedenis – eigenlijk meer een memorabel pand. Voor de lezer van zijn boek krijgt dat verleden een diepere betekenis. Maar niet Jan Steen was de eerste bewoner, al zou men dat door de benaming haast gaan denken. Het pand staat aan de Tweede Jan Steenstraat en dankt daaraan zijn naam. Het is een oud bedrijfsgebouw waar de zolder diende als opslagplaats van hooi voor de stallen beneden. Later werd het gebouw woonhuis en opgedeeld in verschillende appartementen, een herenhuis met kamers en een atelier op de zolder. Op de vliering daar weer boven vond Theo de Feyter de diverse memorabilia in grote hoeveelheden. Brieven, kranten en knipsels, boeken en tijdschriften, fotonegatieven, kunstwerken.

    Deze ontdekking was voor hem inspiratie om de geschiedenis te vorsen. Uit te graven en op te diepen. Ieder object, elk document, draagt een verleden in zich. Dat verleden is voor de nieuwe bewoner dermate interessant gebleken dat hij dit als archeologisch onderzoeker wilde uitgraven en in een document vastleggen. En daaruit is het boek gekomen. Zodat de Jan Steenzolder ook voor anderen de geheimen prijsgeeft.

    Artistiek leven in Amsterdam

    De geschiedenisschrijver is echter ook en vooral kunstenaar. Hij heeft niet alleen in teksten het verleden kenbaar gemaakt, maar tevens heeft hij de gevonden attributen en materialen in beelden gedocumenteerd. Iedere foto, elk document, is aanleiding om de herkomst ervan uit te pluizen. Of om na te gaan wat of wie op de foto staan. Het boek is een geschiedenis, een historisch verantwoord document. De diverse genoemde personen met hun verleden zijn een interessant gegeven, maar meer benieuwd ben ik naar wat Theo daar allemaal gevonden heeft op die zolder. Dat staat tevens beschreven in het boek en kan ik deels bekijken in het museum. Gipsvormen, een olielamp, een hoedenkoffer met bolhoed, twee scheepskisten met tropengarderobe, souvenirs uit Nederlands-Indië, een map met tekeningen.

    Wat gaf De Feyter de aanzet tot het boek, tot het vorsen van de geschiedenis, het verleden van de zolder? Het is natuurlijk van gewicht dat je weet en kunt achterhalen wie voor jou door die deuren hebben gelopen, op de muren hebben getikt en door de ramen hebben gekeken. Het huis ademt daarmee nog meer de sfeer van vroeger.

    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère

    Met kwast en krijt

    Het in beelden documenteren heeft Theo de Feyter eerder gedaan, daar is hij goed in. Fanatiek ook, tot in het maniakale eigenlijk. Hij staat bekend om langlopende kunst- en tekenprojecten, werk in uitgebreide series. Daardoor en daarmee wordt wel een goed beeld gegeven van wat hem bezighoudt. In een realistisch-figuratieve stijl tekent hij de wereld van zich af. Hij doet dat met Het uitzicht om 17.00 uur. Een dagelijkse serie gouaches en tekeningen waarbij De Feyter klokslag vijf uur ’s middags exact dezelfde blik vanuit zijn atelierraam vastlegt. De vaste kijkrichting toont het veranderende daglicht, het weer en objecten op de vensterbank.

    In Mensen en Ruïnes documenteert hij zijn reizen naar Syrië en het Midden-Oosten. Met voortdurend de veldwerkkoffer binnen handbereik. In Hemelsbreed schildert en tekent hij een lijn recht door Amsterdam, waarbij hij de stad van gevel tot gevel overbrugt en vastlegt. Tevens documenteert hij beeldend de verzameling van Thom Mercuur zoals aangetroffen in het Tripgemaal, voordat deze iconische plek in de Friese kunstscene werd leeggeruimd om plaats te maken voor een nieuwe bewoner. En nu dan de historische Amsterdamse zolder, de Jan Steenzolder waar hij nagelaten spullen van eerdere bewoners en kunstenaars vindt.

    Het huis van de kunstenaars. De schilders van de Jan Steenzolder. Theo de Feyter. Waanders Uitgevers, 2026. Tentoonstelling Theo de Feyter – De Jan Steenzolder. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère
    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère