Category: Museum Belvédère

  • Harlinger haven ruiken, horen en voelen

    In de haven. Over het water. Zijn blik glijdt naar de einder, kijkt in de verte. Maar daar rusten zijn ogen niet. Hij beschouwt wat anderen aanmerken als horizonvervuiling. Hij ziet wel de schoonheid van wat het eind van de wereld schijnt, maar zijn aandacht verdwijnt niet met de zee. Hij kijkt niet verder dan zijn neus lang is. Hij ziet dat wat er kort voor zijn voeten ligt, op armlengte, minder dan een steenworp afstand. Dat heeft zijn interesse. Daar ligt zijn verhaal. Tussen de meerpalen, op de pieren, in de loodsen. De boeien boeien hem, de meeuwen schreeuwen om zijn aandacht. Er is altijd rumoer, bedrijvigheid, leven. Daar in de haven. Maar nu is het stil, de meeuwen houden de adem in, de branding is vlak als een spiegel. Want terwijl ik dit schrijf, hem daar op het havenhoofd plaats, in de tegenwoordige tijd – is het verleden tijd. Jan Roos vereeuwigde dat wat hem het meest aan het hart lag: het leven in en rond de haven van Harlingen. Kortgeleden moest hij noodgedwongen zelf het leven loslaten. Wat hij achterliet is een oeuvre aan tekeningen en schilderingen waarin de grens tussen land en water het middelpunt vormt. Geen idyllische voorstellingen van zee en strand, maar ruige beelden die in enkele vegen en streken tot stand lijken te zijn gekomen. Het is de romantiek van Harlingen, aan de rafelranden van de stad waar hij werd geboren, opgroeide en stierf.

    Museum Belvédère kreeg zijn afscheidstentoonstelling; door een ernstige ziekte zag hij zijn einde naderen. Het is een waardig afscheid, waarbij ik als museumbezoeker langer stilsta dan normaal. De forse afmetingen van de werken, op museumformaat, komen krachtig binnen, vooral omdat ik weet dat de hand van deze meester nooit meer een compositie zal opzetten. Zijn ogen zijn gesloten, maar door zijn blik zie ik nog steeds en kan ik vrijwel voor altijd de schoonheid van de Harlinger haven ervaren. Een schoonheid die niet mooier is gemaakt dan zij is. Roos heeft de scherpe kanten er niet afgeschuurd, de rommel niet eerst opgeruimd. Zijn stillevens geven de bedrijvigheid van het moment weer. Ik ruik de zee, de smeerolie, de diesellucht. Ik hoor het water klotsen, metaal op ijzer bonken, de wind door netten en langs masten ruisen. Ik hoor de meeuwen schreeuwen en weet dat Jan Roos altijd van deze plek heeft gehouden.

    Hij was er altijd

    Het was zijn atelier, want het liefst toog hij met papier en pen naar de haven om er en plein air de situatie vast te leggen. Er is daar altijd wel iets gaande, voldoende inspiratie om met het verbeelden ervan een leven lang voort te kunnen. Jan Roos heeft de haven van Harlingen raak gedocumenteerd. Ik denk dat de arbeiders van het eerste uur zijn geest nog zien dwalen rond de boeien en de tonnen. Dat de meeuwen zijn schimmige aanwezigheid voelen. Want hij was er altijd. Bij nacht en ontij, in weer en wind. Vooral wanneer het klimaat zich van zijn meest extreme kant liet zien, kon het vuur van de inspiratie hoog oplaaien. In de grote werken op zaal van Museum Belvédère is dat goed voelbaar, welhaast tastbaar. Roos zette het leven op geleefd papier, op uitgeleefd karton. De drager kreeg onder zijn handen een nieuw leven toegemeten. Afgedankt voor dagelijks gebruik, opnieuw gebruikt voor de eeuwigheid.

    Het boek is niet gesloten. Jan mag dan zijn laatste hoofdstuk hebben geschreven, er een punt achter hebben gezet, het verhaal gaat door. Zijn vertelling kan bij iedere tentoonstelling opnieuw verteld worden. Er komen geen woorden van de meester meer bij, maar er zullen telkens weer woorden van beschouwers aan worden toegevoegd. Het beeld is klaar – nog niet af. Wanneer de schilderingen zichtbaar worden, komen verschillende inzichten op. De maker mag uit de tijd zijn, de nalatenschap blijft bij de tijd. In Belvédère nog enkele momenten te zien; het boek blijft daarbij als herinnering. “Gelukkig hebben we de plaatjes nog…”

    Geen catalogus

    De tentoonstelling van Jan Roos in 2026 in Belvédère is zijn vijfentwintigste solo-expositie. Het boek dat erbij verschijnt, biedt het eerste grote overzicht van zijn leven en werk. Een bekroning van een kunstenaarsleven dat, gerekend vanaf de eerste expositie, meer dan vijfenveertig jaar beslaat. Wanneer ik het boek opensla, de catalogus bij de tentoonstelling, komt de haven van Harlingen me figuurlijk tegemoet. Het rumoer en de rotzooi spatten van de opgenomen werken af. Feitelijk is het boek geen catalogus, maar een overzicht van Roos’ oeuvre, een dwarsdoorsnede van zijn werkzame leven. Han Steenbruggen en Dirk van Ginkel, vrienden in en buiten de kunst, omschrijven Jan Roos in beschouwingen over zijn werk en in herinneringen aan de kunstenaar. Ook komt hijzelf door getranscribeerde gesprekken op papier aan het woord. “Wat hij wil meedelen ligt verankerd in zijn werk, die geweldige schilderijen die zich laten begrijpen als een voortdurende emotionele overgave aan zijn onderwerpen en zijn leefomgeving én als een zoektocht naar de kern der dagelijkse dingen, in de wetenschap dat alles met de tijd vervliegt”, kenschetst Steenbruggen Roos.

    Zijn liefde voor water- en havenscènes – van het laden en lossen van vissersschepen, het boeten van netten op de kade, het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan een scheepsromp tot het meeuwenleven op de steigers – begon al op jonge leeftijd en duurde een leven lang. “Mijn leven lang heb ik ook dat eenvoudige leven willen schilderen, en altijd op een directe, eenvoudige manier.” De haven heeft voor hem een magische aantrekkingskracht. Hij vindt het er prachtig: al die hardwerkende mannen, de vonken van de snijbranders, de heen en weer rijdende kranen, de reusachtige stukken metaal waaruit zomaar een schip kan ontstaan, de herrie, de stank. Jan Roos woont letterlijk en figuurlijk in zijn onderwerp. In de haven is Roos een vertrouwde verschijning. Hij loopt bijna dagelijks de werf op, kiest een plek en gaat op de grond zitten tekenen. Voorovergebogen of op de knieën, met de blik gericht op het onderwerp. Hij groet de arbeiders, maar maakt geen praatje en houdt ze niet van hun werk. Iedereen accepteert zijn aanwezigheid. Zij doen hun werk, hij het zijne.

    Havenwerker onder de havenwerkers

    “Veel onderwerpen die Jan Roos tijdens zijn lange schildersloopbaan heeft geschilderd – de werf vlak bij zijn huis en de oude havenhoofden – bestaan niet meer en leven alleen nog voort in foto’s en in zijn schilderijen”, schrijft Han Steenbruggen. “Toch ontbreekt in zijn werken elke vorm van nostalgie. Hij schilderde zijn onderwerpen zonder bijgedachten – emotioneel betrokken, maar zonder erbij stil te staan dat ze eens zouden kunnen verdwijnen. Zijn benadering kenmerkt zich door waarnemen, verwonderen en schilderend opgaan in het moment. En daarbij gaat het niet alleen om zien, maar ook om ruiken, horen en voelen. (…) In die noordelijke havenstad legt hij de menselijke bedrijvigheid vast – als havenwerker onder de havenwerkers – en de alledaagse uitzichten tegen het decor van de zee met haar eeuwig wisselende getijden. Zijn wijze van schilderen kenmerkt zich door een intens beleven, zowel mentaal als fysiek, en hij weet daarmee al die onderwerpen, waarmee hij zo door en door vertrouwd is, te bezielen.”

    “Dokwerkers, lassers, vissers, meeuwen, schroeven, rompen en ankers schilder ik op de grens van de dag en de nacht. Het leven verwijst naar de dood. Ik wil het nooit precies namaken, ik hou het graag een tikkeltje abstract. Wat ik niet mooi vind, laat ik weg. Altijd al gedaan. Het gaat mij meer om het gevoel van hier te zijn dan om het weergeven van de werkelijkheid”, laat Roos Van Ginkel weten. “Het is het mooist om op een scheepswerf of in de haven te zijn als er veel activiteit is. Als de havenmannen druk aan het werk zijn, laden en lossen, reparaties uitvoeren, herrie maken, hun troep overal neergooien, met overal die meeuwen die boven alles uit krijsen. Dat wil ik graag in mijn werk weergeven.”

    Jan Roos – op de scheidslijn van land en zee. Tentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70, Oranjewoud. 21 februari tot en met 7 juni 2026.

    Jan Roos, Museum Belvédère
  • Biografie Blaupot ten Cate herinnert aan een onstuimig leven

    Museum Belvédère bezit een schilderij dat maar moeilijk in samenhang met andere werken uit de collectie getoond kan worden. Het zal overigens niet het enige kunstwerk in de collectie zijn dat meestal achterblijft in het depot en maar zelden zichtbaar is voor het publiek. Maar deze specifieke eenling krijgt toch met enige regelmaat een plek op zaal, omdat directeur-conservator Han Steenbruggen het zo mooi vindt. Het betreft een werk van Anne Marie Blaupot ten Cate en toont een dromerig geschilderd portret van twee vrouwen. Geschilderd in haar Parijse jaren, schrijft Steenbruggen in het voorwoord van een biografie over haar leven: “(…) alles zoveel zachter en subtieler op elkaar afgestemd. Die ritmische opeenvolging van ogen, monden, schouders en armen, het versluierde coloriet en de donkere accenten rond en boven de figuren. Het zijn die beeldende middelen waarmee ze de melancholie in de blik van de twee vrouwen diepere betekenis geeft.

    Dit schilderij is min of meer het vertrekpunt om een avontuurlijk verhaal over haar leven te schrijven. Hoewel deze “Twee vrouwen” een ingetogen karakter hebben, geldt dat zeker niet voor de maker ervan. Anne Marie Blaupot ten Cate, geboren in Nijehaske onder de rook van Heerenveen, dreigt een vergeten kunstenaar te worden. Althans: zij verdween mogelijk anoniem in de vergetelheid van de kunstgeschiedenis. Wijlen Susan van den Berg verdiepte zich in leven en werk van Blaupot ten Cate, maar kon deze beschouwing niet afmaken vanwege haar plotselinge overlijden in 2023. Van den Berg had al eerder in een boek aandacht gevraagd voor een onopgemerkte kunstenaar: Hanny Korevaar. Kunsthistorica en publiciste Van den Berg, nog maar net aan Museum Belvédère verbonden als conservator, stond bij leven bekend om haar nauwgezette studie van de kunst en de kunstenaars waarover zij schreef. De uitgaven van haar hand mogen kleine parels in de kunstbibliotheek heten. Van een biografie over Blaupot ten Cate is het echter niet gekomen en ook voor het samenstellen van een tentoonstelling ontbrak Steenbruggen aanvankelijk de moed. Niet meer nadat Hanneke Boonstra zich had gemeld. Boonstra wist niets van de plannen van het museum, maar werkte al aan een onderzoek dat zou uitmonden in een biografische schets en een bescheiden tentoonstelling.

    Tussen figuratie en abstractie

    In de schaduw van de kunstgeschiedenis leeft Anne Marie Blaupot ten Cate een heftig en bij tijd en wijle stormachtig bestaan. Hartstochtelijk op zoek naar erkenning, bewegend tussen grootheden die haar niet onopgemerkt voorbij lieten gaan. Tegelijkertijd ontwikkelt zij driftig een stijl die wordt omschreven als lyrisch expressionisme en later als intuïtieve abstractie. Wat haar bovendien bijzonder maakt, is dat haar werk nooit helemaal opgaat in één stroming. Ze beweegt tussen figuratie en abstractie, tussen Parijs en Noord-Afrika, tussen schilderkunst en textielkunst. Daardoor houdt haar oeuvre iets zwervends en ongrijpbaars — alsof het voortdurend onderweg is. Want zij is een wereldburger die nooit langer dan enkele jaren op één plaats verblijft en dikwijls terugkeert naar waar ze eerder was.

    Haar leven en werk vormen een zoektocht naar vrijheid — eerst in de zichtbare werkelijkheid, later steeds meer in kleur, ritme en innerlijke beweging. “Een schilderij is ritme, beweging, klank en kleur”, zegt ze daar zelf over. “Zoiets als dansen.” De kunst van Anne Marie Blaupot ten Cate lijkt zich niet te willen laten vastzetten in één stijl of richting. Haar werk beweegt. Alsof het onderweg is naar iets wat niet volledig zichtbaar wordt, maar zich slechts laat vermoeden — dat er meer schuilgaat achter de afbeelding dan wat zichtbaar is. Eerst nog herkenbaar in mensen, steden en landschappen, later steeds vrijer in kleur, ritme en gebaar. Niet de werkelijkheid zelf wordt geschilderd, maar de adem ervan.

    Door een intieme tentoonstelling achter in de westvleugel van Belvédère krijgt de museumbezoeker een glinstering te zien van het ritme, de beweging, de klank en de kleur waarvan Blaupot ten Cate zich bediende. Hoewel klein van opzet maakt de tentoonstelling groots zichtbaar waarom Van den Berg en later Boonstra haar uit de schaduw voor het voetlicht wilden brengen. De dromerige sfeer die zowel in het figuratieve werk als in de abstracties naar voren komt, zet zich af tegen de dreiging van het dagelijks bestaan. De zorgen en moeiten waarmee zij te kampen had, worden niet verwerkt in de schilderijen. Haar depressieve momenten, verloren liefdes, geldzorgen en de oorlogsdreiging krijgen geen plek in de overwegend montere verbeeldingen. Wel lijken de geportretteerde figuren in zichzelf gekeerd, melancholisch, haast hulpeloos in hun blik. Het kijken is doordringend en houdt de aandacht onwillekeurig vast. Deze fysieke openheid sluit de beschouwer als het ware op; de voorstelling magnetiseert het beschouwende oog.

    Menselijk en zintuiglijk

    Wat bij het werk van Anne Marie Blaupot ten Cate opvalt, is dat de vormen nooit hard worden. Zelfs wanneer haar werk richting abstractie schuift, blijft het menselijk en zintuiglijk. Alsof verf geen materiaal is, maar een gevoelslaag. Haar doeken hebben iets muzikaals; kleurvlakken raken elkaar zoals tonen dat doen in een compositie. Niet bedacht vanuit theorie, maar vanuit intuïtie. Je zou kunnen zeggen dat zij schilderde zoals een dichter schrijft: zoekend naar een innerlijke ruimte waarin de zichtbare wereld oplost in stemming, herinnering en beweging. Haar werk bezit daardoor iets nomadisch — alsof het nergens definitief wil aankomen. Parijs, reizen, textiel, licht, aarde en stilte vloeien er ongemerkt in samen.

    Ik kom steeds weer tot abstractie, maar is het dan geen uitvlucht? Abstracte kunst kan zo gemakkelijk zijn, dat is zeker. Met het rein abstracte kan ik nog wel wat verder komen wat ritme, kleur en compositie betreft. Maar ik geloof het toch te moeten zoeken in een combinatie van droom en werkelijkheid, van innerlijk beleefde emoties en sensaties.” De beschrijving die Hanneke Boonstra van deze kunstenaar geeft, is samengesteld uit de vele bewaard gebleven brieven. Deze memorabilia zijn voor biografieën van tal van kunstenaars een vruchtbare voedingsbodem gebleken. Hoe zou dat tegenwoordig zijn, in onze digitale tijd waarin men nauwelijks nog tot een geschreven brief komt? Blaupot ten Cate heeft vele kantjes volgeschreven om het thuisfront van haar wederwaardigheden in en door de wereld op de hoogte te brengen. Haar doen en laten, haar leven en werk.

    Het is een onstuimig leven dat zich nauwelijks laat beteugelen. Zoveel maakt de lezer op uit deze uitgave. Maar dat heftige bestaan, het leven levend tot het gaatje, vindt nauwelijks weerslag in haar schilderijen. Tussen alle drukte door lijkt het schilderen een rustpunt te zijn geweest. Een stiltemoment. En nog werkt dat zo wanneer ik in het museum langs haar werken loop. De manier waarop het zijn in beeld is gebracht, zet aan tot nadenken. Natuurlijk zijn daar de weemoedige portretten, maar ook de dansende abstracties. “Abstract schilderen is eigenlijk een combinatie van stemmingen, die al werkend tot een schilderij uitgroeien. Pas later herken je dingen die je er onbewust hebt ingebracht.” Het onderbewuste speelt een grote rol in zowel het maken als het kijken naar de kunst van Blaupot ten Cate. Zij was een componist die muziek verdichtte in schilderijen. Als een dans over een kleurig podium. Zo zal de wereld haar herinneren.

    Anne Marie Blaupot ten Cate. Een onstuimig leven. Auteur: Hanneke Boonstra. Uitgave: Waanders Uitgevers, 2026. Kamerpresentatie Museum Belvédère, 21 februari tot en met 7 juni 2026.

    Anne Marie Blaupot ten Cate, Hanneke Boonstra, biografie, Museum Belvédère, Waanders Uitgevers
  • Takkenhoogte bezien door museumbezoekers

    Het is een unieke uitgave”, zegt Han van Hagen wanneer ik met hem naar de parkeerplaats loop. “Niet eerder kwam er een boek uit waarin de museumbezoeker zelf aan het woord komt over een tentoonstelling. Altijd zijn het kunsthistorici en recensenten die erover schrijven. Maar voor mij is het belangrijker hoe het publiek over mijn werk denkt.” Han heeft mij een exemplaar van zijn nieuwe boek beloofd. Het ligt in zijn auto. Ik zoek hem op in Museum Belvédère waar opnieuw zijn serie “Takkenhoogte” wordt tentoongesteld. Althans: de keuze die museumbezoekers daaruit hebben gemaakt.

    Over die eerste tentoonstelling in het voorjaar van 2025, en het daarbij verschenen boek als catalogus, schreef ik eerder. Een doorsnee museumbezoeker ben ik niet. Ik zie, beschouw en kijk om te oordelen. Techniek en compositie interesseren me minder; het gaat mij in mijn besprekingen om het gevoel – de emotie die ik ondervind kijkend naar het werk. Die ervaring zet ik om in woorden. Feitelijk wat de bezoekers met de etsen in Takkenhoogte ook hebben gedaan.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek

    Het ontstaan van de serie en de bijzondere werkwijze van de afzonderlijke delen in het geheel mogen inmiddels meer dan bekend zijn. Na het bezoeken van een tentoonstelling van Hercules Segers in het Rijksmuseum was Van Hagen zodanig geïnspireerd dat hij op eenzelfde wijze als de zeventiende-eeuwse kunstenaar wilde werken. Segers maakte unica van zijn prenten door elke afdruk anders te behandelen. Geraakt besloot Van Hagen in diens trant een prent te maken om te ervaren wat er zou gebeuren. Het werd een serie die door de tijd uitwaaierde tot een oplage van driehonderd bladen van een en dezelfde etsplaat. Iedere afdruk kreeg een verschillende, unieke bewerking, zodat het museum een wandvullende opstelling kon maken. En dat was slechts een keuze uit de totale serie. Basaal opgehangen met spelden vormden de 104 prenten een wonderwand, een kunstinstallatie die de monumentale maat van Takkenhoogte aangeeft.

    Welke keuze maakten zij en waarom

    De serie had als bijkomend verschijnsel”, schreef ik in mijn eerdere beschouwing, “dat Van Hagen gaandeweg merkte dat iedere afdruk een eigen karakter had. Een persoonlijk gevoel aanboorde, een individueel gemoed aansprak. Bij iedere afbeelding bleek een bepaalde stemming te horen. De nuchtere technische zijde werd overstemd door een informele, emotionele kant. Zoals afzonderlijke beschouwers een andere beleving kunnen hebben bij hetzelfde kunstwerk, zo is er in de serie Takkenhoogte voor iedere beschouwer een eigen afdruk. Uiteraard kan dat per dag verschillen; kan het vandaag deze zijn, terwijl het gisteren die andere was en het morgen weer de volgende is. Zo heeft Takkenhoogte alle emoties die voorhanden zijn in zich. Zijn alle uitkomsten mogelijk, heeft ieder resultaat een verwachting.”

    En juist deze emotie interesseerde Han van Hagen. Door de wijze van exposeren bekeken bezoekers eerst de hele wand als een geheel, waarna zij op de afzonderlijke prenten gingen inzoomen. “Welke keuze maakten zij daarbij en waarom?” Dat wilde Van Hagen graag weten. Door middel van een vraag op een tekstbord nodigde hij de bezoekers uit daarop een reactie te geven. En die reacties waren zo waardevol dat de kunstenaar ze wilde vastleggen in een speciale uitgave van Takkenhoogte, namelijk de Bezoekers. Een kleine tachtig respondenten zijn in het boek opgenomen, met daarnaast hun gekozen prent.

    Alle reacties”, verantwoordt Han van Hagen zijn in eigen beheer uitgegeven boek, “die de bezoekers mij toevertrouwden, getuigen van een persoonlijke beleving. De keuze van een bepaalde prent was vaak aanleiding om gevoelens onder woorden te brengen. (…) De afbeelding op een prent blijkt tot ontroering te kunnen leiden én troost te bieden.” Al bladerend door de uitgave valt het mij op dat er veel herinneringen worden opgehaald, dat reageerders zich in woorden van hun kwetsbare kant laten zien. Dat verlies door een prent beter wordt verwerkt. Ook geven de platen aanleiding een persoonlijk verhaal te vertellen, of inspireren zij collega-kunstenaars in hun eigen werk. “In bijna alle reacties laat de schrijver zijn of haar binnenwereld zien. Takkenhoogte is een klankbord geworden van het gemoed.

    Meer dan kreupelhout

    De prenten roepen emotie op, zoals kunst een kwestie van gevoel is. Het is geen vluchtig, terloops zien; de werken verdienen een onderzoekende manier van kijken, een beschouwen. Een doorzien, zodat het vlierbosje meer is dan kreupelhout. Dat het een portret wordt van dit stukje natuur. Dat het zich even divers tot de buitenwereld kan verhouden als de mensen die ernaar kijken. Dat er voor iedere dag van het jaar een emotie is; dan zal Han van Hagen er echter nog een aantal bij moeten maken, in de hoop dat de etsplaat dit aankan.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek

    Op deze plaats zou ik de emoties van de bezoekers kunnen herhalen. Of de mij meest aansprekende uitspraken kunnen citeren. Ik doe dit niet, daar Van Hagen dat zelf al voldoende gedaan heeft in zijn boek Takkenhoogte – de bezoekers. Waarin de bezoekers op hun eigen manier een takkenbosje beschouwen in een wat wild gegroeid gebiedje, ergens argeloos en onnadrukkelijk aanwezig in de achtertuin die overgaat in het heideveld. In die overgave en concentratie spelen stemmingen een rol, maar ook levenservaringen, het geheugen, herinneringen en verhalen. Een bepaald beeld in de reeks trekt dan de aandacht om iets persoonlijks op te diepen uit het individuele leven zelf. Dan gaat het uiteindelijk over het mysterie van geboorte en dood, de essentie van familie, het verliezen van dierbaren – hoe ver weg soms ook –, de liefde en de erotiek, de voortdurende inspirerende inzichten en vergezichten van landschappen, kunstwerken en geschriften, het wonder van de taalgeboorte van de allerkleinsten, de betekenis van vriendschap. Verdorie, nu haal ik toch een reactie aan. Bedankt, Leo Divendal.

    Het is een uniek project, dat “Takkenhoogte”, dat een buitengewoon vervolg heeft gekregen. Meestal legt museumpersoneel of een galeriehouder wel een gastenboek bij een tentoonstelling of expositie. Daarin kunnen bezoekers iets schrijven, maar dat zijn doorgaans algemene reacties en geen respons op afzonderlijke werken. In het geval van Takkenhoogte zijn de reacties een waardevolle toevoeging voor zowel de maker als de kijker. Het geeft een inkijk in hoe kunst beleefd wordt. Niet enkel wordt het werk van Han van Hagen beschreven; de beschouwende bezoekers gaan tevens in op hun individuele kunstbeleving, die universeel blijkt te zijn. Kunst geeft vorm aan de persoonlijke beleving van de werkelijkheid. De beleving van Han van Hagen blijkt echter minder persoonlijk dan hij vermoedde. Zijn werkelijkheid blijkt waarheid en echtheid voor velen. “Kunst doet waarvoor het bestemd is, zij zet aan tot ervaren, denken of leidt tot ontroering, een binnenwereld wordt bereikt”, vult de kunstenaar aan.

    TAKKENHOOGTE – de Bezoekers – . Han van Hagen. Uitgave van Kunstcentrum Hofstede Duet, 2026. Te zien in Museum Belvédère van 5 mei tot en met 7 juni 2026.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek
    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek
  • De beeldraadsels van Dirk Bakker kunnen zonder uitleg verwonderen

    In de Leeuwarder Courant, een provinciale krant die zich van landelijk belang acht, krijgt een zekere Dr. Denker de ruimte en gelegenheid zijn cryptische rebussen te presenteren in de kerstbijlage. Ieder jaar is er een grote schare fans die zich buigt over de beeldraadsels en woordspelingen die in de illustraties verborgen zitten. De puzzels van Dr. Denker, een pseudoniem dat al sinds 1931 bestaat, zijn een cultureel fenomeen in Nederland. Het oplossen van deze puzzels is een geliefde traditie geworden, waarbij families samenkomen om hun breinbrekers op te lossen. Niet alleen in Friesland. Meestal zijn het mensen, dieren en dingen die in de plaatjes figureren en de puzzelaars op het verkeerde been zetten. Maar ook gebruikt de dokter letters en cijfers die qua plaatsing en verhouding tot elkaar een woord vormen. Aan die puzzeldokter dacht ik bij het zien van de schilderijen van Dirk Bakker in Museum Belvédère.

    Dr. Denker

    Deze kunstenaar, die bij leven onder de radar is gebleven, krijgt na zijn dood een terechte plaats in de kunstgeschiedenis. Wat is er mooier dan dat een oeuvre door een collega-kunstenaar wordt ontdekt en veiliggesteld. Dat het levenswerk behouden blijft voor de toekomst. Hoe anders dreigde dat te lopen voor de kunst van Dirk Bakker. Als kunstenaar werkte hij in de schaduw van de kunstwereld en exposeerde nauwelijks. Zijn wonderlijke verbeeldingswereld vond maar moeizaam ingang bij het grote publiek. Zoals de rebuspuzzels van Dr. Denker onoplosbaar lijken, zo zijn de beeldraadsels van Dirk Bakker onverklaarbaar. De duiding die men er niet aan kon geven maakte het werk te mysterieus en blijkbaar onverkoopbaar.

    Eigen draai geven

    Waarom echter zou je willen weten wat de oplossing is? De maker kan het niet meer uitleggen. Vragen blijven onbeantwoord. De schilderijen hebben geen titels en missen daardoor een korte omschrijving van het onderwerp. Maar eigenlijk is dat prettig, want zo kan de kijker er een eigen begrip aan koppelen. Het is gissen wat Bakker heeft bedoeld, waardoor ik er zelf een duiding tegenover kan zetten. Zo kan ik een eigen draai geven aan de plaat, terwijl de schilder er voor zichzelf een persoonlijk beeld aan heeft gegeven. Een verwerking van de wereld om hem heen, niet enkel van de zichtbare werkelijkheid maar zeker ook van het abstracte gevoel.

    Zie ik de werken in het museum en blader ik de bijbehorende uitgave door, dan verbaas ik mij over de humor en de opgeruimde blik op de wereld. Maar dat kan schone schijn zijn, want de wonderlijke verbeeldingen zijn titelloos en kunnen een duistere verwerking van alledag bevatten. De puur persoonlijke kijk krijgt geen uitleg, heeft geen naam, mag die wel hebben maar die moet ik er zelf aan geven. Het zet de museumbezoeker meer aan het denken dan enig ander tentoongesteld werk dat over het algemeen doet. Om de voorstelling te vatten en te begrijpen moet je langer blijven staan kijken. Een vluchtige blik lost het raadsel niet op.

    Bij het klimmen der jaren en een lichamelijke aftakeling werd het noodzakelijk dat het echtpaar Bakker de vertrouwde omgeving moest verlaten. De grote verzameling eigen kunst en de andere verzamelingen — Bakker was naast kunstenaar ook verzamelaar — moesten daarop een nieuwe plek krijgen. Echter, voordat bevriende kunstenaars zich erover konden ontfermen, zorgde de thuiszorg voor afvoer en verspreiding over landelijke kringloopwinkels. Zo is de kunst van Dirk Bakker ongewild onder de mensen gekomen. Slechts een deel van het oeuvre kon worden gered. In de uitgave Beeldraadsels is daaruit een bloemlezing opgenomen. De kamerpresentatie in het museum geeft daarvan weer een dwarsdoorsnede.

    Klaar en helder

    De platen hebben soms een kinderachtige uitstraling, of beter gezegd: een kinderlijk karakter. Op de manier waarop een kind de wereld voor zichzelf uitlegt, zo duidt Dirk Bakker zijn blik op het leven. De grote vraagstukken krijgen kleine antwoorden. Aldus wordt de grote mensenwereld grijpbaar en begrijpelijk. Misschien kan het kind in de schilder het volwassen-zijn beter aan. Een deel van zijn oeuvre bestaat uit tekeningen voor kinderen, waarin stripfiguren en personages uit sprookjes en volksverhalen een geheimzinnige hoofdrol spelen. Voor het kind zijn ze klaar en helder; het zet daartegenover een eigen verhaal en kan er honderduit over vertellen. Voor grote mensen blijft het een raadsel, omdat zij niet meer onbevangen zijn en de kinderlijke naïviteit hebben afgelegd.

    Dirk Bakker

    Naar de kunst van Dirk Bakker dient men te kijken zoals een kind kijkt. Grote levensvragen worden klein gemaakt. Wat niet te bevatten valt, is geloofwaardig in beeld gezet. Op een cartooneske manier beziet de kunstenaar het leven van alledag, van allemanswereld en alledaags bestaan. Uit die verwondering destilleert hij een bewonderend beeld. In beeldspraken maakt hij voorstellingen om voor zichzelf het zijn te verklaren, zich niet bewust dat anderen er een mysterieuze voorstelling in zien. Of misschien wel met opzet vragen oproepend zonder een antwoord te geven. Zo van: zoek het zelf maar uit. Dit is zijn verhaal, waarmee ik vervolgens een eigen vertelling kan maken. De retorische vragen zetten mij aan het denken. Zij houden de aandacht gevangen in een surrealistische gedachtewereld. En krijg ik er geen vinger achter, dan blijft de plaat een kleurige, vrolijke schildering.

    Beeldraadsels. Dirk Bakker, schilderijen. Kamertentoonstelling bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 21 februari tot en met 7 juni 2026. Uitgave “Beeldraadsels”, samenstelling en tekst Theo de Feyter, voorwoord Han Steenbruggen. Museum Belvédère, 2026.

    Dirk Bakker, Museum Belvédère, Theo de Feyter
  • Marije Bouman fluistert de geest van het landschap

    Zocht Marije Bouman eerder met haar werk grenzen op die een niemandsland omzoomden. Een omgeving waar niemand is en waar de sterveling geen weet van heeft. Alleen de mens die niet rationeel kijkt maar met gevoel beschouwt, kan er kennis van nemen. De landschappen van toen leefden in grensgebieden. Pasteltinten zweefden mijmerend over de composities. Deze beeldden geen concrete zaken af, maar maakten abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. En nog steeds is de rust en de stilte van dat abstracte terrein in haar huidige werk te vinden. In de non-figuratie onderzoekt zij de essentie van het landschap. De kern van het wezen der natuur. In een summier aantal lijnen en enkele kleurvlakken tekent zij haar contemplatieve emotie bij het landschap in waterverf op papier. Het is geen werkelijk landschap, hoewel dit wel het uitgangspunt is en de inspiratie vormt. Maar door haar blik en uit haar handen is het een landschap van de geest. Geen tastbare waarheid, maar voelbare echtheid.

    Het is kijken en laten inwerken. In het zalige niet-zijn ben je niet meteen vriend. Kleuren bewegen over tinten, flarden en korte verfstrepen verhouden zich als vlakken in een collage. Daarin wil het oog een houvast. Maar het hoeft niet te ontdekken, want het kan zo zijn als het is. Bouman fluistert het landschap. Met zachte tonen zet zij een eigen wereld in de werkelijkheid. En ik moet goed luisteren en beter kijken, anders zien, om aan te sluiten bij haar mythisch denken. Het is geen mysterie, het is een meditatieve staat van zijn. Diep in gedachten verzonken mijmert zij zich een zijn dat relateert aan een landschap, dat de associatie legt met de tastbare zichtbaarheid. Zo kijken en aanvoelen is een benadering die mij, en al die andere westerse mensen met mij, stelselmatig is afgeleerd. Zo lees ik dat althans in haar inleiding, een manier van kijken die zij op haar beurt beschouwt in de Chinese denkwijze. “De oude Chinese meesters gebruikten het landschappelijke om hun filosofie uit te drukken en om een verlangen op te wekken naar berg, bos en rivier. Dit werd met poëzie en in beeld uitgedrukt. Uit de beheersing van het schrijven van karakters vloeiden de teken- en schilderkunst voort.”

    Inkijk op de eeuwigheid

    In die zin heeft Marije Bouman de gave om de kern van het landschap te raken. In aquarel of met gemengde techniek maakt zij grensgebieden. Op de scheiding tussen waarneming en gedachte verbeeldt zij een niemandsland. Een gebied waar de tijd geen vat op heeft; het is er tijdloos. Een inkijk op de eeuwigheid. Als de grootmeester Kwo Sji over de velden door de tijd in de toekomst keek, zo gebruikt Marije Bouman de elementen aarde, water en lucht als de levenskracht in haar werk. En ik neem haar advies ter harte: “Laat ieder die tot rust wil komen deze bundel ter hand nemen.” De daarin opgenomen kunstwerken, dichtregels en oude doch zeer inzichtelijke en ook zo poëtische tekstfragmenten over de Chinese landschapskunst zetten mij aan de kamerpresentatie in Museum Belvédère te bezoeken. Echter ervaar ik daar niet optimaal de sfeer die Bouman oproept; uit een naastgelegen kamer klinkt het slotakkoord van een andere Friese kunstenaar. Storend op dat moment, maar de ingetogen lyrische werken van Bouman handhaven zich desondanks. Deze staan in de rumoerige wereld als een kalme oase.

    Het is stil in de composities van Marije Bouman. Er heerst rust voor wie zich erin ingeeft. Wie langer blijft staan kijken om de emotie die Bouman erin heeft gelegd aan te voelen, kan erin meeleven. Echter ligt er ook een bepaalde geladenheid tussen de zichtbare lagen kleur, alsof de natuur en het landschap in spanning afwachten wat komen gaat. Want de stilte zal eens doorbroken worden. Niet in het ogenblik dat Bouman heeft vastgelegd en waar zij alle drukte uit heeft weggeschilderd, maar wel in de momenten die volgen. En dat hoeven geen rumoerige tellen te zijn; dat kunnen ook zeer wel in zichzelf gekeerde tijden zijn. Maar dat er iets staat te gebeuren heeft Bouman er onbewust in gelegd, als een zin die niet is afgemaakt. De kijker vult aan, denkt door, maakt af.

    Stilte zichtbaar in inkt

    Bouman laat zich leiden door Chinese wijsheid. Daarin kan de introverte kunstenaar zichzelf vinden. Niet enkel het beeld maar zeker ook het woord inspireert haar. “Poëzie is schilderen zonder de vorm en schilderen is zichtbaar geworden poëzie“, is zo’n gevleugelde uitspraak. De klassieke Chinese meesters waren vooralsnog diepe denkers. Het filosofisch beredeneren lijkt daar wel uitgevonden. China wordt vaak beschouwd als de oudste ononderbroken beschaving ter wereld, met een geschiedenis die duizenden jaren teruggaat. Hoewel het niet per se het biologisch oudste volk – in de zin van de eerste mensen op aarde – is, is de Chinese cultuur en samenleving een van de langstlopende die tot op de dag van vandaag voortduurt. In de poëzie en de beeldende kunst is de Chinese traditie voor velen een richtinggevend voorbeeld geworden – niet door luidheid, maar door verstilling. In het werk van oude penseelmeesters als Kwo Sji wordt het landschap niet vastgelegd als afbeelding, maar als ademruimte: een plek waar kijken en denken in elkaar overgaan. Schilderkunst, kalligrafie en poëzie raken er elkaar zonder grens. Onder de lange schaduw van een denktraditie die met Confucius verbonden is, krijgt aandacht een vorm van oefening, en oefening een vorm van levenshouding. Zo ontstaat een kunst die niet alleen iets toont, maar iets laat gebeuren: stilte die zichtbaar wordt in inkt.

    En dat is precies wat er in de composities van Bouman gebeurt. Haar kunst toont niet alleen iets, maar laat iets gebeuren: ik proef er de stilte. Het raakt die filosofische denktraditie. Zij toont een transparant landschappelijk portret. Teer en dromerig, in het schemergebied van de werkelijkheid. De lyrische verbeelding van hetgeen er schijnt te zijn, een ingebeelde omgeving. Opgepakt in het voorbijgaan, gezien en overdacht. De herinnering aan een moment is dikwijls mooier dan het moment zelf. Je onthoudt sneller de schoonheid dan dat je de lelijkheid in gedachten bewaart. Dat mooie van de omgeving zet Bouman neer in transparant geschetste lijnen en licht aangezette kleuren. Pasteltinten zweven mijmerend over de composities. Een in opzet expressief gedetailleerde weidsheid van het landschap. Deze beelden geen concrete zaken af, maar maken abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. Niet die werkelijkheid is benadrukt, maar wel het verlangen naar rust en ruimte in de realiteit. Na een omgang in het landschap worden thuis de gedachten uitgewerkt. Er wordt dan een sfeer toegevoegd, namelijk de emotie die zich na het moment buiten in het geheugen heeft vastgezet. De omgeving aangevuld met de gedachte; dat klinkt abstract en dat is het ook. Abstract landschappelijke portretten, derhalve.

    De stilte in gedachten

    Marije Bouman brengt abstract poëtisch werk dat voortkomt uit de passie voor de natuur. De composities relateren aan wolkenluchten en landschappen. In enkele gebaren is de verf in het beeld gezet. Het betreft verstilde grensgebieden, plekken waar iets nog niet is vastgezet maar al wel vorm begint te krijgen. In de Chinese kunsttraditie het gebied waar schilderkunst poëzie wordt, en poëzie beeld. Letterlijk kan in de literati-traditie een schilderij een gedicht bevatten, en kan een gedicht een landschap oproepen. Het grensgebied is daar geen scheiding, maar een overlap – een dunne laag waar kijken, lezen en denken samenvallen. Het terrein van Marije Bouman ligt tussen droom en werkelijkheid. Het niemandsland tussen abstractie en realiteit. Een omgeving die zich voordoet in gedachten bij het zichtbare onderwerp. Kijk in het rond, aandachtig naar wat je ziet. Sluit de ogen, dan verschijnt dit beeld op het netvlies. Als het ware een projectie achter de oogleden. De stilte in gedachten.

    En sla ik de uitgave bij die museale tentoonstelling open, dan maak ik een natuurlijke beweging naar de mystieke ruimte. De transcendente atmosfeer die ligt besloten tussen de pagina’s door de afdruk van diverse werken. De zachtheid waarmee Bouman haar composities kleur geeft, komt goed tot uiting in dit drukwerk. Hoewel op kleiner formaat dan het originele werk, hebben deze reproducties dezelfde sfeer. In speciale gevallen aangezet met een hardere penseel of scherpe pen, wanneer een luidere toon noodzakelijk is. In het hart van de uitgave laat Bouman de oude Chinese meester aan het woord. “De geest van het landschap” doorlezend vormen de beelden in het boek stemmige illustraties bij de tekst. “Daar zijn verschillende wijzen waarop men een landschap kan schilderen. Het kan uitgespreid worden over groote composities en toch niets overbodigs bevatten. Het kan tot een klein bestek teruggebracht worden en toch niets ontberen. Ook zijn er verschillende manieren om landschappen aan te zien. Nadert men ze met het ontvankelijk gemoed van den natuurliefhebber, dan is hun waarde groot; nadert men ze met trots of zelfgenoegzaamheid in de ziel, dan hebben zij ons weinig te zeggen.”

    ELEMENTEN. Marije Bouman. Kamertentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 21 februari tot en met 7 juni 2026. Publicatie met een selectie uit de serie gecombineerd met fragmenten uit een belangrijke elfde-eeuwse verhandeling van de Chinese inktschilder Kwo Sji. Uitgave in eigen beheer, 2026.

  • Schaken heeft de visuele mogelijkheden van kunst

    De Weense opening, 1.e4 e5 2.Pc3, of de Koningsgambiet, 1.e4 e5 2.Pc3, zijn mijn standaard openingen in het schaakspel. Tenminste wanneer ik het witte koninkrijk heb, want wie begint die wint en dat doe ik met plezier. Ik mag graag een pion schuiven, een paard springen, de koning rokaderen en de toren laten bezetten. Een bliksem actie uitvoeren en met herdersmat eindigen of gewoon fijn lang rekken zodat de partij in remise verzandt. Het gaat tenslotte om het spel en niet om de knikkers, althans wanneer je niet voor de winst gaat maar om het plezier in een pot schaken. Hoewel, het spel competitief is, kan het ook onderzoekend of meditatief zijn. Je kunt varianten verkennen, het spel eens na of over spelen. Hoe had ik een betere zet kunnen doen voor een mooier eindspel of een andere wending. Schaken is een denksport, in de stilte van het peinzen beschouwen de spelers de zetten, een meditatief moment – geconcentreerde rust. Je speelt tegen iemand, maar je strijdt vooral met de stelling.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst

    Schaakspel van Vilmor Huszár

    Museum Belvédère is een nuchter gebouw om tot rust te komen, om geconcentreerd kunst te kijken. De afgelegen ligging en de manier van presenteren is daar debet aan. Het is een beschouwende plek om starend over het water van de Prinsenwijk de lekkerste cappuccino te nuttigen. Het is daarom de beste omgeving om er een schaakkamp te organiseren, waarbij de spelers even peinzend spelen als de getoonde kunstenaars nadenkend creëren. Het schaakspel van Vilmos Huszár in de collectie van het museum was de oorspronkelijke aanleiding voor een eerste schaaktoernooi binnen zijn muren. Dat lees ik in de MB, het blad voor vrienden, nummer 55 dat geheel gewijd is aan het koninklijke schaakspel.

    “Het schaakspel heeft door de eeuwen heen kunstenaars gefascineerd en geïnspireerd, om de intellectuele uitdagingen die het spel voor twee bood, om de eindeloze spelmogelijkheden, maar zeker om de esthetiek van dat spel met z’n elementaire uit 64 kwadranten bestaande speelveld en de vormgeving der stukken.” De abstracte werkelijkheid van het schaakspel is voor de kunstenaar een onbewuste inspiratie. Het is de wereld op zichzelf, er wordt gestreden, gewonnen en verloren, velden worden ingepikt en zijn hernomen. Vijanden op het bord tijdens de partij, vrienden wanneer de tijd is gestopt en de schaakklok is uitgeslagen.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Marcel Prins

    Modern spel van Marcel Prins

    De Belvédère schaakkamp vond plaats op 20 december 2025 en werd gewonnen door Dolf Verlinden. Misschien was dit toernooi de opstap tot een gebeuren dat kan uitgroeien tot een traditie. Voor nu is het over en uit, maar gelukkig hebben we de foto’s nog. In de westvleugel van het museum staan in de middelpunten van de kamers bijzondere schaakspellen opgesteld. Natuurlijk is het kleinood van Huszàr te zien, maar ook het bord waarop Max Euwe in 1935 wereldkampioen is geworden. Er is een modern spel te zien dat door Marcel Prins is gemaakt. Ieder spel dat is opgesteld heeft een eigen persoonlijk karakter, is geen dertien in een dozijn uit de fabriek van Longfield, Philos of Jumbo – nee, niet de kruidenier.

    Kunstenaars die geliëerd zijn aan Museum Belvédère, met werk in de collectie zitten of anderszins vertegenwoordigd worden, hebben aan het schaken gerelateerde kunst gemaakt. Of hadden dat op een eerder moment in hun oeuvre gedaan en is voor deze tentoonstelling opnieuw geselecteerd. In een verkleinde kamer en in het museumcafé zijn deze composities gehangen. In dat café tref ik tevens een vitrine met borden en stukken aan. Schaken is kunst, kunst is spel — beide vragen vaardigheid, verbeelding en durf. Belvédère heeft deze twee vormen van tijdverdrijf mooi samengevoegd en gecombineerd.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Win Biewenga, Jochem Hamstra

    Ridders te paard

    Hebben kunstenaars over het algemeen het spel als uiting genomen, Jochem Hamstra schildert expressief de concentratie van een speler. De meditatie is dynamisch weergegeven. Je herkent de krakende hersenen, het grimas zwijgt maar spreekt boekdelen, wanneer je zelf niet vreemd bent van de ernst van het spel. De schilder bewondert de schaker om zijn spel en de afkeer van Poetin. De schilderijen zijn derhalve politiek geladen en kunstig gelaagd. Wim Biewenga vormt het meervoudige spel om tot eenvoudige composities. Het kinderspel over ridders te paard en koningen op hun troon denkt hij terug in deze schilderijen. Frank Hutchison ziet in de zwarte en witte koninklijke opponenten een verbond. Maar wel een relatie die geen vaste grond onder de voeten zal hebben. De dame en de heer blijven elkaar bestrijden tot de dood erop volgt. Ilse Brul op haar beurt maakt een feestje met de velden van het bord. Het is hier niet het schaken dat centraal staat, maar de vrolijkheid van en het plezier in een kinderfeestje. Het zwartwit geblokte tafelkleed is de relatie in afbeelding.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Frank Hutchison, Wim Biewenga

    De mooiste schaakpartij

    Helaas is de MB, het tijdschrift van Museum Belvédère, exclusief voor vrienden van het museum. Vooral dit nummer is interessant en lezenswaardig voor de fervente schaker. Ook voor de speler die minder met kunst heeft. En de kunstminnaar die niets over spellen weet. Het is een collectors item voor beide partijen. Het bevat fascinerende verhalen die de kunst binnen het schaakspel brengen en treffende bijdragen om het schaken in beelden te laten zien. Weetjes en watjes over het schaken en het spel, de stukken en de spelers. Een verzamelaar vertelt over zijn collectie borden en toont zeldzame figuren. Het spel van Max Euwe wordt uitgelicht. De mooiste schaakpartij aller tijden nog eens doorgenomen.

    Opmerkelijk is het verhaal over twee bijzondere schaakspellen, die van Josef Hartweg en dat van Vilmos Huszár. Het schrijven is van Huib Nieuwenhuizen en werd al eens eerder in de MB gepubliceerd. Nieuwenhuizen was de eerste collectiebeheerder van Museum Belvédère en is in 2020 overleden op te jonge leeftijd. Bij zijn pensionering in 2016 mocht ik zijn plaats innemen. Ooit in mijn jonge jaren was ik lid van de Schaakclub Heerenveen en heb verschillende toernooien mogen meebeleven. Helaas blonk ik niet uit in het spel, dat geldt tevens voor mijn bezigheden als autonoom kunstenaar na een opleiding in die richting. Schaken en schilderen, in concentratie en creativiteit een twee-eenheid. De schaker is een kunstenaar, het schaakspel is een kunststuk. Of zoals Marcel Duchamp dat uitdrukt: “Schaken heeft de visuele mogelijkheden van kunst. Het is een mechanische sculptuur met opwindende plastische waarden.”

    Museum Belvédère en het schaken. Unieke schaakspellen, de kunst van het schaken en schaken in de kunst. Kleine tentoonstelling nog te zien tot en met 8 februari 2026.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Vilmor Huszár
    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Kasparov
  • Griendenvangst-serie hoogtepunt oeuvre Joensen-Mikines

    Om een andere reden was ik in Museum Belvédère. Maar omdat ik er toch was liep ik nog snel door de hoofdtentoonstelling in de oostvleugel. Een korte blik kon nog net voor sluitingstijd op die dinsdagmiddag. Door de landschappen en zee-schilderijen welke ik op mijn ronde zag kreeg ik een eilandgevoel, maar niet meer dan dat. Gecomponeerd met impressionistische tonen laten ze welhaast expressionistisch het licht en de ruimte van in dit geval de Faeröer Eilanden zien. Ze linken losjes aan het werk van Noord-Nederlandse landschapschilders die in de collectie van dit museum zijn vertegenwoordigd. Maar waar mijn oog op viel en wat mijn blik onwillekeurig vasthield waren de dynamische indrukken van de traditionele griendenvangst. Laat ik de andere schilderijen in het oeuvre aan mij voorbij gaan, deze bloederige en wonderbaarlijke visvangst zal beschreven zijn.

    Always the sea

    Waar hebben we het over. Ik bezocht op de valreep de eerste solotentoonstelling in Nederland van Sámal Joensen-Mikines. Met als titel “Always the sea” is de zee een belangrijke inspiratiebron voor deze op de Faeröer Eilanden geboren schilder. Hij is zonder twijfel de kunstenaar die de Faeröer op de kaart van de moderne schilderkunst heeft gezet. Naast de zee als onderwerp waren tevens bijzondere en gangbare momenten op de eilanden een bron en de stille landschappen die de ruigheid van de omgeving tot in de kleinste penseelstreek vastleggen. Wat door al deze werken heen voelbaar is, is een constante spanning tussen mens en natuur, tussen kwetsbaarheid en kracht, tussen ritueel en persoonlijke ervaring. Zijn schilderijen zijn nooit alleen maar illustratief of gedocumenteerd; ze zijn reflecties op het leven zelf, op de stilte en het geweld, op de schoonheid en het onverbiddelijke karakter van een eilandgemeenschap die haar lot deelt met de zee en de wind.

    Naast de landschappen en zeegezichten, waar de ruime stilte de boventoon voert, spat de rumoerige levendigheid van de griendenvangst-serie af, waarop ik in de tentoonstelling stuitte. Het zette meteen mijn beschouwing op scherp. Het bloed spettert in het rond, de composities kleuren rood. Het is een dynamisch spel van lijven en lichamen, dier en mens in een strijd op leven en dood. De vissen worden in het nauw gedreven en kunnen geen kant op, ze worden bij bosjes afgeslacht.

    Hoewel het een traditionele visvangst betreft is het bij de beesten af. Het openbare abattoir, de natuurlijke slachtplaats, is expressief door Mikines afgebeeld, verbeeld. Je ruikt als het ware angstzweet, hoort gegil door bloedvergieten, voelt geweld en proeft sfeer. Waar Mikines in het verstilde werk impressionistisch overtuigt, zet hij in deze serie expressionistisch krachtig zijn handtekening.

    Griendenvangst

    Waar gaat het over. De griendenvangst is een traditie op de Faeröer voor de eilandbewoners om te overleven. Het ritueel begint vaak onopvallend, met een melding langs de kust en een lichte onrust in het dorp. Op zee vormt zich een langzame beweging: boten die geen haast hebben, maar doelgericht varen. In het water tekenen zich de donkere lichamen af, grienden die dicht bij elkaar blijven, zoals ze dat altijd doen. Hun vertrouwen in de groep wordt hun leidraad richting land. De baai opent zich als een natuurlijke kom. Het water wordt stiller, ondieper, en de zee lijkt haar ruimte langzaam prijs te geven.

    Wat daar gebeurt is geen jacht in de gebruikelijke zin, maar een handeling die zwaar leunt op gewoonte en collectief geheugen. Mensen werken samen, zwijgzaam, met een ernst die verraadt dat dit meer is dan voedsel alleen. Wanneer het voorbij is, keert de rust terug. De zee sluit zich weer, de baai draagt de sporen nog even met zich mee. Het vlees wordt verdeeld, zonder handel of winst, van hand tot hand. Voor sommigen is het een noodzakelijk ritueel, voor anderen een hard en pijnlijk schouwspel. Zo blijft de griendenvangst bestaan: als een plek waar traditie, natuur en morele twijfel elkaar raken.

    Het geweld van de jacht

    In deze serie komt alles samen wat Mikines drijft tot schilderen: de gemeenschap, die zich buigt onder de wetten van overleven; de kwetsbaarheid van leven; en de brute kracht van de natuur. De mensen verdwijnen in de massa. De grienden verdwijnen mee, lossen op in een abstracte verbeelding die werkelijkheid is. De kleuren in deze serie dragen de emotie op een bijna fysieke manier. Het bloedrode water contrasteert scherp met het loodgrijs van de zee en het donkerblauw van de lucht. Het dwingt mij om stil te staan bij het gewicht van de gebeurtenis die is afgebeeld. Het geweld van de jacht wordt niet verheerlijkt, niet geromantiseerd. Mikines’ penseelstreek, ruw en soms onverwacht in felheid, versterkt een gevoel van afkeer en tegelijk heeft het een bepaalde schoonheid. Het magnetiseert mijn blik, steeds moet ik terug kijken, telkens houdt het mijn aandacht. Ik zal nog eens terug gaan, weer zien. Nog eens de tentoonstelling bezoeken. Zolang het kan.

    Wat Mikines’ werk zo aantrekkelijk maakt, is de manier waarop hij het individuele en het collectieve tegelijk laat zien. Zijn mensen zijn geen helden, de grienden geen symbolen; alles is onderdeel van een groter geheel, alles staat met elkaar in verbinding. Het is geen verhaal, geen verslag, geen beschrijving van een ritueel; het is een ervaring die ik meeneem, me laat voelen wat het betekent te leven in een wereld waarin de natuur groter is dan de mens, en waarin traditie en overleven onlosmakelijk verbonden zijn. Dan kijk ik nog even om de hoek naar de stille baai, het verstilde landschap. En zie ik de schilder model staan voor zijn inspiratie. Voel ik zijn fascinatie voor dat water, voor dit land, voor deze natuur. Begrijpelijk.

    Sámal Joensen-Mikines, Always the sea. Tentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Tot 8 februari 2026.

  • Redenatie in 1685 woorden over beelden Henk Visch

    De beelden op het terrein van Museum Belvédère lijken daar op een natuurlijke wijze aanwezig te zijn. Alsof de objecten zoals de bomen in het museumpark daar zijn gegroeid. Daarmee voldoen de objecten aan wat Staatsbosbeheer destijds rond het gebouw als invulling van de openbare ruimte voor ogen had. Namelijk het creëren van een bescheiden bos, zodat het museum welhaast naadloos zou opgaan in de omgeving. Dat de zwarte schoenendoos de aanwezigheid nauwelijks merkbaar kenbaar zou maken. Van dat plan is in de loop der jaren weinig terecht gekomen, nog altijd staat het opmerkelijke museumgebouw met de strakke architectuur te schitteren als afsluitend bouwwerk in de achtertuin van Landgoed Oranjewoud.

    De beelden van Henk Visch schijnen daar destijds tussen de jonge aanplant gezaaid en deze zomer te zijn opgekomen. Ze vormen een ongekunstelde eenheid met het transparante bos en dichtbegroeide grasveld. Om de objecten beter zichtbaar te maken en ervoor te zorgen dat het publiek er ongehinderd omheen kan lopen zijn er paden in het grasveld gemaaid. Jammer eigenlijk, want zodoende krijgen ze bijzondere aandacht en worden uitgetild boven het maaiveld. Feitelijk zoals het museumgebouw zich ook verheft en opstijgt boven de omgeving. Worden ze meer dan de omringende beplanting, zijn een toevoeging terwijl ze van nature op de juiste plek staan, één zijn met de habitat.

    Taal van abstracte beelden

    Over de beelden die naar mijn idee een eenheid zijn met de omgeving dacht ik eerstens niet te schrijven, want over een boom zet je meestentijds ook geen boom op. De beelden zijn er gewoon, je kunt ze bekijken en bewonderen. Er omheen lopen of in het lange gras gaan liggen en de verplaatsing van lucht langs de harde maar levendige huid horen schrapen. Er iets van vinden, maar dit niet uiten. Dat is voor de beelden niet noodzakelijk om aan te spreken. De bloemen in het veld hebben ook geen woorden nodig om te zijn wat ze zijn. En de bomen in gelid geplant verdienen geen kritiek om het bestaan te verantwoorden. Dus loop ik om de werken van Visch en meen er het mijne van, maar laat de sculpturen zichzelf uitdrukken. Ik heb een indruk.

    Zo bezoek ik nog eens vaker het museumpark en laat de taal van de abstracte beelden tot mij komen. Echter de communicatie tussen figuratie en herkenbaarheid laat mij stilvallen. Ik heb er geen woorden voor, kan ze maar niet bedenken, vallen mij niet in. De beelden schijnen meer in zichzelf gekeerd dan dat ze zich tot mij richten. Ik moet moeite doen om interactie te hebben met Henk Visch die via de werken tot mij spreekt. Ik sta daar op dat grasveld letterlijk met de mond vol tanden.

    Daarom besluit ik er niets over te schrijven, er geen beschouwing op los te laten, mijn kritische kijk in te slikken. De beelden zijn er gewoon, ik accepteer hun aanwezigheid. Ik nam er genoegen mee, had er vrede mee en deed er het zwijgen toe. Totdat ik het essay van Peter van Lier op de website van De Moanne, podium voor kunst en cultuur in Fryslân, onder ogen kreeg en belangstellend las. Ik ben fan van deze dichter en essayist, die de wereld filosofisch bekijkt en met een korrel zout kruidt. Na zijn beschouwing over het enkele werk “Unguided Tours” tot mij genomen te hebben, kon ik mij niet langer stil houden over de rest van de groeisels die staan te bloeien tussen akkerschermen, zuring, boerenwormkruid, sintjacobskruid en al die andere wilde zaailingen. Ik vond ook iets te zeggen van “Subterranean Man”, van “Piazza del Popolo”, over “The Shadow” en “Die Sammlung”. Ik voel mij die man die woorden eet, liggend in het zojuist gemaaide gras – de harde sprieten prikken in mijn huid. Ik neem stilzwijgend de omgeving tot mij, ik consumeer de woorden die tot mij komen en waaruit ik mij een idee vorm. Mij een voorstelling maak van wat ik aan vervormde figuratie om me heen zie.

    Menselijke gestalten

    Geen enkele menselijke figuur in dit museumpark gevormd in brons heeft een natuurlijke gestalte. Er is altijd wel iets verwrongen in de houding, is de pose van het lijf onbestaanbaar. Voor het gevoel klopt er iets niet, de emotie moet de verdieping zoeken om de standen te duiden. Wat zie ik en wat zegt mij dat. Of moet ik wat ik zie simpel voor waarheid aannemen en er geen diepere betekenis in wensen te zien. Het beeld is er gewoon, niet meer en niet minder, zoals de eik in mijn achtertuin. Daar uit een eikel ontstaan en tot wasdom van een meter of tien gekomen. Zo zijn de sculpturen uit het brein van de kunstenaar ontsproten en geplant in het museumpark. Die kun je zwijgend aanschouwen, stil beschouwen. Peinzend en bedachtzaam bewandel ik de gemaaide paden die als olifantenpaadjes vooraf al platgetreden zijn. En na de woorden van Peter van Lier is mijn visie gekleurd, maar wel in de tint die bij mij past. De kleurstelling vloekt niet, de woorden smaken mij als zoete broodjes. Van Lier is de engel die mij op de tong piest.

    De figuren van Henk Visch zijn geen mensen. De menselijke gestalten figureren gevoelens. Drukken emoties uit en kunnen daarom zich vervormen als contortionist ofwel slangenmens. De houdingen vloeken met de gangbare anatomie van het lichaam. Je zou er een plaatsvervangende hernia van oplopen. Geen mensen, wel sculpturen van brons, metaal en aluminium. Werken die herkenbare vormen aannemen, omdat de emotie een tastbare uitweg dient te hebben. De balans tussen abstract en realiteit is in evenwicht op de figuratie. Het is waarheid wat ik zie en eventueel kan bevoelen, maar het is niet echt. De emotie blijft een aftreksel van de werkelijkheid, het kan niet grijpbaar echt zijn. Het is een aandoening als een virus dat niet bestreden moet worden. Het ontroert maar is niet te doorgronden. Je kunt niet omschrijven waarom het een wel mooi is en het andere niet. Om dat gevoel te bepalen dien je te leren kijken. Je blik moet wennen, een korte oogopslag geeft geen doorslag. Kijken en beschouwen, het beeld proeven, de smaak overwegen. Stil staan en bewonderen.

    Kan het leven uitdrukken?

    Enkel de essentie van de emotie krijgt vorm en heeft naam. Het gevoel komt niet simpel overeen met de titel. Soms is de naamgeving meer abstract dan de vorm is. Om emotie ruimtelijk vorm te geven is geen sinecure. En om dit daarnaast toegankelijk te maken voor publiek verdient een schoonheidsprijs. De schoonheid van de vormgeving, de kern van beelding. Laat ik eens lezen hoe Peter van Lier daarin staat. Met zijn filosofische ondergrond graaft hij zich diep in de materie in. Ondergraaft hij mijn objectieve blik misschien wel. Ik ben min of meer bevooroordeeld wanneer ik een derde keer een rondgang maak door het museumpark. Want hoe formuleerde hij dat ook alweer, ik citeer: “Het beeld is voor mij de ultieme weergave van een filosoof die zich met het gehele zijn van de werkelijkheid inlaat, met alles wat aanwezig is tussen hemel en aarde. In die hoedanigheid drukt het beeld beschouwelijkheid uit of contemplatie. (…) De titel van het beeld is Unguided Tours, wat te vertalen is met: ‘Rondleidingen zonder gids’. Die rondleidingen kunnen door de lichamelijke gebreken niet fysiek worden uitgevoerd, maar wel mentaal. Vlij je deze zomer nog neer in het bloemenveld voor het Museum Belvédère en bezie dit beeld dat zich zo bewust lijkt op te houden tussen hemel en aarde. Laat je geest meevoeren op de toer die het ons voorspiegelt. Kijk net zolang naar het beeld tot het niet meer vreemd of afstotend aanvoelt, maar vertrouwd en misschien zelfs aanlokkelijk.

    En dan zie ik geen haas met gespitste oren aan de overkant van het Grand Canal ofwel de Prinsenwijk staan. Dan zie ik de angst in de ogen van het beest wanneer het voor de koplampen van een snel naderende auto komt. Die emotie is bevroren in brons. Hij hoort en ziet alles, maar in deze tel is al die kennis vergeten. Stroomt er geen bloed maar adrenaline door de aderen. Heeft een brons aderen? Kan het leven uitdrukken? Heeft het een kloppend hart of beeld ik me dat in om het koude brons in gedachten te kneden tot warme klei. Er mijn idee in te vormen, vorm te geven, uit te drukken. Terug naar de haas. Het staat rjocht op en del langs de waterkant. Stokstijf als een reiger op jacht. Het  overlevingsmechanisme staakt in het moment; de moeilijke keuze tussen vechten of vluchten. De grize giet him oer de grouwe; de koude rillingen zetten de rug op slot en de oren op scherp. In “Nightlife” is de dood nader dan het leven. Het tedere konijn tussen het riet is een angsthaas, een held op sokken om sloffend een goed heenkomen te zoeken.

    Op die manier bevriest Henk Visch een emotioneel moment. Zit er meer achter de vorm op het eerste gezicht. Met Van Lier vlij ik mij in het hoge gras en kauwend op een strootje overdenk ik het hier en nu. Peinzend haak ik aan het moment en tel tot tien voordat ik me aan een mening waag. Want een standpunt geeft een voorstelling, terwijl de vorm geen oordeel verdient om de stelling die het heeft in te nemen. De beelden hebben waarde zoals deze zijn. Hun existentie is de essentie van het wezen. Ze drukken datgene uit wat in woorden nauwelijks een afdruk kan hebben. Dus laat ik mijn ogen sluiten en van het nabeeld op mijn netvlies genieten. Het een waarde toedichten die persoonlijk eigen is. In gedachte contact maken met de schepper dezes om de weerklank van zijn emotie te vatten.

    En natuurlijk kan ik heel best mijn eigen smaak bepalen, daarvoor heb ik Peter van Lier niet nodig. Kan ik heel goed feilbaar het verschil tussen professie en amateurisme kennen. Echter Van Lier zet mij op een spoor, zet de wissel om zodat ik net een andere kant oprijdt. De zaken van gene zijde bekijk terwijl ik normaal gesproken aan deze kant van de feiten sta. De filosoof biedt mij een onveilig terrein aan, dat ik met gezonde belangstelling betreedt. En ik filosofeer en redeneer er op los, al 1681 woorden lang.

    Unguided Tours. Henk Visch. Beelden in het museumpark en kamers van de westvleugel. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van 28 juni tot 21 september 2025.

  • De vogels en nesten van Sabine Liedtke

    De kraai associeer ik met uit de tijd zijn. Verbind ik met de eeuwige stilte. Is voor mij de metafoor van het niets na iets. Geen symbool van de dood, maar wel de schaduw van het leven. De zwarte kraai is de doodgraver van het zijn. De lijkbidder die de kist met stoffelijk overschot ten grave draagt. In de gedolven kuil laat afdalen, zand erover. De kraai met zijn dikke snavel lijkt een lugubere vogel daarom. Een soort die geen geziene gast is. Bij de jaarlijkse vogeltelling zie je hem het liefst over het hoofd, turf je zijn aanwezigheid in de achtertuin maar liever niet. Maar de zwarte kraai, hoewel zijn gezang niet anders is dan een fel-krassende toon, is toch een mooie statige vogel om te zien gezien zijn lijf en leden.

    Even plechtstatig als de man strak in pak getooid met hoge hoed waarvan de kraai het toonbeeld is. Parmantig stapt de vogel langs de hof en over het schelpenpad, zo voornaam met rechte rug en geheven hoofd als de grafdelver dat is. Er is niet een vogel zo deftig als de kraai, statig zich de eigen zwarte kracht beseffend. De zwarte kraai in rokkostuum heeft concurrentie van de pinguïn, maar heeft meer statuur dan deze loopvogel in ijzig kostuum. De kraai is een vogel van formaat, heeft karakter en spreekt tot de verbeelding.

    Met die verbeelding gaat Sabine Liedtke aan de haal of op de loop, ofwel is het haar inspiratie om te scheppen. Zij vormt zich een beeld in meervoud, een zwerm keramieken kraaien die als soldaten in het gelid staan. Met rechte rug en gesteven boord. Zo heeft Liedtke een troep vogels gevormd, die in getal op een tableau geformeerd indruk maken en tot de verbeelding spreken. Al eerder zijn de voor dood liggende vogelfiguren tentoongesteld in Museum Belvédère, netjes in rijen van tien neergelegd. Nu zijn ze daar weer binnen gevlogen en hangt er een ensemble van kleine figuren op rij naast elkaar. En in relatie gebracht met “de kraai op berkenboom” van Jan Mankes. Want met de verlengde tentoonstelling van deze verstilde schilder is het gevleugelde werk van Liedtke in samenspraak.

    Het is echter een opgelegde verbinding, een ietwat vergezocht verband. De overeenkomst is de kraai, maar verder gaat de gemeenschap enigszins mank. Sabine Liedtke heeft een totaal ander vermogen tot uitdrukken in vergelijking met Jan Mankes. Maar het is mooi dat het werk op deze manier een plek heeft langs de wanden van dit intieme museum. Hoewel de dood ook een thema was voor de melancholieke Mankes. Hij koos voor dieren die qua karakter pasten bij zijn eigen gevoel voor rust, ingetogenheid en mystiek. Uilen en kraaien bijvoorbeeld, kunnen stil zijn en lijken de omgeving te observeren, komen daarom geregeld terug in zijn werk.

    Parmantig ego

    Dood is het levenloze lijf een makkelijker model dan het springlevende lichaam. Voor dood ligt het stil een wezen te zijn, ofwel was het dat in levende lijve. Het vliegt niet op, want het leven is vervlogen. Het ligt daar roerloos om model te staan voor een kunstwerk. Zo’n houding kan in de gedachte van de kunstenaar zich vervormen naar een fladderend figuur waar de adem van de geest weer in is geblazen. Want juist de kunstenaar heeft een groot voorstellingsvermogen. Maar terug naar het werk van Liedtke. Zij laat de dode materie leven, laat het stomme spreken, is de schepper van iets uit niets. Zo mooi gaaf en zacht kan een wezen zonder leven nog zijn.

    Niet enkel de kraai is onderwerp, andere vogels met eenzelfde parmantig ego komen uit haar vingers. In tekeningen die de gevleugelde vrienden tot in detail kenmerken. Schetsen die vragen stellen, want telkens geeft een onwerkelijke toevoeging een vervreemdend effect. Beseft de toeschouwer eigenlijk niet waar deze naar kijkt. Is de dood geen antwoord op de vraag van het leven. Dat is wat Sabine Liedtke doet, het onderwerp apart zetten. Het uit de bestaande context halen en dan afzonderlijk in het niets in beeld brengen. Isoleren om beter te kijken, in te kunnen zoomen op het onderwerp. Het vakkundige ontwerp bestuderen en de gedetailleerde uitwerking aanschouwen. In de tentoonstelling kan de bezoeker datzelfde doen, want er is een schaal met daarin verlaten nesten gelegd; leeg geleefde kraamkamers.

    Door de manier waarop de kunstenaar de tekeningen heeft samengesteld, opgebouwd door het repetitief tekenen van lijnen en stippen – monnikenwerk kun je dat noemen, ontstaat er tijd om na te denken en gedachten de vrije loop te laten wanneer het resultaat in beschouwing wordt genomen. De tijd is erin opgerekt. Liedtke werkt nauwkeurig op detail. Alle onderdelen van nest en vogel worden tot op het kleinste onderdeel uitgetekend. Ze volgt de lijnen van de takjes en veertjes, brengt de rondingen aan en laat iedere nerf in elk blad zien, elk donsje van de veren. De architectonische constructie van takkenwerk en verenkleed is door haar meer dan fotografisch echt in beeld gebracht, maar wel voortdurend in zwart potlood op ruw geschept papier.

    Tot in finesse uitgewerkt

    De ijsvogel is sterk uitvergroot tot een monumentale alcedo atthis. Na het leven denkt het te vliegen naar de einder, slaat bijna onzichtbaar de vleugels uit. Maar het blijft liggen waar het is, roerloos, ingelijst en gepint tegen de wand van het museum. De winterkoning evenzo, want het is de troglodytes troglodytes om het even. Zoals in de naam van de vogel herhaalt Liedtke ook vormen uit de natuur. En overigens wat is er in een naam, want de vogel heeft niets met ijs en de koning niks met winter. De herkomst van naamgeving is een studie op zich. Dat winterkoninkje, want het is een kleine vogel maar groot door de kunst van Liedtke, voelt zich zichtbaar voornaam terwijl het niet weet wat het overkomt. Ze wil verdwijnen, uit beeld gaan, de stripbeweging in gele banen stuurt het naar het kader. Zo brengt Liedtke verrassende details in die ontregelend uitwerken. Die de tekening meer interessant maakt, hoewel de verfijnde belijning al erg in het oog springt.

    De schaduw van de zwarte kraai ligt naast de vogel en is even donker als deze dat zelf is. De tekening van het beest is tot in finesse uitgewerkt, maar het evenbeeld geeft de tint van het verenpak aan: zwart. De reflectie of beter de omkering leidt een eigen verbeelding, het is het antwoord op de vraag. En wanneer Sabine Liedtke dan losgaat, omdat zij even zat is van stippen en lijnen. Gek wordt van de precisie bij wijze van spreken en dus slechts in snel handgebaar een vogel neerzet omdat de essentie ertoe doet. Dan doet mij deze compositie sterk denken aan de beeldtaal van Tjibbe Hooghiemstra of Arno Kramer. Maar dan meteen verfoei ik die gedachte bij en van mezelf, want iedere kunstenaar spreekt zichzelf op de eigen manier uit. Is uniek in zichzelf. Kan wel beïnvloedt zijn, gedreven vanuit een andere geest en zich daardoor laat leiden, maar gaat daarmee een eigen weg. Hoewel haar werken een realistische basis hebben, draait het uiteindelijk om het gevoel dat ze oproepen.

    Tentoonstelling tekeningen van Sabine Liedtke: NEST. Bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van zaterdag 28 juni tot en met zondag 21 september 2025.

  • De Deelen volgens Kuitwaard en Van Dijck

    Dacht ik in het boek het silhouet van Sjoerd de Vries in een werk van Christiaan Kuitwaard te ontdekken (Zie “Natuurgebied De Deelen weergegeven in veertig schilderijen). Een schaduw mijmerend de moerasbosjes en petgaten beschouwend. In de tentoonstelling op dit moment bij Museum Belvédère waart de geest van wijlen Sjoerd inderdaad voelbaar door Christiaans schilderijen en daarbij de werken van Bruno van Dijck. Het boek was er eerder dan de tentoonstelling. Echter met het bezoeken, bezien en bewerken van de inspiratie, bron van bezieling, is het allemaal begonnen. Nadat Kuitwaard en Van Dijck elkaar tijdens een eerdere presentatie in Belvédère ontmoetten en het klikte qua leven en werken. De overeenkomst komt tot uiting op de omslag van het boek met geschilderde impressies van het natuurgebied. De werken lopen naadloos in elkaar over, dragen eenzelfde karakter en bezitten een eendere sfeer.

    Die uitgave is een handzaam in harde kaft gevat boekje, niet groter in afmeting dan de werken zelf. De inhoud besprak ik een half jaar geleden en was bijzonder benieuwd naar de latere presentatie in het museum. Om de werken in het echt te zien, de verf te kunnen ruiken, de penseeltoets en krijtstreep te kunnen aanvoelen, de sfeer te proeven, het gevoel te krijgen die de mannen in De Deelen hadden. Want ze zijn ter plaatse gegaan om de stemming te ervaren die Sjoerd dus voor hen had, en Evert en Jelle en Willem hadden. En de bron waaruit nu nog Jan Snijder put. Niet dat ik de karakteristieke rietkragen zal ontdekken, die Sjoerd bij leven en welzijn in boekomslagen heeft gekrast. Of de paling opmerk waarvan Evert het vel gebruikte om te beelden. Ik zie niet de dauw over de velden, de nevel tussen de struiken, de witte wieven van Willem. Ieder mens, en in dit geval elke kunstenaar, die het gebied in trekt heeft daarvan een andere beleving.

    Broeders in de kunst

    Voor de tekst in het boek ging Han Steenbruggen naar het natuurgebied dat hij voordien enkel kende van het werk van de Deelenschilders en het boek dat Thom Mercuur ooit samenstelde over De Deelen. Hij dompelde zich in het licht van voorjaar en najaar, dat strijklicht dat de vegetatie welhaast van onderen belicht alsof het spelers op een toneel zijn, voor het voetlicht. Vooral dat vroege en late schijnsel is in dit gebied belangrijk. Het maakt en breekt de sfeer. Meest in dageraad en schemer, lente en herfst, tekent de natuur het leven langs de rietkragen en tussen de struiken. Is het boek nog opgedeeld naar kunstenaar, in de tentoonstelling worden de werken in relatie tot elkaar getoond. Vallen de overeenkomsten en tegenstellingen in benadering van de werkelijkheid beter op. Het een kan in het ander schuiven, maar valt er niet als blauwdruk overheen.

    De broeders in de kunst Bruno en Christiaan waren daar in De Deelen in het voorjaar van 2023 voor een week, deden en plein air inspiratie op langs boorden, in velden en op plassen. Bruno nam zijn bevindingen mee naar het atelier in Zoersel bij Antwerpen, maar Christiaan ging vanuit zijn werkplek in Oldeberkoop nog vaker terug op andere tijdstippen van het jaar en momenten van de dag. Want mei bleek toch niet de geëigende maand te zijn om de stemming van gele rietkragen en diep zwart water te vatten. Daarvoor was de herfst het juiste jaargetijde. Het moment dat de natuur zichzelf afbreekt om opnieuw te kunnen beginnen. Zich te ruste legt om in winterslaap te gaan en uitgerust en lentegroen een volgend jaar aan te vangen. Het strijklicht van de lage zon door de maanden waarin de r zit geeft het waterrijke landschap een bijzondere kleur en uniek karakter. Tinten die op andere momenten nauwelijks worden gehaald, of het zal de schemer zijn, het ogenblik dat de dag door de nacht breekt en andersom.

    Vertalingen van de werkelijkheid

    Over zijn beleving op verschillende momenten in het natuurgebied schreef Han Steenbruggen een drietal essays voor het boek met schilderijen van De Deelen. De publicatie, simpelweg als “De Deelen” betiteld, bevat een veertigtal kunstwerken van Van Dijck en Kuitwaard, plus nog enkele sfeerfoto´s van het gebied en de kunstenaars aan het werk. De tentoonstelling is een ruime keuze uit deze serie. In beelden vatten de schilders de werkelijkheid samen, in teksten recapituleert de schrijver zijn bevindingen. In de tentoonstelling zijn die beeldende bewoordingen niet verwerkt, de catalogus dient als leidraad en richtsnoer. Wegwijzer om het gebied eens te bezoeken en de plekken die de kunstenaars visueel beschrijven te ontdekken.

    Het is bijzonder te ervaren hoe twee kunstenaars op dezelfde plek tot diverse vertalingen van de werkelijkheid komen. En toch zo goed op elkaar inspelen en aansluiten. In de eigen stijl en op de persoonlijke manier met enige invloed van de ander heeft het duo boeiende sfeerbeelden gemaakt. De omgeving is vooral landschappelijk en horizontaal bekeken, maar deze vlakheid verdiept zich en vindt grond in stil water. Er is geen leven nog van vogels en insecten. De kunstenaars hebben geen oog voor langstrekkende snelle bewegingen van opvliegende ganzen en zoemende bijen. De blik kleeft aan het struikgewas en het kabbelende water. De tijd is op het meest sprekende en karakteristieke moment stil gezet, bevroren en geportretteerd. De verfhuid is wel bewerkt met de achterkant van het penseel of het zwart van houtskool om beweging te suggereren. Het trekt lijnen door de sfeer, geeft contour aan het gevoel.

    Kalm in beweging

    Kuitwaard geeft dan het licht ruimte in zijn werk, waar Van Dijck zich richt op beweging. Het stille water spiegelt de tonen van het voorjaar. Leliebladeren liggen als een school vogels op dat water. Hoewel dit liquide oppervlak zich monumentaal in het portret uitspreidt, het egaal en ongerimpeld over de drager ligt, is de verfhuid kalm in beweging. Met subtiele verfvegen weten de schilders dynamiek te brengen in de stille gelatenheid. Het is niet een opvliegende gans die gakkend de stilte doorbreekt, maar de wind die het water doet golven in de vroege ochtend. Vooral dat tijdstip van de dag maakt de stemming, bouwt de sfeer. In latere uren is die magie in werkelijkheid verdwenen, maar voegen de schilders deze in abstractie aan hun werk toe.

    De mannen zijn er niet tijdens de hardvochtige en te zonlichte zomermaanden. De tijd waarin de mens tot leven komt, maar de natuur in stemming omslaat. Het hoogtepunt van de dag is ook niet het middaguur, wanneer de zon op het hoogste punt staat en elk contrast vervaagt. Een dag is als een jaar, met eenzelfde afwisseling van seizoenen. De uiterste sfeer is er in de vroege morgen en het begin van de avond, in het voorjaar en het najaar. Bij uitspruiten en afsterven. De bloei is daarentegen hoewel in schoonheid op het toppunt het minst tot de verbeelding sprekend.

    Sereen landschap

    De kunstenaars geven vooral de stilte van en in dit gebied een plek. In de schilderijen ritselen bladeren en rimpelt water. Terwijl op de achtergrond het verkeer over de snelweg raast is serene rust en welkome eenzaamheid in deze natuur ter plaatse te ervaren. Wie De Deelen bezoekt of heeft bezocht zal dit beamen. Dit vredig zwijgen van de ooit door mensenhanden gemaakte omgeving is te doorvoelen in de schilderijen van Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard. Zij portretteren een gebied waar de natuur weer bezit van heeft genomen nadat de mens het heeft verlaten. De petgaten herinneren nog vaag aan de modderige landarbeid van turfstekers. De natuur heeft teruggenomen wat het eerder is ontnomen.

    Waar Kuitwaard de rust figureert en de kalmte vorm geeft in een sereen landschap, daar vat Van Dijck het moment op detail en bemerkt het wateroppervlak een zojuist opgevlogen eend. Die beweging valt nog af te lezen in de geschilderde impressies, hoewel de sfeer alweer rust ademt. Kuitwaard is een bedaarde schilder die gelaten en beheerst de omgeving met zijn penseel beschouwt. Van Dijck heeft een wildere toets, berustend expressief. De composities zijn spontaan overdacht, immers de schetsen van ter plaatse gemaakte inbeeldingen zijn de grondslag voor de uitwerking. In de verftoets moet later de eerder ervaren sfeer opnieuw worden opgeroepen. De tijd heeft het beeld getekend, de herinnering kan andere gedachten de ruimte geven. Daarom geeft Van Dijck in zijn werk de abstracte emotie een plek, waar Kuitwaard de realiteit vorm geeft. Zo sluit het werk op elkaar aan. Is het ene complementair aan het andere. Richt de Vlaming zich op het detail, waar de Fries het grote geheel ziet. “De Deelen” is een geschilderd document van een bijzonder landschap.

    De Deelen. Christiaan Kuitwaard & Bruno van Dijck. Schilderijen van een natuurgebied. Tentoonstelling bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen – Oranjewoud. Van 28 juni tot en met 21 september 2025.