Categorie: Uitgeverij CrU

  • Over holle vaten en gebakken lucht

    Een mens heeft niets te zeggen over wat / dan ook. Niets over wat, door ’t lot geleid, / hem overkomt en over zijn persoonlijkheid // al even weinig. (…)” De dichter die deze waarheid deed dichten evenwel heeft veel te zeggen over dit en dat, zus en zo. Over links en rechts, zwart en wit. Over bergen en dalen, de paden op de lanen in. De dichter doet dat gerijmd en ongerijmd. Met dubbele bodem of recht voor de raap. Letterlijk heeft hij iets te zeggen en figuurlijk heeft hij maatschappij kritisch invloed op mijn wezen en glimlachend vat op het eigen ego.

    Voor het crU-poëzieweekgeschenk 2023 legde de dichter de lat hoog en zette zich aan een welhaast onmogelijke opgave. Het overkwam hem dat hij zichzelf het strak zittend maatpak van de villanelle aanmat. Leidde het lot hem op die plek achter de laptop. Kon hij zijn persoonlijkheid afwerpen om geen ‘gewone’ dichtvorm te bezigen of een roman te schrijven wat hem normaal is te doen. Deze Mark Boog is vrolijk aan het werk gegaan en heeft zijn verwoorden geplooid in een schier onuitvoerbare dichtvorm.

    Dichtstijl staat als een huis

    Een villanelle, daar schreef hij er geest verruimend negen van, is een dichtvorm uit de zestiende eeuw. Bij deze vorm, ontwikkeld in Frankrijk tijdens de renaissance, heeft een gedicht negentien regels met twee viermaal terugkerende en daardoor obsederende regels. De dichter veterde zich een korset aan en wrong zich in een dwangbuis. De villanelle schrijven is namelijk geen kattenpis. Het luistert nauw om in dat aangesnoerde stramien ook nog een serieus gedicht te produceren. Daarbij niet enkel lettend op de inhoud maar zeker ook op de vorm. Dat is altijd zo, ook met het sonnet of rondeel, maar de villanelle vergt het uiterste van de dichter. Zonder in kletspraat of geneuzel te vervallen, en erger een sinterklaasgedicht te schrijven waarin de rijm zo krom is als een hoepel, moet deze dichtstijl staan als een huis. Het is dansen op het slappe koord, een krachttoer.

    Mark Boog, villanellen

    Van de lezer wordt ook een hoogstand verwacht. Ga ik na eerste lezing af op de buitenkant dan valt er weinig te doorzien. Lijkt het veel ritmisch geblabla, veel geschreeuw en weinig wol. Het is geen liefde op het eerste gezicht, ik ben niet meteen gevloerd. Hoewel de dichter er wel zijn best voor heeft gedaan het werk er op het voordeligst uit te laten komen. In opmaak te laten shinen.

    Wanneer ik dan vaker de verzen lees en nog eens weer lees, de woorden hardop spreek en de regels weeg dan wordt interesse verliefdheid. De liefde komt niet na verloop van tijd, maar is er plots opeens, onverklaarbaar. De villanelle geeft zich bloot. Het is daarom geen one night stand, geen vluchtig doorlezen van de teksten. Het heeft tijd en aandacht nodig om erin thuis te raken, verliefd te worden eerst en ervan te gaan houden later. En dan opeens doorzie ik de gelaagdheid, het diepere innerlijk, het uiterste zijn. Ik leer die andere dimensie kennen en beleef het gevoel. Het is als die relatie, die je denkt leuk te vinden. Het eerste aankomen is schoonheid, en dat heeft de villanelle zeker. Het is als een liefdeslied, het rijmt en refreint.

    Het leest niet wat er staat

    De villanelle verhult het protest dat zich schuil houdt tussen de regels door. Ik zie de mensen stinken maar ruik de stad. Het is de metafoor die de fantasie uit rechte banen leidt en laat ontsporen. Want de stad als persoonlijkheid ruikt niet onwelriekend, maar de mensen die er in hun vuil leven terwijl ze hun straatje schoon denken te vegen stinken wel. De mens maakt er een potje van. Vooral die als fascist of nationalist verklede mens met zevenmijls laarzen stampen de waarheid de grond in en doen de wereld stinken. Het leest niet wat er staat, maar datgene dat achter de woorden schuil gaat, is de teneur van deze qua uitstraling feestelijke gedichten. De sleur van alledag is hetzelfde als bij de buren in confectie met koffie voor de buis. Het maatpak is gemeengoed, waarbij alleman probeert met kop en schouders boven het maaiveld te steken.

    En er is zelfspot in het zijn, een lach en een traan tot middelbaar. En het schrijven, het dichten, jezelf niet meer waard achten dan de lezer denkt dat je best bent. Het dagelijks ploeteren is ijdelheid, de stalen tucht het najagen van gebakken lucht. De dichter neemt zichzelf op de hak en schopt tegen huisjes die voor het maatschappelijk belang heilig zijn. Het scherm, het weer, het verjaren, de aftakeling, het zijn pijlers van ons hedendaagse bestaan waar we dagelijks druk mee zijn. Holle vaten. Mark Boog staat erbij en kijkt ernaar, hi-hi-hi ha-ha-ha, het is een wonder boven wonder dat hij dat opgeblazen gevoel zo kan hameren en beitelen in de villanelle als bijzondere dichtvorm.

    Mark Boog, villanellen

    Een eenmalig project als geschenk in de poëzieweek. Hij is ermee begonnen omdat weinigen zich eraan wagen, dat is de uitdaging. In zijn voorwoord aan de 9 gedichten verantwoordt hij de keuze. En schrijft hij over het genot van het lyrische masochisme. De zelfkastijding om zich in idiote vormeisen te schikken. Door dit experiment ontdekt hij dat het alleen maar winst oplevert. Het dicht bij jezelf houden waar je over schrijft. Je eigen tekortkoming als dichter onder velen, dan ben je niet meer dan een verkleinwoord en jaagt lucht na. En op je 51e, wie had dat ooit gedacht – jijzelf niet en nooit, treedt het verval in: je hoort opeens over die drempel stappend bij de slomen en de tragen. En wat je tegenstaat, de opkomst van het rechtse denken, van hier tot ultra.

    Niet alles kommer en kwel

    Herhaalt de villanelle viermaal zichzelf dan geeft mij dat het recht op mijn eigen woorden terug te komen en nog maar eens lezen en zeggen dat als deze stad niet stinkt dan stinken toch die mensen. Met stampende laarzen vertrappen ze alles onder hun zware nietsontziende zolen. Lopen over het onrecht de liefde omver. En het jezelf mooier maken dan je bent, het tellen der jaren zichtbaar laten stoppen. Je wilt terug tellen, de wijzers van de klok achteruit zetten. Jezelf plamuren en opnieuw uitvinden. In dat rijtjeshuis waar alles uniform, confectie en hetzelfde is. Bang gemaakt door het journaal dat is onderbroken door een meer tragisch nieuwsfeit.

    Mark Boog, villanellen

    Het is allemaal gebakken lucht en daarover heeft de mens niets te zeggen. Met kromme tenen zit je op het puntje van de stoel om te kunnen wegrennen wanneer de wereld toch onverwacht opeens vergaat. Een mens heeft niets te zeggen, alles wordt voor en achter hem of haar beslist. Men leeft in de stroom van voortgaande jaargetijden en denkt zelfstandig en objectief te kunnen zijn, maar wordt geleefd door tijd, geld en social media. Dat is om kort te gaan min of meer de strekking van Boogs negen villanellen.

    Natuurlijk, het is niet alles kommer en kwel wat Mark Boog de lezer voorhoudt. In een cabareteske dichtvorm houdt hij mij de waarheid voor verpakt als een wolf in schaapskleren. De lach maakt de traan draagbaar. De tekst is eenvoudig mee te zingen, de zich in de vorm herhalende zinnen dreunen door mijn hoofd en lijmen zich vast aan mijn gedachten. Ze dansen voor mijn gedachten uit, walsen en draaien om mijn geest. Maar ik moet het niet willen theoretiseren of thematiseren. Niet uit elkaar trekken om te verklaren. Anatomiseren doet onrecht aan het geheel.

    Een mens heeft niets te zeggen. Negen vrolijke villanellen. Mark Boog. Uitgeverij crU, 2023.

    Mark Boog, villanellen
  • De toekomst is magie in een geklonterde elektrobloem

    Is het maar zo simpel dat het leven op deze wereld enkel uit nullen en enen bestaat. Dat er alleen maar goed en slecht is. Zwart en wit en geen legio tussentinten grijs. Dat het zo eenvoudig is als dan en zo niet dan wel. Is het niet dit dan is het dat. Kan het niet linksom dan maar rechtsom. Gewoon simpel twee mogelijkheden, twee keuzes, overzichtelijk om een stroomschema mee op te bouwen. Een voortgang van het leven, de tijd.

    Maar zo eenvoudig is het in wezen ook, in beginsel. Alleen wij, jij en ik, de mensen hebben de stroming vol gezet met draaikolken en rotsblokken. Met oneindige lussen en veel mitsen en maren. Daardoor is het leven wel meer kleurrijk geworden. Want toen de mens het ja en nee van de schepping doorbrak en de godheid moest ingrijpen werd de wereld verrijkt met een regenboog. Buiten het paradijs bleek de aarde veel kleurrijker, speelser, verleidelijker. Het betekent echter wel dat we niet eindeloos van dat leven mogen genieten.

    Niet vallen in een zwart gat

    Dat de cijferreeks groter is dan nul en één, O en I, houdt in dat het eindig is. Hoewel we almaar door kunnen tellen, zover dat het overzicht kwijt is. Dat het ons verstand te boven gaat, want er is meer tussen hemel en aarde dan dat wij begrijpen. Maar we zullen niet in een eeuwigdurende lus terecht komen, de knoop is altijd te ontwarren. Niet vallen in een zwart gat, er is altijd licht aan het eind van de tunnel.

    Tegenwoordig lijkt het er op dat ons geheugen op hol is geslagen, dat de harde schijf te vol is voor simpelheid. We slaan door en raken oververhit. We moeten terug naar de nullen en de enen, naar het eenvoudige inzicht van oorzaak en gevolg. Terug naar de basis, if-then en if-then-else. Zo simpel als wat.

    In zijn bundel “elektrobloem” laat poëet/illustrator Daniël Labruyère zien dat het leven gelijk is aan een wiskundige staartdeling. Schijnbaar onoplosbaar, maar voor wie de sleutel van het x en y slot heeft – positief en negatief, teller en noemer, kwadraat en eenheid, coördinaten en diagonalen – kan de formule tot uitkomst brengen. Wie het algoritme doorziet kan het leven simpel tot een einde brengen.

    Daniël Labruyère, dichtbundel, Uitgeverij crU

    Met “elektrobloem” debuteert deze beeldend kunstenaar als dichter. De bundel is dan ook doorweven met beeltenissen om de tekst te versterken. Maar de woorden hebben geen megafoon nodig, ze spreken zonder versterking al duidelijke taal. En de tekeningen kunnen zonder de verzen gaan, hoewel er een titel achtige zin in handschrift staat bijgeschreven. Een ‘er was eens’ met een fleurig slot, maar geen lang en gelukkig leven. Het zet het beeld op de plaats waar geen interpretatie meer mogelijk is. In dit geval blijkt het een beeldtekst, een strip met een lyrische verduidelijking ofwel een gedicht letterlijk beeldend weer gegeven.

    Luchtig wonderlijk verhaal

    De poëzie is even doordacht geformuleerd als dat de formule tot een resultaat komt. In de wiskundige berekening lijkt het over Aken en Keulen te gaan, maar vele wegen leiden naar Rome. Goed becijferen en calculeren, plussen en minnen, vermenigvuldigen en delen geeft uiteindelijk een juiste oplossing. In de woorden maakt Labruyère niet zo’n omhaal. De zinnen gaan recht op het doel af, de regels volgen een axiomatische lijn. De geponeerde stellingen hebben geen bewijs nodig. Het is zoals geschreven staat. De tekeningen vormen daarbij een speelse vertelling over elektronica, het levenssap van alles met een stekker. Losjes in beeld gezet. Het resultaat van het menselijk brein, getekend met de hand en niet via elektronische weg. De mens is fantasierijker dan de computer, zo blijkt eens te meer. Een luchtig wonderlijke verhaal over het laten ontstaan van plantaardig leven via een printplaat. Het zijn imiteren en verbeteren. De elektrobloem van Labruyère bestaat uit half gesmolten toetsen. Samengeklonterde eenheden tot een meervoudig kunstmatig wezen. De mens gekloond voor het leven eeuwig, maar de uitkomst is niet altijd de som der delen.

    Daniël Labruyère, dichtbundel, Uitgeverij crU

    Niet alles kan elektronisch geregeld. De mensenhand is noodzakelijk een en ander te sturen. Tot op het punt de kloon de macht grijpt. Voor nu knipt en plakt de dichter een moodboard nog. “Een temporaal project in mijn frontale vortex.” De mogelijkheden van de hersenen worden optimaal benut: plannen, beslissen, impulsbeheersing – zo niet als dan wel, if-then-else, ik reguleer mijn bezieling. “Oren als muizen. / Ogen als uilen. / Een wolvenneus.”

    Massa heeft geen snelheid

    De schier eindeloze staartdeling dartelt tussen tekst en beeld in de bundel. Het geeft de uitgave een eigenaardig karakter, als is het een proefschrift – een kladblok – om al schetsend en proberend via omwegen tussen cijferreeksen en termen, voorwaarden en bepalingen tot een welluidende stelling te komen. “Wij zijn geen sterrenreizigers. Massa heeft geen snelheid.” Is dat het resultaat, relatief gezien. Het leven is betrekkelijk. Bestaat oneindig niet, is eeuwig een onzinnig woord. Labruyère zet mij, zonder het te weten, tot diep nadenken zo dat het mijmeren en filosoferen raakt. “Ik stop een stopcontact in mijn mond / en mijn hoofd begint te gloeien”. Dat dus.

    Daniël Labruyère, dichtbundel, Uitgeverij crU

    Alles lijkt beheersbaar, maar wanneer de spiegel de wolk breekt worden mensen gammastralen en stroomstoten, en vouwt de wereld zichzelf in als een hologram. Het leven is een kunstmatig zijn. Het zijn een beeldend wezen: “de sterren pakken een .rar bestand uit”. Zijn we straks enkel nog plaatjes die in een .gif tot leven komen? De boodschap van de dichter lijkt zo zwart als de elektrobloem op de omslag van zijn bundel is. En er valt ook weinig te lachen, maar wel smaakvol te genieten. Want waar een eenvoudig lichaam uit transitiemodulatie superpositioneel perplext ontstaat geurt de elektrobionische bloem. “De zon komt op in het oosten en ik red / de wereld met mijn espresso.” De toekomst is magie. Het is een magische bundel, maar ook niet zo mysterieus dat het onbegrijpelijk is. Het abstracte leven is er geformuleerd in een exacte wetenschap. Hoe verward en raadselachtig we ons leven wel aanvoelen, zo eenvoudig en logisch is het uit te schrijven in nullen en enen. “Ik ben en ik denk; wij zijn straks. Zijn! / Wij zijn straks en dan ben ik wellicht niet.”

    Elektrobloem. Tekst en illustraties Daniël Labruyère. Uitgeverij crU, 1e druk 2022.

    Daniël Labruyère, dichtbundel, Uitgeverij crU
  • Krabbendams’ godsspraak in “Eurynome spreekt”

    Tja, ik had het kunnen weten. Ik ben gewaarschuwd. De auteur heeft mij zijn nieuwe bundel gestuurd met de aankondiging van het onheil voorin, als gesigneerde opdracht: “met veel verdwaalplezier daarbij”. En inderdaad, ik was het spoor snel bijster. Maar in paniek raakte ik geenszins toen de weg kwijt was geraakt. Het is een genot niet meteen de betekenis te weten en de bedoeling te kennen van de woorden die ik lees. Een diepere grond te vinden, een dubbele bodem, een gelaagde compositie. Want er steekt meer achter de door Adriaan Krabbendam in zijn “Eurynome spreekt” gerangschikte woorden dan op het eerste gezicht en zelfs na tweede lezing gedacht, van kaft tot kaft.

    Het is een bundel poëzie om bij je te dragen en tijdens een verloren ogenblik of een onbewaakt moment in te zien, te lezen en te begrijpen. Het zijn geen gedichten voor een enkele dag, bestrijken meerdere momenten dan een korte aandacht. Een bundel om te bezitten, bij me te houden. De woorden te koesteren om deze in te laten dalen. Te laten landen in de geest. Het is een zinrijk dwaalspoor. In betekenis met meerdere dimensies. Maar voortdurend met een plezierige ondertoon, een plaisanterie, schertsende spot op het leven.

    Leidraad

    Een boekje om in de binnenzak te dragen, bij wijze van spreken. Op je hart te drukken wanneer het leven ondraaglijk wordt. Met de scherpzinnige geestigheid waarmee Krabbendam zijn blik verwoordt breekt al snel een zon door donkere wolken. Wil ik eens verdwalen wanneer de dag te helder lijkt, dan pak ik de bundel erbij en onderhoud het als een dagboek. Niet om mijn eigen ervaring op schrift te stellen, maar om des dichters beleving te doorgronden. Een moment ergens anders zijn dan dat je op dat ogenblik bent. Even zwerven in het zijn door te gaan in wat was. Het werkt verkwikkend. Krabbendam is mijn leidraad om met andere ogen in mijn wezen te kijken.

    Adriaan Krabbendam, Uitgeverij CrU, poëzie

    De bundel is een dierbaar schrift geworden, een soort van bijbel om het leven niet al te serieus te nemen. Maar van de andere kant ook wel weer de ernst van de zaken in te zien. Daarvoor haalt Krabbendam denkers aan die voor hem al diep hebben nagedacht. Hun hersenspinsels hebben ontragt en daardoor met wijze quotes uit het web tevoorschijn zijn gekomen. Daar heeft de dichter iets aan en hij citeert deze uitspraken met passie terwijl ik zijn poëtische woorden, geïnspireerd op de regels ooit gelezen, kan gebruiken zoals hierboven omschreven.

    Hetzelfde hout

    Sommige van die aanhalingen geven voor mij herkenning, andere neem ik op als onbekende waarheden. De wereld bekeken zoals ik de aarde nooit dacht te zien. De regel van Roger Waters neurie ik zo mee, het album Ummagumma van Pink Floyd heb ik lang gekoesterd als zijnde het beste wat de underground band van toen in mijn beleving heeft gemaakt. Wij zijn uit hetzelfde hout gesneden, van eender jaar van ontstaan. Adriaan en ik. Misschien dat daarom zijn woorden mij raken, omdat de golflengte van het leven schijnbaar dezelfde is.

    Adriaan Krabbendam, Uitgeverij CrU, poëzie

    Krabbendam leidt mij in zijn gedichten stappen terug naar en door de klassieke oudheid. De titel van de bundel zegt dat al. De waternimf Eurynome vertelt over haar plek in de Griekse mythologie als dochter van Oceanis en Tethys. De vrouw van Ophion. Zij voedde de Gratiën op. Maar zij kan even goed één van die andere vrouwelijke gedaantes zijn. Dochter van koning Nisus van Megara of de moeder van Leucothoe of de vrouw van Lycurgus van Arcadië, dan wel één van de bedienden van Odysseus’ vrouw Penelope. Het is net als in de wereldreligies dat het geval is, een hoger goed met meerdere aliassen: God aka Allah met de bijnaam Shiva. Voor mensen een universele waarheid, voor anderen een fabelleer. Ik leer mijn plek in de bundel kennen.

    Dansend over de zetspiegel

    In zijn zinnen komen de woorden voor mij tot leven. Ik krijg het beschreven moment voor ogen. Eerst in schemer, maar later helder. “de zon staat weifelend / over een verre berg gebogen” Beeldend poëtische beschrijvingen, lyrische taal. “je schouderbladen spiegelen je borsten” Hoe aanschouwelijk wil ik het als beschouwer hebben. In diverse poëziestijlen bouwt Krabbendam zijn gedichten op. Van schijnbaar klassiek tot voluit experimenteel. Maar telkens gaan de woorden, die uitdrukkingen suggereren, dansend over de zetspiegel. Eerst zijn het biografische teksten die het drukken halen, maar onderweg door de bundel – op pad om mij uiteindelijk op de grasgrond van Vincent van Gogh neer te vleien (want een viertal kunstwerken illustreren de tekst), steekt de mythologie de kop op en laat Eurynome van zich horen.

    Adriaan Krabbendam, Uitgeverij CrU, poëzie

    Zij, Eurynome, is de spreekbuis van Krabbendams’ gedachten. Zij verwoordt wat hij denkt. In eigen zinnen bekijkt de dichter de wereld, het leven. Al krachtig genoeg, maar met de nimf op zijn schouder wordt het van alle tijden, elke plaats, door de eeuwen. Niet alle letters die woorden vormen – hoe is het mogelijk dat maar 26 karakters zoveel (w)aarden kunnen maken – niet alle vormen beelden letterlijk een onderwerp. De dichter strooit met synoniemen, wat de, in dit geval zijn, taal levendig en spraakmakend maakt. Ik zou willen citeren de woorden die hij aaneen heeft geregen. Want het moet gelezen, dat spreekt. Verzen dartelen over de pagina’s, maar woorden ordenen zich ook in een lange ononderbroken reeks tot een soort van bezwerende toverspreuk. De wisseling van stijlfiguren, enjambement, liedopbouw, rijmafbraak en dichtindeling geven de Krabbendam-poëzie een frisse persoonlijke uitstraling.

    Adriaan Krabbendam, Uitgeverij CrU, poëzie

    Het “Vraaggesprek met de zanger” is dan een vreemde eend in de bijt, een verhaal in interviewstijl, een schets voor een cabaretduo met scherts. Zo zal ook “Rond het nachtelijk ven” zomaar een filmscene kunnen zijn. Een opzet waarin Eurynome in dialoog is met collega-godinnen. Het maakt de bundel speels en amusant. Proza speelt boompje verwisselen met de poëzie. De dichter is tikker en wint altijd. Ondertussen slaat Krabbendam zijn dagboek open om de tijd te doden. In zijn boek van de dag omschrijft hij herinneringen en de toekomst ineen. “Alles wat ik ken en vergeten ben is om me heen. (…) Ik ben vergeten dat ik vergeten ben…

    Deze surrealistisch gedichte gedachten staan boven de werkelijkheid, in vogelvlucht beschrijven zij suggestief de realiteit. De verbeeldingskracht is losgemaakt van het verstand en de logica. Mijn onderbewustzijn maakt daarmee van de illusie een waarheid. Een wezen dat tussen de regels door gelezen kan worden. Te lezen is. “in de klamme mensenzaal / ligt een glanzend bloedkoraal / vangt des mensen vrees / in een hees & hard onthaal: / / op het koude blok graniet / in des blauwen nachts verschiet / zingt haar welig vlees / man ga heen en sterf nog niet

    Eurynome spreekt. Poëzie van Adriaan Krabbendam. Uitgeverij crU, 2022.

    Adriaan Krabbendam, Uitgeverij CrU, poëzie
  • Anders kijken en opnieuw leren lezen

    Onwillekeurig probeert het oog houvast te vinden. Poogt de blik figuratie te ontdekken in het abstract aangereikte beeld. Maar eigenlijk gaat het in de mij voorliggende bundel GRENZELING van Sven Staelens alleen maar om het kijken zonder te kennen. Als lezer moet ik evenwel moeite doen het woord te lezen in een vrijwel onleesbaar lettertype. Hierover later meer, daar ik eerstens door de beelden een verhaal vermoed, zonder de vormgeving van de taal te doorzien. Maar zie ik dan opeens wat ik lees, weet ik ineens de letters. Dat is zo’n euforisch moment, als wanneer ik de oplossing van een cryptische vraagstelling ontdek nadat ik me er dagen op blind gestaard heb.

    De woorden zijn typografisch in de beelden gezet. Het vergt dus gedegen bestudering om uit dit mysterieuze schrift een leesbare taal te cijferen. Maar het oog zoekt dus houvast, de blik ontdekt gaandeweg een handvat en ziet een kapstok, een ingang. Is eenmaal het alfabet adequaat geletterd dan kan de poëzie van Sven Staelens gelezen worden. Het is een doorzien om het schrift te doorzien. Deze uitgave is daarom geen vlugschrift om even op een verloren achternamiddag bij de thee door te nemen. Het is zaak van concentratie, een aandachtig zien om voluit te kijken. Of zoals de dichter in zijn voorwoord helder schrijft: “… gooi alles open. De grenzen van de taal, opdat we haar niet dreigen te verliezen. De grenzen van de verbeelding, omdat een open blik de enige is waardoor we echt kunnen kijken.”

    Wat is menselijk en waar houdt menselijkheid op

    GRENZELNG heet een bundel te zijn in de categorie poëzie. Het wordt als zodanig ook aangeboden in de Poëzieweek 2022 van uitgeverij crU – het poëziefonds voor axiomatische poëzie van dichter/uitgever Nanne Nauta. Maar het werk dat auteur Sven Staelens ervan heeft gemaakt houdt het midden tussen woord en beeld, spraak en grafiek, werkelijkheid en fantasie, nuchter en emotioneel. Met een universeel onleesbare taal. Het is gesproken en opgeschreven, je ogen zien wat je oren wel horen maar niet verstaan. Onleesbare kreten, een onduidelijke stem. In schrift even onnavolgbaar als de onbekende spraak. Het is Chinees voor mij, it’s Double Dutch, graecum est non legitur, welhaast lorem ipsum.

    Grenzeling is dus de naam. Onder die titel bestudeert Staelens de impact van onnatuurlijke barrières en nodigt mij uit om grenzen open te gooien. Uit mijn vakje te komen, mijn comfortzone achter me te laten. Ik vind mijn persoonlijke beperking in het kennen, het beheersen van de zichtbaarheid. Staelens zoekt zijn eigen taalgrenzen, de kaders van de spraak. Die grenzeloze spraak loopt letterlijk als rode draad door het beeld. De tekende dichter tast af en onderzoekt grenzen, wat is leesbaar en wat is dat niet. “Wat is leefbaar en wat is dat niet”, voegt hij in een videoboodschap daaraan toe (https://youtu.be/RSGTnhcOf0g). “Wat is menselijk en waar houdt menselijkheid op.” Want vooral is GRENZELING bedoelt om een indringende blik te werpen op misstanden rond migratie.

    Sven Staelens

    Het veelzijdige figuur de grenzeling in het gefantaseerde beeldverhaal loopt tegen obstakels aan. Muren rond zichzelf opgetrokken als bescherming. Barricades door anderen geplaatst om de grenzen zoekende grenzeling te kaderen, tot het uiterste te dwingen in het eigen vak cq op het eigen land te blijven. Grenzen door de overheid bepaald om alles in de voor hen juiste banen te kunnen leiden. Schuttingen tussen mensen om vooroordelen te behouden en bewaken. Heggen bepalen het mijn en dijn. Deuren met sloten waarvan de sleutel meestentijds kwijt is (geraakt).

    Grafische beelden ondertiteling gedrukte woorden

    In de bundel maakt Staelens voor zijn verhaal gebruik van bewerkte afbeeldingen en tekeningen. Een deel van de tekst is geschreven in asemisch schrift. De in tekstballonnen gedrukte ‘hanepoten’ hebben geen betekenis anders dan dat ze een emotie uitdrukken. De spraak is fluisterend zacht en schreeuwend luid, hoorbaar en leesbaar maar onverstaanbaar en onbegrijpelijk. De tekst in de vertelkaders is helder Nederlands, maar staat evenwel in een lettertype dat moeilijk te ontcijferen valt. De cryptische omschrijvingen vragen heldere oplossingen, die hun illustratie vinden in de tekeningen. Deze grafische beelden zijn de ondertiteling van de gedrukte woorden.

    Sven Staelens

    Dat woord van de grenzeling is een beeldtaal, die spraak een uitgeschreven onzegbaar verhaal. Letters die communiceren met grafische elementen rondom. In het schrift van de grenzeling bestaat geen grens tussen beeld en woord. Schepper Staelens zet de grenzeling m/v niet in een hokje, heeft geen vooroordeel en laat hem/haar niet zwemmen in een eigen wereld. In beeld lijkt de grenzeling een vluchteling te zijn, die op drift is geraakt door beperkingen. Overal vindt hij/zij zijn/haar grenzen, op geen enkele mat staat ‘welkom’. Hij/zij gaat daadwerkelijk het gevecht aan met het onmenselijke in de mens, de grens van de mens. Met de wil om eenstemmigheid te bereiken, het opengooien van de grenzen. In een schijnbaar harmonieuze wereld passen echter geen zonderlingen, geen uitzonderingen op de regel. Die heersende regel waar een ieder democratisch mee akkoord is gegaan. De grenzeling als symbool voor de stateloze zwerver. Weggegaan om ergens aan te komen, maar nergens plek vindt omdat de grenzen te dicht en de zeeën te hoog zijn.

    Grenzeling, beelddichtbundel van Sven Staelens. Uitgeverij crU, 2022.

    Sven Staelens, Uitgeverij crU
  • Harry van Doveren slaat een plank met zijn woorden

    Ik dacht de dichter in gedichten. Een Duitser Nederlands geboekstaafd. In rijmende regels toneel geschreven. Joost zal het weten. Dacht ik, toen ik de envelop die in mijn brievenbus stak – fijne post – openscheurde en er een lichtgroen boekje met blauwe figuratie uitviel. ‘vondel’ staat op de omslag in gepunte letters. Dus ik dacht. Ik kon alleen maar denken. Denken aan de mij enig bekende definitie van vondel. In onderkast stond het er en even verderop met hoofdletters: VONDEL, maar nergens als naamaanduiding. Ik had het moeten weten, dus.

    De vondel van Harry van Doveren is een bruggetje over de sloot, over het ravijn, over een leegte. Een losse plank als metafoor voor de arm waaraan een uitgestrekte hand zit om mijn emotie te raken. Zoals de wijzende vinger Gods die Adam tot wezen maakt in de wandschildering van Michelangelo, de schepping. Door dit boek tussen hem en mij te plaatsen, heeft Van Doveren een brug geslagen tussen zijn en mijn gedachten. “verstaanbaarheid begint bij een plank over een sloot” Daarmee legt hij verbinding tussen zijn gedichten en mijn gedachten. En dat vondel de achternaam is van die grootste schrijver en dichter uit de Nederlandse taal is een bijvangst, maar in dit geval onbelangrijk.

    Abstracte betekenissen

    In zijn poëzie probeert Harry van Doveren mij te vangen in zijn kooi waarvan de spijlen dromerijen en begoochelingen zijn. Ik sla het boek open en daarmee gaat de kooi dicht, ik zit gevangen achter tralies van woorden die zinnen maken en verzen vormen. Ik eet woordzaad, verteer zinnoten, voed mij met de gedichten. Het is geen gemakkelijke kost die ik krijg voorgeschoteld. Niet licht verteerbaar. Ik moet goed kauwen en later nog eens opboeren en herkauwen. Willen de dichtregels mij bezielen en verzadigen. Daarom lees ik eerst, overdenk, bepeins, een tweetal of kwartet dan wel octade aan verzen. Leg de bundel van mij af en pak het later weer op. Lees eens over en weer verder.

    De toon is niet meteen gezet bij de eerste maten. In vrije en dynamische verzen worden abstracte betekenissen beschreven. Duidelijkheden die bij de dichter in herinnering zijn. Hij schrijft ze van zich af om ze kwijt te zijn, naast zich neer te kunnen leggen. Zo, dat was en is geweest. Voorbij, klaar. De spin in zijn hersenspinsel heeft mij als prooi, wentelt me in het rag van zijn woorden. Laat me een tijdje hulpeloos bungelen aan een zijden draad tussen begrip en niet begrijpen, om daarna mijn gedachten leeg te zuigen. Want dat is wat het is, ik zal mij overgeven aan deze fantasieën die evenwel op waarheid berusten. De schijnbeelden, de illusies en verzinsels, blijken naderhand visioenen. Het fantoom, de chimaera, doemt langzaam op uit de nevel van letters en woorden, en zet zich neer in duidelijkheid. Komt de gestalte in het licht, krijgt het figuur een omlijning, dan openen mijn ogen en kijk ik in de wereld van Van Doveren, zie en doorzie zijn theorie in praktijk gebracht.

    brug

    Het is geen bundel om op het nachtkastje te leggen en voor het slapen gaan nog even wat te lezen. Om, wanneer ik de slaap niet kan vatten, de nacht maar niet wil indalen, het boek te openen en enkele verzen tot me te nemen als slaapmuts. In de hoop dat mijn oogleden zich sluiten en ik wegzak in droombeelden. Juist blijf ik klaarwakker bij de gedichten in vondel. Het zet mijn geest op scherp, want ik moet bij de les blijven om zijn gedachten – die van de dichter – bij te houden.

    Verwachtingen en doelen

    Niet alleen de werkelijkheid slaat Harry van Doveren op in zijn gedichten, ook wat achter die waarheid rondwaart schemert erin door. Hij schrijft zichzelf erdoor vanaf. Zijn eigen verwachtingen en doelen kan hij wezenlijk maken. Zijn behoeften bevredigen om niet gefrustreerd te raken. Zijn leven is er opgetekend in tabellen en overzichten, letterlijk. In de lege regels en open vakken kan ik dan mijn eigen wezen aanvullen en intekenen. De plaats ervan berekenen in procenten, de curve van het bestaan. Zo hebben wij – Harry en ik – samen iets gemeen, alleen al doordat ik zijn bundel opensla en lees. Het is zijn gedrukt gedachtengoed. Het schept een band om zijn innerlijke uitingen te beleven. Mij te begeven in zijn gedachtenwereld. Die hoeft niet te rijmen, daarmee niet een hogere lyriek aan te spreken. Als het maar past in mijn beleving, dan is het een belevenis de abstracte bedenkingen te herkennen en te onderkennen.

    brug

    Het is zijn geschiedenis die zich voor mij opent, wanneer ik serieus luister naar wat ik gelezen heb. De woorden weeg, niet om ze van me af te schuiven omdat ze te licht bevonden zijn. De woorden wegen namelijk zwaar, want beschrijven het wezen van die ander en vervliegen dus nooit in mijn vergetelheid. Ze houden de aandacht, leggen de concentratie vast. Zit ik in een gedicht, is de andere wereld – die van mijn alledag – onbereikbaar en niet langer of korter van hier en nu. Van Doveren slokt mijn blik op met zijn zienswijze op zijn eigen wezen. Het is zoals zijn uitgever schrijft, precies zo: voor wie meer verwacht van een poëziebundel dan dat je deze na eenmaal lezen volledig begrepen hebt. En nog nu ik dit schrijf is het me niet zonneklaar, maar duistert de maan het licht.

    Happen naar adem

    Van Doveren heeft creatieve gedachten die experimenteel vorm krijgen in de axiomatische gedichten. Bewijzen vind ik er niet in, maar neem de stellingen aan voor waarheid. Kennen doe ik de man niet, maar maak hem eigen door zijn woorden. Wanneer ik maar aandachtig ben, hem in de poëzie de hand wil schudden. En kom ik verder in de bundel – hem wil omarmen, een hand op de schouder, een samenzijn. Voor de duur van 100 pagina’s en daarna, wanneer ik de bundel net geschoven heb tussen andere boeken op de plank, de gedachten bij de woorden blijven, nog even worden vastgehouden omdat ik ze bewust moet overdenken. Ze dalen in, heet dat. Dalen in in mijn gedachten. Ik proef ze en ze smaken goed.

    brug

    Het boek laat zich opdelen in een zevental containers. Vakken waarin de gedichten passen, als het ware bij elkaar horen zoals onderwerpen in een hoofdstuk gerangschikt. Naarmate ik het slot nader worden de gedichten meer abstract. Verdwijnt het karakter van Vondel en wordt vondel de springplank om in de taal te springen en te verdrinken wanneer Van Doveren me geen zwemband toegooit. In eerste instantie laat hij me watertrappelen, happen naar adem wanneer ik me boven de waterspiegel weet te werken. Vooral in het krappe museum en het taalsupplement vervreemd de taal zich. En in de 7e opslag is de taal helemaal wars van het communicatiemiddel om een boodschap over te brengen. Letters lijken verdwenen, worden door mijn gedachten aangevuld. Op aanwijzingen, aan de hand van de schrijver, word ik door het woordendoolhof geleid om te eindigen in de ruimte met spiegels. Spiegels waarin ik mezelf vind. Lachspiegels waarin mijn lijf allerhande vreemde vormen aanneemt, mijn gezicht tot een grimas maakt waar vooral de buitenwereld bij grinnikt.

    brug

    In de werken van Van Doveren kan ik mezelf vinden, vandaar ook dat het me onweerlegbaar aanspreekt. Nog eens lees ik “wist Brakman van de luierwas”, en weer herken ik “museum-ontwerpfase – 1”. Zie Harry in “– beginnersfouten bij het schrijven” en vind mezelf “aangetroffen in de ladenkast voor gevorderden”. Een persoonlijke geschiedenis die door deze bundel ‘vondel’ universeel is geworden en iedereen kan aanspreken. Maar die ieder moet dan wel meegaan in het ritme van de tijger, in slecht onderhouden relaties en kunnen afsluiten met drie grijze hoekvormen die delen met A punt plus. Als een cryptische rebus van Dr.Denker waarover je langer puzzelt dan op een namiddag met een glas warme groene thee. Harry van Doveren omschrijft het leven, zijn wezen, cryptisch, duister en met verborgen woorden. Dat komt goed uit, want ik ben gek op cryptogrammen.

    vondel, axiomatische poëzie van Harry van Doveren. Uitgeverij crU, 2021.

    Harry van Doveren
  • Woorden als passende jas om beeldende lichamen

    Om een schilderwerk te kunnen doorgronden moet ik erin gaan wonen. Mij door de compositie laten opnemen, versmelten met het schilderij. Me laten leiden langs de lijnen en verfstreken die de schilder heeft getrokken. Zwerven in de vlakken, maar oppassen er niet in te verdwalen. Want dat kan gemakkelijk, vooral bij de abstracte kunst. Dat ik zo dwaal en dool in de expressie dat ik niet meer weet waar ik ben. De plek van het hier en nu kwijt ben. Van de andere kant gezien is dat een compliment, want dan heeft de schilder een doel bereikt. Heeft ervoor gezorgd dat ik zo in het werk zit dat ik de uitweg niet meer weet. Het boeit, houd me vast. Grijpt mij, het laat me niet meer los.

    Voor de bundel “Lijfsbehoud” is dichter Peter van Lier in het door hem uitgekozen werk gaan zitten. Bij wijze van spreken. Heeft zich zo lang door het werk laten bekijken, dat zich er als vanzelf woorden hebben gevormd. Niet hij was de toeschouwer, maar het werk keek naar hem. Liet hem toe en Van Lier kon daaraan zijn literaire beelden geven. Het werk leidde hem door het beeld in de ruimte van de fantasie. Het nodigde hem uit zijn klanken te voegen bij hun kleuren.

    Dansende woorden

    Zoals het abstracte werk van de vier kunstenaars die hem integreerden niet gemakkelijk zijn te betreden, zo is zijn poëzie niet eenvoudig om te lezen. In de compositie die is ontstaan uit schilderij en gedicht, een nieuwe schepping, moet ik als lezer van de bundel gaan wonen om het mijn huis te maken. Het beeldend kunstwerk is opgenomen in de over het papier dansende woorden. Het is eigenlijk het hart ervan geworden. Die woorden verklaren het werk niet, maar geven er een andere inhoud aan. Misschien niet die duiding van de kunstenaar zelf, maar de ervaring die de dichter heeft bij het kijken.

    De schilderijen hebben het een periode na voltooiing zonder de doordachte woorden kunnen doen. Maar na nu zal ik deze werken van Arjan van Es, Machteld van Buren, André de Jong en B.C. Epker niet meer zonder deze dichterlijke vrijheid kunnen zien. Wat was er eerder, de kip of het ei. Het is hier duidelijk dat de kip er was voordat het ei werd gelegd. De beeltenis gevormd in het schilderij was er al voordat de woorden eraan werden gegeven, het een totaalbeeld werd. Maar de jas past het lichaam. Is niet te groot en niet te klein, sluit perfect aan als een maatpak. Het omhulsel is haute couture.

    Peter van Lier, André de Jong, poëzie

    Lijfsbehoud is een actueel gegeven. Wij worden op de proef gesteld door virtuele, virale, economische en klimatologische zaken. We doen er goed aan om onder alle omstandigheden zo menselijk mogelijk in leven te blijven. Lijfsbehoud is een levenskunst. Het redden van het eigen leven, daarvoor heb je ook een omgeving nodig die daar belang bij heeft. Het spreekt creatieve vaardigheden aan om jezelf met eventueel hulp van anderen uit lijfsbedreigende situaties te helpen. Ook Peter van Lier reikt de helpende hand. Zijn woord- en beeldgedichten tonen dreiging en bieden uitzicht. “een land van kaalslag / en telkens bottend / om het even” en “kus uit / lijfsbehoud / duchtig” of “grondsporen / zijn (naar vermogen) / altijd gul

    Samenspel van zintuigen

    De woorden zwermen om het beeld. Vullen het beeld aan, daar waar het kader de beeltenis afsnijdt. Met werkwoorden slaat de dichter me om de oren. Ik moet me concentreren, gespitst blijven op beeld en woord. Werken om mijn gedachten in beeld te krijgen, in te blikken. Het dichten lijkt soms te zweven, gaan mijn ogen tussen mijn oren zitten. Zie ik scherper wanneer ik de woorden hardop uitspreek en terug hoor. Het is een samenspel van zintuigen. De ogen zien het beeld, de oren horen de woorden, nadat de mond de letters heeft geproefd.

    Peter van Lier, B.C. Epker, poëzie

    In Museum Belvédère hangt werk van de vier genoemde kunstenaars. Enkel de werken van B.C. Epker, uit de serie Dutch Constellations, vind ik terug in één van de kabinetten. Er is zelfs een heel kabinet mee ingericht. Van de overige kunstenaars is ander werk zichtbaar. Een drietal lijnportretten van Ajan van Es, twee abstracte portretten van André de Jong en één groot schilderij van Machteld van Buren uit de vaste collectie van het museum. Voor de kunstenaars geen probleem, maar voor de lezer van de bundel een misslag. Op hem (of haar) wordt nu een beroep gedaan zelf met woorden aan de slag te gaan om het getoonde werk te duiden. Peter van Lier geeft een voorzet. Ik probeer met mijn poëtische kennis, opgedaan in de bundel, klinkende klanken aan de werken te geven. Zo kan “Lijfsbehoud” naast dichtbundel ook nog handboek zijn om anders naar kunst te kijken. Kunst geen verhaal geven, het niet historisch te duiden. Maar kunst woorden geven, een eigen gevoel uit te drukken.

    Dichtbundel “Lijfsbehoud”, woordgedichten van Peter van Lier bij beelden van B.C. Epker, André de Jong, Machteld van Buren en Arjan van Es. Uitgeverij crU, 2021.

    Peter van Lier, poëzie, Uitgeverij crU
  • Het wereldgemiddelde aan klanken in woorden uitgeschreven

    Het is helemaal niet zo gek om je hoofd eens helemaal leeg te maken. Niet met meditatie of mindfulness of ander hoog gegrepen zweverig hulpmiddel. Gewoon normaal woorden van je af schrijven. Alles wat maar aan woordbeeld in je opkomt. Wat je kunt bedenken, dus wat er in je hoofd zit en is opgeslagen. Want hoe langer ik leef des te meer klanken heb ik opgevangen en onbewust bewaard. Ben ik veel bereist, heb ik nogal wat van de wereld gezien, dan zijn er wezensvreemde en buitenlandse klanken binnen gekomen. Die hebben alle een plek gevonden in laatjes en kastjes, op plankjes en schapjes van mijn bovenkamer. Het hoofd zit er vol mee en soms staan de hersenen op springen, moet het eruit.

    Harry van Doveren is op zo’n punt in het leven geraakt dat zijn hoofd leeg moet. Om als dichter nog melodieus lopende poëzie te kunnen maken, hebben eerst de woorden en klanken die in de weg zitten een uitgang moeten vinden. Dat heeft geresulteerd in de bundel “Wereldgemiddelde”. Zelf zegt hij hierover: ‘Om volledig geconcentreerd te kunnen schrijven aan een roman is het nodig om de gaande dingen van de dag aan de kant te zetten. Het vuile tafeltje moet eerst opgeruimd alvorens er gewerkt kan worden. Deze bundel is het resultaat daarvan. Drijven op klank en stoppen zo gauw het denken de kop op steekt.

    Iets dat er niet is

    Voor de lezer is het geen fastfood, maar krachtvoer. Geen makkelijk verteerbare kost, want nu is mijn hoofd nog meer gevuld met woorden die mij voorheen compleet onbekend waren. Het is een (over)belastend boekje derhalve.

    Niet alleen schrijft Van Doveren bekende woorden op, ook zitten er in zijn hoofd klanken die op woorden lijken wanneer ze op papier staan. De woorden hebben geen betekenis als zodanig en zijn onbewust opgeborreld uit het bewustzijn. Ik koppel betekenis aan klank, maar die bedoeling is er niet, de schrijver heeft er geen inhoud aan gegeven. In het abstracte verhaal zoek ik zin en reden, maar ik moet het aanvaarden als non-informatie zonder meer om het te begrijpen. Zoals het in een abstract schilderij niet om de betekenis van de voorstelling gaat, maar om de kleurcompositie, de kleurklank. De vlakken en lijnen kun je bezien als vlakken en lijnen zonder er iets achter te zoeken, omdat dat iets er niet is. De manier waarop de vlakken en lijnen in de compositie staan laat mij automatisch denken over betekenis en aan voorstelling. Mijn beleving in de verbeelding. Aldus vergaat het de woorden en letters van Harry Van Doveren ook. In zijn compositie “Wereldgemiddelde” merk ik vertrouwde klanken op, woorden waarmee ik op de hoogte denk te zijn. Ik moet weten wat de betekenis achter de woorden is om er een vinger achter te krijgen, het te begrijpen. Mijn verstand zet me daartoe aan. Maar dat hoeft helemaal niet. Het is niets en daarmee alles.

    Kop noch staart

    Als mens communiceren we met elkaar door klanken over en weer te maken. Voor degene die de klanken kennen zijn het woorden en is het een taal. We hebben ons (aan)geleerd daarvan lopende zinnen en uitdrukkingen te maken en die te begrijpen. Voor ons lijkt het Chinees bijvoorbeeld een reeks onherkenbare klanken waar kop noch staart aan te vinden is. Maar een Germaanse taal klinkt ons dan weer wel bekend in de oren, terwijl het oor overzee er geen touw aan vast kan knopen.

    Harry van Doveren, Uitgeverij crU

    Zo heeft Van Doveren dus klanken opgeschreven. Met letters in woorden. Losse woorden. Een hele reeks die grafisch correct in een enkele kolom op de pagina zijn gezet. Het schijnt eerst een ondoordringbare muur, een dikke brei van woorden. Maar wanneer ik me er op concentreer en me de blik dwing orde te scheppen in de chaos, komen er bekende woorden boven drijven.

    Klanken zijn universeel

    De woorden staan op zichzelf. Zonder betekenis, zonder verleden. In het hier en nu. Ik lees en hoor de klank die zich in mijn mondholte vormt en uitstoot. Mijn verstand moet op nul, want het gaat alleen om de toon. Ik kan er geen betekenis aan hechten, hoewel dat wel is ingebakken door opvoeding en onderwijs. Het is niet gemakkelijk de verbeelding bij een woord uit te schakelen. Maar om het wereldgemiddelde te begrijpen moet dat wel. Lukt me dat, dan versta en begrijp ik voortaan elke wereldtaal. Komen die klanken me bekend voor, zonder oorsprong en verleden te kennen en het stoffelijke dan wel emotionele figuur voor ogen te hebben. Klanken zijn universeel, begrip komt in de situatie: waarom hoor ik deze klank nu en hier.

    Het heet een dichtbundel te zijn, maar de fervente lezer van poëzie zal dit boekje ver van zich afgooien en ergens achterin de boekenkast wegschuiven. Later op de rommelmarkt vind ik het terug. Al bladerend blijkt dat dit meer is dan poëzie, van een hoger goed dan het rijmende gedicht. Dat Van Doveren alleen deze bundel heeft vol geschreven om zijn hoofd leeg te maken, daarmee zou ik hem tekort doen. Want wil niet iedere schrijver dat. Schrijft de schrijver een boek uit om het hoofd schoon te maken van de gedachten. Om dit stukje te schrijven raken mijn gedachten niet uitgedacht, ik grijp naar het papier om de bedenksels neer te zetten en er later een leesbaar verhaal van te maken. Het blijft rondspoken zolang totdat de laatste punt is gezet. Van Doveren heeft achter ieder woord een punt gezet. Zo dat is eruit. Opgeschoond. Af. Weg. Verlost. Korte woorden, nauwelijks meer dan twee lettergrepen. Geen samengestelde klanken. Even een doorbreking van de stilte. Het is goed de tekst in de bundel luidop te lezen. Dan komen de klanken binnen en vormen de woorden zich. Dan blijkt dat de woorden niet zomaar zo zijn afgedrukt. Er zit wel degelijk een bedachte gedachte achter. Hardop lezend blijkt dat er ritme is, dat klanken bij elkaar passen, dat het een groot meerstemmig koor is. Dat ieder woord in deze immense compositie juist klinkt en niets uit de toon valt of vals klinkt. De kracht overrompelt. Komt als een tsunami, een vloedgolf over me heen. Ik zwem tegen de stroom in en kom strijdend boven. Het is een hele kluif, maar met een goede smaak.

    Dichtbundel “Wereldgemiddelde”, poëzie met prozaïsche narede van Harry van Doveren. Uitgeverij crU, 2020.

    Harry van Doveren, Uitgeverij crU