Categorie: Museum Belvédère

  • Een galerie in een doosje

    Maak je als kunstenaar werk, dan is dat over het algemeen de bedoeling dat dit de wereld ingaat. Je maakt het zelden alleen voor jezelf of de vierkante meter om je heen. Het moet onder de mensen komen. De composities moeten klinken. Een manier dit voor elkaar te krijgen is om met een portfolio langs de deuren van galerieën of kunsthandels te gaan. Zodat deze voor jou bemiddelen en onderhandelen. Jouw werk hangt bij hen in de etalage, geen centje pijn. Je moet enige commissie afdragen, maar verder heb je er nauwelijks omkijken naar. De galerie neemt jou werk mee naar kunstbeurzen, zodat het een groter bereik heeft. Maar niet iedereen stapt een galerie binnen en bezoekt een kunstbeurs. Komt aldus dus niet in contact met jouw werk. Er kunnen tentoonstellingen met jou werk worden georganiseerd.

    Alles is echter van voorbijgaande aard. Er hangt een prijskaartje aan waarop een bedrag staat dat niet altijd voor elke beurs bereikbaar is. Toch moet het werk onder de mensen en niet in stock bij de galerie blijven. Om het werk de wereld in te krijgen en een blijvende herinnering aan de voorbijgaande aard te creëren, kun je een boek laten maken. Het werk blijft bestaan en wordt bereikbaar. Tussen kaften zit het werk dat het gedrukt staat. Naast reproducties is de eigen verantwoording te plaatsen en kan de ander iets over jou schrijven. Er is zelfs ruimte voor een biografie, wanneer je zover zou willen gaan dat je doopceel in het boek wordt gelicht. Echter een boek uitgeven is niet voor iedere kunstenaar vanzelfsprekend haalbaar. Dan kun je denken over en aan een alternatief. Een andere manier om het werk als blijvende herinnering aan te bieden.

    Op de museale kunstbeurs Art Noord zag ik het werk van Maartje Roos. Zij beoefent geen fotografie die de werkelijkheid slechts vastlegt. Haar fotografie is een vorm van fotografische verbeelding, waarin verschillende werkelijkheden zich tot één onwerkelijke werkelijkheid samenvoegen. Maartje maakt geen kiekjes rondom van de omgeving of het landschap. Ook schiet zij geen portretten van mens dan dier. In eerste instantie is dit wel wat ze doet, maar daarna manipuleert zij het beeld dusdanig dat er surrealistische omgevingen ontstaan. Het is niet waar, maar het had echt kunnen zijn. Ze gebruikt haar camera zoals een schilder verf gebruikt: niet om de werkelijkheid te registreren, maar om een nieuwe werkelijkheid te verbeelden.

    De gelaagde afbeeldingen vertellen een verhaal, hebben een boodschap die veelal niet meteen duidelijk is maar enige uitleg nodig maakt. Want waar kijk ik naar, wat duidt het dat ik zie. “Door het herkenbare te combineren met het onverwachte ontstaan beelden die uitnodigen om langer te kijken”, lees ik op haar website. “Achter ieder beeld ligt een verhaal dat verder gaat dan wat direct zichtbaar is.” Soms wil ik echter gewoon ongegeneerd objectief kijken. Dan wil ik niet weten wat de bedoeling is, maar gewoon genieten van een mooie plaat die uitstekend tussen de kaders in de compositie past. Plezier gaat echter over en maakt plaats voor vragen als wie, wat en waarom. Dan wil ik het naadje van de kous weten, de inspiratie en verwerking daarvan kennen. Dan zie ik de dubbele betekenis tussen de maatvoering door.

    Om de mensen iets in de hand te geven dat knispert tussen de vingers, maar waarvoor er in haar beurs geen budget is, heeft Maartje Roos een creatieve oplossing gevonden. Want het internet waar de website toegang geeft tot een greep uit haar werk is een vluchtig medium, geen vinger achter te krijgen. Roos selecteerde uit haar oeuvre een representatieve dwarsdoorsnede. Van iedere plaat maakte ze een folder, een handgebonden pamflet, waarin zij naast het beeld tekst en uitleg daarover geeft. Ieder kunstwerk vertelt een eigen verhaal. Kunstwerkverhalen. Niet in een traditioneel kunstboek, maar in de vorm van een “zorgvuldig ontworpen object waarin beeld, verhaal, vormgeving en boekambacht samenkomen.”

    Maartje Roos, kunstwerkverhalen, fotografie

    Zo zijn er nu 15 fotografische bewerkingen gebundeld. De kunstverhalen kunnen in een box worden bewaard. Deze doos kan als een boek in de kast worden gezet. Het is een creatieve oplossing, maar tevens een doelgerichte uitwerking. In een boek ligt het oeuvre tot aan het moment van uitgeven vast. In de bewaardoos kan telkens weer een nieuw werk worden toegevoegd. Zo is deze box een levend verzamelaarsobject, een collectors item dat telkens wordt aangevuld en almaar meer waarde krijgt.

    Steeds kan de trotse bezitter de box openen en er een boekje uithalen om aandachtig door te nemen. Het is een groeiend geheel. Een oeuvre in opbouw, een galerie in een doosje. “Ik zou je ’t liefste in ’n doosje willen doen / En je bewaren heel goed bewaren / Dan laat ik jou verzekeren voor anderhalf miljoen / En telkens zou ik eventjes het deksel opendoen“. Deze liedtekst van Annie M.G. Schmidt, gezongen destijds – in 1959 – door Donald Jones, valt mij in gedachten wanneer ik dit besloten universum benader. Ieder kunstwerk zou ik het liefst in dat doosje willen doen, goed bewaren en telkens het deksel oplichten als in de deur openen van de kleine galerie waarin de kunstenaar de orde heeft bepaald. De buitenwereld is buitengesloten zodat de kunst binnenin puur en ongestoord kan bestaan.

    Maartje Roos, kunstwerkverhalen, fotografie

    Het openen van de doos staat symbool voor intimiteit; ik krijg toegang tot de private, kostbare binnenwereld van de maker die normaal gesproken beschermd en verborgen dreigt te blijven voor de massa. Maar ik concludeerde eerder al dat het werk juist de wereld in moet, onder de mensen en tussen de massa. Door de bewaardoos gaat dat gebeuren. Het kleine vermaak heb ik persoonlijk bij me in een eigen doos. Wanneer ik ook maar wil, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, zelfs midden in de nacht, kan ik de doos openen – mijn dierbare bezit – en bladeren en kijken en genieten, telkens opnieuw Maartje Roos ontdekken. Het is mijn miniatuurgalerie zonder drempel. De kunstenaar wil het werk de wereld in krijgen, de koper wil de wereld van de kunstenaar misschien wel in huis halen, maar kan zich dat niet altijd veroorloven. De bewaardoos brengt die twee bij elkaar. Wat voor de koper buiten bereik leek, past ineens in een doosje. Een doosje dat open kan wanneer je maar wilt.

    Kunstwerkverhalen. Verzamelbox fotografie Maartje Roos. Kunstbeurs Art Noord VIII, Museum Belvédère, 2026.

    Maartje Roos, kunstwerkverhalen, fotografie
    Maartje Roos, kunstwerkverhalen, fotografie

  • Het zwarte randje van het bruine goud

    Ik ben een liefhebber. Dat mag ik wel eerlijk toegeven. Ik houd erg van chocola. Puur, melk, wit. Hoewel wit geen chocola is, zeggen de kenners. Met hazelnoten, boerenjongens, zeezout, toffee of nougat. Heerlijk, daar kun je me ’s nachts voor wakker maken, bij wijze van spreken. Chocola geeft me een goed gevoel. Alleen al de lekkere smaak en het smelten van chocolade in de mond zorgen voor een directe psychologische beloning en troost. Het past in mijn dieet om de wereld door een roze bril te bekijken. Maar het is oppassen met de calorieën en verzadigde vetten.

    Dat ik een liefhebber van kunst ben, sluit hier mooi bij aan. Van realisme tot abstract, van Cobra tot Zero, van impressionisme tot expressionisme. Nee, daar hoef je me ’s nachts niet voor wakker te maken – beter van niet – maar ik maak bij daglicht graag tijd voor een voor mij oogstrelende presentatie waarvan ik een goed gevoel krijg. Nu wil het geval dat beide liefhebberijen op dit moment samenkomen in Museum Belvédère.

    Het zwarte randje

    De bitterzoete smaak van chocola. De kunst van Fransix Tenda Lomba. Die chocola mag dan wel een bruine lekkernij zijn, het heeft natuurlijk ook een zwart randje. Achter de zoete smaak van de cacaoboon schuilt een geschiedenis van kolonialisme, uitbuiting en slavernij. En ook vandaag is de productie van cacao niet vrij van kinderarbeid en armoede. Daar begint bij Lomba het bittere in de zoete smaak. Hij laat mij niet alleen naar chocolade kijken, maar ook zien wat erachter schuilgaat.

    De figuren in zijn composities lijken van chocola. Van die Sinterklazen of Paashazen. Om in te bijten. Maar de adder onder het gras ligt op de loer. Het is te mooi om waar te zijn. Lomba laat wel degelijk de naakte waarheid zien, het zwarte randje aan het bruine goud. Verpakt in een veelkleurig papiertje; de sfeer zoals het verlichte Westen die ervaart van het donkere Congo, de geboortestreek van Lomba. Het is de buitenkant. In de gelaagde afbeeldingen houdt de kunstenaar zich groot, maar het verdriet is nooit ver weg. Ellende verpakt als lekkernij, hoe bitter wil je het hebben.

    Bruin goud

    Chocola. Zoet voor de één, bitter voor de ander. Zoet voor de consument die het in diverse variëteiten op de markt vindt. Bitter voor de mensen aan het begin van het productieproces, die krom liggen om met een zakcent afgescheept te worden. Chocola, het bruine goud. Alleen lijkt dat goud onderweg naar de supermarkt steeds meer waard te worden, terwijl degene die de cacao plukt er nauwelijks beter van wordt.

    Die uitbuiting, die scheve verhouding, wil de kunstenaar symboliseren in beeldmerken die relateren aan cacao en chocolade. Le bon chocolat lijkt met hand en tand te worden verdedigd. Niet door degenen die de cacaobonen oogsten, maar door de producenten die er veel munt uit slaan. Côte d’Or schuift de olifant naar voren; Afrika wordt gezien als de producent van die cacaoboon waaruit het bruine goud wordt gewonnen.

    De olifant

    De olifant wordt zo een beeldmerk dat ongemerkt een hele koloniale en economische wereld met zich meedraagt. Daarom zien we de dikhuid terug in de composities van Lomba. Chocola is de wikkel waarin hij de koloniale geschiedenis en de postkoloniale samenleving verpakt, de economische relaties tussen Afrika en het Westen én de manier waarop grondstoffen zoals cacao wereldwijde netwerken van macht en afhankelijkheid creëren.

    Niet meteen zie je die zwarte bladzij als je naar de vrolijke omslag kijkt. Het werk oogt opgeruimd, zoals in Congo zelfs van een triest feit een feestelijke gebeurtenis kan worden gemaakt. Maar achter de grijnzende grimas wellen de tranen. Dat is bij Lomba ook het geval. Als een boer met kiespijn.

    Op de website van het museum lees ik dat hij in zijn werk bekende logo’s combineert met motieven die zijn ontleend aan Afrikaanse en westerse beeldtradities en dat hij historische figuren schildert die gedrenkt lijken in chocolade. Waar zijn persoonlijke geschiedenis en die van Congo uitgangspunt zijn voor zijn kunst, vormen cacao en chocola daarbij de symbolen van verbinding tussen continenten, tussen verleden en heden, tussen productie en consumptie én tussen mensen.

    De felle kleuren in de setting van mens, dier, plant en boon zetten de beschouwer op het verkeerde been. Niet ndombolo zet de sfeer, maar de Congolese rumba. De composities drukken verdriet, protest en hoop uit. Ridders met sabel en speer staan model voor eeuwenlange onderdrukking, die voortduurt tot de dag van vandaag. Nog altijd wordt niet alleen de cacaoboon geroosterd en uitgeperst, ook de arbeider op de zongeblakerde plantage wacht eenzelfde lot. De uitbuiting is prachtig gesymboliseerd in de compositie Le choc est là, waarin de cacaoplukster iconische Delftsblauwe souvenirs in haar mand heeft verzameld. Het legt de link met Nederland, dat in het slavernijverleden zeker niet aan de zijlijn stond toe te kijken. Zo worden meerdere culturen door Lomba binnen het werk gehaald.

    Hoewel chocolade geen Nederlandse uitvinding is, heeft Nederland er wel een bijzondere geschiedenis mee. Nederland verdiende historisch veel aan cacao uit de koloniale wereld, terwijl de mensen die de cacao produceerden daar niet evenredig van profiteerden. Als dank kregen ze aardewerken klompjes en molentjes, de Hollandse variant van kralen en spiegeltjes. Lomba kan zich daar nog altijd, tig jaar na dato, kwaad over maken en reageert dat af in zijn kunst. Het zijn echter geen boosaardige schilderijen. Om de boodschap klaar en duidelijk over te brengen, blijft hij zich op een vriendelijke manier uiten.

    De wikkel

    Ik zie niet letterlijk bloed, zweet en tranen, maar het lichaamsvocht sijpelt wel tussen de kleurige vormen door. In de beeltenissen houdt Lomba zich groot. Wanneer hij de angst en pijn werkelijk zou afbeelden, loop ik eraan voorbij en wend mijn blik af. De echte ellende is te confronterend. Daarom is die verpakt in mooie kleuren en esthetisch verantwoorde figuratie. Wie zich echter de tijd geeft en een moment langer tussen de werken verblijft, kijkt door die fraaie laag heen en merkt de verborgen boodschap. Zoals je in proza of poëzie tussen de regels door de verholen waarheid kunt lezen, kun je in deze gelaagde kunst de werkelijkheid peuren.

    Hoewel geschoold in Amsterdam in de geest van een Nederlandse traditie, brengt hij toch zijn culturele roots in in de westerse kunst. Hij laat wat wij een primitieve beeldtaal noemen los op onze manier van vormgeven aan de verbeelding. Vanuit het oogsten van de cacaoboon kijkt hij op naar de consumptie ervan.

    Hij kijkt als het ware over mijn schouder wanneer ik op de bank voor de tv zit te smikkelen van het bruine goud. Vanaf nu, na het bezoek aan zijn werk in het museum, zit hij als een duiveltje op mijn schouder en bedenk ik mij driemaal voor ik een stuk van de reep breek.

    Mijn gemoed is bezwaard, mijn geweten ontaard. Bij iedere hap krijg ik de bittere smaak in mijn mond. Kan ik nog hard maken dat ik liefhebber ben? Kan dat nog met de wetenschap van nu? Lomba opent ogen. Met zijn kunst dicht hij de bevrediging.

    Kamerpresentatie Fransix Tenda Lomba – De bitterzoete smaak van chocola. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70, Oranjewoud. Westvleugel, van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Fransix Tenda Lomba, Museum Belvédère

  • De groeipijnen van Museum Belvédère

    Ga je naar Museum Belvédère, dan kom je voor wind, water en wad. Voor kunst uit het noorden van Nederland die verbindingen legt met gevoelsgenoten in andere Europese windstreken. Reisgenoten door de kunst.

    Belvédère zou het museum van de verstilling zijn, was destijds de opzet. Verstilling betekent echter niet dat het er stil is of dat er geen publiekstrekker in de zalen kan worden tentoongesteld. Mercuur had wel die gedachte, maar Steenbruggen zocht na hem de grenzen op en liet ruimte voor het onverwachte. Toch sta je als bezoeker enigszins vreemd te kijken wanneer de grappenmakers onder de kunstenaars – het stripschap, de cartooneske tekenaars, de karikaturisten – met hun werk een plek krijgen aan de wanden.

    Een vreemde eend?

    Het profiel van Museum Belvédère blijkt echter breed genoeg om met Groeipijn Peter de Wit binnen te halen. Een tekenaar die op het eerste gezicht een vreemde eend lijkt in de bijt van de schilderkunstige traditie van het museum. Maar wie het profiel van Belvédère wat ruimer bekijkt, ziet dat er altijd ruimte is geweest voor kunstenaars die zich tussen schilderen en tekenen bewegen, voor illustratieve en stripachtige beeldtaal en zelfs voor ironie en humor. Te denken valt onder meer aan Joost Swarte, Hans Niemeijer en Martin Jarrie.

    De tentoonstelling is daarmee niet zozeer een breuk met het museumprofiel als wel een proef op de som van hoe ver dat profiel kan worden opgerekt. Han Steenbruggen wil het profiel van Belvédère niet als een keurslijf laten werken. Hij wil het brede spectrum laten zien en ruimte geven aan het experiment. Naast Jan Mankes uit de vaste collectie past daarin dus ook Peter de Wit als tijdelijke attractie. De Wit is een geweldige tekenaar met actuele thematiek, zegt Steenbruggen. Maar misschien is hij zelf ook wel een grote fan van Sigmund. Wie weet.

    Bij het bekijken van de tentoonstelling in een van de kamers in de westvleugel kan ik meer dan zo nu en dan een grinnik niet onderdrukken. En soms brengen de tekeningen mij zelfs tot ingehouden lachen, want te veel kabaal is ongepast. De met humor overladen tekeningen breken echter de stilte van het museum. De gedachten bij de cartoons vallen niet geruisloos in woorden op de vloer. Soms is een glimlach het enige geluid.

    Peter de Wit brengt de klare lijn van Joost Swarte terug in dit museum. Swarte was er net voor de lockdown te zien, gecombineerd met Jarrie. Swarte, de geestelijke en zakelijke vader van de klare lijn, waarmee De Wit op een humoristische en speelse manier aan de haal gaat.

    Meer dan Sigmund

    Peter de Wit is natuurlijk vooral bekend van Sigmund, de dagelijkse cartoon in de Volkskrant. Maar stripfanaten kennen hem al veel langer, onder meer van Stampede! en De Familie Fortuin. Zijn tekenwerk beperkt zich dus bepaald niet tot de psychiater met de vileine opmerkingen. Met Doodleuk, een reeks tekeningen over de dood, en nu Groeipijn, over kinderen en hun ouders, laat De Wit opnieuw een andere kant van zijn tekentalent zien. Het zijn zelfstandige reeksen waarin hij zich meer vrijheid veroorlooft dan in de krantencartoon. De onderwerpen verschillen hemelsbreed – de dood tegenover het opgroeien – maar in beide gevallen gebruikt De Wit zijn scherpe blik en gevoel voor humor om iets alledaags van een andere kant te bekijken.

    De tekenaar relativeert de actualiteit met een scherpe pen, gevoed door een puntig inzicht. Hij breekt het serieuze ouderschap open door de kinderen te laten zeggen waar het volgens hen op staat. Hen de hoofdrol te laten spelen. Wie zijn werkelijk de baas in huis? Wie laten van de wereldhuishouding geen spaan heel? De jeugd heeft de toekomst, dat blijkt eens te meer uit de tekeningen van De Wit. Hij staat de ernstige museumbezoeker meermaals op de tenen. Grappig is dat hij voor dit museum een speciaal toegesneden tekening heeft gemaakt. Vader met de kinderen op museumbezoek: “Kunst hoeft niet altijd mooi te zijn, hè. Misschien vonden jullie het wel mysterieus of verontrustend.” De kinderen: “Of gek”, “Of poepie”. Om te lachen.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère

    De tekeningen uit Groeipijn zijn momenteel te zien in Museum Belvédère en ook gebundeld in het gelijknamige boekje. In die bundel vrij werk, verschenen bij Concertobooks, verdedigt Han Steenbruggen op de flap zijn keuze om het werk van Peter de Wit museaal te tonen. “Ik ben een trouwe Volkskrant-lezer. In de ochtendhaast sla ik altijd veel over, maar nooit de dagelijkse strip van Peter de Wit.” Nou ja, nu weten we het. Doordat De Wit met slechts enkele trefzekere lijnen en opvallend open vormen zijn personages definieert, past hij in het profiel van het museum, vindt Steenbruggen. Met minimale middelen duidt hij een scène en weet hij emoties op te roepen. Bijna-niets wordt heel-veel. Dat sluit aan bij menig kunstwerk in de collectie.

    Peter de Wit tekent in Groeipijn met milde humor en een vriendelijke knipoog, meent Steenbruggen. Daardoor ontwapenen de kleine scènes en worden grote olifantenproblemen gereduceerd tot kleine muizenoplossingen. De botsingen tussen jong en oud worden daarmee in perspectief geplaatst en genuanceerd. De Wit ziet de betrekkelijkheid van de struikelblokken in de opvoeding in, de plaats van ouder en kind binnen het gezin. We zijn allemaal jong geweest. Onbevangen tekenen als kind kan Peter de Wit niet meer, daar is hij zich van bewust. “Maar neem van me aan, het plezier en de intensiteit zijn er niet minder om.” Hij laat zijn fantasie los op de strubbelingen van het ouder-zijn en het kind-zijn en deelt ons dat via zijn tekeningen haarfijn mee.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère

    Buiten de lijntjes

    De tekeningen van Peter de Wit kleuren iets buiten de lijntjes van het Belvédère-profiel. Het museum zoekt daarmee de grenzen van zijn karakter op. Het experiment heeft een interessante uitkomst. De wrange, pijnlijke, liefdevolle, ontroerende en grappige tekeningen verbeelden herkenbare situaties. Deze kamerpresentatie in de westvleugel van Museum Belvédère is een verademing tussen alle min of meer ernstige vertoningen. En krijg ik er niet genoeg van, dan zoek ik in de museumwinkel de gebundelde groeipijnen op. Want heb je de tekeningen in het museum gezien, dan kun je ze mee naar huis nemen in boekvorm.

    Groeipijn. Over kinderen en hun ouders. Peter de Wit. Uitgave Concertobooks, 2026. Publicatie bij tentoonstelling in Museum Belvédère te Oranjewoud, van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère
  • Zolderopruiming aanleiding voor historische reconstructie

    Het begint bij een in onbruik geraakte hooizolder in de Amsterdamse wijk De Pijp, rond 1900. Nadat ik het boek had gelezen, moest ik natuurlijk de tentoonstelling in Museum Belvédère bekijken. Met eigen ogen de ervaring van Theo de Feyter in het huis van de kunstenaars beleven. Niet dat de attributen daar in de presentatie zo’n indruk op mij maken als ze met hem hebben gedaan toen hij ze op de Jan Steenzolder vond. Maar daarmee is het verhaal wel compleet. Is de cirkel rond omdat ik nu die vondsten kan aanraken, kan bepotelen, hoewel dat natuurlijk niet mag in het museum? Met mijn vingers langs de slotjes van de koffers gaan, de glooiingen van Cupido voelen, laatjes openen, documenten doorbladeren. Het wordt daarmee zo helder, zo waar wat De Feyter schrijft en beschrijft: beeld en verbeeld.

    Vinden, onderzoeken, verbeelden

    Het moet euforisch geweest zijn wat Theo de Feyter daar allemaal vond op die zolder. De zolder die door de jaren heen werd bevolkt door kunstenaars van allerlei kunne en van diverse kunde. In de hoogtijdagen was het er een zoete inval van kunstenaars die er, onder het genot van het een en ander, met elkaar spraken. De Feyter is archeoloog en kunstenaar en heeft met dezelfde omzichtige precisie als een archeoloog te werk gaat, de zolder uitgespit en omgeploegd. “Zo vond ik veel mooie en raadselachtige voorwerpen, maar ik wist er voorlopig maar één ding mee te doen: ik stelde er stillevens mee samen die ik ging tekenen”, schrijft De Feyter in Het Huis van de Kunstenaars. In zijn tekeningen vertellen de gevonden voorwerpen het verhaal van de geschiedenis van de zolder en brengen deze als het ware dichterbij. “Ik had het bij die tekeningen kunnen laten – ze legden het verleden van de Jan Steenzolder vast zoals ik het aantrof – maar door het kijken en voelbaar maken van die voorwerpen was als vanzelf een zoektocht begonnen naar de achtergrond en betekenis van de objecten.”

    Met kwast en pincet

    Een oudheidkundige bestudeert het verleden met spullen die mensen hebben achtergelaten. En dat is wat De Feyter normaal doet in de bodem bij opgravingen. Met kwast en pincet wordt de grond grondig onderzocht om fossielen of andere bodemschatten boven water te halen. De kunstenaar De Feyter weet zichzelf tot sporenonderzoeker te maken. Met zaklantaarn op en handschoenen aan onderzoekt hij de zolder centimeter voor centimeter. En wat hij vindt, is boven zijn eigen verwachting. Eerdere bewoners van het appartement dat hij bij woningruil in bezit heeft gekregen, hebben op de zolder waardevolle spullen achtergelaten die toen van onnut schenen te zijn geraakt. Bij een verhuizing onbewust van het bestaan ervan, of anderszins bewust daar laten staan. Voor De Feyter een rijke bron om op zoek te gaan naar het verleden van deze bijzondere plek in de Amsterdamse Pijp. “Hoe meer ik vond en hoe meer ik begreep, des te meer begon de geschiedenis voor me te leven.”

    Een verdwenen wereld geboekstaafd

    De vondsten zijn aanleiding tot diepgaand onderzoek naar de eerdere bewoners. De mensen en hun geschiedenis achter de spullen. Die uitkomsten geven het boek een gelaagdheid doordat De Feyter levensbeschrijvingen geeft van deze mensen, althans van wat hij in de ‘boeken’ daarover kan vinden. Het is een soort verborgen verleden dat zich schuilhoudt in de attributen op deze zolder. Namen uit de geschiedenis duiken op en komen boven drijven. En wanneer dan het ene gevonden is en het andere nog achterblijft, het een aan het licht komt en het ander nog in duisternis is, raakt de onderzoeker gaandeweg fanatiek om alles voor het voetlicht te halen. Iedere nieuwe ontdekking is aanleiding verder te zoeken en dieper in het verleden te graven. De onderste steen van de Jan Steenzolder moet boven en met veel sjorren en trekken – zoeken en vinden – lukt dat ook. “Telkens wanneer ik een nieuwe tekening maak, sleep ik die zichtbare en hoorbare geschiedenis achter me aan, zoals de verzameling conservenblikjes die je vroeger aan je fiets bond bij Luilak. Elke beweging geeft geluid.”

    Van hooizolder tot kunstenaarshuis

    In het gedegen aangepakte onderzoek legt Theo de Feyter de zolder als atelier en gemeenschapsruimte bloot. De mensen die voor hem daar op dat adres hebben gewoond, schuift hij gaandeweg uit het verleden in het heden. Voor hem heeft de ruimte een extra dimensie gekregen: hij bewoont een monumentaal pand wat betreft de voorgeschiedenis – eigenlijk meer een memorabel pand. Voor de lezer van zijn boek krijgt dat verleden een diepere betekenis. Maar niet Jan Steen was de eerste bewoner, al zou men dat door de benaming haast gaan denken. Het pand staat aan de Tweede Jan Steenstraat en dankt daaraan zijn naam. Het is een oud bedrijfsgebouw waar de zolder diende als opslagplaats van hooi voor de stallen beneden. Later werd het gebouw woonhuis en opgedeeld in verschillende appartementen, een herenhuis met kamers en een atelier op de zolder. Op de vliering daar weer boven vond Theo de Feyter de diverse memorabilia in grote hoeveelheden. Brieven, kranten en knipsels, boeken en tijdschriften, fotonegatieven, kunstwerken.

    Deze ontdekking was voor hem inspiratie om de geschiedenis te vorsen. Uit te graven en op te diepen. Ieder object, elk document, draagt een verleden in zich. Dat verleden is voor de nieuwe bewoner dermate interessant gebleken dat hij dit als archeologisch onderzoeker wilde uitgraven en in een document vastleggen. En daaruit is het boek gekomen. Zodat de Jan Steenzolder ook voor anderen de geheimen prijsgeeft.

    Artistiek leven in Amsterdam

    De geschiedenisschrijver is echter ook en vooral kunstenaar. Hij heeft niet alleen in teksten het verleden kenbaar gemaakt, maar tevens heeft hij de gevonden attributen en materialen in beelden gedocumenteerd. Iedere foto, elk document, is aanleiding om de herkomst ervan uit te pluizen. Of om na te gaan wat of wie op de foto staan. Het boek is een geschiedenis, een historisch verantwoord document. De diverse genoemde personen met hun verleden zijn een interessant gegeven, maar meer benieuwd ben ik naar wat Theo daar allemaal gevonden heeft op die zolder. Dat staat tevens beschreven in het boek en kan ik deels bekijken in het museum. Gipsvormen, een olielamp, een hoedenkoffer met bolhoed, twee scheepskisten met tropengarderobe, souvenirs uit Nederlands-Indië, een map met tekeningen.

    Wat gaf De Feyter de aanzet tot het boek, tot het vorsen van de geschiedenis, het verleden van de zolder? Het is natuurlijk van gewicht dat je weet en kunt achterhalen wie voor jou door die deuren hebben gelopen, op de muren hebben getikt en door de ramen hebben gekeken. Het huis ademt daarmee nog meer de sfeer van vroeger.

    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère

    Met kwast en krijt

    Het in beelden documenteren heeft Theo de Feyter eerder gedaan, daar is hij goed in. Fanatiek ook, tot in het maniakale eigenlijk. Hij staat bekend om langlopende kunst- en tekenprojecten, werk in uitgebreide series. Daardoor en daarmee wordt wel een goed beeld gegeven van wat hem bezighoudt. In een realistisch-figuratieve stijl tekent hij de wereld van zich af. Hij doet dat met Het uitzicht om 17.00 uur. Een dagelijkse serie gouaches en tekeningen waarbij De Feyter klokslag vijf uur ’s middags exact dezelfde blik vanuit zijn atelierraam vastlegt. De vaste kijkrichting toont het veranderende daglicht, het weer en objecten op de vensterbank.

    In Mensen en Ruïnes documenteert hij zijn reizen naar Syrië en het Midden-Oosten. Met voortdurend de veldwerkkoffer binnen handbereik. In Hemelsbreed schildert en tekent hij een lijn recht door Amsterdam, waarbij hij de stad van gevel tot gevel overbrugt en vastlegt. Tevens documenteert hij beeldend de verzameling van Thom Mercuur zoals aangetroffen in het Tripgemaal, voordat deze iconische plek in de Friese kunstscene werd leeggeruimd om plaats te maken voor een nieuwe bewoner. En nu dan de historische Amsterdamse zolder, de Jan Steenzolder waar hij nagelaten spullen van eerdere bewoners en kunstenaars vindt.

    Het huis van de kunstenaars. De schilders van de Jan Steenzolder. Theo de Feyter. Waanders Uitgevers, 2026. Tentoonstelling Theo de Feyter – De Jan Steenzolder. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère
    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère
  • Harlinger haven ruiken, horen en voelen

    In de haven. Over het water. Zijn blik glijdt naar de einder, kijkt in de verte. Maar daar rusten zijn ogen niet. Hij beschouwt wat anderen aanmerken als horizonvervuiling. Hij ziet wel de schoonheid van wat het eind van de wereld schijnt, maar zijn aandacht verdwijnt niet met de zee. Hij kijkt niet verder dan zijn neus lang is. Hij ziet dat wat er kort voor zijn voeten ligt, op armlengte, minder dan een steenworp afstand. Dat heeft zijn interesse. Daar ligt zijn verhaal. Tussen de meerpalen, op de pieren, in de loodsen. De boeien boeien hem, de meeuwen schreeuwen om zijn aandacht. Er is altijd rumoer, bedrijvigheid, leven. Daar in de haven. Maar nu is het stil, de meeuwen houden de adem in, de branding is vlak als een spiegel. Want terwijl ik dit schrijf, hem daar op het havenhoofd plaats, in de tegenwoordige tijd – is het verleden tijd. Jan Roos vereeuwigde dat wat hem het meest aan het hart lag: het leven in en rond de haven van Harlingen. Kortgeleden moest hij noodgedwongen zelf het leven loslaten. Wat hij achterliet is een oeuvre aan tekeningen en schilderingen waarin de grens tussen land en water het middelpunt vormt. Geen idyllische voorstellingen van zee en strand, maar ruige beelden die in enkele vegen en streken tot stand lijken te zijn gekomen. Het is de romantiek van Harlingen, aan de rafelranden van de stad waar hij werd geboren, opgroeide en stierf.

    Museum Belvédère kreeg zijn afscheidstentoonstelling; door een ernstige ziekte zag hij zijn einde naderen. Het is een waardig afscheid, waarbij ik als museumbezoeker langer stilsta dan normaal. De forse afmetingen van de werken, op museumformaat, komen krachtig binnen, vooral omdat ik weet dat de hand van deze meester nooit meer een compositie zal opzetten. Zijn ogen zijn gesloten, maar door zijn blik zie ik nog steeds en kan ik vrijwel voor altijd de schoonheid van de Harlinger haven ervaren. Een schoonheid die niet mooier is gemaakt dan zij is. Roos heeft de scherpe kanten er niet afgeschuurd, de rommel niet eerst opgeruimd. Zijn stillevens geven de bedrijvigheid van het moment weer. Ik ruik de zee, de smeerolie, de diesellucht. Ik hoor het water klotsen, metaal op ijzer bonken, de wind door netten en langs masten ruisen. Ik hoor de meeuwen schreeuwen en weet dat Jan Roos altijd van deze plek heeft gehouden.

    Hij was er altijd

    Het was zijn atelier, want het liefst toog hij met papier en pen naar de haven om er en plein air de situatie vast te leggen. Er is daar altijd wel iets gaande, voldoende inspiratie om met het verbeelden ervan een leven lang voort te kunnen. Jan Roos heeft de haven van Harlingen raak gedocumenteerd. Ik denk dat de arbeiders van het eerste uur zijn geest nog zien dwalen rond de boeien en de tonnen. Dat de meeuwen zijn schimmige aanwezigheid voelen. Want hij was er altijd. Bij nacht en ontij, in weer en wind. Vooral wanneer het klimaat zich van zijn meest extreme kant liet zien, kon het vuur van de inspiratie hoog oplaaien. In de grote werken op zaal van Museum Belvédère is dat goed voelbaar, welhaast tastbaar. Roos zette het leven op geleefd papier, op uitgeleefd karton. De drager kreeg onder zijn handen een nieuw leven toegemeten. Afgedankt voor dagelijks gebruik, opnieuw gebruikt voor de eeuwigheid.

    Het boek is niet gesloten. Jan mag dan zijn laatste hoofdstuk hebben geschreven, er een punt achter hebben gezet, het verhaal gaat door. Zijn vertelling kan bij iedere tentoonstelling opnieuw verteld worden. Er komen geen woorden van de meester meer bij, maar er zullen telkens weer woorden van beschouwers aan worden toegevoegd. Het beeld is klaar – nog niet af. Wanneer de schilderingen zichtbaar worden, komen verschillende inzichten op. De maker mag uit de tijd zijn, de nalatenschap blijft bij de tijd. In Belvédère nog enkele momenten te zien; het boek blijft daarbij als herinnering. “Gelukkig hebben we de plaatjes nog…”

    Geen catalogus

    De tentoonstelling van Jan Roos in 2026 in Belvédère is zijn vijfentwintigste solo-expositie. Het boek dat erbij verschijnt, biedt het eerste grote overzicht van zijn leven en werk. Een bekroning van een kunstenaarsleven dat, gerekend vanaf de eerste expositie, meer dan vijfenveertig jaar beslaat. Wanneer ik het boek opensla, de catalogus bij de tentoonstelling, komt de haven van Harlingen me figuurlijk tegemoet. Het rumoer en de rotzooi spatten van de opgenomen werken af. Feitelijk is het boek geen catalogus, maar een overzicht van Roos’ oeuvre, een dwarsdoorsnede van zijn werkzame leven. Han Steenbruggen en Dirk van Ginkel, vrienden in en buiten de kunst, omschrijven Jan Roos in beschouwingen over zijn werk en in herinneringen aan de kunstenaar. Ook komt hijzelf door getranscribeerde gesprekken op papier aan het woord. “Wat hij wil meedelen ligt verankerd in zijn werk, die geweldige schilderijen die zich laten begrijpen als een voortdurende emotionele overgave aan zijn onderwerpen en zijn leefomgeving én als een zoektocht naar de kern der dagelijkse dingen, in de wetenschap dat alles met de tijd vervliegt”, kenschetst Steenbruggen Roos.

    Zijn liefde voor water- en havenscènes – van het laden en lossen van vissersschepen, het boeten van netten op de kade, het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan een scheepsromp tot het meeuwenleven op de steigers – begon al op jonge leeftijd en duurde een leven lang. “Mijn leven lang heb ik ook dat eenvoudige leven willen schilderen, en altijd op een directe, eenvoudige manier.” De haven heeft voor hem een magische aantrekkingskracht. Hij vindt het er prachtig: al die hardwerkende mannen, de vonken van de snijbranders, de heen en weer rijdende kranen, de reusachtige stukken metaal waaruit zomaar een schip kan ontstaan, de herrie, de stank. Jan Roos woont letterlijk en figuurlijk in zijn onderwerp. In de haven is Roos een vertrouwde verschijning. Hij loopt bijna dagelijks de werf op, kiest een plek en gaat op de grond zitten tekenen. Voorovergebogen of op de knieën, met de blik gericht op het onderwerp. Hij groet de arbeiders, maar maakt geen praatje en houdt ze niet van hun werk. Iedereen accepteert zijn aanwezigheid. Zij doen hun werk, hij het zijne.

    Havenwerker onder de havenwerkers

    “Veel onderwerpen die Jan Roos tijdens zijn lange schildersloopbaan heeft geschilderd – de werf vlak bij zijn huis en de oude havenhoofden – bestaan niet meer en leven alleen nog voort in foto’s en in zijn schilderijen”, schrijft Han Steenbruggen. “Toch ontbreekt in zijn werken elke vorm van nostalgie. Hij schilderde zijn onderwerpen zonder bijgedachten – emotioneel betrokken, maar zonder erbij stil te staan dat ze eens zouden kunnen verdwijnen. Zijn benadering kenmerkt zich door waarnemen, verwonderen en schilderend opgaan in het moment. En daarbij gaat het niet alleen om zien, maar ook om ruiken, horen en voelen. (…) In die noordelijke havenstad legt hij de menselijke bedrijvigheid vast – als havenwerker onder de havenwerkers – en de alledaagse uitzichten tegen het decor van de zee met haar eeuwig wisselende getijden. Zijn wijze van schilderen kenmerkt zich door een intens beleven, zowel mentaal als fysiek, en hij weet daarmee al die onderwerpen, waarmee hij zo door en door vertrouwd is, te bezielen.”

    “Dokwerkers, lassers, vissers, meeuwen, schroeven, rompen en ankers schilder ik op de grens van de dag en de nacht. Het leven verwijst naar de dood. Ik wil het nooit precies namaken, ik hou het graag een tikkeltje abstract. Wat ik niet mooi vind, laat ik weg. Altijd al gedaan. Het gaat mij meer om het gevoel van hier te zijn dan om het weergeven van de werkelijkheid”, laat Roos Van Ginkel weten. “Het is het mooist om op een scheepswerf of in de haven te zijn als er veel activiteit is. Als de havenmannen druk aan het werk zijn, laden en lossen, reparaties uitvoeren, herrie maken, hun troep overal neergooien, met overal die meeuwen die boven alles uit krijsen. Dat wil ik graag in mijn werk weergeven.”

    Jan Roos – op de scheidslijn van land en zee. Tentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70, Oranjewoud. 21 februari tot en met 7 juni 2026.

    Jan Roos, Museum Belvédère
  • Biografie Blaupot ten Cate herinnert aan een onstuimig leven

    Museum Belvédère bezit een schilderij dat maar moeilijk in samenhang met andere werken uit de collectie getoond kan worden. Het zal overigens niet het enige kunstwerk in de collectie zijn dat meestal achterblijft in het depot en maar zelden zichtbaar is voor het publiek. Maar deze specifieke eenling krijgt toch met enige regelmaat een plek op zaal, omdat directeur-conservator Han Steenbruggen het zo mooi vindt. Het betreft een werk van Anne Marie Blaupot ten Cate en toont een dromerig geschilderd portret van twee vrouwen. Geschilderd in haar Parijse jaren, schrijft Steenbruggen in het voorwoord van een biografie over haar leven: “(…) alles zoveel zachter en subtieler op elkaar afgestemd. Die ritmische opeenvolging van ogen, monden, schouders en armen, het versluierde coloriet en de donkere accenten rond en boven de figuren. Het zijn die beeldende middelen waarmee ze de melancholie in de blik van de twee vrouwen diepere betekenis geeft.”

    Dit schilderij is min of meer het vertrekpunt om een avontuurlijk verhaal over haar leven te schrijven. Hoewel deze “Twee vrouwen” een ingetogen karakter hebben, geldt dat zeker niet voor de maker ervan. Anne Marie Blaupot ten Cate, geboren in Nijehaske onder de rook van Heerenveen, dreigt een vergeten kunstenaar te worden. Althans: zij verdween mogelijk anoniem in de vergetelheid van de kunstgeschiedenis. Wijlen Susan van den Berg verdiepte zich in leven en werk van Blaupot ten Cate, maar kon deze beschouwing niet afmaken vanwege haar plotselinge overlijden in 2023. Van den Berg had al eerder in een boek aandacht gevraagd voor een onopgemerkte kunstenaar: Hanny Korevaar. Kunsthistorica en publiciste Van den Berg, nog maar net aan Museum Belvédère verbonden als conservator, stond bij leven bekend om haar nauwgezette studie van de kunst en de kunstenaars waarover zij schreef. De uitgaven van haar hand mogen kleine parels in de kunstbibliotheek heten. Van een biografie over Blaupot ten Cate is het echter niet gekomen en ook voor het samenstellen van een tentoonstelling ontbrak Steenbruggen aanvankelijk de moed. Niet meer nadat Hanneke Boonstra zich had gemeld. Boonstra wist niets van de plannen van het museum, maar werkte al aan een onderzoek dat zou uitmonden in een biografische schets en een bescheiden tentoonstelling.

    Tussen figuratie en abstractie

    In de schaduw van de kunstgeschiedenis leeft Anne Marie Blaupot ten Cate een heftig en bij tijd en wijle stormachtig bestaan. Hartstochtelijk op zoek naar erkenning, bewegend tussen grootheden die haar niet onopgemerkt voorbij lieten gaan. Tegelijkertijd ontwikkelt zij driftig een stijl die wordt omschreven als lyrisch expressionisme en later als intuïtieve abstractie. Wat haar bovendien bijzonder maakt, is dat haar werk nooit helemaal opgaat in één stroming. Ze beweegt tussen figuratie en abstractie, tussen Parijs en Noord-Afrika, tussen schilderkunst en textielkunst. Daardoor houdt haar oeuvre iets zwervends en ongrijpbaars — alsof het voortdurend onderweg is. Want zij is een wereldburger die nooit langer dan enkele jaren op één plaats verblijft en dikwijls terugkeert naar waar ze eerder was.

    Haar leven en werk vormen een zoektocht naar vrijheid — eerst in de zichtbare werkelijkheid, later steeds meer in kleur, ritme en innerlijke beweging. “Een schilderij is ritme, beweging, klank en kleur”, zegt ze daar zelf over. “Zoiets als dansen.” De kunst van Anne Marie Blaupot ten Cate lijkt zich niet te willen laten vastzetten in één stijl of richting. Haar werk beweegt. Alsof het onderweg is naar iets wat niet volledig zichtbaar wordt, maar zich slechts laat vermoeden — dat er meer schuilgaat achter de afbeelding dan wat zichtbaar is. Eerst nog herkenbaar in mensen, steden en landschappen, later steeds vrijer in kleur, ritme en gebaar. Niet de werkelijkheid zelf wordt geschilderd, maar de adem ervan.

    Door een intieme tentoonstelling achter in de westvleugel van Belvédère krijgt de museumbezoeker een glinstering te zien van het ritme, de beweging, de klank en de kleur waarvan Blaupot ten Cate zich bediende. Hoewel klein van opzet maakt de tentoonstelling groots zichtbaar waarom Van den Berg en later Boonstra haar uit de schaduw voor het voetlicht wilden brengen. De dromerige sfeer die zowel in het figuratieve werk als in de abstracties naar voren komt, zet zich af tegen de dreiging van het dagelijks bestaan. De zorgen en moeiten waarmee zij te kampen had, worden niet verwerkt in de schilderijen. Haar depressieve momenten, verloren liefdes, geldzorgen en de oorlogsdreiging krijgen geen plek in de overwegend montere verbeeldingen. Wel lijken de geportretteerde figuren in zichzelf gekeerd, melancholisch, haast hulpeloos in hun blik. Het kijken is doordringend en houdt de aandacht onwillekeurig vast. Deze fysieke openheid sluit de beschouwer als het ware op; de voorstelling magnetiseert het beschouwende oog.

    Menselijk en zintuiglijk

    Wat bij het werk van Anne Marie Blaupot ten Cate opvalt, is dat de vormen nooit hard worden. Zelfs wanneer haar werk richting abstractie schuift, blijft het menselijk en zintuiglijk. Alsof verf geen materiaal is, maar een gevoelslaag. Haar doeken hebben iets muzikaals; kleurvlakken raken elkaar zoals tonen dat doen in een compositie. Niet bedacht vanuit theorie, maar vanuit intuïtie. Je zou kunnen zeggen dat zij schilderde zoals een dichter schrijft: zoekend naar een innerlijke ruimte waarin de zichtbare wereld oplost in stemming, herinnering en beweging. Haar werk bezit daardoor iets nomadisch — alsof het nergens definitief wil aankomen. Parijs, reizen, textiel, licht, aarde en stilte vloeien er ongemerkt in samen.

    “Ik kom steeds weer tot abstractie, maar is het dan geen uitvlucht? Abstracte kunst kan zo gemakkelijk zijn, dat is zeker. Met het rein abstracte kan ik nog wel wat verder komen wat ritme, kleur en compositie betreft. Maar ik geloof het toch te moeten zoeken in een combinatie van droom en werkelijkheid, van innerlijk beleefde emoties en sensaties.” De beschrijving die Hanneke Boonstra van deze kunstenaar geeft, is samengesteld uit de vele bewaard gebleven brieven. Deze memorabilia zijn voor biografieën van tal van kunstenaars een vruchtbare voedingsbodem gebleken. Hoe zou dat tegenwoordig zijn, in onze digitale tijd waarin men nauwelijks nog tot een geschreven brief komt? Blaupot ten Cate heeft vele kantjes volgeschreven om het thuisfront van haar wederwaardigheden in en door de wereld op de hoogte te brengen. Haar doen en laten, haar leven en werk.

    Het is een onstuimig leven dat zich nauwelijks laat beteugelen. Zoveel maakt de lezer op uit deze uitgave. Maar dat heftige bestaan, het leven levend tot het gaatje, vindt nauwelijks weerslag in haar schilderijen. Tussen alle drukte door lijkt het schilderen een rustpunt te zijn geweest. Een stiltemoment. En nog werkt dat zo wanneer ik in het museum langs haar werken loop. De manier waarop het zijn in beeld is gebracht, zet aan tot nadenken. Natuurlijk zijn daar de weemoedige portretten, maar ook de dansende abstracties. “Abstract schilderen is eigenlijk een combinatie van stemmingen, die al werkend tot een schilderij uitgroeien. Pas later herken je dingen die je er onbewust hebt ingebracht.” Het onderbewuste speelt een grote rol in zowel het maken als het kijken naar de kunst van Blaupot ten Cate. Zij was een componist die muziek verdichtte in schilderijen. Als een dans over een kleurig podium. Zo zal de wereld haar herinneren.

    Anne Marie Blaupot ten Cate. Een onstuimig leven. Auteur: Hanneke Boonstra. Uitgave: Waanders Uitgevers, 2026. Kamerpresentatie Museum Belvédère, 21 februari tot en met 7 juni 2026.

    Anne Marie Blaupot ten Cate, Hanneke Boonstra, biografie, Museum Belvédère, Waanders Uitgevers
  • Takkenhoogte bezien door museumbezoekers

    “Het is een unieke uitgave”, zegt Han van Hagen wanneer ik met hem naar de parkeerplaats loop. “Niet eerder kwam er een boek uit waarin de museumbezoeker zelf aan het woord komt over een tentoonstelling. Altijd zijn het kunsthistorici en recensenten die erover schrijven. Maar voor mij is het belangrijker hoe het publiek over mijn werk denkt.” Han heeft mij een exemplaar van zijn nieuwe boek beloofd. Het ligt in zijn auto. Ik zoek hem op in Museum Belvédère waar opnieuw zijn serie “Takkenhoogte” wordt tentoongesteld. Althans: de keuze die museumbezoekers daaruit hebben gemaakt.

    Over die eerste tentoonstelling in het voorjaar van 2025, en het daarbij verschenen boek als catalogus, schreef ik eerder. Een doorsnee museumbezoeker ben ik niet. Ik zie, beschouw en kijk om te oordelen. Techniek en compositie interesseren me minder; het gaat mij in mijn besprekingen om het gevoel – de emotie die ik ondervind kijkend naar het werk. Die ervaring zet ik om in woorden. Feitelijk wat de bezoekers met de etsen in Takkenhoogte ook hebben gedaan.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek

    Het ontstaan van de serie en de bijzondere werkwijze van de afzonderlijke delen in het geheel mogen inmiddels meer dan bekend zijn. Na het bezoeken van een tentoonstelling van Hercules Segers in het Rijksmuseum was Van Hagen zodanig geïnspireerd dat hij op eenzelfde wijze als de zeventiende-eeuwse kunstenaar wilde werken. Segers maakte unica van zijn prenten door elke afdruk anders te behandelen. Geraakt besloot Van Hagen in diens trant een prent te maken om te ervaren wat er zou gebeuren. Het werd een serie die door de tijd uitwaaierde tot een oplage van driehonderd bladen van een en dezelfde etsplaat. Iedere afdruk kreeg een verschillende, unieke bewerking, zodat het museum een wandvullende opstelling kon maken. En dat was slechts een keuze uit de totale serie. Basaal opgehangen met spelden vormden de 104 prenten een wonderwand, een kunstinstallatie die de monumentale maat van Takkenhoogte aangeeft.

    Welke keuze maakten zij en waarom

    “De serie had als bijkomend verschijnsel”, schreef ik in mijn eerdere beschouwing, “dat Van Hagen gaandeweg merkte dat iedere afdruk een eigen karakter had. Een persoonlijk gevoel aanboorde, een individueel gemoed aansprak. Bij iedere afbeelding bleek een bepaalde stemming te horen. De nuchtere technische zijde werd overstemd door een informele, emotionele kant. Zoals afzonderlijke beschouwers een andere beleving kunnen hebben bij hetzelfde kunstwerk, zo is er in de serie Takkenhoogte voor iedere beschouwer een eigen afdruk. Uiteraard kan dat per dag verschillen; kan het vandaag deze zijn, terwijl het gisteren die andere was en het morgen weer de volgende is. Zo heeft Takkenhoogte alle emoties die voorhanden zijn in zich. Zijn alle uitkomsten mogelijk, heeft ieder resultaat een verwachting.”

    En juist deze emotie interesseerde Han van Hagen. Door de wijze van exposeren bekeken bezoekers eerst de hele wand als een geheel, waarna zij op de afzonderlijke prenten gingen inzoomen. “Welke keuze maakten zij daarbij en waarom?” Dat wilde Van Hagen graag weten. Door middel van een vraag op een tekstbord nodigde hij de bezoekers uit daarop een reactie te geven. En die reacties waren zo waardevol dat de kunstenaar ze wilde vastleggen in een speciale uitgave van Takkenhoogte, namelijk de Bezoekers. Een kleine tachtig respondenten zijn in het boek opgenomen, met daarnaast hun gekozen prent.

    “Alle reacties”, verantwoordt Han van Hagen zijn in eigen beheer uitgegeven boek, “die de bezoekers mij toevertrouwden, getuigen van een persoonlijke beleving. De keuze van een bepaalde prent was vaak aanleiding om gevoelens onder woorden te brengen. (…) De afbeelding op een prent blijkt tot ontroering te kunnen leiden én troost te bieden.” Al bladerend door de uitgave valt het mij op dat er veel herinneringen worden opgehaald, dat reageerders zich in woorden van hun kwetsbare kant laten zien. Dat verlies door een prent beter wordt verwerkt. Ook geven de platen aanleiding een persoonlijk verhaal te vertellen, of inspireren zij collega-kunstenaars in hun eigen werk. “In bijna alle reacties laat de schrijver zijn of haar binnenwereld zien. Takkenhoogte is een klankbord geworden van het gemoed.”

    Meer dan kreupelhout

    De prenten roepen emotie op, zoals kunst een kwestie van gevoel is. Het is geen vluchtig, terloops zien; de werken verdienen een onderzoekende manier van kijken, een beschouwen. Een doorzien, zodat het vlierbosje meer is dan kreupelhout. Dat het een portret wordt van dit stukje natuur. Dat het zich even divers tot de buitenwereld kan verhouden als de mensen die ernaar kijken. Dat er voor iedere dag van het jaar een emotie is; dan zal Han van Hagen er echter nog een aantal bij moeten maken, in de hoop dat de etsplaat dit aankan.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek

    Op deze plaats zou ik de emoties van de bezoekers kunnen herhalen. Of de mij meest aansprekende uitspraken kunnen citeren. Ik doe dit niet, daar Van Hagen dat zelf al voldoende gedaan heeft in zijn boek Takkenhoogte – de bezoekers. Waarin de bezoekers op hun eigen manier een takkenbosje beschouwen in een wat wild gegroeid gebiedje, ergens argeloos en onnadrukkelijk aanwezig in de achtertuin die overgaat in het heideveld. In die overgave en concentratie spelen stemmingen een rol, maar ook levenservaringen, het geheugen, herinneringen en verhalen. Een bepaald beeld in de reeks trekt dan de aandacht om iets persoonlijks op te diepen uit het individuele leven zelf. Dan gaat het uiteindelijk over het mysterie van geboorte en dood, de essentie van familie, het verliezen van dierbaren – hoe ver weg soms ook –, de liefde en de erotiek, de voortdurende inspirerende inzichten en vergezichten van landschappen, kunstwerken en geschriften, het wonder van de taalgeboorte van de allerkleinsten, de betekenis van vriendschap. Verdorie, nu haal ik toch een reactie aan. Bedankt, Leo Divendal.

    Het is een uniek project, dat “Takkenhoogte”, dat een buitengewoon vervolg heeft gekregen. Meestal legt museumpersoneel of een galeriehouder wel een gastenboek bij een tentoonstelling of expositie. Daarin kunnen bezoekers iets schrijven, maar dat zijn doorgaans algemene reacties en geen respons op afzonderlijke werken. In het geval van Takkenhoogte zijn de reacties een waardevolle toevoeging voor zowel de maker als de kijker. Het geeft een inkijk in hoe kunst beleefd wordt. Niet enkel wordt het werk van Han van Hagen beschreven; de beschouwende bezoekers gaan tevens in op hun individuele kunstbeleving, die universeel blijkt te zijn. Kunst geeft vorm aan de persoonlijke beleving van de werkelijkheid. De beleving van Han van Hagen blijkt echter minder persoonlijk dan hij vermoedde. Zijn werkelijkheid blijkt waarheid en echtheid voor velen. “Kunst doet waarvoor het bestemd is, zij zet aan tot ervaren, denken of leidt tot ontroering, een binnenwereld wordt bereikt”, vult de kunstenaar aan.

    TAKKENHOOGTE – de Bezoekers – . Han van Hagen. Uitgave van Kunstcentrum Hofstede Duet, 2026. Te zien in Museum Belvédère van 5 mei tot en met 7 juni 2026.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek
    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek
  • De beeldraadsels van Dirk Bakker kunnen zonder uitleg verwonderen

    In de Leeuwarder Courant, een provinciale krant die zich van landelijk belang acht, krijgt een zekere Dr. Denker de ruimte en gelegenheid zijn cryptische rebussen te presenteren in de kerstbijlage. Ieder jaar is er een grote schare fans die zich buigt over de beeldraadsels en woordspelingen die in de illustraties verborgen zitten. De puzzels van Dr. Denker, een pseudoniem dat al sinds 1931 bestaat, zijn een cultureel fenomeen in Nederland. Het oplossen van deze puzzels is een geliefde traditie geworden, waarbij families samenkomen om hun breinbrekers op te lossen. Niet alleen in Friesland. Meestal zijn het mensen, dieren en dingen die in de plaatjes figureren en de puzzelaars op het verkeerde been zetten. Maar ook gebruikt de dokter letters en cijfers die qua plaatsing en verhouding tot elkaar een woord vormen. Aan die puzzeldokter dacht ik bij het zien van de schilderijen van Dirk Bakker in Museum Belvédère.

    Dr. Denker

    Deze kunstenaar, die bij leven onder de radar is gebleven, krijgt na zijn dood een terechte plaats in de kunstgeschiedenis. Wat is er mooier dan dat een oeuvre door een collega-kunstenaar wordt ontdekt en veiliggesteld. Dat het levenswerk behouden blijft voor de toekomst. Hoe anders dreigde dat te lopen voor de kunst van Dirk Bakker. Als kunstenaar werkte hij in de schaduw van de kunstwereld en exposeerde nauwelijks. Zijn wonderlijke verbeeldingswereld vond maar moeizaam ingang bij het grote publiek. Zoals de rebuspuzzels van Dr. Denker onoplosbaar lijken, zo zijn de beeldraadsels van Dirk Bakker onverklaarbaar. De duiding die men er niet aan kon geven maakte het werk te mysterieus en blijkbaar onverkoopbaar.

    Eigen draai geven

    Waarom echter zou je willen weten wat de oplossing is? De maker kan het niet meer uitleggen. Vragen blijven onbeantwoord. De schilderijen hebben geen titels en missen daardoor een korte omschrijving van het onderwerp. Maar eigenlijk is dat prettig, want zo kan de kijker er een eigen begrip aan koppelen. Het is gissen wat Bakker heeft bedoeld, waardoor ik er zelf een duiding tegenover kan zetten. Zo kan ik een eigen draai geven aan de plaat, terwijl de schilder er voor zichzelf een persoonlijk beeld aan heeft gegeven. Een verwerking van de wereld om hem heen, niet enkel van de zichtbare werkelijkheid maar zeker ook van het abstracte gevoel.

    Zie ik de werken in het museum en blader ik de bijbehorende uitgave door, dan verbaas ik mij over de humor en de opgeruimde blik op de wereld. Maar dat kan schone schijn zijn, want de wonderlijke verbeeldingen zijn titelloos en kunnen een duistere verwerking van alledag bevatten. De puur persoonlijke kijk krijgt geen uitleg, heeft geen naam, mag die wel hebben maar die moet ik er zelf aan geven. Het zet de museumbezoeker meer aan het denken dan enig ander tentoongesteld werk dat over het algemeen doet. Om de voorstelling te vatten en te begrijpen moet je langer blijven staan kijken. Een vluchtige blik lost het raadsel niet op.

    Bij het klimmen der jaren en een lichamelijke aftakeling werd het noodzakelijk dat het echtpaar Bakker de vertrouwde omgeving moest verlaten. De grote verzameling eigen kunst en de andere verzamelingen — Bakker was naast kunstenaar ook verzamelaar — moesten daarop een nieuwe plek krijgen. Echter, voordat bevriende kunstenaars zich erover konden ontfermen, zorgde de thuiszorg voor afvoer en verspreiding over landelijke kringloopwinkels. Zo is de kunst van Dirk Bakker ongewild onder de mensen gekomen. Slechts een deel van het oeuvre kon worden gered. In de uitgave Beeldraadsels is daaruit een bloemlezing opgenomen. De kamerpresentatie in het museum geeft daarvan weer een dwarsdoorsnede.

    Klaar en helder

    De platen hebben soms een kinderachtige uitstraling, of beter gezegd: een kinderlijk karakter. Op de manier waarop een kind de wereld voor zichzelf uitlegt, zo duidt Dirk Bakker zijn blik op het leven. De grote vraagstukken krijgen kleine antwoorden. Aldus wordt de grote mensenwereld grijpbaar en begrijpelijk. Misschien kan het kind in de schilder het volwassen-zijn beter aan. Een deel van zijn oeuvre bestaat uit tekeningen voor kinderen, waarin stripfiguren en personages uit sprookjes en volksverhalen een geheimzinnige hoofdrol spelen. Voor het kind zijn ze klaar en helder; het zet daartegenover een eigen verhaal en kan er honderduit over vertellen. Voor grote mensen blijft het een raadsel, omdat zij niet meer onbevangen zijn en de kinderlijke naïviteit hebben afgelegd.

    Dirk Bakker

    Naar de kunst van Dirk Bakker dient men te kijken zoals een kind kijkt. Grote levensvragen worden klein gemaakt. Wat niet te bevatten valt, is geloofwaardig in beeld gezet. Op een cartooneske manier beziet de kunstenaar het leven van alledag, van allemanswereld en alledaags bestaan. Uit die verwondering destilleert hij een bewonderend beeld. In beeldspraken maakt hij voorstellingen om voor zichzelf het zijn te verklaren, zich niet bewust dat anderen er een mysterieuze voorstelling in zien. Of misschien wel met opzet vragen oproepend zonder een antwoord te geven. Zo van: zoek het zelf maar uit. Dit is zijn verhaal, waarmee ik vervolgens een eigen vertelling kan maken. De retorische vragen zetten mij aan het denken. Zij houden de aandacht gevangen in een surrealistische gedachtewereld. En krijg ik er geen vinger achter, dan blijft de plaat een kleurige, vrolijke schildering.

    Beeldraadsels. Dirk Bakker, schilderijen. Kamertentoonstelling bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 21 februari tot en met 7 juni 2026. Uitgave “Beeldraadsels”, samenstelling en tekst Theo de Feyter, voorwoord Han Steenbruggen. Museum Belvédère, 2026.

    Dirk Bakker, Museum Belvédère, Theo de Feyter
  • Marije Bouman fluistert de geest van het landschap

    Zocht Marije Bouman eerder met haar werk grenzen op die een niemandsland omzoomden. Een omgeving waar niemand is en waar de sterveling geen weet van heeft. Alleen de mens die niet rationeel kijkt maar met gevoel beschouwt, kan er kennis van nemen. De landschappen van toen leefden in grensgebieden. Pasteltinten zweefden mijmerend over de composities. Deze beeldden geen concrete zaken af, maar maakten abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. En nog steeds is de rust en de stilte van dat abstracte terrein in haar huidige werk te vinden. In de non-figuratie onderzoekt zij de essentie van het landschap. De kern van het wezen der natuur. In een summier aantal lijnen en enkele kleurvlakken tekent zij haar contemplatieve emotie bij het landschap in waterverf op papier. Het is geen werkelijk landschap, hoewel dit wel het uitgangspunt is en de inspiratie vormt. Maar door haar blik en uit haar handen is het een landschap van de geest. Geen tastbare waarheid, maar voelbare echtheid.

    Het is kijken en laten inwerken. In het zalige niet-zijn ben je niet meteen vriend. Kleuren bewegen over tinten, flarden en korte verfstrepen verhouden zich als vlakken in een collage. Daarin wil het oog een houvast. Maar het hoeft niet te ontdekken, want het kan zo zijn als het is. Bouman fluistert het landschap. Met zachte tonen zet zij een eigen wereld in de werkelijkheid. En ik moet goed luisteren en beter kijken, anders zien, om aan te sluiten bij haar mythisch denken. Het is geen mysterie, het is een meditatieve staat van zijn. Diep in gedachten verzonken mijmert zij zich een zijn dat relateert aan een landschap, dat de associatie legt met de tastbare zichtbaarheid. Zo kijken en aanvoelen is een benadering die mij, en al die andere westerse mensen met mij, stelselmatig is afgeleerd. Zo lees ik dat althans in haar inleiding, een manier van kijken die zij op haar beurt beschouwt in de Chinese denkwijze. “De oude Chinese meesters gebruikten het landschappelijke om hun filosofie uit te drukken en om een verlangen op te wekken naar berg, bos en rivier. Dit werd met poëzie en in beeld uitgedrukt. Uit de beheersing van het schrijven van karakters vloeiden de teken- en schilderkunst voort.”

    Inkijk op de eeuwigheid

    In die zin heeft Marije Bouman de gave om de kern van het landschap te raken. In aquarel of met gemengde techniek maakt zij grensgebieden. Op de scheiding tussen waarneming en gedachte verbeeldt zij een niemandsland. Een gebied waar de tijd geen vat op heeft; het is er tijdloos. Een inkijk op de eeuwigheid. Als de grootmeester Kwo Sji over de velden door de tijd in de toekomst keek, zo gebruikt Marije Bouman de elementen aarde, water en lucht als de levenskracht in haar werk. En ik neem haar advies ter harte: “Laat ieder die tot rust wil komen deze bundel ter hand nemen.” De daarin opgenomen kunstwerken, dichtregels en oude doch zeer inzichtelijke en ook zo poëtische tekstfragmenten over de Chinese landschapskunst zetten mij aan de kamerpresentatie in Museum Belvédère te bezoeken. Echter ervaar ik daar niet optimaal de sfeer die Bouman oproept; uit een naastgelegen kamer klinkt het slotakkoord van een andere Friese kunstenaar. Storend op dat moment, maar de ingetogen lyrische werken van Bouman handhaven zich desondanks. Deze staan in de rumoerige wereld als een kalme oase.

    Het is stil in de composities van Marije Bouman. Er heerst rust voor wie zich erin ingeeft. Wie langer blijft staan kijken om de emotie die Bouman erin heeft gelegd aan te voelen, kan erin meeleven. Echter ligt er ook een bepaalde geladenheid tussen de zichtbare lagen kleur, alsof de natuur en het landschap in spanning afwachten wat komen gaat. Want de stilte zal eens doorbroken worden. Niet in het ogenblik dat Bouman heeft vastgelegd en waar zij alle drukte uit heeft weggeschilderd, maar wel in de momenten die volgen. En dat hoeven geen rumoerige tellen te zijn; dat kunnen ook zeer wel in zichzelf gekeerde tijden zijn. Maar dat er iets staat te gebeuren heeft Bouman er onbewust in gelegd, als een zin die niet is afgemaakt. De kijker vult aan, denkt door, maakt af.

    Stilte zichtbaar in inkt

    Bouman laat zich leiden door Chinese wijsheid. Daarin kan de introverte kunstenaar zichzelf vinden. Niet enkel het beeld maar zeker ook het woord inspireert haar. “Poëzie is schilderen zonder de vorm en schilderen is zichtbaar geworden poëzie“, is zo’n gevleugelde uitspraak. De klassieke Chinese meesters waren vooralsnog diepe denkers. Het filosofisch beredeneren lijkt daar wel uitgevonden. China wordt vaak beschouwd als de oudste ononderbroken beschaving ter wereld, met een geschiedenis die duizenden jaren teruggaat. Hoewel het niet per se het biologisch oudste volk – in de zin van de eerste mensen op aarde – is, is de Chinese cultuur en samenleving een van de langstlopende die tot op de dag van vandaag voortduurt. In de poëzie en de beeldende kunst is de Chinese traditie voor velen een richtinggevend voorbeeld geworden – niet door luidheid, maar door verstilling. In het werk van oude penseelmeesters als Kwo Sji wordt het landschap niet vastgelegd als afbeelding, maar als ademruimte: een plek waar kijken en denken in elkaar overgaan. Schilderkunst, kalligrafie en poëzie raken er elkaar zonder grens. Onder de lange schaduw van een denktraditie die met Confucius verbonden is, krijgt aandacht een vorm van oefening, en oefening een vorm van levenshouding. Zo ontstaat een kunst die niet alleen iets toont, maar iets laat gebeuren: stilte die zichtbaar wordt in inkt.

    En dat is precies wat er in de composities van Bouman gebeurt. Haar kunst toont niet alleen iets, maar laat iets gebeuren: ik proef er de stilte. Het raakt die filosofische denktraditie. Zij toont een transparant landschappelijk portret. Teer en dromerig, in het schemergebied van de werkelijkheid. De lyrische verbeelding van hetgeen er schijnt te zijn, een ingebeelde omgeving. Opgepakt in het voorbijgaan, gezien en overdacht. De herinnering aan een moment is dikwijls mooier dan het moment zelf. Je onthoudt sneller de schoonheid dan dat je de lelijkheid in gedachten bewaart. Dat mooie van de omgeving zet Bouman neer in transparant geschetste lijnen en licht aangezette kleuren. Pasteltinten zweven mijmerend over de composities. Een in opzet expressief gedetailleerde weidsheid van het landschap. Deze beelden geen concrete zaken af, maar maken abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. Niet die werkelijkheid is benadrukt, maar wel het verlangen naar rust en ruimte in de realiteit. Na een omgang in het landschap worden thuis de gedachten uitgewerkt. Er wordt dan een sfeer toegevoegd, namelijk de emotie die zich na het moment buiten in het geheugen heeft vastgezet. De omgeving aangevuld met de gedachte; dat klinkt abstract en dat is het ook. Abstract landschappelijke portretten, derhalve.

    De stilte in gedachten

    Marije Bouman brengt abstract poëtisch werk dat voortkomt uit de passie voor de natuur. De composities relateren aan wolkenluchten en landschappen. In enkele gebaren is de verf in het beeld gezet. Het betreft verstilde grensgebieden, plekken waar iets nog niet is vastgezet maar al wel vorm begint te krijgen. In de Chinese kunsttraditie het gebied waar schilderkunst poëzie wordt, en poëzie beeld. Letterlijk kan in de literati-traditie een schilderij een gedicht bevatten, en kan een gedicht een landschap oproepen. Het grensgebied is daar geen scheiding, maar een overlap – een dunne laag waar kijken, lezen en denken samenvallen. Het terrein van Marije Bouman ligt tussen droom en werkelijkheid. Het niemandsland tussen abstractie en realiteit. Een omgeving die zich voordoet in gedachten bij het zichtbare onderwerp. Kijk in het rond, aandachtig naar wat je ziet. Sluit de ogen, dan verschijnt dit beeld op het netvlies. Als het ware een projectie achter de oogleden. De stilte in gedachten.

    En sla ik de uitgave bij die museale tentoonstelling open, dan maak ik een natuurlijke beweging naar de mystieke ruimte. De transcendente atmosfeer die ligt besloten tussen de pagina’s door de afdruk van diverse werken. De zachtheid waarmee Bouman haar composities kleur geeft, komt goed tot uiting in dit drukwerk. Hoewel op kleiner formaat dan het originele werk, hebben deze reproducties dezelfde sfeer. In speciale gevallen aangezet met een hardere penseel of scherpe pen, wanneer een luidere toon noodzakelijk is. In het hart van de uitgave laat Bouman de oude Chinese meester aan het woord. “De geest van het landschap” doorlezend vormen de beelden in het boek stemmige illustraties bij de tekst. “Daar zijn verschillende wijzen waarop men een landschap kan schilderen. Het kan uitgespreid worden over groote composities en toch niets overbodigs bevatten. Het kan tot een klein bestek teruggebracht worden en toch niets ontberen. Ook zijn er verschillende manieren om landschappen aan te zien. Nadert men ze met het ontvankelijk gemoed van den natuurliefhebber, dan is hun waarde groot; nadert men ze met trots of zelfgenoegzaamheid in de ziel, dan hebben zij ons weinig te zeggen.”

    ELEMENTEN. Marije Bouman. Kamertentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 21 februari tot en met 7 juni 2026. Publicatie met een selectie uit de serie gecombineerd met fragmenten uit een belangrijke elfde-eeuwse verhandeling van de Chinese inktschilder Kwo Sji. Uitgave in eigen beheer, 2026.

  • Schaken heeft de visuele mogelijkheden van kunst

    De Weense opening, 1.e4 e5 2.Pc3, of de Koningsgambiet, 1.e4 e5 2.Pc3, zijn mijn standaard openingen in het schaakspel. Tenminste wanneer ik het witte koninkrijk heb, want wie begint die wint en dat doe ik met plezier. Ik mag graag een pion schuiven, een paard springen, de koning rokaderen en de toren laten bezetten. Een bliksem actie uitvoeren en met herdersmat eindigen of gewoon fijn lang rekken zodat de partij in remise verzandt. Het gaat tenslotte om het spel en niet om de knikkers, althans wanneer je niet voor de winst gaat maar om het plezier in een pot schaken. Hoewel, het spel competitief is, kan het ook onderzoekend of meditatief zijn. Je kunt varianten verkennen, het spel eens na of over spelen. Hoe had ik een betere zet kunnen doen voor een mooier eindspel of een andere wending. Schaken is een denksport, in de stilte van het peinzen beschouwen de spelers de zetten, een meditatief moment – geconcentreerde rust. Je speelt tegen iemand, maar je strijdt vooral met de stelling.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst

    Schaakspel van Vilmor Huszár

    Museum Belvédère is een nuchter gebouw om tot rust te komen, om geconcentreerd kunst te kijken. De afgelegen ligging en de manier van presenteren is daar debet aan. Het is een beschouwende plek om starend over het water van de Prinsenwijk de lekkerste cappuccino te nuttigen. Het is daarom de beste omgeving om er een schaakkamp te organiseren, waarbij de spelers even peinzend spelen als de getoonde kunstenaars nadenkend creëren. Het schaakspel van Vilmos Huszár in de collectie van het museum was de oorspronkelijke aanleiding voor een eerste schaaktoernooi binnen zijn muren. Dat lees ik in de MB, het blad voor vrienden, nummer 55 dat geheel gewijd is aan het koninklijke schaakspel.

    “Het schaakspel heeft door de eeuwen heen kunstenaars gefascineerd en geïnspireerd, om de intellectuele uitdagingen die het spel voor twee bood, om de eindeloze spelmogelijkheden, maar zeker om de esthetiek van dat spel met z’n elementaire uit 64 kwadranten bestaande speelveld en de vormgeving der stukken.” De abstracte werkelijkheid van het schaakspel is voor de kunstenaar een onbewuste inspiratie. Het is de wereld op zichzelf, er wordt gestreden, gewonnen en verloren, velden worden ingepikt en zijn hernomen. Vijanden op het bord tijdens de partij, vrienden wanneer de tijd is gestopt en de schaakklok is uitgeslagen.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Marcel Prins

    Modern spel van Marcel Prins

    De Belvédère schaakkamp vond plaats op 20 december 2025 en werd gewonnen door Dolf Verlinden. Misschien was dit toernooi de opstap tot een gebeuren dat kan uitgroeien tot een traditie. Voor nu is het over en uit, maar gelukkig hebben we de foto’s nog. In de westvleugel van het museum staan in de middelpunten van de kamers bijzondere schaakspellen opgesteld. Natuurlijk is het kleinood van Huszàr te zien, maar ook het bord waarop Max Euwe in 1935 wereldkampioen is geworden. Er is een modern spel te zien dat door Marcel Prins is gemaakt. Ieder spel dat is opgesteld heeft een eigen persoonlijk karakter, is geen dertien in een dozijn uit de fabriek van Longfield, Philos of Jumbo – nee, niet de kruidenier.

    Kunstenaars die geliëerd zijn aan Museum Belvédère, met werk in de collectie zitten of anderszins vertegenwoordigd worden, hebben aan het schaken gerelateerde kunst gemaakt. Of hadden dat op een eerder moment in hun oeuvre gedaan en is voor deze tentoonstelling opnieuw geselecteerd. In een verkleinde kamer en in het museumcafé zijn deze composities gehangen. In dat café tref ik tevens een vitrine met borden en stukken aan. Schaken is kunst, kunst is spel — beide vragen vaardigheid, verbeelding en durf. Belvédère heeft deze twee vormen van tijdverdrijf mooi samengevoegd en gecombineerd.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Win Biewenga, Jochem Hamstra

    Ridders te paard

    Hebben kunstenaars over het algemeen het spel als uiting genomen, Jochem Hamstra schildert expressief de concentratie van een speler. De meditatie is dynamisch weergegeven. Je herkent de krakende hersenen, het grimas zwijgt maar spreekt boekdelen, wanneer je zelf niet vreemd bent van de ernst van het spel. De schilder bewondert de schaker om zijn spel en de afkeer van Poetin. De schilderijen zijn derhalve politiek geladen en kunstig gelaagd. Wim Biewenga vormt het meervoudige spel om tot eenvoudige composities. Het kinderspel over ridders te paard en koningen op hun troon denkt hij terug in deze schilderijen. Frank Hutchison ziet in de zwarte en witte koninklijke opponenten een verbond. Maar wel een relatie die geen vaste grond onder de voeten zal hebben. De dame en de heer blijven elkaar bestrijden tot de dood erop volgt. Ilse Brul op haar beurt maakt een feestje met de velden van het bord. Het is hier niet het schaken dat centraal staat, maar de vrolijkheid van en het plezier in een kinderfeestje. Het zwartwit geblokte tafelkleed is de relatie in afbeelding.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Frank Hutchison, Wim Biewenga

    De mooiste schaakpartij

    Helaas is de MB, het tijdschrift van Museum Belvédère, exclusief voor vrienden van het museum. Vooral dit nummer is interessant en lezenswaardig voor de fervente schaker. Ook voor de speler die minder met kunst heeft. En de kunstminnaar die niets over spellen weet. Het is een collectors item voor beide partijen. Het bevat fascinerende verhalen die de kunst binnen het schaakspel brengen en treffende bijdragen om het schaken in beelden te laten zien. Weetjes en watjes over het schaken en het spel, de stukken en de spelers. Een verzamelaar vertelt over zijn collectie borden en toont zeldzame figuren. Het spel van Max Euwe wordt uitgelicht. De mooiste schaakpartij aller tijden nog eens doorgenomen.

    Opmerkelijk is het verhaal over twee bijzondere schaakspellen, die van Josef Hartweg en dat van Vilmos Huszár. Het schrijven is van Huib Nieuwenhuizen en werd al eens eerder in de MB gepubliceerd. Nieuwenhuizen was de eerste collectiebeheerder van Museum Belvédère en is in 2020 overleden op te jonge leeftijd. Bij zijn pensionering in 2016 mocht ik zijn plaats innemen. Ooit in mijn jonge jaren was ik lid van de Schaakclub Heerenveen en heb verschillende toernooien mogen meebeleven. Helaas blonk ik niet uit in het spel, dat geldt tevens voor mijn bezigheden als autonoom kunstenaar na een opleiding in die richting. Schaken en schilderen, in concentratie en creativiteit een twee-eenheid. De schaker is een kunstenaar, het schaakspel is een kunststuk. Of zoals Marcel Duchamp dat uitdrukt: “Schaken heeft de visuele mogelijkheden van kunst. Het is een mechanische sculptuur met opwindende plastische waarden.”

    Museum Belvédère en het schaken. Unieke schaakspellen, de kunst van het schaken en schaken in de kunst. Kleine tentoonstelling nog te zien tot en met 8 februari 2026.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Vilmor Huszár
    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Kasparov