Categorie: Museum Belvédère

  • Schaken heeft de visuele mogelijkheden van kunst

    De Weense opening, 1.e4 e5 2.Pc3, of de Koningsgambiet, 1.e4 e5 2.Pc3, zijn mijn standaard openingen in het schaakspel. Tenminste wanneer ik het witte koninkrijk heb, want wie begint die wint en dat doe ik met plezier. Ik mag graag een pion schuiven, een paard springen, de koning rokaderen en de toren laten bezetten. Een bliksem actie uitvoeren en met herdersmat eindigen of gewoon fijn lang rekken zodat de partij in remise verzandt. Het gaat tenslotte om het spel en niet om de knikkers, althans wanneer je niet voor de winst gaat maar om het plezier in een pot schaken. Hoewel, het spel competitief is, kan het ook onderzoekend of meditatief zijn. Je kunt varianten verkennen, het spel eens na of over spelen. Hoe had ik een betere zet kunnen doen voor een mooier eindspel of een andere wending. Schaken is een denksport, in de stilte van het peinzen beschouwen de spelers de zetten, een meditatief moment – geconcentreerde rust. Je speelt tegen iemand, maar je strijdt vooral met de stelling.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst

    Schaakspel van Vilmor Huszár

    Museum Belvédère is een nuchter gebouw om tot rust te komen, om geconcentreerd kunst te kijken. De afgelegen ligging en de manier van presenteren is daar debet aan. Het is een beschouwende plek om starend over het water van de Prinsenwijk de lekkerste cappuccino te nuttigen. Het is daarom de beste omgeving om er een schaakkamp te organiseren, waarbij de spelers even peinzend spelen als de getoonde kunstenaars nadenkend creëren. Het schaakspel van Vilmos Huszár in de collectie van het museum was de oorspronkelijke aanleiding voor een eerste schaaktoernooi binnen zijn muren. Dat lees ik in de MB, het blad voor vrienden, nummer 55 dat geheel gewijd is aan het koninklijke schaakspel.

    “Het schaakspel heeft door de eeuwen heen kunstenaars gefascineerd en geïnspireerd, om de intellectuele uitdagingen die het spel voor twee bood, om de eindeloze spelmogelijkheden, maar zeker om de esthetiek van dat spel met z’n elementaire uit 64 kwadranten bestaande speelveld en de vormgeving der stukken.” De abstracte werkelijkheid van het schaakspel is voor de kunstenaar een onbewuste inspiratie. Het is de wereld op zichzelf, er wordt gestreden, gewonnen en verloren, velden worden ingepikt en zijn hernomen. Vijanden op het bord tijdens de partij, vrienden wanneer de tijd is gestopt en de schaakklok is uitgeslagen.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Marcel Prins

    Modern spel van Marcel Prins

    De Belvédère schaakkamp vond plaats op 20 december 2025 en werd gewonnen door Dolf Verlinden. Misschien was dit toernooi de opstap tot een gebeuren dat kan uitgroeien tot een traditie. Voor nu is het over en uit, maar gelukkig hebben we de foto’s nog. In de westvleugel van het museum staan in de middelpunten van de kamers bijzondere schaakspellen opgesteld. Natuurlijk is het kleinood van Huszàr te zien, maar ook het bord waarop Max Euwe in 1935 wereldkampioen is geworden. Er is een modern spel te zien dat door Marcel Prins is gemaakt. Ieder spel dat is opgesteld heeft een eigen persoonlijk karakter, is geen dertien in een dozijn uit de fabriek van Longfield, Philos of Jumbo – nee, niet de kruidenier.

    Kunstenaars die geliëerd zijn aan Museum Belvédère, met werk in de collectie zitten of anderszins vertegenwoordigd worden, hebben aan het schaken gerelateerde kunst gemaakt. Of hadden dat op een eerder moment in hun oeuvre gedaan en is voor deze tentoonstelling opnieuw geselecteerd. In een verkleinde kamer en in het museumcafé zijn deze composities gehangen. In dat café tref ik tevens een vitrine met borden en stukken aan. Schaken is kunst, kunst is spel — beide vragen vaardigheid, verbeelding en durf. Belvédère heeft deze twee vormen van tijdverdrijf mooi samengevoegd en gecombineerd.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Win Biewenga, Jochem Hamstra

    Ridders te paard

    Hebben kunstenaars over het algemeen het spel als uiting genomen, Jochem Hamstra schildert expressief de concentratie van een speler. De meditatie is dynamisch weergegeven. Je herkent de krakende hersenen, het grimas zwijgt maar spreekt boekdelen, wanneer je zelf niet vreemd bent van de ernst van het spel. De schilder bewondert de schaker om zijn spel en de afkeer van Poetin. De schilderijen zijn derhalve politiek geladen en kunstig gelaagd. Wim Biewenga vormt het meervoudige spel om tot eenvoudige composities. Het kinderspel over ridders te paard en koningen op hun troon denkt hij terug in deze schilderijen. Frank Hutchison ziet in de zwarte en witte koninklijke opponenten een verbond. Maar wel een relatie die geen vaste grond onder de voeten zal hebben. De dame en de heer blijven elkaar bestrijden tot de dood erop volgt. Ilse Brul op haar beurt maakt een feestje met de velden van het bord. Het is hier niet het schaken dat centraal staat, maar de vrolijkheid van en het plezier in een kinderfeestje. Het zwartwit geblokte tafelkleed is de relatie in afbeelding.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Frank Hutchison, Wim Biewenga

    De mooiste schaakpartij

    Helaas is de MB, het tijdschrift van Museum Belvédère, exclusief voor vrienden van het museum. Vooral dit nummer is interessant en lezenswaardig voor de fervente schaker. Ook voor de speler die minder met kunst heeft. En de kunstminnaar die niets over spellen weet. Het is een collectors item voor beide partijen. Het bevat fascinerende verhalen die de kunst binnen het schaakspel brengen en treffende bijdragen om het schaken in beelden te laten zien. Weetjes en watjes over het schaken en het spel, de stukken en de spelers. Een verzamelaar vertelt over zijn collectie borden en toont zeldzame figuren. Het spel van Max Euwe wordt uitgelicht. De mooiste schaakpartij aller tijden nog eens doorgenomen.

    Opmerkelijk is het verhaal over twee bijzondere schaakspellen, die van Josef Hartweg en dat van Vilmos Huszár. Het schrijven is van Huib Nieuwenhuizen en werd al eens eerder in de MB gepubliceerd. Nieuwenhuizen was de eerste collectiebeheerder van Museum Belvédère en is in 2020 overleden op te jonge leeftijd. Bij zijn pensionering in 2016 mocht ik zijn plaats innemen. Ooit in mijn jonge jaren was ik lid van de Schaakclub Heerenveen en heb verschillende toernooien mogen meebeleven. Helaas blonk ik niet uit in het spel, dat geldt tevens voor mijn bezigheden als autonoom kunstenaar na een opleiding in die richting. Schaken en schilderen, in concentratie en creativiteit een twee-eenheid. De schaker is een kunstenaar, het schaakspel is een kunststuk. Of zoals Marcel Duchamp dat uitdrukt: “Schaken heeft de visuele mogelijkheden van kunst. Het is een mechanische sculptuur met opwindende plastische waarden.”

    Museum Belvédère en het schaken. Unieke schaakspellen, de kunst van het schaken en schaken in de kunst. Kleine tentoonstelling nog te zien tot en met 8 februari 2026.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Vilmor Huszár
    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Kasparov
  • Griendenvangst-serie hoogtepunt oeuvre Joensen-Mikines

    Om een andere reden was ik in Museum Belvédère. Maar omdat ik er toch was liep ik nog snel door de hoofdtentoonstelling in de oostvleugel. Een korte blik kon nog net voor sluitingstijd op die dinsdagmiddag. Door de landschappen en zee-schilderijen welke ik op mijn ronde zag kreeg ik een eilandgevoel, maar niet meer dan dat. Gecomponeerd met impressionistische tonen laten ze welhaast expressionistisch het licht en de ruimte van in dit geval de Faeröer Eilanden zien. Ze linken losjes aan het werk van Noord-Nederlandse landschapschilders die in de collectie van dit museum zijn vertegenwoordigd. Maar waar mijn oog op viel en wat mijn blik onwillekeurig vasthield waren de dynamische indrukken van de traditionele griendenvangst. Laat ik de andere schilderijen in het oeuvre aan mij voorbij gaan, deze bloederige en wonderbaarlijke visvangst zal beschreven zijn.

    Always the sea

    Waar hebben we het over. Ik bezocht op de valreep de eerste solotentoonstelling in Nederland van Sámal Joensen-Mikines. Met als titel “Always the sea” is de zee een belangrijke inspiratiebron voor deze op de Faeröer Eilanden geboren schilder. Hij is zonder twijfel de kunstenaar die de Faeröer op de kaart van de moderne schilderkunst heeft gezet. Naast de zee als onderwerp waren tevens bijzondere en gangbare momenten op de eilanden een bron en de stille landschappen die de ruigheid van de omgeving tot in de kleinste penseelstreek vastleggen. Wat door al deze werken heen voelbaar is, is een constante spanning tussen mens en natuur, tussen kwetsbaarheid en kracht, tussen ritueel en persoonlijke ervaring. Zijn schilderijen zijn nooit alleen maar illustratief of gedocumenteerd; ze zijn reflecties op het leven zelf, op de stilte en het geweld, op de schoonheid en het onverbiddelijke karakter van een eilandgemeenschap die haar lot deelt met de zee en de wind.

    Naast de landschappen en zeegezichten, waar de ruime stilte de boventoon voert, spat de rumoerige levendigheid van de griendenvangst-serie af, waarop ik in de tentoonstelling stuitte. Het zette meteen mijn beschouwing op scherp. Het bloed spettert in het rond, de composities kleuren rood. Het is een dynamisch spel van lijven en lichamen, dier en mens in een strijd op leven en dood. De vissen worden in het nauw gedreven en kunnen geen kant op, ze worden bij bosjes afgeslacht.

    Hoewel het een traditionele visvangst betreft is het bij de beesten af. Het openbare abattoir, de natuurlijke slachtplaats, is expressief door Mikines afgebeeld, verbeeld. Je ruikt als het ware angstzweet, hoort gegil door bloedvergieten, voelt geweld en proeft sfeer. Waar Mikines in het verstilde werk impressionistisch overtuigt, zet hij in deze serie expressionistisch krachtig zijn handtekening.

    Griendenvangst

    Waar gaat het over. De griendenvangst is een traditie op de Faeröer voor de eilandbewoners om te overleven. Het ritueel begint vaak onopvallend, met een melding langs de kust en een lichte onrust in het dorp. Op zee vormt zich een langzame beweging: boten die geen haast hebben, maar doelgericht varen. In het water tekenen zich de donkere lichamen af, grienden die dicht bij elkaar blijven, zoals ze dat altijd doen. Hun vertrouwen in de groep wordt hun leidraad richting land. De baai opent zich als een natuurlijke kom. Het water wordt stiller, ondieper, en de zee lijkt haar ruimte langzaam prijs te geven.

    Wat daar gebeurt is geen jacht in de gebruikelijke zin, maar een handeling die zwaar leunt op gewoonte en collectief geheugen. Mensen werken samen, zwijgzaam, met een ernst die verraadt dat dit meer is dan voedsel alleen. Wanneer het voorbij is, keert de rust terug. De zee sluit zich weer, de baai draagt de sporen nog even met zich mee. Het vlees wordt verdeeld, zonder handel of winst, van hand tot hand. Voor sommigen is het een noodzakelijk ritueel, voor anderen een hard en pijnlijk schouwspel. Zo blijft de griendenvangst bestaan: als een plek waar traditie, natuur en morele twijfel elkaar raken.

    Het geweld van de jacht

    In deze serie komt alles samen wat Mikines drijft tot schilderen: de gemeenschap, die zich buigt onder de wetten van overleven; de kwetsbaarheid van leven; en de brute kracht van de natuur. De mensen verdwijnen in de massa. De grienden verdwijnen mee, lossen op in een abstracte verbeelding die werkelijkheid is. De kleuren in deze serie dragen de emotie op een bijna fysieke manier. Het bloedrode water contrasteert scherp met het loodgrijs van de zee en het donkerblauw van de lucht. Het dwingt mij om stil te staan bij het gewicht van de gebeurtenis die is afgebeeld. Het geweld van de jacht wordt niet verheerlijkt, niet geromantiseerd. Mikines’ penseelstreek, ruw en soms onverwacht in felheid, versterkt een gevoel van afkeer en tegelijk heeft het een bepaalde schoonheid. Het magnetiseert mijn blik, steeds moet ik terug kijken, telkens houdt het mijn aandacht. Ik zal nog eens terug gaan, weer zien. Nog eens de tentoonstelling bezoeken. Zolang het kan.

    Wat Mikines’ werk zo aantrekkelijk maakt, is de manier waarop hij het individuele en het collectieve tegelijk laat zien. Zijn mensen zijn geen helden, de grienden geen symbolen; alles is onderdeel van een groter geheel, alles staat met elkaar in verbinding. Het is geen verhaal, geen verslag, geen beschrijving van een ritueel; het is een ervaring die ik meeneem, me laat voelen wat het betekent te leven in een wereld waarin de natuur groter is dan de mens, en waarin traditie en overleven onlosmakelijk verbonden zijn. Dan kijk ik nog even om de hoek naar de stille baai, het verstilde landschap. En zie ik de schilder model staan voor zijn inspiratie. Voel ik zijn fascinatie voor dat water, voor dit land, voor deze natuur. Begrijpelijk.

    Sámal Joensen-Mikines, Always the sea. Tentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Tot 8 februari 2026.

  • Redenatie in 1685 woorden over beelden Henk Visch

    De beelden op het terrein van Museum Belvédère lijken daar op een natuurlijke wijze aanwezig te zijn. Alsof de objecten zoals de bomen in het museumpark daar zijn gegroeid. Daarmee voldoen de objecten aan wat Staatsbosbeheer destijds rond het gebouw als invulling van de openbare ruimte voor ogen had. Namelijk het creëren van een bescheiden bos, zodat het museum welhaast naadloos zou opgaan in de omgeving. Dat de zwarte schoenendoos de aanwezigheid nauwelijks merkbaar kenbaar zou maken. Van dat plan is in de loop der jaren weinig terecht gekomen, nog altijd staat het opmerkelijke museumgebouw met de strakke architectuur te schitteren als afsluitend bouwwerk in de achtertuin van Landgoed Oranjewoud.

    De beelden van Henk Visch schijnen daar destijds tussen de jonge aanplant gezaaid en deze zomer te zijn opgekomen. Ze vormen een ongekunstelde eenheid met het transparante bos en dichtbegroeide grasveld. Om de objecten beter zichtbaar te maken en ervoor te zorgen dat het publiek er ongehinderd omheen kan lopen zijn er paden in het grasveld gemaaid. Jammer eigenlijk, want zodoende krijgen ze bijzondere aandacht en worden uitgetild boven het maaiveld. Feitelijk zoals het museumgebouw zich ook verheft en opstijgt boven de omgeving. Worden ze meer dan de omringende beplanting, zijn een toevoeging terwijl ze van nature op de juiste plek staan, één zijn met de habitat.

    Taal van abstracte beelden

    Over de beelden die naar mijn idee een eenheid zijn met de omgeving dacht ik eerstens niet te schrijven, want over een boom zet je meestentijds ook geen boom op. De beelden zijn er gewoon, je kunt ze bekijken en bewonderen. Er omheen lopen of in het lange gras gaan liggen en de verplaatsing van lucht langs de harde maar levendige huid horen schrapen. Er iets van vinden, maar dit niet uiten. Dat is voor de beelden niet noodzakelijk om aan te spreken. De bloemen in het veld hebben ook geen woorden nodig om te zijn wat ze zijn. En de bomen in gelid geplant verdienen geen kritiek om het bestaan te verantwoorden. Dus loop ik om de werken van Visch en meen er het mijne van, maar laat de sculpturen zichzelf uitdrukken. Ik heb een indruk.

    Zo bezoek ik nog eens vaker het museumpark en laat de taal van de abstracte beelden tot mij komen. Echter de communicatie tussen figuratie en herkenbaarheid laat mij stilvallen. Ik heb er geen woorden voor, kan ze maar niet bedenken, vallen mij niet in. De beelden schijnen meer in zichzelf gekeerd dan dat ze zich tot mij richten. Ik moet moeite doen om interactie te hebben met Henk Visch die via de werken tot mij spreekt. Ik sta daar op dat grasveld letterlijk met de mond vol tanden.

    Daarom besluit ik er niets over te schrijven, er geen beschouwing op los te laten, mijn kritische kijk in te slikken. De beelden zijn er gewoon, ik accepteer hun aanwezigheid. Ik nam er genoegen mee, had er vrede mee en deed er het zwijgen toe. Totdat ik het essay van Peter van Lier op de website van De Moanne, podium voor kunst en cultuur in Fryslân, onder ogen kreeg en belangstellend las. Ik ben fan van deze dichter en essayist, die de wereld filosofisch bekijkt en met een korrel zout kruidt. Na zijn beschouwing over het enkele werk “Unguided Tours” tot mij genomen te hebben, kon ik mij niet langer stil houden over de rest van de groeisels die staan te bloeien tussen akkerschermen, zuring, boerenwormkruid, sintjacobskruid en al die andere wilde zaailingen. Ik vond ook iets te zeggen van “Subterranean Man”, van “Piazza del Popolo”, over “The Shadow” en “Die Sammlung”. Ik voel mij die man die woorden eet, liggend in het zojuist gemaaide gras – de harde sprieten prikken in mijn huid. Ik neem stilzwijgend de omgeving tot mij, ik consumeer de woorden die tot mij komen en waaruit ik mij een idee vorm. Mij een voorstelling maak van wat ik aan vervormde figuratie om me heen zie.

    Menselijke gestalten

    Geen enkele menselijke figuur in dit museumpark gevormd in brons heeft een natuurlijke gestalte. Er is altijd wel iets verwrongen in de houding, is de pose van het lijf onbestaanbaar. Voor het gevoel klopt er iets niet, de emotie moet de verdieping zoeken om de standen te duiden. Wat zie ik en wat zegt mij dat. Of moet ik wat ik zie simpel voor waarheid aannemen en er geen diepere betekenis in wensen te zien. Het beeld is er gewoon, niet meer en niet minder, zoals de eik in mijn achtertuin. Daar uit een eikel ontstaan en tot wasdom van een meter of tien gekomen. Zo zijn de sculpturen uit het brein van de kunstenaar ontsproten en geplant in het museumpark. Die kun je zwijgend aanschouwen, stil beschouwen. Peinzend en bedachtzaam bewandel ik de gemaaide paden die als olifantenpaadjes vooraf al platgetreden zijn. En na de woorden van Peter van Lier is mijn visie gekleurd, maar wel in de tint die bij mij past. De kleurstelling vloekt niet, de woorden smaken mij als zoete broodjes. Van Lier is de engel die mij op de tong piest.

    De figuren van Henk Visch zijn geen mensen. De menselijke gestalten figureren gevoelens. Drukken emoties uit en kunnen daarom zich vervormen als contortionist ofwel slangenmens. De houdingen vloeken met de gangbare anatomie van het lichaam. Je zou er een plaatsvervangende hernia van oplopen. Geen mensen, wel sculpturen van brons, metaal en aluminium. Werken die herkenbare vormen aannemen, omdat de emotie een tastbare uitweg dient te hebben. De balans tussen abstract en realiteit is in evenwicht op de figuratie. Het is waarheid wat ik zie en eventueel kan bevoelen, maar het is niet echt. De emotie blijft een aftreksel van de werkelijkheid, het kan niet grijpbaar echt zijn. Het is een aandoening als een virus dat niet bestreden moet worden. Het ontroert maar is niet te doorgronden. Je kunt niet omschrijven waarom het een wel mooi is en het andere niet. Om dat gevoel te bepalen dien je te leren kijken. Je blik moet wennen, een korte oogopslag geeft geen doorslag. Kijken en beschouwen, het beeld proeven, de smaak overwegen. Stil staan en bewonderen.

    Kan het leven uitdrukken?

    Enkel de essentie van de emotie krijgt vorm en heeft naam. Het gevoel komt niet simpel overeen met de titel. Soms is de naamgeving meer abstract dan de vorm is. Om emotie ruimtelijk vorm te geven is geen sinecure. En om dit daarnaast toegankelijk te maken voor publiek verdient een schoonheidsprijs. De schoonheid van de vormgeving, de kern van beelding. Laat ik eens lezen hoe Peter van Lier daarin staat. Met zijn filosofische ondergrond graaft hij zich diep in de materie in. Ondergraaft hij mijn objectieve blik misschien wel. Ik ben min of meer bevooroordeeld wanneer ik een derde keer een rondgang maak door het museumpark. Want hoe formuleerde hij dat ook alweer, ik citeer: “Het beeld is voor mij de ultieme weergave van een filosoof die zich met het gehele zijn van de werkelijkheid inlaat, met alles wat aanwezig is tussen hemel en aarde. In die hoedanigheid drukt het beeld beschouwelijkheid uit of contemplatie. (…) De titel van het beeld is Unguided Tours, wat te vertalen is met: ‘Rondleidingen zonder gids’. Die rondleidingen kunnen door de lichamelijke gebreken niet fysiek worden uitgevoerd, maar wel mentaal. Vlij je deze zomer nog neer in het bloemenveld voor het Museum Belvédère en bezie dit beeld dat zich zo bewust lijkt op te houden tussen hemel en aarde. Laat je geest meevoeren op de toer die het ons voorspiegelt. Kijk net zolang naar het beeld tot het niet meer vreemd of afstotend aanvoelt, maar vertrouwd en misschien zelfs aanlokkelijk.

    En dan zie ik geen haas met gespitste oren aan de overkant van het Grand Canal ofwel de Prinsenwijk staan. Dan zie ik de angst in de ogen van het beest wanneer het voor de koplampen van een snel naderende auto komt. Die emotie is bevroren in brons. Hij hoort en ziet alles, maar in deze tel is al die kennis vergeten. Stroomt er geen bloed maar adrenaline door de aderen. Heeft een brons aderen? Kan het leven uitdrukken? Heeft het een kloppend hart of beeld ik me dat in om het koude brons in gedachten te kneden tot warme klei. Er mijn idee in te vormen, vorm te geven, uit te drukken. Terug naar de haas. Het staat rjocht op en del langs de waterkant. Stokstijf als een reiger op jacht. Het  overlevingsmechanisme staakt in het moment; de moeilijke keuze tussen vechten of vluchten. De grize giet him oer de grouwe; de koude rillingen zetten de rug op slot en de oren op scherp. In “Nightlife” is de dood nader dan het leven. Het tedere konijn tussen het riet is een angsthaas, een held op sokken om sloffend een goed heenkomen te zoeken.

    Op die manier bevriest Henk Visch een emotioneel moment. Zit er meer achter de vorm op het eerste gezicht. Met Van Lier vlij ik mij in het hoge gras en kauwend op een strootje overdenk ik het hier en nu. Peinzend haak ik aan het moment en tel tot tien voordat ik me aan een mening waag. Want een standpunt geeft een voorstelling, terwijl de vorm geen oordeel verdient om de stelling die het heeft in te nemen. De beelden hebben waarde zoals deze zijn. Hun existentie is de essentie van het wezen. Ze drukken datgene uit wat in woorden nauwelijks een afdruk kan hebben. Dus laat ik mijn ogen sluiten en van het nabeeld op mijn netvlies genieten. Het een waarde toedichten die persoonlijk eigen is. In gedachte contact maken met de schepper dezes om de weerklank van zijn emotie te vatten.

    En natuurlijk kan ik heel best mijn eigen smaak bepalen, daarvoor heb ik Peter van Lier niet nodig. Kan ik heel goed feilbaar het verschil tussen professie en amateurisme kennen. Echter Van Lier zet mij op een spoor, zet de wissel om zodat ik net een andere kant oprijdt. De zaken van gene zijde bekijk terwijl ik normaal gesproken aan deze kant van de feiten sta. De filosoof biedt mij een onveilig terrein aan, dat ik met gezonde belangstelling betreedt. En ik filosofeer en redeneer er op los, al 1681 woorden lang.

    Unguided Tours. Henk Visch. Beelden in het museumpark en kamers van de westvleugel. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van 28 juni tot 21 september 2025.

  • De vogels en nesten van Sabine Liedtke

    De kraai associeer ik met uit de tijd zijn. Verbind ik met de eeuwige stilte. Is voor mij de metafoor van het niets na iets. Geen symbool van de dood, maar wel de schaduw van het leven. De zwarte kraai is de doodgraver van het zijn. De lijkbidder die de kist met stoffelijk overschot ten grave draagt. In de gedolven kuil laat afdalen, zand erover. De kraai met zijn dikke snavel lijkt een lugubere vogel daarom. Een soort die geen geziene gast is. Bij de jaarlijkse vogeltelling zie je hem het liefst over het hoofd, turf je zijn aanwezigheid in de achtertuin maar liever niet. Maar de zwarte kraai, hoewel zijn gezang niet anders is dan een fel-krassende toon, is toch een mooie statige vogel om te zien gezien zijn lijf en leden.

    Even plechtstatig als de man strak in pak getooid met hoge hoed waarvan de kraai het toonbeeld is. Parmantig stapt de vogel langs de hof en over het schelpenpad, zo voornaam met rechte rug en geheven hoofd als de grafdelver dat is. Er is niet een vogel zo deftig als de kraai, statig zich de eigen zwarte kracht beseffend. De zwarte kraai in rokkostuum heeft concurrentie van de pinguïn, maar heeft meer statuur dan deze loopvogel in ijzig kostuum. De kraai is een vogel van formaat, heeft karakter en spreekt tot de verbeelding.

    Met die verbeelding gaat Sabine Liedtke aan de haal of op de loop, ofwel is het haar inspiratie om te scheppen. Zij vormt zich een beeld in meervoud, een zwerm keramieken kraaien die als soldaten in het gelid staan. Met rechte rug en gesteven boord. Zo heeft Liedtke een troep vogels gevormd, die in getal op een tableau geformeerd indruk maken en tot de verbeelding spreken. Al eerder zijn de voor dood liggende vogelfiguren tentoongesteld in Museum Belvédère, netjes in rijen van tien neergelegd. Nu zijn ze daar weer binnen gevlogen en hangt er een ensemble van kleine figuren op rij naast elkaar. En in relatie gebracht met “de kraai op berkenboom” van Jan Mankes. Want met de verlengde tentoonstelling van deze verstilde schilder is het gevleugelde werk van Liedtke in samenspraak.

    Het is echter een opgelegde verbinding, een ietwat vergezocht verband. De overeenkomst is de kraai, maar verder gaat de gemeenschap enigszins mank. Sabine Liedtke heeft een totaal ander vermogen tot uitdrukken in vergelijking met Jan Mankes. Maar het is mooi dat het werk op deze manier een plek heeft langs de wanden van dit intieme museum. Hoewel de dood ook een thema was voor de melancholieke Mankes. Hij koos voor dieren die qua karakter pasten bij zijn eigen gevoel voor rust, ingetogenheid en mystiek. Uilen en kraaien bijvoorbeeld, kunnen stil zijn en lijken de omgeving te observeren, komen daarom geregeld terug in zijn werk.

    Parmantig ego

    Dood is het levenloze lijf een makkelijker model dan het springlevende lichaam. Voor dood ligt het stil een wezen te zijn, ofwel was het dat in levende lijve. Het vliegt niet op, want het leven is vervlogen. Het ligt daar roerloos om model te staan voor een kunstwerk. Zo’n houding kan in de gedachte van de kunstenaar zich vervormen naar een fladderend figuur waar de adem van de geest weer in is geblazen. Want juist de kunstenaar heeft een groot voorstellingsvermogen. Maar terug naar het werk van Liedtke. Zij laat de dode materie leven, laat het stomme spreken, is de schepper van iets uit niets. Zo mooi gaaf en zacht kan een wezen zonder leven nog zijn.

    Niet enkel de kraai is onderwerp, andere vogels met eenzelfde parmantig ego komen uit haar vingers. In tekeningen die de gevleugelde vrienden tot in detail kenmerken. Schetsen die vragen stellen, want telkens geeft een onwerkelijke toevoeging een vervreemdend effect. Beseft de toeschouwer eigenlijk niet waar deze naar kijkt. Is de dood geen antwoord op de vraag van het leven. Dat is wat Sabine Liedtke doet, het onderwerp apart zetten. Het uit de bestaande context halen en dan afzonderlijk in het niets in beeld brengen. Isoleren om beter te kijken, in te kunnen zoomen op het onderwerp. Het vakkundige ontwerp bestuderen en de gedetailleerde uitwerking aanschouwen. In de tentoonstelling kan de bezoeker datzelfde doen, want er is een schaal met daarin verlaten nesten gelegd; leeg geleefde kraamkamers.

    Door de manier waarop de kunstenaar de tekeningen heeft samengesteld, opgebouwd door het repetitief tekenen van lijnen en stippen – monnikenwerk kun je dat noemen, ontstaat er tijd om na te denken en gedachten de vrije loop te laten wanneer het resultaat in beschouwing wordt genomen. De tijd is erin opgerekt. Liedtke werkt nauwkeurig op detail. Alle onderdelen van nest en vogel worden tot op het kleinste onderdeel uitgetekend. Ze volgt de lijnen van de takjes en veertjes, brengt de rondingen aan en laat iedere nerf in elk blad zien, elk donsje van de veren. De architectonische constructie van takkenwerk en verenkleed is door haar meer dan fotografisch echt in beeld gebracht, maar wel voortdurend in zwart potlood op ruw geschept papier.

    Tot in finesse uitgewerkt

    De ijsvogel is sterk uitvergroot tot een monumentale alcedo atthis. Na het leven denkt het te vliegen naar de einder, slaat bijna onzichtbaar de vleugels uit. Maar het blijft liggen waar het is, roerloos, ingelijst en gepint tegen de wand van het museum. De winterkoning evenzo, want het is de troglodytes troglodytes om het even. Zoals in de naam van de vogel herhaalt Liedtke ook vormen uit de natuur. En overigens wat is er in een naam, want de vogel heeft niets met ijs en de koning niks met winter. De herkomst van naamgeving is een studie op zich. Dat winterkoninkje, want het is een kleine vogel maar groot door de kunst van Liedtke, voelt zich zichtbaar voornaam terwijl het niet weet wat het overkomt. Ze wil verdwijnen, uit beeld gaan, de stripbeweging in gele banen stuurt het naar het kader. Zo brengt Liedtke verrassende details in die ontregelend uitwerken. Die de tekening meer interessant maakt, hoewel de verfijnde belijning al erg in het oog springt.

    De schaduw van de zwarte kraai ligt naast de vogel en is even donker als deze dat zelf is. De tekening van het beest is tot in finesse uitgewerkt, maar het evenbeeld geeft de tint van het verenpak aan: zwart. De reflectie of beter de omkering leidt een eigen verbeelding, het is het antwoord op de vraag. En wanneer Sabine Liedtke dan losgaat, omdat zij even zat is van stippen en lijnen. Gek wordt van de precisie bij wijze van spreken en dus slechts in snel handgebaar een vogel neerzet omdat de essentie ertoe doet. Dan doet mij deze compositie sterk denken aan de beeldtaal van Tjibbe Hooghiemstra of Arno Kramer. Maar dan meteen verfoei ik die gedachte bij en van mezelf, want iedere kunstenaar spreekt zichzelf op de eigen manier uit. Is uniek in zichzelf. Kan wel beïnvloedt zijn, gedreven vanuit een andere geest en zich daardoor laat leiden, maar gaat daarmee een eigen weg. Hoewel haar werken een realistische basis hebben, draait het uiteindelijk om het gevoel dat ze oproepen.

    Tentoonstelling tekeningen van Sabine Liedtke: NEST. Bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van zaterdag 28 juni tot en met zondag 21 september 2025.

  • De Deelen volgens Kuitwaard en Van Dijck

    Dacht ik in het boek het silhouet van Sjoerd de Vries in een werk van Christiaan Kuitwaard te ontdekken (Zie “Natuurgebied De Deelen weergegeven in veertig schilderijen). Een schaduw mijmerend de moerasbosjes en petgaten beschouwend. In de tentoonstelling op dit moment bij Museum Belvédère waart de geest van wijlen Sjoerd inderdaad voelbaar door Christiaans schilderijen en daarbij de werken van Bruno van Dijck. Het boek was er eerder dan de tentoonstelling. Echter met het bezoeken, bezien en bewerken van de inspiratie, bron van bezieling, is het allemaal begonnen. Nadat Kuitwaard en Van Dijck elkaar tijdens een eerdere presentatie in Belvédère ontmoetten en het klikte qua leven en werken. De overeenkomst komt tot uiting op de omslag van het boek met geschilderde impressies van het natuurgebied. De werken lopen naadloos in elkaar over, dragen eenzelfde karakter en bezitten een eendere sfeer.

    Die uitgave is een handzaam in harde kaft gevat boekje, niet groter in afmeting dan de werken zelf. De inhoud besprak ik een half jaar geleden en was bijzonder benieuwd naar de latere presentatie in het museum. Om de werken in het echt te zien, de verf te kunnen ruiken, de penseeltoets en krijtstreep te kunnen aanvoelen, de sfeer te proeven, het gevoel te krijgen die de mannen in De Deelen hadden. Want ze zijn ter plaatse gegaan om de stemming te ervaren die Sjoerd dus voor hen had, en Evert en Jelle en Willem hadden. En de bron waaruit nu nog Jan Snijder put. Niet dat ik de karakteristieke rietkragen zal ontdekken, die Sjoerd bij leven en welzijn in boekomslagen heeft gekrast. Of de paling opmerk waarvan Evert het vel gebruikte om te beelden. Ik zie niet de dauw over de velden, de nevel tussen de struiken, de witte wieven van Willem. Ieder mens, en in dit geval elke kunstenaar, die het gebied in trekt heeft daarvan een andere beleving.

    Broeders in de kunst

    Voor de tekst in het boek ging Han Steenbruggen naar het natuurgebied dat hij voordien enkel kende van het werk van de Deelenschilders en het boek dat Thom Mercuur ooit samenstelde over De Deelen. Hij dompelde zich in het licht van voorjaar en najaar, dat strijklicht dat de vegetatie welhaast van onderen belicht alsof het spelers op een toneel zijn, voor het voetlicht. Vooral dat vroege en late schijnsel is in dit gebied belangrijk. Het maakt en breekt de sfeer. Meest in dageraad en schemer, lente en herfst, tekent de natuur het leven langs de rietkragen en tussen de struiken. Is het boek nog opgedeeld naar kunstenaar, in de tentoonstelling worden de werken in relatie tot elkaar getoond. Vallen de overeenkomsten en tegenstellingen in benadering van de werkelijkheid beter op. Het een kan in het ander schuiven, maar valt er niet als blauwdruk overheen.

    De broeders in de kunst Bruno en Christiaan waren daar in De Deelen in het voorjaar van 2023 voor een week, deden en plein air inspiratie op langs boorden, in velden en op plassen. Bruno nam zijn bevindingen mee naar het atelier in Zoersel bij Antwerpen, maar Christiaan ging vanuit zijn werkplek in Oldeberkoop nog vaker terug op andere tijdstippen van het jaar en momenten van de dag. Want mei bleek toch niet de geëigende maand te zijn om de stemming van gele rietkragen en diep zwart water te vatten. Daarvoor was de herfst het juiste jaargetijde. Het moment dat de natuur zichzelf afbreekt om opnieuw te kunnen beginnen. Zich te ruste legt om in winterslaap te gaan en uitgerust en lentegroen een volgend jaar aan te vangen. Het strijklicht van de lage zon door de maanden waarin de r zit geeft het waterrijke landschap een bijzondere kleur en uniek karakter. Tinten die op andere momenten nauwelijks worden gehaald, of het zal de schemer zijn, het ogenblik dat de dag door de nacht breekt en andersom.

    Vertalingen van de werkelijkheid

    Over zijn beleving op verschillende momenten in het natuurgebied schreef Han Steenbruggen een drietal essays voor het boek met schilderijen van De Deelen. De publicatie, simpelweg als “De Deelen” betiteld, bevat een veertigtal kunstwerken van Van Dijck en Kuitwaard, plus nog enkele sfeerfoto´s van het gebied en de kunstenaars aan het werk. De tentoonstelling is een ruime keuze uit deze serie. In beelden vatten de schilders de werkelijkheid samen, in teksten recapituleert de schrijver zijn bevindingen. In de tentoonstelling zijn die beeldende bewoordingen niet verwerkt, de catalogus dient als leidraad en richtsnoer. Wegwijzer om het gebied eens te bezoeken en de plekken die de kunstenaars visueel beschrijven te ontdekken.

    Het is bijzonder te ervaren hoe twee kunstenaars op dezelfde plek tot diverse vertalingen van de werkelijkheid komen. En toch zo goed op elkaar inspelen en aansluiten. In de eigen stijl en op de persoonlijke manier met enige invloed van de ander heeft het duo boeiende sfeerbeelden gemaakt. De omgeving is vooral landschappelijk en horizontaal bekeken, maar deze vlakheid verdiept zich en vindt grond in stil water. Er is geen leven nog van vogels en insecten. De kunstenaars hebben geen oog voor langstrekkende snelle bewegingen van opvliegende ganzen en zoemende bijen. De blik kleeft aan het struikgewas en het kabbelende water. De tijd is op het meest sprekende en karakteristieke moment stil gezet, bevroren en geportretteerd. De verfhuid is wel bewerkt met de achterkant van het penseel of het zwart van houtskool om beweging te suggereren. Het trekt lijnen door de sfeer, geeft contour aan het gevoel.

    Kalm in beweging

    Kuitwaard geeft dan het licht ruimte in zijn werk, waar Van Dijck zich richt op beweging. Het stille water spiegelt de tonen van het voorjaar. Leliebladeren liggen als een school vogels op dat water. Hoewel dit liquide oppervlak zich monumentaal in het portret uitspreidt, het egaal en ongerimpeld over de drager ligt, is de verfhuid kalm in beweging. Met subtiele verfvegen weten de schilders dynamiek te brengen in de stille gelatenheid. Het is niet een opvliegende gans die gakkend de stilte doorbreekt, maar de wind die het water doet golven in de vroege ochtend. Vooral dat tijdstip van de dag maakt de stemming, bouwt de sfeer. In latere uren is die magie in werkelijkheid verdwenen, maar voegen de schilders deze in abstractie aan hun werk toe.

    De mannen zijn er niet tijdens de hardvochtige en te zonlichte zomermaanden. De tijd waarin de mens tot leven komt, maar de natuur in stemming omslaat. Het hoogtepunt van de dag is ook niet het middaguur, wanneer de zon op het hoogste punt staat en elk contrast vervaagt. Een dag is als een jaar, met eenzelfde afwisseling van seizoenen. De uiterste sfeer is er in de vroege morgen en het begin van de avond, in het voorjaar en het najaar. Bij uitspruiten en afsterven. De bloei is daarentegen hoewel in schoonheid op het toppunt het minst tot de verbeelding sprekend.

    Sereen landschap

    De kunstenaars geven vooral de stilte van en in dit gebied een plek. In de schilderijen ritselen bladeren en rimpelt water. Terwijl op de achtergrond het verkeer over de snelweg raast is serene rust en welkome eenzaamheid in deze natuur ter plaatse te ervaren. Wie De Deelen bezoekt of heeft bezocht zal dit beamen. Dit vredig zwijgen van de ooit door mensenhanden gemaakte omgeving is te doorvoelen in de schilderijen van Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard. Zij portretteren een gebied waar de natuur weer bezit van heeft genomen nadat de mens het heeft verlaten. De petgaten herinneren nog vaag aan de modderige landarbeid van turfstekers. De natuur heeft teruggenomen wat het eerder is ontnomen.

    Waar Kuitwaard de rust figureert en de kalmte vorm geeft in een sereen landschap, daar vat Van Dijck het moment op detail en bemerkt het wateroppervlak een zojuist opgevlogen eend. Die beweging valt nog af te lezen in de geschilderde impressies, hoewel de sfeer alweer rust ademt. Kuitwaard is een bedaarde schilder die gelaten en beheerst de omgeving met zijn penseel beschouwt. Van Dijck heeft een wildere toets, berustend expressief. De composities zijn spontaan overdacht, immers de schetsen van ter plaatse gemaakte inbeeldingen zijn de grondslag voor de uitwerking. In de verftoets moet later de eerder ervaren sfeer opnieuw worden opgeroepen. De tijd heeft het beeld getekend, de herinnering kan andere gedachten de ruimte geven. Daarom geeft Van Dijck in zijn werk de abstracte emotie een plek, waar Kuitwaard de realiteit vorm geeft. Zo sluit het werk op elkaar aan. Is het ene complementair aan het andere. Richt de Vlaming zich op het detail, waar de Fries het grote geheel ziet. “De Deelen” is een geschilderd document van een bijzonder landschap.

    De Deelen. Christiaan Kuitwaard & Bruno van Dijck. Schilderijen van een natuurgebied. Tentoonstelling bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen – Oranjewoud. Van 28 juni tot en met 21 september 2025.

  • Kuierverhalen

    In Museum Belvédère ben ik op stap met Anne Feddema. Al eerder nam hij mij eens als reisgenoot mee op zijn wandelingen door het leven. Want zijn kuiers zijn een metafoor voor de tijd. De tijd van leven. Het zijn van bestaan. En wanneer lijf en leden lange tochten in de weg staan is de eigen tuin plek van verpozing. Dichtbij huis is schoonheid volop te vinden dat beeld krijgt in tekeningen. De Hof van Feddema, zijn speelveld waarin ik lustig vertoef. De juiste weergave van de begroeiing van zijn hof doet er niet toe, wel belangrijk is het gevoel dat hij bij het onderwerp heeft. In de verscheidenheid van het terrein dient zich altijd wel ergens een vondst aan, een detail dat liever onopgemerkt was gebleven. Buiten de hof op ongebaande paden – want Anne kleurt graag buiten de lijntjes – neemt Feddema mij aan de hand mee door zijn wereld. Ik voel me, zolang ik de composities mag bekijken, zijn aangelijnde hond tijdens een blokje om. Al wandelend beleeft hij de vorm, het ritme en de kleur in de omgeving.

    Voettochten

    Anne Feddema droomt zich de wereld nadat het is gezien. Met gesloten ogen blikt hij terug op de werkelijkheid. In gedachten vormen zich tuinen en parken om van te watertanden. Zelf beeldt hij zich af in een hoek of aan de rand van de beeltenis als wandelaar met hond, de pet op, of als schilder, achter de ezel of tekentafel. Als een persoonlijke handtekening onder het werk. Maar het draait niet om de man met hond of de man achter ezel, het is het moment van gaan. Gaan lang ’s Heeren wegen, als eenzame monnik in stilte genietend van de natuur. De details worden opgemerkt wanneer je aldus contemplatief door de wereld gaat. Je ogen de kost geeft.

    De blik van Feddema vreet de omgeving. Kauwt en herkauwt het om een aangenaam beeld uit te spuwen. Het beeld is niet altijd zo gezien, maar wordt gevormd door de indruk die de kunstenaar er op het moment en later bij uitwerking ervan heeft. ‘De paden op, de lanen in, vooruit met flinke pas, met stralend oog en blijde zin.’ Deze beginregels van een bekend oubollig marsliedje klinkt in mijn gedachten bij die kleurige beeltenissen van Anne Feddema. Hij ervaart een wereld op zijn wandelingen en maakt mij op een vrolijke manier daarvan deelgenoot. Het zijn positieve beelden die in zijn rugzak meegaan en mij worden voorgeschoteld. Ik geniet ervan. Het is de kunst om me te laven aan deze omgeving.

    Op zijn voettochten bij nacht en ontij, zon en regen, zomer en winter wordt Feddema wel vergezeld door een vogel, gelijkend de kraai van Jan Mankes, die al krassend vanaf een tak hem van commentaar voorziet – stel ik me zo voor. Of springt een kat uit de struiken wanneer hij in de achtertuin bloemen plukt om als stilleven in een Keulse pot te vereeuwigen. Want niet telkens gaat de schilder verder de laan uit, maar blijft ook wel op steenworp afstand bij huis om inspiratie op te doen. En dan staat hij aan de kade om de langs varende schepen, meestal driemasters die tijdens een zeilshow de golven trotseren, op doek vast te leggen. Het werk is gelaagd. Niet alleen in zichtbaarheid, maar ook in emotie. Tastbare lagen schuiven over elkaar, zodat er een landschap ontstaat waarin het gevoel welig tiert. Het domein belandt erdoor van de werkelijkheid zo in de abstracte weergave.

    Verdroomde wandelingen

    In gedachten verandert de werkelijkheid in een fantasie. Planten zijn aanleiding anders te denken, bloemen scheppen relaties in mijmeringen. Vormen roepen zinnebeelden op, patronen en profielen leiden tot beeldspraak. Zijn tuin denkt hem een paradijs, het park filosofeert een religieuze kijk op de dingen. De schoonheid van zien bespiegelt een hoger wezen, een buitenaards zijn. De toeschouwer treedt uit zichzelf en beschouwt het eigen ik in de omgeving, zoals een overleden persoon uittreedt en het eigen lijf van een afstand aanschouwt. Anne Feddema is God in zijn paradijs, dat lustoord schept hij zichzelf en mij, en al die anderen die een moment zich begeven in de composities. Even lopen in zijn tuin, kuieren over het pad, slenteren langs een haag en verstrooid het leven observeren.

    Voor mij zijn het geen droomachtige tovertuinen, zoals het tekstbord bij de tentoonstelling in het museum aangeeft, maar is aan de werkelijkheid in overdrachtelijke zin vorm gegeven. Eerder lees ik er een bijbelse openbaring uit af, verhaalt de beeldspraak over het paradijs zoals dit in beginsel bedoeld was. En ooit weer zal worden in een nieuwe wereld. In de hof van Feddema lijkt Anne de profeet Jesaja die voorziet dat een wolf bij een lam zal verblijven, een luipaard bij een geitenbok neerligt, een kalf, een jonge leeuw en gemest vee bij elkaar zullen zijn, en een kleine jongen ze zal drijven. Geen tovertuin derhalve, maar een droom over een nieuwe wereld en van een nieuwe aarde. Feddema creëert deze aarde al in zijn composities. Doet al de voorspelling hoe het ooit weer zal en kan zijn, wanneer maar voorbij de ellende en de zorgen van nu wordt gekeken en een blik wordt geworpen naar de zon achter de wolken. Daarmee is Feddema zelf een profeet en orakelt een betere toekomst. Hij ziet dat in de bestaande flora met oog voor de schoonheid van de natuur. Deze stijgt jegens tegenslagen als een feniks op uit malheur, verzet zich tegen menselijkheid en overwint het kwade. Er is licht aan het eind van de tunnel, kleur gloort boven de horizon. De schepper verlokt mij aangenaam, maar roept ook wel een broeierige spanning op, citeer ik nogmaals het tekstbord.

    En Anne? Hij ziet, hij kijkt, hij beschouwt. Hij laat mij beter kijken, zien wat ik niet dacht. In de expressieve zoekplaten vind ik een samenraapsel aan belevingen. Ervaringen die niet in een enkele nacht zijn verdroomd of op enige tocht zijn doorleefd. En dus ook niet tijdens een eenmalig bezoek aan het museum kunnen worden ondergaan. Het werk van Feddema biologeert dermate dat ik nog eens een rondgang zal doen, en nog eens. De poëtische tekeningen, de esthetische composities, intrigeren om de blik die deze in de toekomst geven. En om de naïeve stijl die deze kunst laagdrempelig maakt. Ik stap op, maar kom terug.

    Kamertentoonstelling in de westvleugel: Anne Feddema – Voor zover. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12, Heerenveen / Oranjewoud. Van 5 april tot en met 22 juni 2025.

  • Takkenhoogte, een bosje kreupelhout van verschillende kanten bekeken

    Natuurlijk was het de bedoeling om over de grenzen van de etskunst te gaan. Te experimenteren met materialen en technieken. Bestond het levenswerk van Han van Hagen uit het fijnzinnig figuratief weergeven van de werkelijkheid, zijn magnum opus blijkt juist het loslaten van de klassieke beperkingen van de etstechniek. Componeerde hij eerder landschappen, dieren en planten vooral met zwarte lijnen en vlakken in aquatint op een witte drager, nu creëert hij het beeld van een enkel takkenbos in bij wijze van spreken alle kleuren van de regenboog op meest getint papier. Het willen weergeven van die struik op alle mogelijke manieren kwam na het zien van het werk van Hercules Segers.

    Al eerder kwam in zijn studietijd het werk van Segers Van Hagen via afbeeldingen in boeken onder ogen. In de jaren 90 van de vorige eeuw was het voor hem een van de redenen om in kleur te gaan drukken. Na enkele jaren van testen en uitproberen keerde Van Hagen op zijn schreden terug en legde zich weer toe op het hem vertrouwde zwart-wit in al zijn grijstinten. De tentoonstelling van het werk van Hercules Segers in het Rijksmuseum in 2016 sloeg als de bliksem bij hem in. Van Hagen kreeg de prenten werkelijk onder ogen en het drong tot hem door wat daarin aan grafische ontdekkingen te bespeuren zijn. “Ik werd erdoor geraakt en dat bezoek gaf mijn loopbaan een opdonder.” Een schok die amper tien jaar later nog hevig door dreunt in zijn werk.

    Over de grenzen van de etskunst

    Han van Hagen wilde ook over de grenzen van de etskunst gaan, zoals Hercules Segers dat in de 17e eeuw had gedaan. Segers maakte verschillende afdrukken van een enkele etsplaat. Van Hagen nam zich voor datzelfde te gaan doen, want Segers experimenteerdrang “leverde een kik en gaf een kick. Daar lag een wereld open. Weg stramien, weg regels en afspraken.” De afdruk is telkens dezelfde, echter is er gewisseld van druktechniek en kleuren, is op en in de gedrukte afbeelding geschilderd, is gebruik gemaakt van een breed assortiment aan dragers van soorten papier tot schilderslinnen en katoen. Het wijkt in sommige composities af van een grafische weergave, de prenten lijken op schilderijen: gedrukte schilderkunst.

    Van Hagen ging over de grenzen van de etskunst en daarmee over zijn eigen toegepaste kader. Zijn er van Hercules Segers slechts 18 tot 22 afdrukken van een en dezelfde plaat bekend, Han van Hagen kwam tot een aantal van bijna 300 stuks. Allemaal variaties op het thema. En de serie kan nog voortduren, want er zijn steeds andere manieren van afwerking en behandeling te bedenken waardoor iedere afzonderlijke afdruk een eigen karakter krijgt. Een groot aantal uit deze serie is op dit moment te zien in Museum Belvédère. En om de grootte van het project niet te onderschatten is er een totale wand van de westvleugel schouder aan schouder behangen met afdrukken. Een installatie die de monumentale maat van Takkenhoogte aangeeft. Door deze manier van presenteren blijven bezoekers langer staan, wijzen elkaar op prenten en maken foto’s. Middels een tekstbord worden ze uitgenodigd tot het kiezen van een prent en te schrijven wat deze afbeelding met hen doet.

    Etsen van Hercules Segers

    Op wat voor manier kan de kunst zó prikkelen dat er een wisselwerking ontstaat tussen kunst en kijker, vroeg Van Hagen zich namelijk af. Kan het zijn dat de beschouwer van zijn werk net zo in de ziel wordt geraakt als hem dat overkwam bij het zien van de etsen van Hercules Segers. ”De vrijheid en de sfeer, die ik voelde in het werk van Segers heeft invloed gehad in mijn eigen etsen”, zegt hij desgevraagd. En er komen reacties op zijn werk. Het verbaast hem hoeveel dat er zijn, inmiddels heeft hij per email al meer dan 60 ontvangen. “Soms niet meer dan een mooie zin, een andere keer ontving ik drie kantjes. In bijna alle reacties laat de schrijver zijn of haar binnenwereld zien. Takkenhoogte is een klankbord geworden van het gemoed.

    Dat brengt mij terug naar mijn beginzin van dit artikel, namelijk dat het de bedoeling van Van Hagen was om over de grenzen van de etskunst te gaan. Dat was het vooropgezette plan: hoever is het etsen uit te smeren in de kunst zodat er nog steeds gesproken kan worden van grafiek. Op hoeveel manieren kan een enkele afbeelding in een serie van afdrukken worden bewerkt. In welke mate kan een aanslag worden gepleegd op de klassieke etstechnieken, hoe onorthodox kan het etsen zijn. Dat voornemen heeft Van Hagen ten volle uitgebuit. Met een niet aflatende behoefte om te experimenteren is er een ruim scala aan afwisseling en verscheidenheid ontstaan.

    Voor iedere emotie een afbeelding

    De serie had als bijkomend verschijnsel, dat Van Hagen gaandeweg merkte dat iedere afdruk een eigen karakter had. Een persoonlijk gevoel aanboorde, een individueel gemoed aansprak. Bij iedere afbeelding bleek een bepaalde stemming te horen. De nuchtere technische zijde werd overstemt door een informele emotionele kant. Zoals afzonderlijke beschouwers een andere beleving kunnen hebben bij hetzelfde kunstwerk, zo is er in de serie Takkenhoogte voor iedere beschouwer een eigen afdruk. Uiteraard kan dat per dag verschillen; kan het vandaag deze zijn, terwijl het gisteren die andere was en het morgen de volgende is. Zo heeft Takkenhoogte al de emoties die er voorhanden zijn in zich. Zijn alle uitkomsten mogelijk, heeft ieder resultaat een verwachting.

    Voor Han van Hagen is dit gegeven geen bijzonderheid, want dat is de bekende kwestie in de kunst. Het is een persoonlijke aangelegenheid, je vindt iets mooi of niet, het probleem van de smaak. In Takkenhoogte is voor iedere emotie een afbeelding, voor elk gevoel een gedrukt vel. De struik, het bosje, blijft telkens hetzelfde – de zakelijke kant. De bewerking geeft voortdurend een andere beschouwing – de emotionele laag. Want dat is het geval, Van Hagen heeft een extra dimensie aan het etsen toegevoegd. Iedere afdruk van dezelfde plaat heeft in nabewerking een of meerdere lagen aan gewaarwording gekregen. Dat kan een positieve sensatie zijn, maar tevens een negatieve prikkel geven.

    Voor de uitgave die als catalogus min of meer bij de tentoonstelling hoort vroeg Van Hagen hem bekende en bevriende collegae in de kunst en daaraan gerelateerd een prent te kiezen en op te schrijven wat deze prent bij hen teweeg brengt. Evenals hij later zal doen aan de bezoekers in de tentoonstelling, zoals hierboven beschreven. De teksten die in het boek zijn opgenomen, dus de emoties die het werk oproept, gaan over verlies, troost, vreugde. Er wordt een gebeurtenis uit het verleden herbeleefd, herinneringen kleuren het beschouwen. Ook nodigen prenten uit tot het uiten in andere kunstvormen, zoals een poëtische beleving of een muzikale interpretatie, “Het resultaat stemt mij blij”, laar Han van Hagen weten. “Kunst doet waarvoor het bestemd is, zij zet aan tot ervaren, denken of leidt  tot ontroering, een binnenwereld wordt bereikt.”

    Takkenhoogte. Tentoonstelling prenten van Han van Hagen bij Museum Belvédère in Heerenveen-Oranjewoud tot 22 juni 2025. Uitgave Takkenhoogte, Geïnspireerd door Hercules Segers. Han van Hagen. Uitgeverij Noordboek, 2025.

  • Hij is niets – zijn kunst is alles

    Dat boek van Oscar Voch, dat los-vast catalogus is bij de tentoonstelling ‘fluisteringen’ in Museum Belvédère, dat boek is welbeschouwd niet enkel een kunstboek gezien in het licht van de beeldende afbeeldingen daarin, maar zeker ook in de denkbeeldige teksten. Oscar Voch is een kunstenaar die op twee benen loopt, maar zich vasthoudt aan een duidelijk idee en een scherpe mening over zijn kunst en de Kunst in het algemeen. “Goede Kunst is half werk. De andere helft ontstaat in de geest van de beschouwer.”

    Hij is een begenadigd beeldmaker en een begiftigd schrijver – beeldbouwer met woorden. Zijn filosofische bespiegelingen kan Voch kwijt in fotowerken, gemanipuleerde fotografie. Maar ook in oneliners, stellingen en korte verhalen. In de taal komt hij meer zichtbaar tot een punt, geeft hij makkelijker uitleg van zijn gevoelens. In het beeld brengt Voch een mystieke ofwel mysterieuze inslag in de openbaarheid. Zijn standpunt in woorden is beter te volgen. Dat wil echter niet zeggen dat hij in beelden geen meester is. Het verhaal snap je in eenmaal of tweemaal lezen, het beeld begrijp je pas wanneer het intiem en intens wordt beschouwd. “Scheppen is of moet zijn: herscheppen. Het opnieuw scheppen van de werkelijkheid, maar in een andere vorm.”

    Eigenzinnig, een perfectionist

    Zijn kunst heeft geen woorden nodig, het spreekt voor zichzelf. Nauwkeurig bekeken. Uitleg is wel op de plaats voor zijn visie op kunst en de Kunst. Op zijn eigen bewegen in dat métier. Hoe hij er tegenover staat. Deze filosofische reflecties tillen automatisch zijn werken naar een hoger peil. Maar ook zonder het boek te lezen en enkel plaatjes te kijken, is de kracht van zijn leven en werken, zijn doen en laten te onderkennen. Oscar Voch weet zich in beelden poëtisch te uiten. De fotowerken zijn als gedichten, de figuratie in het beeld rijmt, de beeldmerken verhouden zich ritmisch tot elkaar. Naast proza waarin hij mijmert over de Kunst schrijft hij poëzie. Ook daarin is het metrum en de klanksymboliek in orde, even perfect afgewogen als in zijn beeldende kunst. Want alles moet kloppen en samenvallen met de idee van de kijker casu quo de lezer. Opbouw en begrip vergen tijd. Niet meteen is het punt gemaakt en doorzien.

    Oscar Voch is een bijzonder kunstenaar. Eigenzinnig, een perfectionist. Zijn oeuvre is beperkt, omdat een werk pas klaar is wanneer het af is. En dat af gaat door de ogen van de kunstenaar door een strenge selectieprocedure. Een werk is niet zomaar af, het valt niet zelden buiten de boot en verdwijnt in de prullenbak. In het boek en tijdens de tentoonstelling zijn 50 fotowerken te zien die door de ballotage zijn gekomen, waar Voch dubbel en dwars tevreden over is. Deze zijn volgens hem voldragen en voltooid. “De kunstenaar die denkt, ik ben er, is nergens meer. Een kunstenaar is hoogstens voor het moment tevreden.

    Idee van schilderijen

    Die voltooide werken zijn de hoofdwerken – voor een tweeërlei uitleg vatbaar. Het zijn de voornaamste werken, en ze zijn ontsproten in de gedachte. Geïnspireerd op het leven om het leven in zinnebeelden te duiden. Volgens Voch zijn het zelfportretten zonder dat zijn hoofd altijd in beeld is. Want in ieder werk is hijzelf aanwezig daar hij het is die het heeft gemaakt. Ook komt zijn kop op en in menig werk voor, want je hebt jezelf toch altijd bij je. Jou gezicht ken jij zelf het best, dus jij kunt jou mimiek eenvoudig bijstellen. Als eigen opdrachtgever heb jij jezelf in de hand. “Ik ben niets – mijn Kunst is alles.”

    Hoewel het fotowerken betreft hebben de composities het idee van schilderijen. Voch stelt het hoofdwerk samen uit diverse gedetailleerde beelden. Zo ontstaat een collage terwijl de oorsprong van knip- en plakwerk niet te achterhalen is. De fotograaf maakt er een schilderachtig geheel van middels computerprogramma’s als Photoshop. Hij neemt uit een beeldcollectie, een plaatdatabank, de meest aansprekende delen om er een welluidend en spraakmakend resultaat van te krijgen. Zet zijn werken niet overvol met details en figuratie, want minder is meer – om de boodschap te brengen is weinig woord in dit geval beeld nodig.

    Versiering hoort in de Kunst niet thuis. Want  het draagt niet bij. En wat niet bijdraagt, is te veel. Omdat het afleidt en daardoor verzwakt.

    Kitsch schreeuwt, kunst fluistert

    Dan vervolgt het boek met vroeg werk, waaronder composities die zijn gemaakt toen Voch nog niet beschikte over digitale technieken en hij dus niet diep in het beeld kon ingrijpen. Ze tonen wel dat hij al de goede weg is ingeslagen. Dat hij het pad van de melancholie met verve bewandelt, maar dat deze scherp wordt afgebeeld en niet in nevelen is gehuld. Interessant is het hoofdstuk ‘schetsen/varianten/proeven’, omdat dit een blik in de keuken geeft. Dat ik over zijn schouder meekijk op het computerscherm en beschouw hoe een digitale collage tot hoofdwerk wordt. Het pad ligt bezaaid met struikelstenen, is gevuld met hobbels en gaten. Het is een mijnenveld waarin Voch moet oppassen waar hij zijn voet zet voor een volgende stap. Soms merk je in deze werken dat hij wel het idee heeft, maar dat de uitwerking nog geen daadkracht kent. De inspiratie heeft beeld, het resultaat kan echter een andere draai hebben gekregen tijdens het proces.

    Om het oeuvre compleet te maken, want de cirkel hoort rond te zijn, is een beeldcategorie ‘curiosa’ toegevoegd. Daarin is Voch minder serieus, kan er weleens een grapje vanaf en staat de lach nader dan de snik. In min of meer huiselijke kring maakt hij onder meer kerstkaarten en promotiemateriaal, die toch niet onder de korenmaat moeten blijven. “Kitsch schreeuwt. Kunst fluistert.”

    Publicist Lex van Haterd zet in een verkorte biografie leven en werk van Oscar Voch op rij in de tijd. Hij vraagt en geeft antwoorden op vragen als wie en wat Oscar Voch is. Is hij minder beeldend kunstenaar of is hij meer beschouwend schrijver. Wat zijn de thema’s en motieven die Voch als onderwerp opvoert en waar vindt hij de inspiratie. Zet de kunstenaar zelf al de deur van zijn werkkamer open, Van Haterd doet zijn kunstige werkwijze uit de doeken. Het geeft een verhelderend beeld op de vervreemdende beelden die gezien kunnen worden. Wie Oscar Voch is daar geeft de publicist geen sluitend antwoord op, want zullen wij elkaar als mensen volledig kunnen kennen. “Een eenling, een individualist, een solist is hij ook, hij wil wel bij een groep horen, maar alleen als hij zijn persoonlijke vrijheid kan behouden.” De belangrijkste motivatie voor het boek is dat Voch wil blijven bestaan, ook na zijn dood. “Mijn grootste angst is dat mijn digitaal fotografische kunstwerken later in een kartonnen doos tegen een boom staan in de regen”, vertelt hij Van Haterd. “Mijn fotowerken staan in een boek, mijn werk is beschreven, dus ik besta!

    Contemplatie

    Bij Museum Belvédère vindt het werk van Oscar Voch een klankbord in de schilderijen van Jan Mankes. Op het eerste gezicht lijkt het een vreemde combinatie, maar is niet toevallig gemaakt want de weemoed die in beide oeuvres ligt besloten hebben een duidelijke relatie tot elkaar. Mankes bracht met verf en penseel een melancholieke sfeer die Voch met moderne technieken doorzet. Niet zozeer in onderwerpkeuze staan ze op dezelfde lijn, maar wel in stemming en het oproepen en in beeld brengen van een zwaarmoedig gevoel. Zij het dat er geen depressieve kijk op het leven en de wereld wordt gegeven. Het is in beide gevallen een verbeelding van een contemplatief leven. “Aan het artistieke gehalte van een kunstwerk moeten we gaan twijfelen, wanneer het veeleer gedachten dan gevoelens bij ons oproept.

    Contemplatie betekent letterlijk het scheiden van iets uit zijn omgeving, en dat is vooral wat Voch met zijn werk doet. Dat iets zet hij in een afwijkend decor, zodat hij zich in beeldspraak kan uitdrukken. Mankes had dat zicht van nature en hoefde het beeld niet te manipuleren om de verbeelding te laten spreken. Toch zijn het twee zielen één gedachte, hoewel de tijd hen beide afzondert kunnen ze optrekken in een enkele tentoonstelling. Niet naast elkaar, nog wel gescheiden door een wand. Dus de bezoeker moet het gevoel opgedaan bij Mankes werk vasthouden wanneer hij om de hoek de fotowerken van Voch bekijkt, en andersom. De kunstenaars fluisteren beide het leven, spreken op zachte toon het zijn. Dat maakt het werk zo intiem en eigen.

    Oscar Voch. Tentoonstelling “fluisteringen” bij Museum Belvédère tot 22 juni 2025. Uitgave  “Fotokunst – Photo art”. Highbrow House, januari 2025.

  • Jan van der Kooi is zichzelf wanneer niemand kijkt

    Het schijnt zo eenvoudig te maken. Het zelfportret. Want je hebt jezelf toch altijd bij je. En stil model zitten is makkelijk, want geconcentreerd kijk je naar jezelf dus onbeweeglijk in de houding ben je sowieso. Het lijkt niet moeilijk. Een landschap tekenen. Het ligt er statisch bij. De enkele windvlaag die de boomtoppen vriendelijk doet zwaaien, de troep vogels die rumoerig overvliegt, het storende gezoem van een bij op zoek naar honing – je hoeft dat allemaal niet te registreren en vast te leggen in krijt op papier. Zo gemakkelijk is dat echter allemaal niet, schijn bedriegt. Tekenaar Jan van der Kooi weet dat en onderkent dit. Het model is onder handbereik, maar blikt iedere dag anders, elk moment heeft een eigen oogopslag.

    Een kop tekenen is geen sinecure. Men gebruikt zichzelf wel om de portretkunst te oefenen. Om het kleurgebruik van huid en haar in de vingers te krijgen. Glimmertje in de ogen, stand van de neus, glanzende lippen – het maakt en breekt de herkenning. Je hebt jezelf zoals geschreven bij de hand, dus dat maakt je bijdehand om te schetsen met potlood en verf. De plaatsing van ogen, neus en mond kan naar verhouding correct ingepast worden. Maar om daaraan een stemming te geven of een karakter in te brengen is minder ordelijk te doen. De gelaatkunde in de beeldende kunst is van een andere orde. Het is een kunst op zich om de persoonlijkheid in een portret te brengen, de ruimte in het vlak te krijgen.

    Iedere lijn

    Iedere lijn in Van der Koois zelfportret heeft een functie, is doelbewust gezet. Elke stip of veeg is belangrijk als onderdeel van het geheel. Evenzo geldt dit voor het landschap, dat eigenlijk een portret is van de omgeving. Het schijnen allemaal beelden of beeltenissen van eenzelfde karakter; het portret Van der Kooi, het landschap De Veenhoop. In het geval van het zelfportret klopt dat. Bij het landschap valt dit tevens te rijmen, hoewel wanneer je hier of daar kijkt en dus van standpunt verandert en zichtlijn wijzigt de indruk anders is.

    Iedere dag heeft de eigen zorgen en deze tekenen zich af in de uitdrukking van het gelaat. Eigenlijk toont Van der Kooi in het portret een getekende autobiografie. Uit de koppen straalt zijn levensverhaal. Het is een serie in zijn oeuvre, voor iedere week een portret. Zo zie ik hem door de tijd gaan, het zijn leven. In de rimpels lees ik zijn geschiedenis zoals de tijd uit de jaarringen van een boom gepuurd kan worden.

    Geen dood getekende afbeeldingen

    Jan van der Kooi toont in Museum Belvédère veel van die zelfportretten en een veelvoud aan landschappen. Onder de titel “Wie ben je als niemand kijkt”. En inderdaad kijkt er niemand wanneer hij zichzelf vastlegt in het atelier. Turend in de spiegel naar Jan. Wie is hij dan, op dat moment. Niemand ziet hem zwoegen op zijn eigen karakter. Volgens mij is hij daar zichzelf, is hij daar Jan die Van der Kooi vastlegt. En dan, wanneer deze tekeningen een tentoonstelling krijgen en worden gezien, waar kijk ik dan naar, wie zie ik dan. Ik zie Jan, hemzelf, dat is hij. En hij kijkt me wel vorsend aan, zijn getekende blik doorboort mijn gedachten. Het is alsof hij mij doorziet, mij oogt wie ik ben. Terugkijkt vanaf het papier. Hij zag zichzelf, maar in het museum ziet hij mij. Priemende blik, gefronste wenkbrauwen. Veelal met de bril op de punt van de neus beschouwt hij mij, kijkt over het montuur en bepaald mijn blik. Hij biologeert mijn wezen, waar hij eerst zich concentreerde op het eigen zijn. Die onderzoekende oogopslag speurde naar het wezen achter zichzelf, het bestaan in de plooien van het eigen gezicht. En nu deze portretten de ruimte vinden staren ze vanaf de wand naar mij en al die andere bezoekers.

    De werken van Van der Kooi zijn geen dood getekende afbeeldingen. Geen tot in de poriën en tot in de grassprieten vastgelegde werkelijkheden. Hoewel deze realistische portretten en landschappen herkenbaar en plaatsbaar zijn, heeft Van der Kooi er een abstract wezen ingebracht. Als de Schepper er leven ingeblazen. Het zijn geen plaatjes maar levende voorstellingen. Met veel beweging in de lijnvoering is het alsof het portret een knipoog geeft, alsof er opeens een wolf uit het struikgewas kan opduiken. Ik hoor hem grinniken, Jan, zich verkneukelend over al dat aapjes kijken en die verbaasde en bewonderende blikken. Ik hoor de vogels fluiten boven de velden, de zuchtende wind die de bladeren laat ruisen. Van der Kooi heeft de ziel van het wezen geraakt. Zijn wezen en dat van het landschap.

    Langs de boorden van de Veenhoop

    Van der Kooi werkt in traditionele tekentechnieken en heeft een geheel eigen stijl ontwikkeld die het midden houdt tussen realisme en expressionisme”, lees ik op het tekstbord bij de tentoonstelling. Het zijn derhalve geen oppervlakkige werken die ik beschouw, tonen niet sec een gelijkenis, maar boren een diepere laag aan. Die laag waarin de meester zich fijn voelt wanneer niemand kijkt. Hij is alleen in het atelier, eenzaam met zichzelf bezig. Observeert het ego en reflecteert het ik. Toont niet hoe mensen hem zien, de buitenkant. Maar laat de ervaring zijn, het gevoel, de binnenkant. En daarna wordt het in de openbaarheid gegooid, krijgt het beeld in een tentoonstelling. Want het moet gezien worden, onder de mensen komen. En dan kunnen de bezoekers er iets van vinden. Dan is echter de maker er niet bij, deze houdt zich afzijdig. Door de tekening gaat hij figuurlijk in gesprek met degene die naar de tekening kijkt. Kijkt hem aan van achter of over zijn bril, observeert mij, kijkt door mij heen als het ware. Kijkt zo streng en scherp alsof hij bezig is van mij een portret te maken. Dat ik het model ben. En dan loop ik langs de boorden van De Veenhoop, op de oevers van de Headamsleat. Want ik raak in verlegenheid van die priemende blik, die mij achtervolgt en scherper doorziet als dat ik naar mijzelf kijk. Want wie ben ik als Jan van der Kooi kijkt. In die natuur vind ik de schepper terug. De tekenaar die de omgeving schetst. In de gelaagdheid is hij abstract aanwezig, zijn geest waart door het veld omdat het beeld heeft gekregen zoals hij het zag, zoals hij het heeft beleefd.

    Naar de geest van de klassieke meesters, in de lijn van de kunstgeschiedenis, tekent Jan van der Kooi de zelfportretten. Schetst hij het landschap. Zoals de opdrachtgever verlangt dat een portret naar waarheid de geportretteerde eer en recht aan moet doen, zo heeft de kunstenaar de vrije hand om zichzelf te tekenen. Het portret dient te beantwoorden aan uiterlijke schijn, de schoonheid zal afstralen van het evenbeeld. Echter wanneer de tekenaar of schilder zichzelf als model neemt kan hij of zij voorbij gaan aan de esthetiek en beelden naar de waarheid achter het zichtbare. Dan komt de ware aard naar boven.

    Wie ben je als niemand kijkt. Kamerpresentaties getekende zelfportretten en landschappen van De Veenhoop. Jan van der Kooi. Museum Belvédère, van 25 januari tot 22 juni 2025.

  • Ruud van Empel monteert foto-objecten

    Ben ik nog maar amper herstelt van het feit dat ik mijn blik moest lostrekken van de kamerpresentatie “Van nature” bij Museum Belvédère. En ben ik glad door mijn superlatieven heen om de kunst van Daniëlle van Broekhoven daar te beschouwen. [Zie artikel “Drift tot schilderen druipt van doeken”] Loop ik om de hoek figuurlijk tegen het werk van Ruud van Empel aan. Verrassend. In een kleine presentatie staat ook hier de natuur centraal. Museum Belvédère liet het werk van Ruud van Empel al eens eerder zien in een grote overzichtstentoonstelling. Deze kamerpresentatie is een kleine reprise. Net genoeg indrukken om er verbaast van te staan. Hoe speels en onbevangen het werk van Van Broekhoven is, zo gecontroleerd en beredeneerd is de schilderachtige fotografie van Van Empel. Hoewel bij beide kunstenaars de ene handeling de andere oproept. Het werk dat onder de handen ontstaat is leidend in de voortgang van het proces. De ene verfstreek bepaalt de volgende. Het ene fragment zet een volgende op de rol. Het lijkt een intuïtief proces, maar het is een inventieve groei tot er een werkstuk van waarde kan bloeien.

    Fotograaf Van Empel heeft via reizen en door de jaren heen beelden verzameld en geordend in mappen op zijn computer. Uit die duizenden plaatjes kan hij digitaal details knippen en plakken. Met het programma Photoshop kan hij de wereld fotografisch manipuleren en naar zijn hand zetten. Zijn realistisch aandoende omgevingen zijn abstracte landschappen. Enkel bestaand in zijn fantasie, waar ik mijn eigen voorstellingsvermogen op kan loslaten. Wat ik zie lijkt de werkelijkheid maar bestaat werkelijk niet. Door details uit het archief samen te smelten gaat de kunstenaar op de stoel van de Schepper zitten. Uit niets, want het begint met een leeg scherm, ontstaat stukje bij beetje, fragment voor snipper, een iets dat ergens op lijkt. Want ondanks dat de beeltenis herinneringen oproept, een deja vu schijnt, kan het nergens op lijken. Is het bij elkaar gefantaseerd. Kunnen de bouwstenen en geledingen van overal vandaan komen, want Van Empel deed ze immers op zijn reizen langs diverse binnen- maar vooral buitenlandse reizen op.

    Verzamelaar van beelden

    De impressies zijn puur handwerk, hoewel deze met behulp van de computer zijn gemaakt. Maar er komt geen kunstmatige intelligentie aan te pas. Van Empel is de meester van zijn gedachten, in zijn fantasie. Hij legt zichzelf de vragen voor hoe een berkenbos eruit zal zien, de manier hoe bloeiend gras en wilde planten op de akker groeien, welke organismen op de diepzeebodem leven. Hij geeft niet DeepSeek of ChatGPT opdracht om een illustratie volgens zijn aanwijzing te genereren. Van Empel geeft zelf de antwoorden op de vragen, put uit zijn omvangrijke database en komt zo tot verrassende platen.

    Hij noemt zichzelf geen fotograaf, maar een verzamelaar van beelden en afbeeldingen, een plaatjescollectioneur. Zijn werk is geen fotografie, hoewel hij gebruik maakt van deze techniek om er zijn composities mee samen te stellen. Zelf noemt hij ze foto-objecten. Eigenlijk maakt hij collages door digitaal te schilderen met schaar en lijm. Wie de werking van PhotoShop, of een soortgelijk computerprogramma om foto’s te bewerken, kent weet hoe arbeidsintensief het is om details uit een groter geheel te ‘knippen’ en in een ander scherm te ‘plakken’. Maar het tijdrovende werk geeft een bijzondere voldoening. Uiteindelijk ontstaat een afbeelding die geen fotograaf waar ook ter wereld zal kunnen maken.

    De werelden van Ruud van Empel bestaan niet in realiteit, maar ze kunnen er zo wel degelijk zijn. De natuur is wispelturig, druk, vol en rommelig, creatief. Zo creatief en inventief als Van Empel dat is. In zijn werken meet hij zich met de natuur. Brengt stenen van het Afrikaanse strand samen met de anemonen uit de Indische zee, legt daar enig rivierklei uit Brazilië bij en kleurt het water als in de Oriënt. Zijn wereld is een samenraapsel van wat er op deze aarde alom te vinden is. Hij past het zo zodat het klopt, hij puzzelt een fantasie. Het begint met documentair fotograferen, op zijn reizen neemt hij alles mee waarvan hij denkt dat het later bruikbaar kan en zal zijn. Thuis in de studio volgt een intensief montageproces waarin alle beslissingen worden genomen om tot een resultaat te komen dat in balans is, dat beeldend klopt. Het is een kwestie van schuiven en kijken wat er gebeurd, zien wat het samen doet. Van Empel heeft de compositie onder controle en probeert aldus een realistische foto na te bouwen, schilderachtig en abstract. Hij monteert het beeld uit verschillende foto’s in lagen die transparant van elkaar gezet zijn zodat er in het platte vlak diepte is gesuggereerd. Maar er klopt nooit iets in zijn montagekunst. Het is een onmogelijk gedetailleerd beeld, hoewel het allemaal uiterst realistisch overkomt. Het gaat Van Empel om de vormen, niet om de realiteit weer te geven. Doet hij dat wel dan zou dat heel beperkend zijn. Hij beeldt het leven uit in al zijn meest bizarre vormen, het kan lelijk en mooi tegelijk zijn. Zijn collages geven geen biologisch realistisch kloppend beeld weer. Het zijn zoekplaten om de herkenning te duiden.

    Kamerpresentatie Ruud van Empel bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. 25 januari tot 30 maart 2025.