Category: Uitgeverij Atlas Contact

  • Lobi da Basi, liefde is de baas

    Het is een eerlijk boek. Het is een heerlijk boek. Een oprecht levensverhaal. Zonder een blad voor de mond te nemen, neemt Glenn de Randamie zichzelf op de korrel. Lang leefde hij als Typhoon het artiestenbestaan ten voeten uit. Tot het gaatje is hij gegaan en keek hij over de rand de afgrond in. Het laatste zetje om vrijwillig uit de tijd te gaan heeft hij zichzelf niet gegeven. Op tijd zag hij het licht aan het eind van de tunnel. Letterlijk. God was altijd wel op de achtergrond heimelijk aanwezig, maar toen, op die berg in Zwitserland, stapte Hij voor het voetlicht en bewaarde Glenn voor het leven. Gelukkig maar, want Glenn, aka Typhoon, heeft nog zoveel noten op de zang en een legio aan goede gedachten om de wereld in te sturen.

    In één adem uitlezen

    Door zijn boek “Liefde is de baas” gaat de lezer met Typhoon op reis. Ik zit op het puntje van de stoel voor in de bus en heb ruim zicht. Voor de streep geen staanplaats en spreken met de chauffeur is niet toegestaan. Maar ik ben stil, want hij praat honderduit. Daar kan ik geen woord tussen krijgen, zelfs mijn gedachten hebben geen plek. Typhoon schrijft zo beeldend dat hij mijn denken overneemt, dat ik mij kan verplaatsen in zijn wezen.

    Typhoon, Glenn de Randamie, Atlas Contact

    Hij heeft zo’n boek geschreven dat zich bijkans in één adem uitleest. Een boek dat de lezer zo bij de les houdt en zo boeiend is dat het nauwelijks weg te leggen is om morgen verder te lezen. Iedere cliffhanger nodigt uit naadloos het volgende hoofdstuk in te gaan. Dat komt vooral omdat de artiest zijn bestaan in het wereldje frank en vrij beschrijft. Onverbloemd en onomwonden, zonder dramatiek, want drama heeft die handel en wandel van zichzelf al voldoende. Het hoeft niet te worden aangedikt, want het is al vet en doorregen met onheil en tragedie.

    Glenn beschrijft zijn levensrit van begin tot het actuele moment dat hij een punt achter de laatste zin in het boek zet. Het zijn is dan nog niet gedaan. Het bestaan nog niet afgerond. Maar hij heeft zijn doen en laten, zijn toppen en dalen, de onstuimige opkomst en de dreigende afgang, de duisternis en het licht van zich af geschreven. Nu kan hij verder met waarmee hij het liefst bezig is. Zoals hij het zelf wil en niet zoals mensen het van hem verwachten. Uiteindelijk is hij een autonoom kunstenaar, die zich alleen laat leiden door de hogere macht die hij ten langen leste tot zijn bestaan heeft toegelaten. En de liefde is een leidraad.

    Typhoon, Glenn de Randamie, Atlas Contact

    De mantra “lobi da basi” deed hij op tijdens een rootsreis in Suriname. Local Mandje gaf het hem mee om naar te leven en uit te dragen. Lange tijd was echter muziek de baas van Typhoon. Het bracht hem geld en roem, maar ook stress en depressie. Pas nadat hij 20 jaar in het vak zit en de wereld zijn noodzaak niet meer zo nodig onderkent, wordt de liefde de baas en komt de wervelstorm in rustiger vaarwater terecht.

    Met gevoel aangetekend en opgeschreven

    Het boek is een autobiografie, een schets voor de kunst van moedig leven. Want ondanks hoge toppen en diepe dalen heeft Glenn de moed om het licht in het duister te zoeken en te vinden. Het is een stoutmoedig verhaal van een heldhaftig bestaan. De lezer volgt de artiest op de voet. Van de kinderschoenen tot zevenmijlslaarzen, want eenmaal is zijn naam gevestigd, verliest hij weleens het zicht op de werkelijkheid. De lusten en lasten worden zonder omhaal van woorden beschreven. Zoals het op schrift is gekomen, zo is het; er staat niets tussen de regels door te lezen.

    Er zitten geen addertjes onder het gras, het is zoals het er staat. Het bloed, het zweet en de tranen die voor het maken van songs voor weer een nieuw album rijkelijk vloeien. De moeite die getroost wordt om het mensen, aka het publiek, naar de zin te maken. Het is met gevoel aangetekend en opgeschreven. De brede glimlach klinkt overal door in het boek. De pretogen die vanaf het omslag wegkijken maken de beschreven ups en downs behapbaar. Want ondanks dat de schaduwkanten hem de zonnige blik vaak ontnemen, zet zijn vrolijke grimas de wereld op het verkeerde been. Op het podium, voor het voetlicht, is hij Typhoon, de opgeruimde rapper met veelzeggende teksten, de allround muzikant die zich ook in jazz als een vis in het water voelt. Maar achter de schermen, bij zichzelf en in zichzelf, is hij Glenn: kwetsbaar en vol twijfel. Echter helpt de muziek hem daarbovenop. Muziek is zijn vangnet, maar ook de trapeze die hem tot in de nok van de circustent zwaait.

    Typhoon, Glenn de Randamie, Atlas Contact

    In dit boek doet hij een boekje open over de scene en de artiest die daarin het middelpunt is. Zijn talent heeft hij mee, put dit tot op de bodem uit, het leven inspireert hem. Maar buiten het podium zit zijn huidskleur hem tegen. Hoewel de Nederlanders denken tolerant te zijn, beschrijft Glenn voorvallen waarin hij als lijdend voorwerp het tegendeel ervaart. Bij het lezen krijg ik plaatsvervangende schaamte dat discriminatie in ons kikkerland ook nog schering en inslag is. Net als bij het slavernijverleden kijken wij liever een andere kant op en steken we de kop in het zand. Wij zijn echter bepaald niet het braafste jongetje van de klas. Typhoon maakt dat duidelijk. Het is een smet op ons blazoen en nog steeds besmeuren wij onze eer.

    De kunst en de keuze

    In “De kunst van moedig leven” stap ik achter Typhoon aan in de helikopter en vlieg over het land en zijn leven. Als op een rondvlucht tijdens het Bevrijdingsfestival. Want met het boek bevrijdt de artiest zichzelf van het tot nu toe met moeite geleefde leven. Leek het appeltje-eitje, achteraf gezien moest hij vaker door de zure appel heen bijten. Bekendheid kan een zegen zijn, maar het is eenzaam aan de top. Boven de wolken kijk ik dan samen met de schrijver op het leven dat geleefd is. In drie delen, over drie landen, scheert de vlucht naar de einder: de zoektocht, de kunst en de keuze. En tussen de hoofdstukken in de delen door heeft Typhoon teksten van raps laten afdrukken. Deze verduidelijken zijn gevoel. Ze drukken zijn emoties uit in indrukken. Eigenlijk is dat al genoeg ter illustratie van het verhaal.

    Na de vlucht in de heli landt Glenn in veilige haven. Het landingsplatform is God en is Marie. Hij is thuis.

    Typhoon, Glenn de Randamie, Atlas Contact

    Van succesvol rapper werd hij zingevend prediker. Niet dat hij van djoeka een heilig boontje is geworden, maar met zijn getekende leven wil hij wel een voorbeeld voor de ander zijn: doe het niet zo, doe het anders, doe het met God. “Liefde is de baas” is ook wel zijn evangelie. Door diepe dalen heeft Typhoon de waarheid ontdekt. In de goot is hij God tegengekomen. “God SOS” stuurde hij vertwijfeld de ether in en God zag die kleine stotterende jongen en liet hem zijn angsten en zorgen overwinnen. Hij wil met zijn boek geen zieltjes winnen voor de goede zaak, maar stelt zichzelf als voorbeeld hoe het in dit wereldje ook anders kan, samen beter kan.

    Terug naar de basis

    Zijn bekendheid vergelijkt hij met surfen in de branding van de zee. Een sport die hij graag beoefent en die hem af doet leiden van de sleur van alledag. “Populariteit is een verraderlijke golf. Ze tilt je op, draagt je en streelt je ego met applaus. Maar wie te lang blijft staan, wordt meegesleurd, de diepte in. De kunst is om het moment te herkennen en dan te vertrekken met waardigheid, nog voordat je kopje-onder gaat.” (…) “Ik wil niet meer tégen iets vechten, ik wil vóór iets strijden. Met liefde als leidraad. En ik wil het doen met mijn muziek. Met mijn teksten.”

    Hij neemt zichzelf met een korrel zout, relativeert de top en vleit zich in het dal. “Ik wil terug naar mijn basis, als kunstenaar. Elke keer dat ik op het podium sta of met muziek bezig ben, ben ik dankbaar dat ik muziek ken en dat muziek mij ook wil kennen. (…) Voor mij is creativiteit een oefening in dankbaarheid. Nergens voel ik me zo thuis als in creativiteit.”

    Glenn de Randamie heeft last van de negatieve kanten van de roem: de bedreigingen aan zijn adres, de haatmails, de coronapandemie. Maar de liefde trekt hem overal doorheen. Dit is wat blijft: geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde. Liefde is de baas en daardoor kan Typhoon, kan Glenn de Randamie het leven weer aan. “Liefde is de baas. Niet als commandant. Maar als kompas. Niet als oplossing. Maar als levenshouding. Een manier van kijken, van luisteren en zijn.

    Aan het slot vraagt hij zich af wie Glenn is om de boodschap van een moedig leven te verkondigen. Hij stond tijdens het schrijven vaak stil bij die hemzelf aangepraatte opdracht. Ik stel hem me dan voor, kauwend op de achterkant van de pen, turend uit het raam naar de einder. Echter ademt het boek nergens een writer’s block; de woorden schijnen makkelijk uit te spreken. Zijn emotie kan eenvoudig omschreven worden. Het boek is zijn manier om te zeggen het samen te doen. “Ik hoop dat je in mijn verhaal iets van jezelf herkent. Dat het aanzet tot gesprekken. En dat je de ruimte voelt om even stil te staan om jouw route te bepalen. Om thuis te komen.

    TYPHOON liefde is de baas | de kunst van moedig leven. Uitgeverij Atlas Contact, 2025.

    Typhoon, Glenn de Randamie, Atlas Contact

  • “Ik begin met ik. Dat lijkt me het beste voor een autobiografie.”

    Voordat ik het derde deel van de memoires van Freek de Jonge opensla, lees ik het boek over de schilder Jopie Huisman. Ze waren vrienden, Freek en Jopie. Het boek “Schilder van het mededogen” gaat over Huisman, maar is het verhaal van Jopie. De voddenboer en schilder heeft tegen het eind van zijn leven het idee daadwerkelijk langzaam te verdwijnen. Hij maakt ook een vaag zelfportret op de rug gezien zittend achter zijn ezel, een laatste schilderij. Die gedachte van ontsnappen van het leven komt ook bij mij op wanneer ik “De Zeeuwse jaren” lees. Dat Freek tegen de tijd van zijn 80e levensjaar denkt langzaam uit het beeld van Nederland te verdwijnen. Misschien dat hij daarom op de achterbank bij André van Duin gaat zitten, terwijl hij daar eigenlijk geen zin in heeft. Maar zijn zoon zegt hem het wel te doen, ‘anders raak je helemaal in de vergetelheid’.

    Fotografisch geheugen

    Zoals voor verfilming een boek wordt gedramatiseerd, zo heeft Freek de Jonge voor zijn memoires het leven gefantaseerd. Dat speelt door mijn hoofd wanneer ik deel 3, “de Zeeuwse jaren”, lees. Niet dat deze plausibele wetenschap een geamuseerd lezen in de weg staat. Integendeel. Freek zal een fotografisch krachtig geheugen bezitten. Dat moet ook wel wil je vele avonden lang jaren achtereen op het podium staan om een onemanshow af te draaien. Of het zit allemaal nog in zijn hoofd opgeslagen of hij zal een nauwgezet dagboek hebben bijgehouden. Want hij weet nog precies wat er zich in zijn leven door de tijd heeft afgespeeld. Kent nog exact de woorden die gezegd zijn in de dialogen. Kan zelfs de kleding en de haardracht van mensen die met hem optrokken en langs hem zijn gegaan uit zijn geheugen opdiepen. Hij is een goede getuige met een sterk verhaal. Een vertelling uit de eerste hand, een toeschouwer van zijn eigen leven met een ervaringsdeskundig relaas.

    Natuurlijk is er niemand die Freek’s memories op feitelijkheid natrekt. Geen lezer die gaat googelen om te kijken of het allemaal wel waar is wat Freek schrijft. Of het fantasie is of een grote dosis realiteit uit de herinnering behelst aangedikt met wat humor en drama. Freek is tenslotte een komiek. We nemen hem met een korrel zout.

    “Ik moest vanmorgen denken”

    Neem nu de brainstormweek in Oudehaske. Het spreekt mij aan, omdat ik er ook ooit eens heb vertoefd en mijn vrouw er op een steenworp afstand haar jeugd heeft doorgebracht. Zwom in en zeilde op het verveende meertje. Toch kan ik weinig achterhalen van wat Freek over de camping bij het Nannewiid schrijft. Collega cabaretier Jacques Klöters schrijft in één van zijn columns, die steevast beginnen met de woorden ‘Ik moest vanmorgen denken’: “Freek vertelde later in interviews over de week in Oude Haske waar hij met medecorpsleden Bram, Just Enschede en Eddy Habbema aan het eerste programma werkte. Ze hadden wat poplp’s bij zich, Freek een lp van Toon Hermans. De conference van de Sprekert, daar kon Freek geen genoeg van krijgen. Hij voelde zich aangetrokken tot de woordspelingen en quasi-diepzinnigheden en maakte ze ook.

    Verderop in het boek word ik echter meteen al gelogenstraft op mijn scepsis, wanneer Freek van het verleden naar het recente heden springt. Hij lijkt een writers block te hebben, van de voorgenomen discipline om te schrijven komt weinig terecht. Er zijn te veel actuele zaken die hem in de weg zitten om zijn herinneringen op een rij te zetten. Zijn toestand en die van zijn vrouw, en al die andere zaken daar buiten om, zitten zijn creativiteit in de weg. Het is niet duidelijk of hem dat overkomt wanneer hij middenin 1968 zit wanneer zijn vader is overleden.

    Tot in de haarvaten en de plasbuis

    Dat dit oprakelen van dat verleden hem zoveel verdriet geeft en hij ook nog de eigen actuele neergang meemaakt, of dat hij nog met het boek moet beginnen. In elk geval is het daar gesitueerd tussen de bladzijden van wat voorviel in dat jaar. Tussen de sterfdag en de begrafenis wordt hij, Freek, en de lezer, ik, met hem bepaald bij het hier en nu. Tot in de haarvaten en de plasbuis wordt een en ander beschreven, zijn ongezonde terugval en die van vrouw Hella. Legt in het heden uit hoe hij over zijn verleden schrijft. Welke moeite en tegenzin het hem kost alles terug te halen van het verleden in het heden om het te noteren. ‘Het leven leiden, het lijden leven’ – lees ik ergens in de qua aantal woorden omvangrijke memoires.

    Met enige weemoed in zijn pen schrijft Freek breedvoerig over wat hem in de jaren 60 van de vorige eeuw overkwam. De ontdekking van het studentenleven met vooral feesten en weinig studie, de ontgroening. Freek is meer bezig met zijn voornemen op het podium te staan dan in de collegebank te zitten. Het optrekken met familie en vrienden, “Ik had vrienden, natuurlijk. Niet zoveel. Nooit gehad. Ik had genoeg aan mezelf.” De kalverliefde, “ik was overvallen door iets wat groter was dan mijn gekoesterde toneelverlangen.” De gewaarwording van seksueel genot, deze pagina’s in het boek kunnen in de schaduw staan van de erotische roman ‘Vijftig tinten grijs’.

    Ach, het zijn allemaal van die zaken waar een gezonde jongeman in de bloei van zijn leven tot volle wasdom mee te maken heeft en krijgt. Het geloof, God, die een leven lang vat op hem blijft houden, maar niet het handvat is waaraan zijn vader houvast heeft. Zijn vader speelt in het boek een belangrijke rol, zoals vaders dat doen in de levens van zonen. Het komt flagrant tot uiting wanneer hun aardse levens elkaar scheiden, het sterven van zijn vader zet Freek met beide benen op de grond.

    Dan, in het hoofdstuk 2023, laat De Jonge het achterste van zijn tong zien, geeft hij inzicht in zijn verdriet. Hij zet als het ware de deur wijd open naar zichzelf, een deur die altijd op een kier bleef staan in zijn doen en laten, zijn leven en werk, zijn shows. Het leven was een show tot de waarheid aan het licht kwam.

    Eeuwigheidswaarde

    Deze interval in de memoires van de jaren 60 geeft aan “de Zeeuwse jaren” een eeuwigheidswaarde. Zonder dat was het een flauw grappig evenwel aantrekkelijk leesbaar boek gebleven, een autobiografie van een jongen die komiek wilde worden. “Je moet vanuit het niets beginnen. Geen verwachting, louter verlangen. De mensen moeten naar jou toe komen. Je moet niet uit zijn op gezelligheid. Probeer vanuit het ongemak te spelen.”

    Op een goed moment wordt Bram Vermeulen het verhaal in geschreven. Een punt waarop ik aldoor gewacht heb, want Bram en Freek, Neerlands Hoop (in Bange Dagen) blijft als instituut tot de verbeelding spreken. Het is bijzonder te lezen hoe toegenegen Freek over Bram schrijft. Dat hij inziet niet zover te hebben kunnen komen zonder zijn inbreng. Het was een verstandshuwelijk dat op het hoogtepunt in een scheiding uitliep. Dat te constateren neem ik een voorschot op deel 4. Maar de mannen verdwenen nooit uit elkaars gedachten, hoewel er wel wrok en jaloezie bleef. “In onze samenwerking zag Bram zichzelf graag als de dienstbare, onmisbare aangever die mij de gelegenheid bood te scoren. (…) Hij had inzicht, hij had smaak en bovenal kritiek die niet irriteerde maar uitdaagde en stimuleerde andere keuzes te maken.”

    Tijdsbeeld met open einde

    Het derde deel in de serie memoires van Freek de Jonge geeft vooral een tijdsbeeld. Een tijdsbeeld met een open einde. Want slechts staat het slot van het verhaal aan het begin van wat de knuppel in het hoenderhok van het cabaret deed gooien. Neerlands Hoop heette vernieuwend te zijn, achteraf bezien passend in de tumultueuze periode van toen. Ik kan niet wachten die wederwaardigheden door Freek op mijn bordje opgeschept te krijgen. Het zal smaakvol zijn. Maar nu hap ik met genoegen nog van “de Zeeuwse jaren”, waarin tot de verbeelding sprekende voorvallen die deze jaren de revue passeren langskomen en in de memoires meespelen. Het is daarom ook een soort van historisch verantwoord boek, gezien vanuit het perspectief van een enkel persoon die tot het collectief geheugen is gaan behoren. Maar langzaam in het niets verdwijnt als stip op de horizon aan de andere kant van de Oosterscheldekering, zoals afgebeeld op de omslag van het boek. In het roze van de weemoed en het groen van de herinnering. Het repertoire van Neerlands Hoop mag dan gedateerd zijn, in de eigen komische shows en de memorabele boeken heeft Freek voor de eeuwigheid een monument nagelaten. Voor zichzelf een standbeeld opgericht.

    De Zeeuwse jaren. Memoires 3. 1962-1969. Freek de Jonge. Uitgeverij Atlas Contact, 2024.

  • Het levensverhaal van twee bijzondere heren

    ‘Ik bel je wel als ik dood ben.’ En ik: ‘Als ik niet thuis ben spreek dan wat in op het antwoordapparaat.’ We zeiden het wat nonchalant, alsof het toch niet zou gebeuren en misschien ook om de emoties geen kans te geven.” Het was een mooi begin geweest van Armando’s levensverhaal opgeschreven door Cherry Duyns. Ik lees deze laatste begroeting pas in de ‘Aantekeningen bij het einde’. Het is de manier waarop de heren afscheid van elkaar kunnen nemen, eerder, voor die 1e juli in 2018 toen Duyns een telefoontje uit Potsdam kreeg: ‘Armando ist tot’, met een kwinkslag, altijd met een grap en een grol de ernst doorbrekend.

    Ik bel je wel als ik dood ben” is de titel van een bundel gesprekken met Armando. In 21 gesprekken over een periode van 7 jaar hadden de mannen het over het leven en het verleden. Niet enkel dat van kunstenaar Armando, maar onvermijdelijk ook dat van schrijver Cherry Duyns. En over wat hen bond in de halve eeuw dat ze elkaar gekend hebben: taal, humor, variété, muziek, beeld. “Maar het is toch vooral zijn verhaal, zijn geschiedenis waar ik naar op zoek was, zijn bronnen”, verantwoordt Duyns zich in het voorwoord.

    Cherry Duyns, Armando

    Geschreven in de tegenwoordige tijd

    De door Joke Duyns ruw op schrift gestelde audio, de gesprekken werden op een memorecorder opgenomen, werden door Cherry Duyns uitgewerkt en bevat waardevol materiaal om de beeldend kunstenaar, schrijver en violist Armando beter te leren kennen. Het maakt deel uit van de nagelaten werken van de man achter de schuldige landschappen en al die andere verfschappen, tekeningen en beelden, objecten. gedichten en verhalen. De manier waarop hij in het leven stond en hoe hij naar zichzelf en zijn kunst keek. Geschreven in de tegenwoordige tijd, alsof de lezer deel uitmaakt van de tweespraak. Zo ervaar ik dat ook, op de punt van mijn stoel kom ik tot het diepste wezen van deze bijzondere man. Hij laat dat toe omdat hij een open boek is voor zijn gesprekspartner, vrienden voor het leven.

    De verstandhouding van de levensvrienden komt in het boek ook ruimschoots aan de orde. In een groot aantal dialogen denk ik de samenspraak bekend van ‘Herenleed’ te ontdekken, de on-Nederlandse droge humor. De twee netjes geklede heren die in het televisieprogramma en op het theatertoneel het tot elkaar hadden over het vreemde fenomeen dat leven heet, lief en leed. Serieus, maar altijd met een humoristische ondertoon – absurd veelal, gestut door het woeste voorkomen en de dito uitspraken van dichter Johnny van Doorn. Voordat je het door hebt zakt dergelijke gein in de vergetelheid. De humor linkt aan die van het Britse gezelschap Monty Python en de Amerikaanse rockers van Bonzo Dog Doo Dah Band. Wie kent ze nog.

    Herenleed, Cherry Duyns, Armando

    “Weet je wat somber is? Leuke bloemetjes schilderen”

    Echter is het boek geen biografie of autobiografie waaraan een uitgebreid bronnenonderzoek en interviews met mensen om de persoon heen aan vooraf gaat, waarbij soms ook misverstanden ontstaan en een eigen leven gaan leiden. Het is de kijk van Armando op zijn leven, zijn werk en zijn handelen. Uit de eerste hand. Met een getuige à décharge. Deze geboekstaafde uitspraken van Armando hebben een ernstige boventoon, wanneer het bijvoorbeeld gaat om de oorlogsjaren, met humoristische ondertonen als het zijn eigen werken in de kunst betreft. Want, zegt hij, niemand zit op die flauwekul te wachten.

    Het thema van zijn werk is de tragiek van de mens en vooral de ellende van de oorlog. Het lijkt zijn werk somber te maken. “Weet je wat somber is? Leuke bloemetjes schilderen.” Die oorlog is tevens een voortdurend terugkerend gespreksonderwerp. Het heeft diepe indruk gemaakt op Armando. “In de oorlog zie je een gecomprimeerde realiteit, een samengebalde werkelijkheid. Alles is heviger dan in het normale leven, wat we dan normaal noemen.” En die werkelijkheid moet een uitweg hebben, vindt beeld op doek en in brons. Paradoxaal houdt Armando zelf niet van dit werk, hij waardeert het wel maar vindt het rotzooi. Het geeft echter zin aan het zinloze bestaan.

    Arfmando

    Talloze bijzondere uitspraken

    En een rode draad door de gesprekken is ook het voorval in de laatste weken van die oorlog. In april 1945 heeft Armando een onverhoedse ontmoeting met een Nederlandse SS-er. Het is hij of ik. Duyns probeert uit Armando te trekken wat er is gebeurd en hoe hij daarin staat. Steeds steekt het de kop op in de vragen en de antwoorden. Uiteindelijk laat de kunstenaar de nonchalance over de gebeurtenis varen en heeft het erover. Hij schreef het van zich af in een boek, eerder, wanneer het een beschrijving is in de hij-vorm, de tweede persoon.

    Er zijn talloze bijzondere uitspraken, zo beschreven dat de dialogen eenvoudig doorlezen. Zijn blik op het leven stemt tot nadenken, houdt de aandacht vast en laat het boek vrijwel in één adem uitlezen. Armando lijkt wereldvreemd, maar is dat allesbehalve. Hij heeft een eigen kijk op het leven, zijn leven, zijn kunst, zijn zijn. Dat leven is niet zo bijzonder en die kunst al helemaal niet, vindt hij. “De inspiratie komt je gewoon aanwaaien. Ik heb er geen verklaring voor. Af en toe zie ik dingen van mezelf of lees ik wat ik geschreven heb en dan denk ik: dat ik tot zulke mooie dingen in staat ben. Sommige dingen moeten gehoorzaam gemaakt worden. Ik heb niks te beslissen, dat wordt voor me gedaan. En wie dat doet? Weet ik veel, het interesseert me ook geen ene moer. Hoofdzaak is dat het komt. Dat het er is.

    Armando

    Niet snel tevreden over zijn werk

    Armando praat zelden over schilderkunst, maar doet dat in deze gesprekken met grote regelmaat omdat Duyns hem daarover bevraagt. “Ik ben niet zo’n kunstenaar die voortdurend over zijn eigen werk praat. Ik weet er ook weinig over te zeggen. Je moet vertrouwen hebben. Je mag wel twijfelen, dat doe ik nu nog, maar op een zeker moment weet je het. (…) Ik ben bescheiden, ik ben geen opschepper. Soms vind ik mezelf te bescheiden. Ik kan een grote smoel opzetten, ik kan brutaal zijn en alles zeggen wat ik wil maar ik zal mezelf niet zo gauw op de voorgrond plaatsen. Ik zal mezelf niet gauw ergens op voor laten staan.

    Hij is niet snel tevreden over zijn werk, want als je tevreden bent is het afgelopen. Er komt altijd twijfel, het volgende schilderij moet beter worden. Er dienen zich dingen aan en die moeten worden gemaakt. Hij maakt veel schetsen, kijkt voortdurend om zich heen of er iets bruikbaars te zien is. Hij geniet niet zoals anderen gewoon domweg kunnen genieten, het is een functioneel genieten. “Altijd op zoek, ook als je naar buiten kijkt. Veel en lang nadenken. Ik heb nooit gehad dat ik voor een leeg doek zat en dacht: wat zal ik vandaag eens gaan schilderen. Maar ik schilder pas als het zich aan mij opdringt. Als dat niet het geval is, kan ik het niet. Soms moet ik het meteen maken; als ik dan een dag wacht is het avontuur er niet meer. Het moet een avontuur zijn anders is het routinewerk en dat is volkomen oninteressant. Soms wordt een schilderij beter dan ik had verzonnen, omdat het groter is. De schetsjes teken ik gewoon met balpen. Het is altijd anders als je het op een hele andere schaal in verf gaat uitvoeren. Maar als je het uitvoert: niet zeiken, durven, je moet durven.

    Armando

    Door het boek leer ik de mens Armando kennen

    Er zijn schilderijen die zich aan hem opdringen. Die geschilderd moeten worden. Hij gehoorzaamd gewillig aan die drang, is van nature lui maar verschrikkelijk vlijtig. “Ik heb haast als ik schilder, ik ben altijd ongeduldig. Ik wil weten hoe het afloopt, hoe het eruitziet wat ik in mijn hoofd heb. Ik kan niet zeggen ik ga volgende week weer verder. Dat kan ik niet. (…) Ik doe iets met verf en dat lijkt op een landschap of op een bos. Het is niet zo dat ik de natuur naschilder. Eigenlijk heet elk schilderij: verf. Het is verf en soms is het een kop en soms is het een landschap.

    Door het boek leer ik de mens Armando kennen, weet ik beter wie de man achter dat abstracte oeuvre is. Hoewel hij het zelf niet abstract vond wat hij maakte, het is een emotionele verwerking van zijn herinneringen. Maar ik raak ook bekend met de mens Cherry Duyns. Al is hij de vraagsteller, zijn leven sijpelt toch ook door de regels. Vooral in de korte verhalen door de gesprekken heen die, hoewel gerelateerd aan zijn levensvriend, veel over hemzelf zeggen omdat dit zijn verleden is. Herkenbaar in mijn leven, terwijl het toch compleet andere werelden zijn. Dat maakt het boek bijzonder leesbaar, omdat je er jezelf in kunt vinden. Het blijft niet die grote kunstenaar op dat voetstuk, Armando schoffelt dat beeld maar al te gretig omver. Hij zag zijn levensvriend niet als leerling, de buitenwereld dacht echter wel dat Armando de leermeester was. Duyns keek niet op tegen Armando. Fysiek is het juist andersom. Maar ze stonden op gelijke voet, op eenzelfde eenzame hoogte. Veel gemeen, veel raakvlakken. Twee zielen met vrijwel dezelfde gedachte. De gesprekken maken dat eens te meer duidelijk.

    Ik lees voor: “Vandaag wens ik mijn oudste vriend geluk. Ze zeggen dat hij tachtig jaar is geworden, maar dat lijkt mij kwaadsprekerij. Want niet zo lang geleden nog liep ik in zijn schaduw mee. We floten en aten koek. Ik was negentien. Hij vierendertig. Niet zo lang geleden.” En ik citeer: “Und jetzt wird gesagt mein ältester Freund sei Tod. Er sei gestorben. Aber dass kommt mir wie üble Nachrede vor. Denn es ist gar nicht lange her, da lief ich noch in seinem Schatten mit. Wir pfiffen fröliche Melodien und assen Kuchen. Ich war neunzehn. Er vierunddreissig. Gar nicht so lange her.”

    ‘Ik bel je wel als ik dood ben’ Gesprekken met Armando. Cherry Duyns. Uitgeverij Atlas Contact, 2023.

  • Na lezing van Blauwe Hanen ben ik er één

    Het is niet eenvoudig in de geest van de dichter te komen. Ik lees de nieuwe bundel van Elmar Kuiper van voor naar achter en terug en nog een keer. Langzaam beginnen de woorden mij betekenis te geven. Het is als een surrealistisch schilderij waarvan de beelden tijd nodig hebben bij mij in te dalen. De woorden zweven boven de werkelijkheid. De gedichten zijn niet abstract, maar kunnen wel in metaforische zinnen wonderlijk normale ervaringen duiden. Want hoe kan een woord, hoe kan een combinatie van woorden abstract zijn. De haan is een mannelijke kip of staat bovenop de kerktoren. Verandert pas van betekenis en inhoud wanneer er een bijvoeglijk naamwoord aan is toegevoegd: blauwe haan. Sommige woorden hebben dan wel een dubbele betekenis, het maakt de Nederlandse taal minder eenvoudig voor de buitenlander. Die haan kan namelijk heel goed ook het slagstuk in een pistool zijn. Ik kan haantje de voorste willen zijn of de gebraden haan uithangen. In elk geval laat ik bij het lezen van onderhavige bundel poëzie Elmars haan koning kraaien.

    Elmar Kuiper, Atlas Contact

    Met de titel van het boek en de beeldende omslag zet de dichter mij meteen al op het verkeerde been, dat achteraf best wel het goede zal kunnen zijn. De woorden van realisme worden in abstracte zinnen gegoten, in de zin van andere in betekenis onverwachte woorden voor eenzelfde strekking. Ik dien me er een beeld bij te vormen wil de bedoeling tot mij komen. Maar dat beeld kan wel heel goed een andere vorm hebben dan in beginsel bedoeld is. Is de blauwe haan een geheelonthouder of ergert hij zich blauw terwijl hij rood aanloopt, zoals de letters op het omslag van de dichtbundel.

    In de geest van de dichter kruipen

    Onderwijl het lezen zie ik Elmar in gedachten, mijn gedachten, in het Friese gras liggen levend in zijn jeugd, een strootje tussen de tanden mijmerend over wat komen gaat. De verleden tijd toen alles nog op orde leek, alles vanzelfsprekend scheen. En concentreer ik mij op de woorden dan word ik deze jongen die daar in het gras ligt denkend aan toen, toen geluk heel gewoon was.

    Maar moet je dan wel in de geest van de dichter proberen te kruipen? Wil je een verhaal begrijpen dan vereenzelvig je je met de hoofdpersoon. Je maakt figuurlijk aan de lijve mee wat de schrijver heeft geschreven. Ga je zo op in het verhaal dan gaat het over jezelf, is het jouw verhaal. Dan ga je op avontuur buiten jezelf bij jezelf. Ben je letterlijk van de wereld zolang als dat je leest. Is het boek uit, het verhaal klaar, dan sta je weer met beide benen op de grond. Is het verhaal een herinnering.

    Om een gedicht tot me te nemen stel ik mij de ploeterende dichter voor, de poëet die met het zweet op het voorhoofd al nagels bijtend dat probeert te verwoorden wat zijn geest ziet. En is het daar, staat het op papier, lees ik het en zwoeg me positief door de woorden. Ik lees en ik ben die hij is. In de korte spanningsboog van dat ene gedicht. Langer hoeft mijn aandacht niet te zijn. Maar in die enkele regels ga ik diep door het denkbeeldige stof. De dichter is diep in zichzelf gegaan om in een paar zinnen een compleet verhaal te vertellen. Poëzie is ingedikte proza. Het gedicht is de essentie van het verhaal.

    Als in een abstract kunstwerk

    Zo lig ik in het hoge gras van mijn bed te filosoferen. Ondertussen de bundel “blauwe hanen” doorbladerend houd ik het boekje open op de bladzijden die me aanspreken. Die meteen na eerste lezing in mijn hoofd blijven spelen. Het zijn vluchtige bewerkingen die nog even naklinken in mijn gedachten maar al snel plaats maken voor de dagelijkse inspiraties. De gedichten die niet meteen duidelijk zijn en nadere aandacht verdienen, ik lees ze nog eens weer. Ik weeg de woorden, streep betekenissen tegen elkaar weg. Dan opeens, als een donderslag bij heldere hemel – waar komt het vandaan, het is er plotseling, doorzie ik de gedachte en doorvoel de bedoeling van de kunstenaar. Als in een abstract kunstwerk, bij toverslag zie ik er iets in en wordt het beeld de mijne – mijn blik.

    Kuiper beschrijft zijn gedachtewereld, dicht zijn herinneringsbeeld. Die is uiteraard niet universeel, maar schurkt wel tegen het algemene aan. De dichter heeft de kracht zich in de lezer in te leven, waar de lezer de macht moet hebben zich in de dichter te verplaatsen. Hij speelt met woorden, dolt met betekenissen en danst met de regels van het spel. Een kort verhaal zet hij om in dichtwerk. Het lijkt een short story maar is een long poem. Het omschrijft niet in ellenlange hoofdzinnen met slingerende bijzinnen welke weg het personage moet gaan om van proloog tot epiloog te komen. Maar heeft ook niet de kleurige uiteenzetting van het zijn en handelen op detail. In nauwelijks meer dan een halve pagina moet de toon gezet zijn en een afronding gemaakt. Het lijkt een onmogelijke stijl die nog eens weer in het ‘gewone’ gedicht is uitgewerkt. Dan vallen alle schillen weg en blijft de kern over. Sprankelend en glanzend. En dat behoeft dan niet altijd in rijm of volgens de regels van de algemene poëzie te zijn, als het maar woorden tot beelden brengt in de gedachte van de lezer. Dat het speelt met de realiteit, in betekenis zweeft boven de werkelijkheid. Ik moet mij figuurlijk uitrekken om het letterlijk te vatten.

    Tweemaal daags een gedicht

    In zijn gedichten leeft Elmar Kuiper zijn leven nog eens opnieuw. Daar ruggelings gelegen tussen de grashalmen kauwt hij op een strootje. Het zijn trekt als een film aan hem voorbij. Hij zet er de herinneringen stil en geeft het woorden. Herinneringen die aanspreken, mij roepen en de betekenis influisteren. Alsof het geheimen betreffen. De mysterieuze verzen dansen aan mij voorbij, de beeldspraak komt spelenderwijs bij mij binnen. Onberedeneerd zet Kuiper woorden op papier die intuïtief hout snijden. Hij beeldhouwt de gedachten in woorden. Kleit zijn wortels tot zinnen. Hij spit het verleden om voor vruchtbare grond waarop de toekomst kan groeien. Hij herinnert, observeert en denkt zich het zijne ervan door een achterdeurtje te vinden om uit het hersenspinsel te ontsnappen.

    En waar hij een uitweg heeft gevonden zoek ik een ingang. Is die eenmaal gevonden dan stuit ik telkens weer op een doodlopend pad om uiteindelijk het doel te bereiken: het doorzien van de metafoor blauwe hanen. Veelal zijn het notities om belevenissen te omschrijven, handleidingen om uit het geestelijke doolhof te komen. De gedichten lijken therapeutische ingevingen om het verleden af te kunnen schudden en vol goede moed de toekomst in te gaan. De bundel krijg ik als recept voorgeschoteld om met mijn verleden in het reine te komen, te genezen van de wonden uit vroeger tijd. Tweemaal daags een gedicht. En om af te wennen start ik de kuur eens opnieuw en pas het naar behoefte aan. En wanneer dan het medicijn aanslaat lees ik met plezier de hele bundel nog eens van voor tot achter. Wordt het medicijn een drug, een geestverruimend middel.

    Wanneer de gedichten blijven hangen heeft de dichter zijn doel bereikt. De blauwe hanen hebben zich geëtst in mijn gedachten. Ik blijf er aan denken, omdat eens de meest abstracte woordspelingen mij overkomen als realistische aanhalingen. De eerste haan kraait en ik verwacht de tweede onderwijl tastend in het duister naar de derde, maar er is licht aan het eind van de tunnel. “blauwe hanen / schokken licht (…) blauwe hanen / luisteren loom (…) blauwe hanen / tokken zacht / en rekken hun halzen zo uit tot ze / gemakkelijk bij de sterren kunnen” Ik ben een blauwe haan.

    Blauwe hanen. Gedichten van Elmar Kuiper. Uitgeverij Atlas Contact, 2023.

    Elmar Kuiper, Atlas Contact

  • Weten dat de woorden op zijn mooist klinken wanneer Freek ze zelf leest

    Memoires, ironisch bedoelt zonder een grap te willen zijn. De herinneringen in het boek “Kom verder!” zijn feiten en verzinsels losjes gecombineerd tot een geschiedkundig onzuivere vertelling. Door overlevering verkregen en uit het geheugen opgediept. Dat er hiaten zitten en dat deze opgevuld moeten worden, daar is de schrijver zich van bewust. Maar hij kan dat naar eer en geweten doen, want hij is Freek de Jonge en mag weleens een scheve schaats rijden. Het zij hem vergeven en het maakt het geschrevene alleen maar meer lezenswaardig. Zijn schrijftrant is even levendig vaak en dubbelzinnig soms als zijn  shows op het podium.

    Kom verder!” is de biografie van een familie, een familiegeschiedenis die volgens Freek feitelijk begint bij de Hervorming – de kerkelijke omslag. In het boek vangt het verhaal zo’n beetje aan bij de wonderbaarlijke vingerwijzing Gods, een duiding welke richting het leven van Freeks grootvader Willem op zou moeten gaan. Hij wordt door de grote baas zelf geroepen, op een onbeduidend hek in het veld waar hij de koeien hoedt. Hoe symbolisch, de brandende braamstruik is ingeruild voor een zonnesteek op een onbedekt hoofd.

    Bloed, zweet en tranen

    Wie denkt dat “Kom verder!” een boek is vol cynisme, zoals de schrijver overladen is met humor en dit zijn leven lang op de planken brengt, komt van een koude kermis thuis. De Jonge rekent niet af met het verleden voor zijn geboorte. Zet zich niet af van zijn familie, maar verheft zijn vader tot held van het verhaal. Willem is voor het heil geroepen en Andries zal dit ten uitvoer brengen. De familie is in mannelijke lijn en door de geslachten heen een familie van evangelisten en predikanten. Andries, de vader van Freek, is voorbestemd het woord vanaf de kansel te verkondigen. Hoe hij van kleine jongen tot grote man zover komt, met alle vreugde en smart – het vele bloed, zweet en tranen – daarover gaat het verhaal.

    Het verhaal van vader. Een vertelling vol religieuze invallen die de kerkgeschiedenis aanstippen. Ook de historie van de Nederlanders als natie hebben een aandeel. Maar het is vooral de geschiedschrijving van een familie, die midden in het leven staat en een levenslot met God heeft. De roeping, de opdracht het verhaal van barmhartigheid te verspreiden. De goede zaak onder de mensen kenbaar te maken. Het zijn geen heiligen, hoewel Freek gaandeweg het boek zijn vader wel op een voetstuk zet waar hij meerdere keren dreigt vanaf te vallen.

    Freek de Jonge

    Het zijn gewone mensen, die met vallen en opstaan het leven trotseren. Niets menselijks is hen vreemd. De twijfel slaat regelmatig toe, omdat theoretische en praktische verleidingen op de loer liggen om hen af te leiden van het smalle pad naar de brede weg. De duivel als guerrillastrijder kan zo uit de bosjes springen en in de aanval gaan. Maar het geloof houdt stand. De kudde van dorpse gelovigen reageert niet meewarig wanneer de vrouw van de dominee al maanden zwanger blijkt te zijn bij het ja-woord aan het altaar. Vader gaat bij de deuren langs om daarvoor zijn schuld te betuigen, maar de plattelanders reageren gelaten. Niets menselijks schijnt hem vreemd.

    Dagboeken

    Het verhaal start dus met die roeping. Daarna lees ik de gangen van de jongen en later de man die in het boek vader wordt genoemd. In het eerste hoofdstuk schept dat nog verwarring, want de vader van de vader is ook vader. Wie is nu wie. Gaandeweg wordt dit duidelijk en ook na nog eens opnieuw het begin begonnen te zijn. Bij de eerste lezing scheen ik nog niet klaar voor dit verhaal, ik was er nog niet aan toe en verzandde in dat eerste deel. Zojuist had ik namelijk de dagboeken van Bram Vermeulen gelezen en beschreven. De twee cabaretiers gaan toch de toekomst in als een duo. Wie Bram zegt neemt Freek in één adem mee. En Freek duikt meerdere malen als negatieve zender maar zeker ook als positieve kracht op in die dagboeken. Dat gevoel hing en die smaak bleef na, dus liep ik vooralsnog vast in de memoires van Freek en legde het boek een aantal maanden ter zijde. Maar toen de geest er dan was, ik me door het boek geroepen wist openbaarde zich het mysterie van Freek de Jonge.

    Bram Vermeulen

    Andries de Jonge is een denker, op het filosofische af bijna. De lezer, ik, ga mee in de dagdromen, overpeinzingen en mijmeringen. Als jongen de zaken die een jeugdig persoon zoal bezig houden. Als man de gedachten over, in het geval van deze dominee, het ambt, het geloof en de religie, God. “Zijn gepieker neigde naar het obsessieve. (…) Naar hoe Gods ogen alles zagen bleef het gissen. Had Hij wel ogen? Als je alles ziet schieten ogen vermoedelijk tekort.” En hoe zal hij de Waarheid verkondigen. “Wat verwachten de mensen van mij? Wat wil ik van die mensen? Wat verwacht ik van God? Wat wil ik van het leven? Wat heb ik te bieden?” Vragen die in het boek een zeker antwoord krijgen, door de aandachtige lezer op te merken.

    Mythologisering van een leven

    Het is een handig format, een toegepaste opzet voor een fantast als deze Freek. Gedachten die op zijn gegaan in de nevel van het verleden, kunnen naar believen met eigen mijmeringen worden ingevuld. De leemtes in het verhaal worden aldus fantastisch opgevuld. De gedachten van de schrijver worden de overpeinzingen van zijn hoofdpersoon. Hij legt het hem in de mond. Want wie zal de waarheid achterhalen. Wie zal weten wat echt is en wat niet. Welke de gedachten van de vader zijn of dat het de filosofie is van de zoon. Maar wat geeft het. Want het gen van de verbeelding ging natuurlijk over van vader op zoon. Wat de zoon denkt zou heel goed uit de gedachten van de vader kunnen zijn gekomen. De non-fictie wordt ingevuld met fictie. De werkelijkheid met fantasie. Want wie denkt dat Columbus Amerika ontdekt heeft? “Amerika hoefde niet ontdekt te worden. Het lag er allang en had ook al een naam.” Dat is dan de mijmering van de aardrijkskundeleraar. Zo draaien de herinneringen om elkaar in kruissteek zodat er uiteindelijk een lappendeken ontstaat, een souvenir van waarheid en fantasie. Van zus was het en zo had het gebeurd kunnen zijn. De mythologisering van een leven.

    Freek de Jonge, Heidenskip

    Ook kan ik als lezend schrijver meegaan in de gedachten, want “wanneer worden letters woorden? Wanneer woorden zinnen? Hoe ontstaat uit een paar zinnen een verhaal? Wat geeft het een betekenis waardoor het verteld blijft worden? Na hoeveel keer vertellen wordt een betekenis de moraal?” Mijmeringen die ik één-op-één kan overnemen, kan nazeggen. Dus naast dat het een geanimeerde vertelling is, legt het ook vingers op wonden bij wijze van spreken. Vooral de religieus onderlegde mens wordt er in aangesproken. Al de anderen krijgen een goede inkijk in het leven met de Bijbel in de hand. Freek blijkt evenzeer de predikant die zijn vader was. Het zit in het DNA.

    Diepen dalen en pure wanhoop

    Het is geen luchtig boek, hoewel het ook niet zwaar op de hand is. Freek gaat niet vluchtig over de zaak heen, hij beschrijft het avontuur van zijn vader niet met een korrel zout. Wel is zijn schrijftrant kruidig en beschrijvend. Het zal zo een script zijn voor een dramatische film. Het is niet enkel zijn geschiedenis, maar veel meer het verhaal voordat Freek als Freetje (Frederik Jan Georg) in 1944 het levenslicht ziet. De roeping van grootvader, het dilemma van vader om wel of geen dominee te worden. Het wordt allemaal diepzinnig en gedetailleerd uit de doeken gedaan en voor het voetlicht gebracht. Als het ware zit ik op de voorste rij en kan zomaar mikpunt worden van schrijvers’ zelfspot. Diepe dalen en pure wanhoop treffen het gezin, naast hoge toppen en vrolijke momenten. “Hem overkwam het diepste verdriet dat een man kan treffen, machteloos toezien dat de vrouw die hij liefheeft haar pas gebaarde kinderen verliest.

    Freek de Jonge

    De geschiedenis herhaalt zich, keer op keer. Het klinkt door in “Kom verder!”, het eerste deel van het kwartet memoires van Freek de Jonge. Een verteller pur sang. Een memoralist van het zuiverste water. Een moralist? Dat maakt de lezer uit. Een geschiedschrijver die niet enkel afgaat op zijn eigen herinneringen en die van zijn naasten, maar zeker ook de literatuur die de teruggehaalde tijd beschrijft openslaat en nagaat. Zijn vingers glijden langs de woorden en zetten zinnen vast in zijn hoofd, om er dit verhaal van te maken. Op zijn website zijn deze bronnen aangegeven. Op die freekdejonge.nl staan meerdere wetenswaardigheden die het boek tot standaardwerk maken. Op de site leest hij zijn boek zelf voor. De woorden klinken niet als holle vaten, want Freek weet en beseft waar hij het over heeft. “Kom verder!” eindigt dan in de liedtekst van het emotionele ‘de stem van vader’. Een lied, psalm welhaast – voor de koorleider, waarin hij zijn vader bezingt als dat jongetje op zondagmiddag die verliefd is op de stem van vader. “Kom verder!” is ook een boek om verliefd op te worden. In de ban van de ernstige en vrolijke toon. De verhalen stemmen tot nadenken, maar lezen als een avonturenroman.

    Kom verder! Memoires 1. Freek de Jonge. De Roje Hel bv. / Atlas Contact, 2021.

    Freek de Jonge, Atlas Contact, biografie