Categorie: Uitgeverij Aspekt

  • Een nobody die somebody wil zijn, ongezien en toch gezien

    Dacht dat ik een boek te lezen gekregen had over de kwade genius Ono, de heks die The Fab Four in 1969 had laten splijten zoals een houthakker een boomstam klieft. Hard en meedogenloos. De uitgave blijkt echter een verkapte biografie van de band rond Lennon en McCartney en behandelt zijdelings de vrouw waarop men veronderstelde dat de groep stuk liep. Want zij was natuurlijk niet de enige oorzaak en reden dat The Beatles het officieel in 1970 voor gezien hielden, dat zou te kort door de bocht zijn en te veel eer voor de vrouw die hunkerde naar erkenning en via de roem van anderen op de voorgrond meende te staan. Volgens dat boek echter stond ze naast The Beatles en is Yoko Ono altijd minder dan tweederangs gebleven. Ook in dit boek krijgt ze niet de volledige aandacht die ze dacht bij leven en welzijn te verdienen. Inmiddels is de dame 93 jaren oud en nog altijd in de weer om zich te bewijzen.

    Op Wikipedia krijgt ze de pluim op de hoed die ze volgens auteur Eddy Daniels bij lange na niet verdient. Zijn boek is dan ook een tirade tegen het fenomeen Ono, waarbij John en Paul in haar kielzog ook van hun troon vallen. Vooral Paul McCartney blijkt niet de beminnelijke man waarvoor de fans hem aanzien. Volgens John maakte hij na The Beatles alleen nog maar ‘omamuziek’. Maar op de internetencyclopedie dus, wordt Yoko de hemel in geprezen nog voordat ze het tijdelijke voor het eeuwige heeft ingewisseld. Ik citeer: “Yoko Lennon Ono is een in Japan geboren Amerikaans multimedia kunstenares en muzikante, songwriter en vredesactiviste. Haar werk breidt zich uit tot performancekunst en films maken. Ono was deel van de Fluxusbeweging en is een van de pioniers van de conceptuele kunst.” Hoewel de mij te lezen voorgelegde uitgave in de titel haar naam draagt – Het verschijnsel Yoko Ono – gaat de tekst voor een groot deel over de band en de meest voorname groepsleden.

    Doopceel Lennon / McCartney

    Het fenomeen Yoko Ono wordt afgedaan als weinig terzake doend. Wel blijkt de vrouw te triomferen in en met de abnormaliteit. Het ongewoon zijn is haar handelsmerk en daarmee heeft zij menigeen in eerste instantie om de tuin geleid. Ook al gezien de lof die haar wordt toegedicht op Wikipedia. Maar wie het boek van Eddy Daniels leest, dat is uitgegeven bij Aspekt, komt van een koude kermis thuis.

    Het doopceel van John Lennon en Paul McCartney wordt door Daniels uit den treure gelicht. George Harrison en Ringo Star worden amper belicht, enkel wanneer dat in het verhaal van Lennon zo uitkomt en toepasbaar is. En natuurlijk schrijft de auteur over de vrouwen in het leven, de managers die dat leven regelen, de vrienden waardoor het leven draaglijk is. En ja, de historie van Yoko Ono komt uiteraard aan bod, want het boek gaat tenslotte over haar. Maar zij is en blijft enkel de kapstok waaraan de dikke jas van het verhaal hangt. De auteur heeft door andere biografen te raadplegen en te citeren, memorabilia en getuigenissen door te nemen, het wel en wee van de groep en de leden kunnen samenstellen. En daaruit gepuurd wat anderen over de Japanse splijtzwam zeggen en hebben gezegd dan wel geschreven. En daar komt zij niet voordelig in uit.

    Het fenomeen Yoko Ono

    Op zich geeft het Yoko Ono onnodig veel betekenis om het uit elkaar vallen van The Beatles in haar schoenen te schuiven. Al eerder ging het stroef tussen de leden in de band en was zij de bekende druppel. Want er was nogal wat abnormaal wel en wee achter de schermen van de succesvolle muziekgroep. Het is maar goed dat op het actuele moment dit allemaal niet onder de massa was, want het doet je met andere ogen kijken naar The Greatest Band of All Time. En de teksten van de songs klinken tevens anders in de oren nu ik de feitelijke achtergrond weet. En is een lovesong niet zomaar een liefdesliedje. Vooral het Hey Jude wordt in het boek ontrafelt als kritiek van Paul op John, hoewel men dacht dat John’s zoon Julian ermee werd aangesproken. En zo zijn er meer mysteries die ontraadselt worden. Het boek is alleen daarom al interessant om te lezen en zeker niet alleen voor de diehard fans van The Eternal Four.

    Naast de tumultueuze levensbeschrijving van het songduo wordt hun kwaliteit ook bekeken vanuit de tijd van leven. De roerige jaren 60 van de vorige eeuw zijn een smeltkroes aan veranderingen, waarin The Beatles het voortouw nemen wat de muziek betreft. Maken zij in eerste instantie melodieuze popmuziek die zelfs de oudere garde aanspreekt, later gaan ze experimenteren en improviseren, daardoor wordt hun muziek meer creatief en interessant. Alsof ik in de studio bij de muzikanten aanwezig ben of bij John dan wel Paul op de bank in de huiskamer zit, zo gedetailleerd en zonder verfraaiing wordt hun leven beschreven. Het is waarlijk een kijkje tussen de coulissen, achter de schermen van een roemrijk bestaan dat zo nu en dan roemloos in de kleedkamer ten onder dreigt te gaan. Wat dat betreft is de triomf van de abnormaliteit, zoals de ondertitel van het boek luidt, geen overwinning op het buitengewone. Yoko Ono wenst wel bijzonder te zijn en boekt succes over de ruggen van anderen, door op hun schouders te staan zonder zelf begaafd te zijn of talent te hebben. Haar gave is het uit de schaduw te treden, excentriek gedrag te vertonen en daarmee het spotlicht op zich gericht te krijgen. In de appendix tot het boek somt de auteur criteria voor de karakterisering van narcisme en psychopathie op. Een checklist waarin het fenomeen Ono vorm krijgt.

    Voor, tijdens en na The Beatles

    Eddy Daniels bespreekt in zijn boek de verkilde keerzijde van een broeierige populariteit. Het is in zijn schrijven meer dan duidelijk dat hij niets opheeft met de verschijning Yoko Ono. Alleszins probeert hij haar van het zichzelf aangemeten voetstuk te halen. Uit welk nest ze komt en hoe haar dit heeft getekend. Wel bewoog ze zich al voor de ontmoeting met John Lennon op het artistieke toneel, maar had weinig tot geen succes met haar bizarre en extravagante creaties. Ze sloot zich aan bij de Fluxusbeweging, dat sprak haar aan waarschijnlijk omdat in die kunststroming het idee meer belangrijk is dan het resultaat. En ideeën heeft ze genoeg, maar kundigheid veel minder. Daniels vindt voldoende aanwijzingen in gevorste levensbeschrijvingen en somt in zijn eigen biografie tal van voorbeelden op die Yoko Ono tot mislukt artiest maakt, hoewel ze het daar zelf en velen met haar absoluut niet mee eens zal zijn.

    Behandelt de auteur bij de figuren Lennon en McCartney de muziek voor, tijdens en na The Beatles, aan de persoon Ono kleeft de beeldende kunst. Daniels maakt helder dat hij vraagtekens zet bij het moderne kunstgebeuren, want is de wat zichzelf benoemde artiest uitricht nog wel kunst. “Wie bakent eigenlijk de grenzen af tussen creatieve inspiratie en charlatanerie? (…) De eigenlijke kunst wordt dan de kunstenaar, iemand die het vermogen bezit om een persona te creëren die niet uit zijn rol valt als hij uit zijn nek kletst. Of helemaal niets zegt.” Deze anti-kunst noemt Yoko Ono ‘zelfdestructieve kunst’. Maar niet heeft Ono het eigen merk afgebroken, maar heeft zij de mensen en de wereld om zich heen verwoest. Wat blijft is een zielig lijkend hoopje mens dat op hoge leeftijd nog voortdurend teert op de vermoorde onschuld die Lennon probeerde te zijn. De abnormaliteit schijnt in haar te triomferen, het manifesteert zich tot ver in de nieuwe tijd. Het boek trekt dat in twijfel en waagt ogen te openen door een heldere blik op het gebeuren te geven. Een interessant verhaal derhalve over een nobody die somebody wil zijn, een onbekende grootheid die een voetafdruk in de geschiedenis wil nalaten.

    Het verschijnsel Yoko Ono. De triomf van de abnormaliteit. Eddy A.M. Daniels. Uitgeverij Aspekt, 2025.

  • Het leven met een korrel zout nemen

    Ik zou het bij me kunnen dragen in de binnenzak van mijn colbert waarin ik woon. Zo´n nep ribfluwelen jasje met State of the Art bloemetjes voering. Het verschiet al van kleur, donkerblauw wordt grijs, maar ik neem er nog geen afscheid van. In die binnenzak draag ik dan ongemakkelijk “S. Carmiggelt Fonkelingen”. Ongemakkelijk, want het is net te groot voor de te kleine zak. Toch steek ik het boekje bij me, als almanak of reisgids voor en door het leven draag ik het mee. Om er naar te grijpen wanneer mij het leven al te zwaar schijnt. Het  boekje onder handbereik te dragen maakt het zijn meer draagbaar in stemming en gedachte. Om de zonnige kant in het oog te houden. The bright side of life. Het met een korrel zout te nemen, dat leven. Het te relativeren. Niet dat ik daarmee mijn kop in het zand steek, maar het biedt mij ironisch en soms sarcastisch afleiding de dingen minder au sérieux te nemen.

    Het doen en laten op mijn eigen vierkante meter houden zich in de greep. Kijk ik verder en rond om mij heen dan kan de moed mij in de schoenen zakken. De Fonkelingen van Simon Carmiggelt, door literatuurkenner Jeroen Aarten verzamelde citaten, zijn op zo’n moment het recept om mijn broek op te hijsen en met zevenmijlslaarzen op weg te gaan, zonder overigens als een olifant door de porseleinkast te banjeren. Want hoewel ik de zorgen snel van mij afschud blijf ik oog houden voor de gevoelens van anderen. Geeft de wereld mij dan een heftige koppijn brengt de Carmiggelt-pil mij verlichting. Kronkel is hèt recept om een somber en triestige dag op te fleuren.

    Oude mannen zonder hobby zijn ongelukkig

    Over vrijwel ieder moment en bij welhaast elke handeling kan ik in het boek wel enkele bijpassende regels van relativering vinden. Ieder zijn krijgt zo de smaak van Carmiggelt en zie ik de betrekkelijkheid van een groots leven in. Lees ik in de krant over abortus dan weet ik dat Carmiggelt voor was, alleen dacht hij weleens hoeveel vrienden hij dan niet zou hebben als hun ouders ertoe waren overgegaan. “Ik zou ze missen.” Op maandag herinner ik mij dat Carmiggelt ook zo’n hekel had aan die dag. “Ik vind hem het náárste kind van de zeven, zo’n met groene zeep gewassen gluiperd, die louter deugd uitstraalt en toch onbewijsbaar de kat in het donker knijpt.” Sta ik in de winkel te treuzelen me een bepaald ding eigen te maken weet ik dat iets geheel nutteloos kopen de leukste manier van geld uitgeven is, omdat Carmiggelt mij dat voorschreef. Denk ik aan mijn collectie boeken besef ik dat verzamelaars gek zijn. “Maar oude mannen zonder hobby zijn ongelukkig.” Van Carmiggelt mag ik zelf kiezen. De beschouwingen van Simon Carmiggelt zijn niet meer los te weken uit mijn leven wanneer Fonkelingen is gelezen of zijn oeuvre verder is doorgenomen. Carmiggelt is een ander woord voor observatie, een synoniem voor mijmeren, dus suffen. Wamt mijmeren mag dan qua klank een mooi woord zijn, het heeft erg veel irritante pretentie. Zegt de beroepsgevoelige het liefst stil te mijmeren bij de open haard, dan loopt dit zinnetje Carmiggelt als een hagedis over de ruggengraat. “Waarom zegt hij niet gewoon suffen? Daar komt het toch in de meeste gevallen op neer? Bij mij wel, tenminste.

    Stukjesschrijver: man die niets verzinnen kan

    Zittend, eenzaam maar niet alleen aan een rustig tafeltje, in een stille hoek van het café vol sigarettenrook en de reuk van verschaald bier. Of juist hangend aan de drukke bar tussen de luidruchtige stamgasten. Kijken en luisteren, observeren en consumeren. Verstaan wat is gezegd, begrijpen wat wordt gedaan. En dat waarnemen geconcentreerd uitschrijven, in woorden de ervaring optekenen. En vooral oor voor de kwinkslagen en woordgrappen, oog voor opvallende handelingen. Daarmee spelen met taal, ravotten met menselijke tekortkomingen. Carmiggelt heeft een scherpe doch fijne neus voor bijzondere mensen. Hij kan hen feilloos typeren. En maakt ook van de normale mens een bijzonder individu. Zo kronkelt hij door het leven van naamloze kroeglopers die in zijn stukjes naam mogen hebben.

    Het lijkt een aimabele man, Carmiggelt, een goedmoedig mens. Zo iemand die pastoor zou kunnen zijn en optimaal is in luisteren. En dan het zijne denkt van wat hij in de biechtstoel hoort, maar geen biechtgeheim heeft. Hij documenteert de gewone mens, de rare snuiter, een vreemde vogel. Zo iemand waarbij onze lieve Heer een steekje in het levenswerk heeft laten vallen. Carmiggelt is zo’n goedzak, die eigenlijk helemaal geen literatuur maakt maar stukjes schrijft. Zoals zijn generatiegenoot Godfried B., die veelal ook door de zichzelf gevestigde orde benoemde pennenlikkers met een laatdunkend scheef oog werd aangekeken. Stukjesschrijvers kunnen geen complete roman aan, vinden zij. Ze blijven acteren op de vierkante centimeter omdat de vierkante meter te hoog gegrepen is, word verondersteld. “Een stukjesschrijver is een man die niets verzinnen kan. Hij kronkelt dan ook in het stof van eerbied voor de échte auteurs, die hele families uit hun duimen zuigen, want hij weet uit ervaring dat hijzelf met zware ketenen zit vastgeklonken aan het leven dat hij dagelijks om zich heen waarneemt.

    Beschrijven van klein geluk

    Niets menselijks is Carmiggelt vreemd. Ook kijkt hij in de spiegel en ziet zichzelf. Beschouwt zijn eigenste zelf en kan zo een afspiegeling van de mensen in zijn stukjes zijn. In zijn tijd schreef hij maar ijverig voort, heeft als gevolg daarvan heel wat stukjes afgeleverd om een groot aantal boekjes mee te kunnen vullen. Maar zelf had hij van het stukje schrijven ook geen hoge pet op en zag het als dwaasheden, of andersom gezien zag hij de onzin en stommiteiten van anderen aan om over te schrijven. Tussen mal en dwaas, Louter leugens, Al mijn gal, Vliegen vangen, Kroeglopen, Weet ik veel, Mooi weer vandaag, Vroeger kon je lachen – zomaar een rijtje titels van boeken met verzamelde stukjes.

    Carmiggelt was een meester in het beschrijven van het kleine geluk, maakte van het grote leed een korte snik. Want hij proostte nog eens op het leven, bleef lachen al was het vaker wel een grimlach en laat de lezer door zijn stukjes de betrekkelijkheid van de dingen zien, de ijdelheid ervaren. Dat kun je afdoen als literatuur met een kleine l, kunst met een kleine k. Maar de tijd blijkt anders te willen. Waren C. en B. lange tijd verdwaald tussen het koren, nu steekt hun werk boven het maaiveld uit. Met kop en schouders wordt het postuum gewaardeerd. De verzamelde citaten schitteren in de stukjes, fonkelen tussen de regels door. De one liners zijn niet van de lucht. S.C. komt tot opmerkelijke uitspraken, omdat hij observeert en van daaruit filosofeert. “Applaus is hete wind die even schroeit.” “Dansen is de verticale uiting van een horizontaal verlangen.” “Opvoeden is een nieuwe generatie trachten te vullen met de eigen vooroordelen.” “Slaap is heilig in het dierenrijk. Daarom hebben beesten ook geen wekkers.” “Er schijnt een zonnetje als een verlegen meisje.” Zo kan ik nog wel even doorgaan om met Freek de J. te spreken. En uit welke stukjes de aanhalingen afkomstig zijn wordt met opzet niet vermeld, want de verzamelaar van de meest bijzondere passages hoopt dat het glinsteren lezers aanzet tot het (op)nieuw ontdekken van het bijzondere oeuvre van Simon Carmiggelt. Dat is de voornaamste reden geweest om de bundel samen te stellen: het werk moet gelezen worden!

    S. Carmiggelt FONKELINGEN. Verzameling citaten samengesteld door Jeroen Aarten. Met een voorwoord van Theodor Holman. Uitgeverij Aspekt, 2025.

  • Winterflarden dwarrelen op tintelende gedachte voor mij uit

    Het is als kijken door een beslagen ruit, wanneer ik de nieuwe bundel van Jan Kleefstra open en zijn teksten lees. De beslagen ruit weerhoudt mij van zien. Ik zie de ruit, maar niet wat er achter zit. Schimmen zie ik, geen scherpe contouren. In het doffe venster wordt de wereld gesmoord. De realiteit is gesluierd zoals de bruid voordat het bevrijdende ofwel het verbindende ja-woord heeft geklonken. Op die manier maar dan anders treed ik de gedichten van Kleefstra in de bundel “Winterflarden” tegemoet. Na eerste lezing helderen de woorden niet. Blijft het raam vaag, het perspectief onduidelijk. Dieper moet ik gaan, de woorden wegen. De ogen van de pagina’s afhouden om de blik in het oneindige te laten vertrekken. Geen verstand op nul echter, want de rede dient tastbaar te blijven. Ik dien de gedachten over wat ik lees laten gaan. En dan komen als vanzelf beelden naar boven. Beelden die bij woorden passen. De film die draait bij zinnen. De regels treffen doel. Het ja-woord klinkt, de ruit schoon geveegd. En dan worden opeens de woorden duidelijk, kijk ik er naar en zie waarde en betekenis. De bruikbaarheid, de draagwijdte. Weegt het zwaar of blijft het licht als een veer.

    Kunst is geen exacte wetenschap

    De woorden werden door Kleefstra gewogen en in zijn samenstelling niet licht bevonden. Volgens Uitgeverij Aspekt, waar deze zesde bundel onlangs verscheen, veegt de dichter wat flarden winterrestjes bijeen en staart naar de wolken. En dat is precies wat ik doe. Ik lees snippers tekst om mij een beeld te vormen. En tuur dan in de verste verte door het raam van mijn kamer. Ins Blaue hinein laat ik onvoorbereid de woorden in mijn geest indalen. Om boven mijn verstand te komen met het vermoeden welke betekenis Kleefstra aan de compositie heeft gegeven, aan het gedicht heeft opgedragen. Want de precieze strekking valt lastig te achterhalen. Kunst is geen exacte wetenschap. Een werk zal zichzelf moeten verantwoorden, een gedicht verdient geen uitleg. De verdienste is juist dat het geen toelichting nodig heeft. Het verklaart zichzelf voor wie de tijd neemt het uitzicht tot inzicht te laten indalen, zodat het duidelijk wordt.

    Dus de bundel nog eens ter hand genomen. De zinnen langzaam voor mezelf uitlezen, hardop als betreft het een luisterboek. Ik hoor mezelf spreken. De hond schrikt verbaasd op vanuit zijn rustende slaap, spreekt de baas daar een bekend woord? En bij dat aanhoren, tijdens dat luisteren ondertussen, vorm ik in gedachten beelden. De hond, laat ik hem Malin noemen, staat kwispelend naast me. Met een verlangende blik: hoorde ik daar ‘uit‘. De gelezen en uitgesproken woorden – nee, daar was geen uit bij – representeren zich als voorstelling in mijn brein. In de schedel is een filmhuis ingericht om die indruk te projecteren. Want beelden beklijven meer dan omschrijvingen, beschrijvingen verdienen voorstellingen. De beeldspraak van Kleefstra geeft mij een denkbeeld.

    De dichter geeft een half woord

    De dichter speelt met de taal. Zijn vrije verzen vervliegen echter niet. Metrum en rijm zijn geen handboeien of benauwen niet als een dwangbuis. Wel blijft er eenheid van idee en speelt ritme een rol. Het is geen rommeltje, het is meer overdacht dan de orthodoxe dichtvorm. Zoals het abstract meer reflectie verdient dan de realiteit nodig heeft. De werkelijkheid spreekt voor zich, het non-figuratieve ofwel het bovenzinnelijke doet beroep op het gevoel. De dichter geeft, zeg maar, een half woord en daaraan zal ik genoeg hebben. Hij suggereert en ik vul in. De zinnen worden nauwelijks afgemaakt, maar hij geeft voldoende aanleiding om er als lezer op aan te slaan.

    Dat Kleefstra een natuurmens is klinkt tussen de regels door. Hij zet in liefde een boom op voor het bos. Met Christiaan Kuitwaard trekt hij het veld in om zijn wezen aan de planten te verbinden, waar de kunstenaar deze in getekende beelden portretteert. Jan hangt een gedachtewolk aan een tak van de tekenboom. Misschien vind ik daar het verhaal, dat voorzichtig op tintelende lucht voor mij uit zal dwarrelen. In de lege regels, de witte zinnen als bezinning. Kleefstra neemt de woorden van me over en schrijft ‘in het kristal van schimmelende melk / op het achterlijf van de vuurjuffer / heb ik het pad al bijna afgelegd‘. Dat pad zal ik nog vinden.

    Inzicht, doorzicht, beleven

    Het is dat ik tussen de regels door de betekenis en reden vind. In het vrije vers is de leegte van belang. De rust om op gedachte te komen, bij zinnen te komen. Kleefstra schrijft in die lege regels zijn waarheid. In woorden vindt hij de werkelijkheid, die ik zonder woorden abstract beleef. Niet met zoveel woorden omschrijft hij datgene wat hij wil zeggen. Maar door die zin open te laten vul ik deze zelf in. Vooral door meermalen te lezen en de stilte te vinden tussen de zinnen in mijn gedachten raak ik aan de strekking. Inzicht, doorzicht, beleven. ‘Waarom er bomen groeien / het water om de kleinste vlinder vecht / / ik draag er een heldere nacht naartoe / / half onder het waas / waarin druppels gelijk wespen / in de wangen steken / / om de diepe slaap te verontrusten moet ik recht / in het oog van de maan blijven staren / / om stil te zijn heb ik / de schaduw van mijzelf nodig / / om het daglicht te weerkaatsen / moet er iets verloren gaan

    De bundel vindt de afsluiting in een handvol Beschouwingen, als zou het voorgaande in Parelzang, De nabootsing, Ochtendragen en Laatbloeiers geen reflectie op de overdachte werkelijkheid zijn. Kleefstra ziet het zich aan en in raadselachtige gedichten probeert hij uit de warboel van het zijn de schoonheid te pakken. Maar beschouwingen zijn het, alle. Als kloosterling zit hij contemplatief in meditatie tussen wat hij voor zichzelf en de wereld waardevol acht. Trekt de natuur in en beschrijft deze op een wijze om over na te denken, diepzinnig te bespiegelen. En in die spiegel doemt mijn eigen zijn op wanneer ik de waas van het raam veeg. En zoals Kleefstra weleens gedacht heeft en vanuit die gedachte geschreven heeft, zo drijven mijn gedachten als wolken langs de hemel, verwaaien tussen de takken van de boom, vliegen alle kanten uit op de vleugels van de ganzen, de kievit en de ooievaar.

    Het verstand op nul

    Telkens als de weemoed zich aan de seconden vertilt, ontbreekt er wel een verhaal. En toch wordt er gezongen, blijft niemand er bij stil staan. Een bos dunt zichzelf wel uit. Maar wij hebben het geduld niet’, las ik eerder. Dat geduld moet ik hier en nu opbrengen tot het raam droog is en doorzicht geeft, de woorden indalen, de taal zichzelf uitdunt. Daar wacht ik op, maar ‘het wachten komt simpelweg tijd tekort’. In Winterflarden veegt Jan Kleefstra de laatste restjes ijs, sneeuw en kou bij elkaar om welgemoed de lente te begroeten. Het voorjaar nodigt hem uit tot een beschouwelijke reflectie. En ik zie zijn spiegelbeeld in het raam, het venster duidt een weemoedig wezen met een twinkeling in de ogen. Want ‘de lange reis van het woord heeft niet tot bewonderenswaardig zwijgen geleid’. Dat woord mag ook niet zwijgen, want het moet gezegd, het verhaal uitgesproken. De vertelling van de planten, zodat de liefde vanzelf terug keert en het weten nergens meer voor nodig is. Dan lig ik languit in het gras en staar naar de wolken. De blik op oneindig, het verstand op nul.

    Winterflarden. Jan Kleefstra, gedichten. Illustraties van Christiaan Kuitwaard. Uitgeverij ASPEKT, 2024.

  • Anton Verheys’ geschiedschrijving in schilderachtige beelden

    Het blijft aan je kleven. Waar je gaat of staat, wat je doet of laat. Of je ervoor beter werk of erna best werk hebt nagelaten, doet weinig ter zake. Een misstap wordt niet snel vergeten. Groot ophef blijft lang hangen. Het staat te boek en blijft je dwars zitten. Jou werk wordt wit gesausd of verdwijnt achter een gordijn. Het mag niet gezien worden omdat het geen recht doet aan de realiteit zo is de mening. Het verdwijnt bij rechterlijke uitspraak voor decennia in een afgesloten kluis of ergens achter in de opslag. Meerdere kunstenaars hakken wel met dit bijltje, maar Anton Verhey schijnt er zijn roem in de kunstwereld aan te danken. Eigenlijk is hij er berucht door, terwijl zijn verdienste met verf en penseel vele malen groter is dan het gewraakte portret van koningin Beatrix.

    Bij de presentatie van het schilderij viel vrijwel de hele Nederlandse bevolking over hem heen. Want de koningin bleek een grotesk aangezicht te hebben en baadde zich op de afbeelding in overdadige luxe en voor die tijd beschamende weldaad. Het schilderij is echter tekenend voor de manier waarop Verhey zijn composities opzet. Hij heeft een voorkeur voor pracht en praal, voor oudheid en historie. En weet een mens op het voordeligst maar wel geheel naar zijn idee vast te leggen. Het door hem gemaakte portret is zoals de geportretteerde hem in zijn beleving voordoet. En dat kan minder flatteus zijn, zoals de critici de koningin op zijn schilderij beschouwden. De compositie werd door de overheid gekocht van de opdrachtgever gemeente Weststellingwerf, en verdween al snel in de kelders van het Rijk.

    De consternatie over en het verhaal achter dit staatsieportret staat zwart op wit gedrukt in een uitgave die het totale oeuvre van Anton Verhey aankaart. “De heftige reacties op dit schilderij waren toe te schrijven aan de toenmalige tijdgeest die absoluut anti-monarchistisch was…”, schrijft biograaf Perry Pierik in het boek en citeert daarmee Anton Verhey: “Als reactie daarop wilde ik de glorie van de monarchie verbeelden in al zijn voor mij zo aantrekkelijke pracht en praal!” Waarschijnlijk was dat weelderige vertoon niet eens zozeer waarover men viel, maar veel meer de gelijkenis van de adellijke dame met de werkelijkheid die, volgens de criticasters, kant noch wal raakte en ver bezijden de waarheid was.

    Niet meer van deze tijd

    De uitgave “Anton Verhey, het complete werk’ met teksten van Pierik geeft een overzicht van de werken van deze kunstenaar en vertelt het complete verhaal van zijn leven en werken. Opgesplitst naar de thema’s die hem bezig houden en waarin hij zijn schilderijen onderbrengt. Met een sterke voorkeur voor de vaderlandse geschiedenis en internationale historie. De schrijver volgt Verheys’ levensweg van het prille begin tot de plek die de schilder via omwegen en dwaalpaden uiteindelijk in de kunstwereld heeft gevonden. Hij schraagt zijn verhaal op de autobiografie van Verhey zelf. Het nu voorliggende boek is verschenen bij Uitgeverij Aspekt en geeft een flamboyant overzicht van de veelbesproken kunstenaar. Net toen de storm rondom Beatrix geluwd was ontstond er ophef over de historische stukken van Verhey. Want waar zouden deze schilderijen getoond kunnen worden. Als een soort van kruiswegstatie vond het eerst plek in het gemeentehuis van Weststellingwerf, de opdrachtgever. Want een deel van de werken hebben namelijk betrekking op de Friese situatie. Maar gaandeweg verdwenen de gewelddadige platen naar de achtergrond. Zouden niet meer van deze tijd zijn. De historische avonturen zijn echter een spiegel voor de mensheid, waaruit lering getrokken kan worden.

    Illustraties bij het verhaal van de geschiedenis

    In deze uitgave komt de duistere geschiedenis van ons land gezien door de ogen van Verhey gedetailleerd aan het licht. Want de schilder gaat niet over één nacht ijs en probeert door studie zijn werk zo waarheidsgetrouw mogelijk weer te geven. Hij is een meester de figuren te verpersoonlijken, ook al maken ze deel uit van een groter geheel. Iedere kop heeft een eigen gezichtsuitdrukking. De mens door het penseel van Verhey is een individu. Hij schets de karakters en heeft daardoor eigenlijk omvangrijke cartoons gemaakt. Illustraties bij het verhaal van de geschiedenis. Schoolplaten waarop de kinderen in de klas een eigen fantastisch verhaal kunnen loslaten. De uiterst gedetailleerde schilderijen houden door de uitgebreide uitwerking de aandacht vast. Om alle onderdelen en afzonderlijke elementen in het werk te beschouwen is tijd nodig. De werken zijn ware kijkplaten om het publiek de historische gebeurtenissen haarfijn uit de doeken te doen.

    De uitgave laat de kunststukken zien naast een historisch verantwoorde uitleg. Zo krijgt de lezer kennis van de gegevens waarop Anton Verhey zijn schilderijen heeft gebaseerd. Het maakt van de uitgave een kunstboek en tevens een geschiedenisboek. Een lesboek bij de vaderlandse geschiedenis. Maar niet alleen belicht dit het hebben en houden van onze voorvaderen, ook richt de schilder zijn peilen op de buitenlandse historie. Ik zie Napoleon ten strijde trekken tegen de Pruisen, zijn jammerlijke aftocht uit Rusland en de Slag bij Waterloo. Al de door Verhey verbeeldde veldslagen en oorlogsconflicten zijn uiterst levend in beeld gebracht. Niet enkel episodes uit oude tijden halen het canvas, ook handelingen in de moderne tijd hebben beeld gekregen. Tanks doorkruisen de velden, vliegtuigen jagen in de, lucht. Wanneer Anton Verhey nog tijd van leven heeft ben ik benieuwd hoe hij de oorlog in de Oekraïne in verf zal vastleggen. Hoe hij de terreur aldaar een gezicht zal geven. Want Verhey is wat dat betreft toch een soort van oorlogsverslaggever. Niet met pen en papier, niet met de fotocamera in de aanslag, maar met penseel en palet.

    Onwerkelijk geschilderd realisme

    Goed beschouwd is dat portret van Beatrix het sleutelwerk in het oeuvre van Anton Verhey, het omslagpunt in zijn werkbare leven als kunstschilder. In de jaren ervoor richtte hij zich vooral op de satire. In zijn werk nam hij meermalen de wereld op de hak. In beelden protestliederen op de maatschappij. Zijn afgebeelde mensen zijn volumineus in rijkdom en uitgemergeld bij armoede. De mens is minder zichzelf maar meer een karakter om een gevoel uit te drukken. Ook dan al heeft Verhey een scherp oog voor detail en maakt ook in die tijd van zijn schilderijen een kijkbeleving van hoog niveau. In zijn portretten uit die tijd en na het keerpunt in 1980 toont Verhey zijn serieuze vakmanschap. Hij weet de emotie overduidelijk vast te leggen en wordt nergens sentimenteel abstract. Hij raakt het individuele model scherp aan in verf op doek.

    Ondanks dat Verhey vasthoudt aan het onwerkelijke van zijn geschilderd realisme, is de mens door hem afgebeeld zo werkelijk dat deze zo van het doek zou kunnen lopen. Niet de fotografische werkelijkheid geeft de doorslag, maar de kunstzinnige gevoeligheid. Beatrix lijkt dan een opstap naar of model te staan voor de figuren die hij weergeeft op zijn historische stukken. Want laten we eerlijk zijn, er is minder gelijkenis in dit staatsieportret als in het latere ‘Zelfportret met majesteit’, een schilderij een jaar na het gewraakte portret gemaakt. Verhey kijkt daarop van zijn schilderhand weg naar het model dat buiten beeld valt maar uitdrukking krijgt in de schildering. De schilder beziet nauwlettend het model en hoeft zijn fantasie niet over deze mens te laten gaan. Het is niet zijn beleving die hier uitdrukking krijgt, maar de werkelijkheid die hem beroerd.

    Gespannen mimiek en gedetailleerde stofuitdrukking

    Op de historische stukken kan hij wel zijn fantasie botvieren. Want slechts enkele van de figuren zijn historisch verantwoord afgebeeld. Van de grote mensen met bekende namen zullen elders platen en portretten voorhanden zijn, zodat Verhey op zijn historische zoektocht met deze beelden zijn voordeel heeft kunnen doen. Al die andere naamloze figuranten zijn uit zijn fantasie voortgekomen. Met een duidelijk gespannen mimiek en een gedetailleerde stofuitdrukking. Verhey weet het drama van de historie karakteristiek vast te leggen. Veldslagen in de verleden tijd en de tegenwoordige eeuw hebben schijnbaar de voorkeur. Vooral composities met overvloedig veel actie, bevolkt door grimmige strijders en een angstige bevolking. Het wapengekletter klinkt vanaf de doeken, dood en verderf is bij wijze van spreken in geuren en kleuren weergegeven. Maar amper druipt het onnodig verspilde bloed van de doeken. Hoewel alle gebeurtenissen meer dan geloofwaardig en schilderachtig zijn weergegeven, geef ik toch de voorkeur aan het oudere werk van Anton Verhey. Dat werk dat een beroep doet op de fantasie en waarin de humor een groot aandeel heeft. In dit werk is Verhey de surrealist, later de realist. Zweeft hij eerst boven zichzelf en de werkelijkheid, later doet hij op dramatische manier verslag van de waarheid.

    Anton Verhey, het complete werk. Perry Pierik. Uitgeverij Aspekt, 2023.