Categorie: Diversen Boeken

  • Een vergeten schipbreuk centraal in de kunst

    Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in menigte af kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk van de twee bij ons zijnde schepen, wegens gebrek een leeftogt, werden ingezouten. De zoodanige, die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch niet onsmakelijk, maar na verloop van twee dagen, ging hun het vel in den mond en van den tong als mede op andere plaatsen van het ligchaam en van handen en voeten af.” Bij het lezen van deze passage uit het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat kreeg Dolph Kessler kippenvel op meerdere plaatsen van het lichaam. Mij lopen de rillingen over de rug wanneer ik het dagboek in bewerkte vorm naar 19e eeuws Nederlands verder doorlees.

    Hidde Dirks Kat, Egbarta Veenhuizen
    De jacht op een walvis. Tekening: Egbarta Veenhuizen (315 x 170 cm. / 2016).

    Het boek waarin dat ‘Dagboek van eener reize ter walvisch- en robben-vangst gedaan in de jaren 1777 en 1778’ staat afgedrukt, vond ik in de vitrine bij de presentatie van Egbarta Veenhuizen in Museum Belvédère. Daar had de kunstenaar tot voor kort een kamer ingericht met werken geïnspireerd op haar verblijf op Groenland. “Tijdens een reis in het voorjaar van 2015 naar Groenland sloten wij (…) dat land in ons hart”, schrijft Kessler. Een plek die tot de verbeelding spreekt, op dit moment eerder hot dan cool. Een half jaar later ontdekte Kessler bij toeval het dagboek van de walvisvaarder. Hij raakte in de ban van Hidde Kat. En ook partner Egbarta Veenhuizen liet zich inspireren door de 18e eeuwse dramatiek.

    Groenland, Egbarta Veenhuizen
    Installatie “Groenland” van Egbarta Veenhuizen in Museum Belvédère.

    Veenhuizen heeft mij gevraagd haar kunstzinnige doen en laten met betrekking tot Groenland, in museum en atelier, filmisch vast te leggen voor een door mij te maken internationale video van het project. Om met huid en haar in de materie op te gaan, leek het mij verstandig het boek dan maar te lezen, dat beschikbaar kwam toen de tentoonstelling werd uitgeruimd. En het blijkt ook mij aan zich te binden. Niet alleen door de spanning van het huiveringwekkende avontuur, ook de gedetailleerde beschrijving van het leven en werken van de ‘wilden’ en de eigen gevoelens en angsten van Kat boeien mateloos.

    Bijgeschaafde tekst

    Het door Wijdemeer in 2018 uitgegeven boek heeft als kern het journaal van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat. Het verhaal is een van de inspiratiebronnen voor Veenhuizen om de bewoners van Groenland en hun historie te betrekken bij en in haar kunst. Tegelijkertijd schiet Dolph Kessler met de fotocamera in de aanslag een grote serie platen van de omgeving aldaar en de bewoners van Groenland. Het dagboek werd onderdeel van een project in het culturele hoofdstadprogramma 2018. De schrijver Kat is dan ook van verschillende kanten tegen het licht gehouden. Het dagboek is literair doorgenomen. Er is onderzocht waarom het pas 40 jaar na de scheepsramp van 1777, in het jaar 1817, wordt uitgebracht. Het past in een tijd dat historisch waargebeurde verhalen hoog worden geacht en dat het verhaal als lering en vermaak voor schoolkinderen kan dienen. De scherpe kanten worden echter van het origineel afgehaald. Het wordt herschreven in de spelling van die tijd en niet in het ouderwetse Nederlands van Kat.

    Titelblad 1e uitgave dagboek Hidde Dirks Kat, tekening Egbarta Veenhuizen

    De passage op 7 oktober “de Klok 9 uur gingen wy met ons 49 Man weg, twee bleeven in de Sloep leggen, die niet gaan konden, de eerste dag verdronken daar verscheiden van het Volk by ons, ik zelfs raakte 2 maal tussen de Schotsen, en over het Hooft toe nat, maar kreegen my weer, moesten toen met die natte Kleeren loopen…” wordt in het dagboek van 1818: “Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen, geraakten, door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het water, verdronken, en werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf geraakte tweemaal van het ijs af, doch werd telkens weêr opgehaald en gered door de twee haken, vóór dat het ijs zich weêr toesloot, en moest zoo met mijne natte kleederen al den volgenden tijd gaan, hetwelk mij ongemeen verzwakte.” De taal van het hart wordt overmatig omgeven met dramatiek, alsof het een script geworden is voor een rampenfilm of avontuurlijke opera.

    “Des kreegen wy zo een hoge Zee”

    Het is de meest vergeten schipbreuk uit de vaderlandse geschiedenis. Maar met het opzetten van het project en de verschijning van het boek proberen de samenstellers deze vergissing recht te zetten. Want het is me nogal een geschiedenis. Bij tijd en wijle een dramatisch verhaal met de nodige ontberingen in de diepvrieskou van Groenland. Het avontuur begint naar verhouding zo melodramatisch meeslepend mooi. Monsterde Kat als commandeur voor zijn vaart op een groot aantal schepen aan om een succesvol bedoelde walvisvaart aan te vangen. Maar hadden ze nog in de thuishaven wel in de gaten welke beproeving en ellende de zeelieden te wachten zouden staan aan de overzijde van de Atlantische Oceaan tegen de poolcirkel? Konden ze zich kleden tegen de strenge kou en de snerpende wind? Tweehonderdvijftig jaar geleden was de maatschappij daarop nog niet ingericht. Lezen we nu over de verschrikkingen, dan kunnen wij ons daar nauwelijks een voorstelling bij maken. Maar toch, wanneer je de originele tekst van Kat volgt, is het als een dramatische film waarbij de Hel van ’63 een hittegolf is.

    Schilderij Abraham Storck (1644-1708) Foto zuidkust Groenland: Dolph Kessler

    De originele tekst is dus logischerwijs geweld aangedaan. Het oorspronkelijke manuscript is herschreven naar de tijd dat het is uitgegeven om het makkelijker toegankelijk en leesbaar te maken. De achttiende-eeuwse schrijfwijze is in de nu alweer verouderde moderne spelling gezet. In die tijd werd de taal aangepast en vernieuwd en keek men anders aan tegen werkelijkheden en de realiteit. Maar hoewel er kommer en kwel is weggeschreven, blijft staan dat de reis allesbehalve een pretje moet zijn geweest. “…des kreegen wy zo een hoge Zee, dat wy dagten, dat wy de dag niet weer beleeft zouden hebben, die Schotsen stieten ze geweldig tegen malkanderen, dat het droevig was te hooren.”

    Ongekerstend maar sociaal vaardig

    Eerst, aangekomen bij het ijs, worden er een aantal walvissen gevangen. Maar al snel vergaan er enkele schepen door storm en onweer, door aanvaring met ijsschotsen. Wanneer het schip van Kat als verloren wordt beschouwd en de omgeving overloopt van traan en vet van uitgebeende walvissen, komen ijsberen op bezoek. Natuurlijk is er nauwelijks plek om te schuilen, dus zal de vijand bestreden moeten worden. Het levert welkome proviand op, want de scheepsbeschuiten raken op. Kat schrijft beeldend, ik kan me inleven. Van dag tot dag word ik meer matroos: ik sta op een vrije walvisloze dag aan de reling en kijk over de uitgestrekte ijsvlakte. Sluit ik mijn ogen, dan zie ik welhaast niets anders dan wit ijs en zwart water. Voelt de punt van mijn neus koud aan, dan beginnen mijn bevroren tenen te tintelen. Beeldend beschreven voel ik de ontberingen aan den lijve.

    Het afspekken van een walvis Foto: Groenland in 2015, Dolph Kessler

    Maar er is hoop. Want hoewel er bemanning doodvriest, staat hulp paraat. Wat Kat steevast ‘wilden’ noemt, zijn Inuit – de autochtone inlanders. Ondanks dat deze ongekerstend zijn, hebben ze christelijke hebbelijkheden en zijn sociaal vaardig. Een lang verhaal kort: hoewel het boek bij de uitgever is uitverkocht, valt het vast nog te lezen bij de bibliotheek of is aan te schaffen via de boekhandel. Kat en zijn bemanning — wat er nog van over is — worden gered en belanden in de thuishaven. Ze zijn helden. Twee opvarenden publiceren meteen hun dagboek. Kat echter is zo onder de indruk van zijn wederwaardigheden en houdt het verhaal eerst voor zich. Tientallen jaren later geeft hij toch toestemming zijn ervaringen te boekstaven. Zelf acht hij dit niet dermate noodzakelijk, maar men vindt dat het niet vergeten mag worden. Ameland, want daar slijt Hidde Dirks Kat zijn laatste jaren, is trots op zijn walvisvaarder die na deze rampzalige reis dan maar de koopvaardij ingaat.

    Hidde Dirks Kat, Groenland, walvisvaart

    De koude rillingen

    Het boek is een volledig naslagwerk met daarin een kaart, waardoor de tocht over zee per mijl en aan land per kilometer kan worden gevolgd. Het dagboek van de Amelander walvisvaarder staat derhalve centraal, maar de uitgave is extra bijzonder gemaakt door er interessante teksten aan toe te voegen. Zo wordt de bewerkte versie die in 1817 is uitgegeven onder de loep genomen. Wat deed het veranderen, waarom waren de wijzigingen noodzakelijk, is het script zorgzaam aangepast? Kat blijkt niet alleen de tocht van dag tot dag te beschrijven om zo de unieke historie in de geschiedenis te plaatsen, ook is hij een opmerkzaam mens en bekijkt nauwgezet de behuizing en vervoermiddelen van de Inuit. De walvisvaart krijgt aandacht en Groenland in de tijd van de walvisjacht. Het levensverhaal van de man en het Ameland van Hidde Dirks Kat worden in afzonderlijke hoofdstukken beschreven. En er wordt gedetailleerd gekeken naar het feit of Kat een held te noemen is.

    Fotograaf Dolph Kessler omschrijft wat hem en zijn partner Egbarta Veenhuizen raakte op dat grote ijs. Maar eerst was daar het dagboek dat dit grote ijs beschreef en Kessler de koude rillingen over de rug deed lopen en waarvan hij bijzonder warm werd van binnen. De diagnose: koorts. Koortsachtig ging het paar op zoek naar de sporen van Kat. Veenhuizen met een schetsboek, Kessler met de fotocamera. In de ban van het landschap werd het een project voor Kunstmaand Ameland 2015 en later onderdeel van Culturele Hoofdstad 2018. En nog steeds reist Veenhuizen met haar Groenlandinstallatie langs musea en denkt erover bij de al bestaande figuren nieuwe te maken en te laten aansluiten bij het verhaal.

    Het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat. De meest vergeten schipbreuk uit de vaderlandse geschiedenis 1777-1778. Diverse schrijvers. Tekeningen Egbarta Veenhuizen. Fotografie Dolph Kessler. Uitgeverij Wijdemeer, eerste druk januari 2018.

    Hidde Dirks Kat, Groenland, walvisvaart
  • Op een zekere dag in Amsterdam-Zuidoost

    Door het fotoboek “24-7 Amsterdam Zuidoost” – van Stichting United en uitgegeven in het kader van Amsterdam 750 – bladerend, adem ik de Bijlmermeer in lagen: kinderen op de markt, gebed in een moskee, zwervers die stil observeren, lachende klanten in kapsalons, honden rennend naast hun baasjes, ijscokarren die rinkelen, sporters op pleinen, kunstenaars aan muren, cafés vol drankjes en gesprekken. Elke pagina legt een fragment vast, een moment van kleur, geluid, beweging en geur, en samen vormen ze het ritme van de wijk, een organisme dat ademt, leeft en voortdurend herschrijft wat het betekent om aanwezig te zijn in Amsterdam-Zuidoost.

    Overal is ritme, kleur, geur, beweging

    De Bijlmermeer, in het hart van Amsterdam-Zuidoost, beweegt op een ritme dat zowel zichtbaar als onzichtbaar is. Flats rijzen op als kolommen van beton en glas, hun galerijen en portieken vormen een netwerk van lijnen en schaduwen waarin het leven zich voortdurend herschrijft. Marktkramen glanzen in de zon, kinderen rennen en lachen, stemmen mengen zich, het zachte gebed klinkt vanuit de moskee, terwijl zwervers stil observeren en klanten in kapsalons lachen. Honden trekken hun baasjes voort, kunstenaars hangen hun werk op muren, sporters rennen over pleinen, en een ijscokar rinkelt langzaam voorbij. Cafés vullen zich met drankjes op een warme dag; overal is ritme, kleur, geur, beweging en licht. De wijk is geen plan, geen experiment, geen statisch bouwwerk. Ze ademt, leeft, en reageert op alles wat erin gebeurt.

    24-7 amsterdam zuidoost

    In de uitgave 24-7 zijn een serie foto’s afgedrukt die het dagelijks leven in deze stadswijk perfect verbeelden. Een groep van elf fotografen is uitgenodigd een specifieke dag in het jaar 2025 vast te leggen. Daarnaast zijn er foto´s verzameld van bewoners van de wijk. De weerslag is een fotografische tijdcapsule waar ik in stap zodra ik het boek open. Ik blader dan door de pagina’s en voel het ritme van de wijk als een continu organisme. Mijn ogen volgen kinderen op de markt, hun stemmen bijna hoorbaar, hun bewegingen levendig in mijn verbeelding. Een jongen met een skateboard glijdt langs een galerij; een moeder buigt zich zachtjes naar een kind dat struikelt. Vanuit een moskee klinkt een moment van stilte, een gebed dat zich mengt met de drukte van de markt en het geroezemoes van de straten. In een kapsalon lachen klanten, buiten rennen honden langs trottoirs, een ijscokar rinkelt voorbij, kunstenaars exposeren hun werk, sporters spelen en zwervers observeren alles met kalme ogen.

    De zon glijdt langs gevels

    Elke pagina voegt een laag toe: geuren van vers brood, gebakken vis, koffie; kleuren van groenten, bloemen, graffiti; ritme van voetstappen, stemmen, de metro die ergens ondergronds pulseert. Alles gebeurt tegelijk, en toch neem ik het afzonderlijk op, alsof de wijk zichzelf in fragmenten aan mij laat zien, een collage van leven, aanwezigheid en beweging. De flats rijzen hoog, galerijen leiden de blik, pleinen vangen licht en schaduw. De zon glijdt langs gevels, een regenbui glanst over muren en tegels, muziek klinkt uit open ramen, het zachte geblaf van een hond mengt zich met stemmen. Alles echoot door het fotoboek, in mij, en vormt een continu organisme dat groter is dan elk afzonderlijk beeld.

    Kenny Zschüschen, 24-7 amsterdam zuidoost
    Kenny Zschüschen

    Op een klein plein wordt een kind opgetild door een glimlachende volwassene, een sporter sprint langs, een kunstenaar laat een penseel over de muur glijden. Alles gebeurt tegelijk, alles leeft, alles ademt. De Bijlmer reageert op alles: geluid, licht, geur, beweging, aanwezigheid. Elk moment is vluchtig, maar samen vormen ze het ritme van de wijk. Ik blader verder en ervaar meer, van pagina naar pagina, langs kinderen, ouderen, jongeren, marktkramen, portieken, galerijen, cafés, honden, ijscokar, kunst, sport en spel. Alles is verbonden, alles ademt, alles beweegt. Het is rauw, kleurrijk, intens, onvoorspelbaar en vertrouwd tegelijk. Geen plan, geen experiment, geen utopie; de Bijlmermeer is een organisme, een kunstwerk, een ritme, een gemeenschap die ademt in ieder beeld, ieder geluid, ieder gebaar, iedere ademhaling.

    Mijn blik volgt het ritme

    De lucht van een zomerse 5 juni, de glans van graffiti in de regen, het rinkelende geluid van de ijscokar, de warmte van mensen en straten — alles wordt opgenomen, versterkt, herhaald. Mijn blik volgt het ritme, mijn verbeelding ademt met de wijk mee. En terwijl ik de laatste pagina omsla, werpt het fotoboek nieuwe schaduwen, nieuwe glans, nieuwe mogelijkheden. Ik sluit het, deel van dezelfde ademhaling, dezelfde beweging, dezelfde aanwezigheid die deze wijk vormt en steeds opnieuw herschrijft, moment voor moment, beeld voor beeld, adem voor adem.

    24-7 is meer dan een document, meer dan een moment; het is een dagboek van uur tot uur op die ene dag, die ene donderdag 5 juni 2025. Het leven staat er een ogenblik stil, voor zolang de sluitertijd van de fotocamera dit toestaat. De mensen lijken bevroren, statisch in het moment, maar de dynamiek straalt van de gezichten en uit de platen. De portretten ademen geen pose, maar een leven. De mensen staan niet model voor de Bijlmer, maar zijn Amsterdam-Zuidoost.

    24-7 Amsterdam Zuidoost. Een tijdcapsule in foto’s. Elf lokale fotografen en publieksfoto’s. Initiatief Hans Moonen. Teksten Auke van der Hoek, Kenny Zschüschen. Uitgave van Stichting United, 2025.

  • Wibo Kosters stemt de stad poëtisch op zijn gevoel

    Van het platteland, dat ben ik. Met een weids uitzicht over de velden. Het landschap overzichtelijk. Sloten tot de einder, zover het oog reikt. Niets staat mijn blik in de weg, of het zouden de bomenrijen in het coulisselandschap moeten zijn. Het decor van een achterland. Een omgeving dat met moeite een agglomeratie is. Een dorp kent geen stadsuitbreiding, het implodeert eerder. De mensen trekken er weg naar de drukte waar het gebeurt, komen terug wanneer de rust gezocht wordt. Weidse uitzichten trekken wanneer de einder verdwijnt achter meerdere etagehoge bouwwerken. De ruimte gezocht wanneer huizenrijen benauwend werken.

    Van buiten de stad dat ben ik. Ik versta een dialect die de tweede taal van het land genoemd is. En de grachtengordel is verder dan op steenworp afstand, de randstad niet binnen handbereik. Ik ben uitwoner van de stad. Daarom trekt dichter Wibo Kosters mij met zijn teksten tussen de bouwkunstige huizenblokken, de industriële gebouwen, de woontorens en wolkenkrabbers. Het oog reikt niet verder dan het verkeerslicht dat zelden op groen springt. De poëzie van de stad maakt mij inwoner, in gedachten. Het heeft alle schijn van een hersenspoeling, Kosters doet zijn best. De werkelijkheid is in zijn poëzie een abstract gegeven. Het absurdisme van hoge huizenbouw en overvolle parkeerplaatsen in vergelijking met mijn handzame lage landen met hier en daar een boerderij en een dorp rond een kerktoren schijnt afschrikwekkend.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie

    Met zijn aandacht de omgeving zien

    Paradoxaal lijkt de dichter vanuit de poort van de Achterhoek naar de Koekstad te komen om er alleen te zijn, anoniem te zijn. Alleen staat niet voor rust, anoniem niet voor eenzaam. Tussen alle mensen die als mieren rondlopen kun jij je alleen voelen, niemand kent je en slaat acht, je bent anoniem. “langzaam groeit de stad / in mij / worden straten namen / gezichten mensen” Want wanneer jij de stad bent ken je het stratenplan als je broekzak, blijven gezichten niet anoniem, worden figuren personen. Geen randfiguren of figuranten, maar hoofdpersonen in jouw rolprent die een Oscar voor de meest creatieve regisseur verdient.

    Wibo Kosters noemt zijn dichtbundel “inwoner”. Het is zijn debuut als dichter. Daarin onderzoekt hij wat de stad maakt en wat het betekent daar te zijn. Hij woont in dit boek en ik kan er een tijdje verblijven. Medebewoner zijn, door zijn ogenblik naar de wereld kijken. Met zijn aandacht de omgeving zien. Ter illustratie van de teksten heeft kunstzinnige broer Bas Kosters simpel complexe tekeningen gemaakt, om niet te zeggen abstract naïeve schetsen. De huizenmannen doen mij denken aan blockheads (hit me with your rhythm stick resoneert tussen de lijnen). Blokhoofden in de diverse betekenissen van het woord. Een grijs huizenblok met rood puntdak vormt het hoofd. Een half open blik, een platte neus, de donkere wallen onder de ogen tekenen een uitgeputte indruk, een slaperig karakter. Maar het figuur moet wakker blijven, want de stad slaapt nooit. Er is altijd leven, nooit rust – zelfs in nachtelijk duister blijven mieren actief. Vandaar de omwallingen want de stad is een vermoeiend fenomeen.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie, Bas Kosters, Neil Young

    Een gelaagde beschouwing

    De bundel is gedicht rond een song van Neil Young. ‘Ambulance Blues’ kreeg een nieuwe tekstuele jas, waar de albumhoes van ‘On the beach’ – de blues is daar onderdeel van – is gekopieerd met een blokhoofd die naast de schoenen loopt. Het motto van poetry slammer Kosters is een strofe van de Canadese zanger: “I am a lonely visitor / I came too late to cause a stir”. Kosters voelt zich zo’n eenzame bezoeker van de stad en loopt blind door de straten van zijn herinneringen. Al schrijvend en beschrijvend, peinzend en filosoferend, stil staan en turen, is hij te laat om opschudding te veroorzaken. Met zijn poëzie probeert Kosters de stemming nog enigszins te ontwrichten.

    De muzikant van oorsprong observeert en koppelt wat hij om zich heen ziet gebeuren aan zijn eigen geschiedenis en ontwikkeling. De bundel ‘inwoner’ is dan ook een autobiografie. Hij beschrijft zijn ervaringen van de straat, zijn gevoel tussen de huizen, zijn emotie als eenling in de stad. “ik lijk slechts een schim / achter een gordijn / in een gedicht”. Kosters zingt een vrolijke noot waarmee hij de toon zet in zijn gedichten. Het observeren en koppelen, zijn cynische kijk op de wereld, formuleert een humoristische ernst. De gedichten hebben een gelaagde beschouwing, waar bij herhaald lezen opeens het kwartje valt.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie, Bas Kosters

    Mensen vluchten, gaan eropuit

    Hij verheerlijkt de stad niet, want merkt ook wel de onhebbelijkheden aan de lijve. Door zijn eigen leven erin te schrijven worden de gedichten wel persoonlijk van sfeer. Dan raap ik dat kwartje van de vloer en probeer me in zijn wezen te verplaatsen. De teksten zijn wel cryptisch van toon, maar heb ik de smaak te pakken doorzie ik het geheim van de poëzie, zijn poëzie. Kijk ik met andere ogen naar die grote stad, wordt ik in gedachten van provinciaal een stedeling. Zie ik de tekortkomingen en de achterlijkheden van het centrum. De gezelligheid en het plezier in kerk en kroeg tegen beter weten in. Merk ik hoe de dingen intermenselijk werken, dat op sociaal niveau er nog weleens steekjes vallen. In de stad ben je anoniem, soms onzichtbaar lijkt het wel. Ga je in de grote massa mee. Daarom vluchten mensen, gaan ze eropuit, naar het strand of halfpension in een schuildorp. De tumbleweed rolt niet door de straten, de wijken zijn niet verlaten – maar veelal is het gevoel daar wel, ben je eenzaam in de meute en wordt je meegevoerd door de stroom. Op weg naar onbekende verte. Maar hulp is onderweg.

    Het laatste deel in de bundel raakt het meest aan schrijvers persoonlijkheid. Het ontroert mij aandoenlijk. Dan is de lach van de grap uitgeklonken en grijnst de boer die kiespijn heeft. Dan wordt het leven serieus, omdat blijkt dat er een einde aan is. Kosters draait de sleutel in het slot en sluit af. Gezien het voorgaande prettig uit de toon valt, is het hier en nu meeslepend in mineur. Magere Hein klopt aan de deur en wanneer je eens hebt open gedaan klinken de woorden bekend in de oren: “je glipte weg terwijl de een sliep en de ander buiten rookte / en op dat moment bleven / je lijden / hoop / wijsheid en alles wat verborgen was geweest / verborgen” om af te sluiten met “misschien hoorde je een laatste lied op je hemelse ontvangst / dat moeten we ons hele leven zoeken / door de knoppen ergens tussen de zenders te draaien”. Kosters draait zijn ontvanger echter op majeur en laat zijn bundel niet triest eindigen. Er is immers hulp onderweg en het koninkrijk van de stad ligt open voor dochterlief, zij groeit van prinses tot koningin.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie

    En ik ga naar huis en sluit dit stukje af met leven dat verstoft, verbrandde turf dat verwaait in de wind om de hoek van de straat. Dit mij meest dierbare vers uit de bundel wil ik de lezer hier niet onthouden. Het is zo herkenbaar, zo algemeen en toch persoonlijk. Het maakt een stemming, stemt het gemoed af, er is geen vals gevoel in – de andere overigens niet tekort gedaan: “ik kom je as halen / omdat niemand zich er / raad mee weet /  / het zit in een neutrale kartonnen dood / die een geschenkverpakking voor wijn lijkt /  / ik pak je uit en maak / een selfie met je asbeker / whatsapp mijn broers / dat we een eindje gaan rijden / doe je een veiligheidsgordel om /  / thuis zet ik je op zolder / met een asbak en een blikje bier / ik sluit af en rijd / met alle mogelijke omwegen naar huis”

    inwoner, Wibo Kosters, gedichten. Bas Kosters, illustraties. Uitgeverij Anderszins, 2018.

  • Het gevoel tot uitdrukking gebracht

    Kunstenaars maken kunst voor het volk. Het werk moet vanuit het atelier de wereld in. Zou je denken. Kunst zal onder de mensen zijn. Tentoongesteld in musea, verkocht in galeries. Maar werkt de kunstenaar voor het publiek? Past de kunstenaar zijn of haar werk aan, aan wat dat publiek wil zien. Vindt de massa het esthetisch in orde. De roem en het geld kunnen de kunstenaar maken en breken. De zichzelf respecterende kunstenaar staat stevig in de schoenen, maar loopt er bij voorkeur niet naast. Er worden geen variaties op een gevonden thema gemaakt, geen dertien in een dozijn kunstwerken. Iedere compositie zet aan tot een nieuw werk, elke creatie verwacht een ander experiment, een volgend inzicht. De kunstenaar groeit in de beelden om tot dat ene sublieme kunstwerk te komen. Dat kunstwerk dat zijn of haar oeuvre afsluit, het is volbracht. Tot die tijd is het volgende werk voortdurend beter dan het vorige. Maar wel bedoelt voor de gemeenschap, bestemt voor de openbaarheid. De kunstenaar heeft een verhaal, een boodschap welke de wereld in moet. Niet gevangen blijven tussen de vier muren van de werkruimte of de opslag. Maar ook niet verdwijnen in een kluis of de kelder. Na jaren op zolder ontdekt worden en op waarde geschat bij “Tussen kunst en kitsch”. Mag je verwachten.

    En dan die enkele kunstenaar, die piekert en ploetert. Puft en hijgt op het werk en zich met bloed, zweet en tranen een plaatsje in de kunstgeschiedenis hoopt te verwerven. Is het hem of haar daar om te doen. Of wordt er gewerkt en gezwoegd omdat dit een heilig moeten is. Men kan niet anders. Het is geen werk, het is een opgave. Niemand echter die dit de kunstenaar heeft opgedragen; het zit hem of haar in de genen, het is er bij de geboorte in gebakken. Een gevoel moet tot uitdrukking komen, meer dan dat er een kopie van de omgeving dient te staan. Het is daarom alsof Tjibbe Hooghiemstra kunst voor zichzelf maakt. Althans zijn getekende collages doen dat vermoeden. In die mixed media composities, papier collés, ‘vloeien tekeningen en schilderkunst samen in spanning en evenwicht. Het gebaar van de kunstenaar is overal aanwezig’, lees ik in het boek waarin een aantal van deze werken is opgenomen en deel uitmaken van de collectie van de Verbeke Foundation: Here in this Spring.

    Balans tussen stilte en spraak

    De titel van het boek verwijst naar een gedicht van Dylan Thomas. Het omschrijft de werken of eigenlijk andersom, het werk illustreert het gedicht. “Symbols are selected from the years” is een poëtische zin die de toon zet van de tekeningen. En die collages reflecteren de gedachte bij het woord. Het is geen eenvoudig werk om te doorgronden, deze werken van Hooghiemstra. De in de uitgave opgenomen tekeningen lijken schetsen voor de andere paden die Tjibbe in de kunst bewandelt. Deze collages verbeelden of beter omschrijven het gedachtegoed in zijn kunst. De ideologie en filosofie hoe de wereld er volgens de kunstenaar uit zal moeten zien, zijn wereld. Schetsen die moeilijk actief te begrijpen zijn, omdat deze de geest van de maker weergeven. Een blik in het brein, zien wat verborgen is. De tekeningen openen de ogen, geven een inzicht in het motief van Hooghiemstra.

    Raadselachtig zijn de tekeningen in “Here in the Spring”. Ze balanceren tussen stilte en spraak lees ik in het boek. “Als kunstenaar die zich instinctief aangetrokken voelt tot geïsoleerde en verweerde plaatsen, suggereren zijn werken een gevoeligheid die scherpzinnig beschouwend en meer dan een beetje melancholisch zijn.” In dit werk zijn herinneringen van reizen verzameld. Geen snelle kiekjes van toeristische schoonheid, maar gedachten bij onbeduidende hoeken en gaten. De kunstenaar ziet om het hoekje van wat algemeen als mooi wordt aanvaard. En maakt daarmee ook geen fraai werk. Want dat is niet het uitgangspunt. “Zijn kunst bestaat uit het eren van het alledaagse, het vieren van wat maar al te vaak over het hoofd wordt gezien.

    foto © Tineke Schuurmans

    Rustig expressieve composities

    Het zijn gekrabbelde fragmenten, scherven herinnering schetsmatig op papier gezet. Als een droom waaruit ontwaakt slechts flarden teruggedacht en weergegeven kunnen worden. Bladerend door het boek grasduin ik als het ware door de emotie van de kunstenaar. En daar kan ik een gevoel bij hebben, terwijl ik de ervaring niet deel. Het is niet makkelijk te doorzien, geen eenvoudig inzien. De reisgids om zijn ontroering te bespeuren, navigeren langs de route van zijn denken, is niet altijd even goed te lezen. Zolang ik de juiste taal niet spreek komen mij de tekeningen als warrig en onsamenhangend over. De dragers van de tekeningen zijn even onnoemelijk als de inspiratie dat is. Oude gebruikte papieren geven het werk structuur. Plaatsen de gedachten in de tijd. Het heeft een leven, vertelt erover.

    Meer nog dan zijn andere werken zijn deze rustig expressieve composities diep persoonlijk. In dit werk legt de kunstenaar zijn ziel bloot. Laat hij meer los dan voor mogelijk gehouden wordt, omdat de collages schuren en schaven aan mijn beoordeling. Krachtig en kwetsbaar doen deze een beroep op mijn inlevingsvermogen. Niet meteen weet ik wat ik zie, en dat hoeft ook niet want de zichtbare werkelijkheid is niet altijd heilig. Hooghiemstra geeft in zijn werk een vingerwijzing, beeldt half wat het alledaagse uitdrukt. Hij gaat door de wereld, bekijkt en beschouwt. Acht ‘de ronding van een omgekeerde boot, de krulling van een verwaaide struik, de gekneusde bloei van een eenzame wilde bloem, het silhouet van een telegraafpaal gekleefd tegen een bleke lucht’ meer dan waardevol om te bespiegelen. De mening die hij zich daarover vormt, de idee die zich aan hem opdringt, vindt een uitweg in de collages.

    foto © Tineke Schuurmans

    Over het algemeen gaan de werken zonder titel. Hoewel de aanduiding ‘zonder titel’ ook een beschrijving van de afbeelding is. Daaruit kan ik geen plaatsbepaling of sfeerbeeld opmaken, maar moet ik zelf aan de bak om te duiden. Dat vergt een diepere blik dan een oppervlakkig kijken. Hooghiemstra deed dat voor mij en legde het doorzien vast in een vluchtige beeltenis. Gelaagd door de collage graaft hij zich in het beeld, de gedachte. De rake notities jeuken aan mijn voorstellingsvermogen. Het beeld is meestentijds half af en schimmig, zo schijnt het, en wordt door mijn blik in gedachten aangevuld. Interactief kijk ik over zijn schouder mee de wereld in. Zijn wereld is voor het moment van beschouwen mijn wereld.

    Here in This Spring. Tjibbe Hooghiemstra. Collages. Tekst Tjibbe Hooghiemstra, Cooimhin Mac Giolla Léith, Marie Verboven. Uitgave Verbeke Foundation, 2024.

    foto © Dirk van Ginkel

  • Popsongs die de Bijbel raken

    December, de maand van de herinnering. Weemoedig wordt in deze donkere maand teruggekeken op wat geweest is. Maakt de duisternis somber en droefgeestig, dat we daarom teugkijken op het verlichte leven toen geluk heel gewoon was. Het kalenderjaar is als een mensenleven. De seizoenen, de maanden. Het voorjaar, het najaar, de zomer de bloei van het leven. Dus in november en december wordt je bepaald op de nadagen, gewezen op de eindigheid en overzie je het leven dat geleefd is, het verleden waarop het heden steunt.

    Naarmate het eind van december nadert worden we overspoelt met lijsten en overzichten, top 100 en zelfs top 2000. Het kan niet op, er is genoeg verleden om op terug te kijken. En dat doen we graag en veel aan het eind van het jaar, en zeker bij het tellen van de jaren. In de najaren organiseren we graag een reünie om verhalen op te halen, verloren mensen terug te zien. Zo ook in december. Want over de schouder zien geeft uitzicht op de toekomst. In het afgelopen jaar en nog eerder daarvoor hebben de herinneringen zich opgestapeld en deze moeten welhaast allemaal deze maand worden opgehaald, op het kleed komen en onder de kerstboom aan elkaar verteld.

    Niet al dat terugkijken stemt ons vrolijk, vooral niet wanneer op de laatste dag de krant door de bus valt met daarin een lijst wie ons allemaal in dat jaar zijn ontvallen. Waarvan het leven voorgoed afscheid heeft moeten nemen. Maar dan, wanneer de klok twaalf keer heeft geslagen, zien we de toekomst weer opgeruimd tegemoet. December is de maand van de afrekening, van de grote schoonmaak. Een jaar van nieuwe herinneringen maken ligt voor ons. We hebben goede voornemens. Na de donkere maand wordt het op 1 januari weer licht, klaart het leven op. We kunnen opnieuw beginnen.

    Songs with a Biblical reference

    Maar voor nu is het december, de maand van de lijsten en lijstjes, dus. Vooral op muziekgebied slaan de omroepen ons om de oren met diverse tops. Een top zoveel, die eigenlijk niet in dat rijtje thuis hoort maar er toch wel inpast is de top 1001+ songs with a Biblical reference, ook wel de POPBIBLE genoemd. Het is een Engelstalige opsomming van meer dan duizend songs die per ongeluk of willens en wetens iets met het geloof of de Bijbelverhalen te maken hebben. Per ongeluk, omdat het geloof de grond van het bestaan is, een teken van leven dat echter niet iedereen onderkent. Mensen geloven niet of zeggen dat niet te doen, maar wanneer een geliefde, vriend of kennis is overleden weten ze dat deze na de dood ergens is en onze gangen nagaat. Zij merken de aanwezigheid van de gestorvene en zien ze vliegen in de vorm van meestal een vlinder. Ook wanneer niet geloofd wordt in een hogere macht heeft men wel houvast aan en vindt troost bij het iets wat er schijnbaar is. Dat bevestigt kortom mijn stelling dat het geloof de voedingsbodem is voor het aardse bestaan. Het dooradert het leven. Het is er zonder dat je het beseft of het wil weten. Daarom echoot het per ongeluk in bepaalde songs. Maar ook willens en wetens omdat het een lifeline is.

    Er zijn van die liedjes die je niet alleen hoort, maar waar je even doorheen kunt kijken. Liedjes die zich niet laten afspelen maar laten lezen. In de “Popbible” van Corjan Matsinger duiken ze op, niet als bewijs, maar als echo. Alsof er achter de klank een oude tekst meebeweegt. Een fluistering uit een boek dat ouder is dan wie dan ook van ons, maar dat zich nog steeds graag verstopt in coupletten, riffs en refreinen. Liedjes die niet zozeer geloven, maar herinneren. En misschien is dat precies wat popmuziek zo vaak doet: oude verhalen laten reizen, verstopt in beats en stemmen, zodat ze ons onverwacht weer raken. Misschien is dat de enige manier waarop verhalen blijven bestaan: door zich te laten zingen.

    Spread the Word

    Waar de decemberlijstjes herinneringen oproepen en heimwee uitspreken, zo verwijzen de lijsten in de “Popbible” naar Bijbelverhalen – het maakt herinneringen uit het boek der boeken, een heimwee naar troost, mienskip en naoberschap. Want is geloven in de popmuziek als vloeken in de kerk? Kan de volgens sommigen duivelse muziek God wel belijden? Past religie wel in het rijtje seks, drugs en rock’n’roll. Volgens de samensteller van de “Popbible”, Corjan Matsinger, kan dit wel degelijk. Eerder maakte hij dit al duidelijk in zijn boek “Heilige herrie”, waarvoor hij in de popgeschiedenis en -discografie op zoek was gegaan naar sprekende voorbeelden. En het blijkt dat de meeste muzikanten en tekstdichters wel zeker een goed gevoel hebben bij het geloof. Dat zij dit volmondig, in bedekte termen weliswaar, uitdragen op de diverse podia. Evangelisten pur sang? Dan wel van tussen de coulissen want ze lopen er niet graag mee te koop.

    Religieus trendwatcher, docent godsdienst en muziekliefhebber Matsinger nam mij dus eerder bij de hand in zijn leidraad tot geloven in de popmuziek. In “Heilige herrie” somde hij al enige voorbeelden van religieus getinte songs op door na ieder hoofdstuk een playlist te laten afdrukken. In de “Popbible” echter gaat hij een grote stap verder en zet meer dan duizend liederen met een Bijbelse verwijzing op een rij. Met hem en door hem ontdek ik zodoende de religie als basis van de meeste popmuziek. Hij heeft geen lijst als top 1000 gemaakt, waarin nummer 1 meer populair is in vergelijking met bijvoorbeeld de song op plaats 365. Bij hem zijn alle liedjes even belangrijk. Ze staan gerubriceerd op de diverse Bijbelboeken omdat deze daarin de inspiratie vinden. In de lijst komen bekende artiesten voor, maar ook minder aansprekende muzikanten. Uit al de invloedrijke stromingen in de popmuziek zijn voorbeelden genomen.

    Popbible WhatsApp Community

    De “Popbible” beperkt zich tot een droge opsomming van liedjes, een playlist of referentielijst. Het is geen boek met lyrics of volledige Bijbelteksten. Zelf moet ik de song nog traceren om te kunnen beluisteren en uit de gezongen woorden halen waarom Matsinger het heeft genoemd. Maar gelukkig heeft hij op Spotify een weliswaar onvolledige “Popbible” playlist geplaatst. In het hart van het boek legt hij dan nog, aan de hand van enkele voorbeelden over Psalm 23, uit wat onder meer zijn inspiratie was om de “Popbible” te maken. Volgens Matsinger namelijk laat de “Popbible” zien dat geloof en Bijbelse verhalen niet beperkt zijn tot de kerk of een klassiek religieus perspectief, ze leven voort in de popmuziek vindt hij. De “Popbible” is onderdeel van een groter project, want Matsinger heeft volgens de achterflap van het boek ‘still not found what he is looking for’. Er kunnen dus nog meer interessante zaken uit zijn pen vloeien. Boeiend voor geloofsgenoten, muziekliefhebbers, jongeren of iedereen die zich afvraagt hoe bijbel en cultuur elkaar kruisen. Zo is er al een Popbible WhatsApp Community waarbij de deelnemers daaraan elke week een berichtje krijgen waarin achtergrondinformatie of het verhaal achter een liedje wordt gedeeld. De “Popbible” nodigt uit tot luisteren en tot reflectie: herken je liedjes, zie je Bijbelse verwijzingen, en wat betekent dat in jouw leven, in je geloof, je culturele achtergrond. Ofwel ‘Spread the Word’.

    POPBIBLE. 1001+ songs with a Biblical reference. Corjan Matsinger. Uitgave Buijten en Schipperheijn Motief, 2024.

  • De kern van alle dingen

    Met beide benen staat hij in een wereld die volop in beweging is, terwijl zijn hart helemaal bewogen wordt door de spiritualiteit van de Regel van Benedictus”, schrijft Hugo Vanheeswijck. De filoloog en antropoloog stelt uit verschillende gesprekken met de trappist Bernardus Peeters het boek ‘Wijsheid van een abt’ samen. “Het steeds zoeken naar het juiste evenwicht is typisch voor deze regel.” In het boek vindt de abt de juiste balans tussen gebed en werk, economie en natuur, uitwendigheid en inwendigheid, actie en contemplatie, persoonlijk levensgeluk en het samenleven in gemeenschap. Althans hij doet een poging daartoe, om God te zoeken en goed te leven. Het is zijn roeping om God te betrekken in het concrete leven van elke dag. Die taak heeft iedereen, ook de mens die God niet erkent – deze betrekt de liefde in het leven en is zich onbewust gewaar dat God liefde is.

    Schrijven is schrappen

    Wijsheid komt met de jaren. Maar het intellect en verstand heeft Pascal Peeters al vroeg. Kennis en inzicht krijgt hij later door van het leven te leren. Het boek ‘Wijsheid van een abt’ gaat over hem. Pascal wordt Bernardus wanneer hij kiest voor een bestaan als kloosterling. In de tekst van het boek is het alsof Pascal Peeters langzaam groeit in zijn rol van broeder Bernardus, dat gaandeweg de kovel gaat passen. Het boek is geen biografie, maar Vanheeswijck volgt wel de levenslijn van zijn gesprekspartner om zijn keuze te duiden. Hoe is hij geworden wat hij is. Welke weg is hij daarvoor gegaan. Waarom doet hij wat hij doet. Want wat voor nut heeft het leven binnen kloostermuren. Het heeft wel degelijk zin volgens Peeters, over het wat en hoe daarover gaat het boek. Daaruit kan de lezer lering trekken.

    Wanneer ik een boek lees, beschouw zoals ik dat noem – dus niet recreatief maar creatief lezen om van daaruit zelf een tekst te schrijven, streep ik de alinea’s van belang aan en onderstreep ik zinnen met een rode pen. Zo wordt een boek bekrast en maak ik de tekst eigen, tot en van mijzelf. ‘De wijsheid van een abt’ kleurt in scherpe tegenstelling tot andere door mij gelezen boeken welhaast helemaal rood, vrijwel iedere pagina heef één of meerdere aandachtspunten omdat het zoveel wijsheid bevat – meer dan een ‘normaal’ mens kan bevatten. Wanneer ik al die onderstrepingen zou verwerken in mijn bespreking zal ik het boek herschrijven. Dus het is wikken en wegen, bezinnen op zinnen. Kill your darlings, schrijven is schrappen.

    Wat heeft Bernardus in al zijn wijsheid de wereld te vertellen. Heeft hij alleen een boodschap voor gelovigen. Hij heeft een verhaal voor iedereen, want de abt predikt in de geest van Jezus liefde. Liefde is de redding, het is een goddelijke deugd: geloof, hoop en liefde, deze drie maar de grootste daarvan is de liefde schreef Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs. Geloof staat voor vertrouwen, hoop voor de verwachting van een nieuwe toekomst en liefde voor het verdragen en volharden in alle omstandigheden. Zeker een goede boodschap in onze geseculariseerde wereld. Men kan vraagtekens zetten bij het geloof, hoewel velen na het sterven van een bijzonder mens ervan overtuigd is dat deze goed terecht komt, dat de hemel oprecht gelukkig kan zijn met deze arme ziel. Velen geloven niet in het nu, maar hopen op een leven na de dood. Wat blijft is liefde waarop de wereld in vrede kan leven.

    Lectio, oratio, meditatio, contemplatio

    De vele schermutselingen verharden de mensen, maken ze asociaal en egoïstisch. Kan de eigen haan geen koning kraaien dan zijn de rapen gaar. Maar Bernardus predikt liefde. Is liefde de basis van het bestaan, heeft de een de ander lief als zichzelf, dan grijpt men niet naar de wapens en laat vreemdelingen in eigen land toe. Geeft de een de ander een menswaardig bestaan, want liefde brengt alles samen. Wat dat betreft is deze goddelijke deugd zo gek nog niet. Bernardus draagt deze met respect voor de ander uit, en met de blik op God gericht stelt hij zijn hart open. De wijsheid waarmee hij dit kan uitdragen heeft hij van hogerhand ontvangen. Het is zijn gave, zijn talent steekt hij niet onder stoelen of banken.

    Net als Bernardus neem ik de tekst door zoals de abt leeft – lectio, oratio, meditatio, contemplatio – aandachtig lezen en kijken, zien wat me raakt. Met volle aandacht sta ik figuurlijk stil, mijn vinger haakt aan een zin of een alinea, en verblijf ik een moment bij het beeld dat mij voor ogen komt. De wijsheid van deze abt maant tot bezinning, zijn inzicht kan mijn leven zin geven. Hij stelt dat de basis van ons mens-zijn daarin bestaat dat we geboren zijn om lief te hebben, omdat een liefhebbende God ons zo geschapen heeft. En niet enkel wie naar zijn wet en gebod het leven inricht: God heeft ieder mens geschapen naar zijn evenbeeld en er de liefde als levensgeest in geblazen. Wat wij met dat talent doen is aan ons, maar het is vanaf de moederschoot in ieder van ons aanwezig. Geboren om lief te hebben betekent volgens Bernardus niet dat dit al een volmaakte liefde is. “Is het je ooit opgevallen dat baby’s worden geboren met gebalde vuisten?” De in eerste begin op zichzelf gerichte liefde wordt wederkerig, gericht op God en op de naaste.

    Beschouwend leven

    Het boek doet een boekje open over het leven in een gemeenschap. Het samen leven voor dat enkele doel. “Trappisten zijn echte gemeenschapsdieren. Dat behoort tot ons DNA.” Dat is niet altijd even makkelijk zegt hij, want monniken zijn ook mensen met nukken en grollen. Ze leven dag en nacht samen en moeten het jaar in, jaar uit met elkaar stellen, zonder ontsnappingsroute bij moeilijkheden en spanningen. Ze wonen met elkaar binnen de poorten van het klooster, maar dat betekent niet dat ze zijn afgesloten van de wereld daarbuiten. De monniken zijn net als al die andere christenen in de wereld, maar niet van de wereld; de wereld mag hen niet in haar greep hebben. “Beschouwend leven is zoeken naar vrede, niet in een abstract buitensluiten van alle uiterlijke werkelijkheid, niet in een onvruchtbare afwijzing door de zintuigen af te sluiten voor de wereld, maar in de openheid van de liefde.

    De liefde is voortdurend het element wat tussen de regels door in de wijsheid van de abt schemert. Het is een levensregel te noemen, maar ook een motor waar de goede wereld op draait. Die liefde kan worden beleefd in de stilte vooral. In de stilte waarop de mens beschouwend zichzelf spiegelt in de naaste of in God. Geen lust die een last kan zijn, maar zuivere liefde die het leven en de wereld draagt. De liefde voor de naaste met de hoop op een betere wereld en het geloof in het goede van de mens. Het is zijn roeping om deze genegenheid tot nut te maken, deze bezieling is zijn passie. Het maakt zijn leven als monnik verre van ijdel en verloren, maar geeft het juist zin.

    Om de mens Bernardus Peeters te leren kennen, de gemeenschap waarin hij leeft te doorgronden en waarderen, is het boek van Hugo Vanheeswijck een must om te lezen. De wijsheid van de abt geeft raad hoe te leven in onze radeloze wereld. Jawel, als christen of religieus persoon. Maar ook ongelovige mensen kunnen leren van handel en wandel van deze algemene overste van de trappisten en trappistinnen wereldwijd. Zijn levenslessen reiken verder dan de oppervlakte, gaan met de lezer de diepte in. Je zou de tekst kunnen lezen als een preek, een leerrede, van een abt die het boek Prediker neemt als het decor van zijn denken. “Het gaat om het leven in het juiste perspectief zien”, vindt de abt-generaal. “Ik ervaar het leven als meer dan de moeite waard. Ik ben dankbaar omdat ik in deze tijd mag leven. (…) God heeft me deze tijd gegeven en geen andere. Kennelijk meende Hij dat deze tijd mij goed zou doen. Anders had Hij mij in Zijn goedheid wel in een andere tijd geboren laten worden. Ik ben dankbaar omdat ik God mag zoeken en mag leven!” Dat is de kern van alle dingen: zoek God en leef!

    Wijsheid van een abt: Bernardus Peeters. Auteur Hugo Vanheeswijck. Uitgave Otheo Books, 2025.

  • Het werk van Gerrit Terpstra heeft de tijd mee

    Het is als een Wunderkammer dat boek van Gerrit Terpstra, waarin hij een lans breekt voor het ding in de kunst. Niet alleen steekt hij zijn gedachten in gevonden voorwerpen, maar zet hij zijn ideeën over de dingen ook in taal om – gevonden woorden. Zijn materiaal om de inspiratie te vertalen is beeld en woord. Schilderijen, tekeningen, objecten, installaties, teksten en verhalen. In de uitgave “Fan dingen ensa” geeft hij het kennelijk waardeloze ding een plaats in de kunst, zijn kunst. Niet enkel als getekend beeld of in assemblage, tevens als geschreven uitdrukking. Maar ook Gerrits gedachten zijn een Wunderkammer, een kunst- en rariteitenkabinet. In zijn hoofd probeert hij de chaos te ordenen, het resultaat is zijn levenswerk, zijn oeuvre in de kunst. Om mij over te verwonderen.

    Jan de Waard leidt het boek in en duidt dat het Gerrit Terpstra gaat om gewone en alledaagse dingen, onaanzienlijke voorwerpen die na gebruik meestal in het niet verdwijnen. Alles begint bij de dingen. Zonder dingen gaat het niet. De dingen waar het Terpstra om gaat dragen een verleden, hebben de tijd in zich. De tijd die maakt en vergaat. En juist dat vindt de kunstenaar er zo interessant aan. Dat element van tijd wil hij vastleggen in zijn objecten, niet laten vergaan in zijn taal en teken. “Beeld transformeert in taal en taal transformeert weer verder naar beeld”, schrijft De Waard. “Hiermee ontwikkelt zijn werk steeds verder, en tegelijk is deze reeks van vertalingen het onderwerp van zijn werk.” Dat werk kent de constanten verschijnen, verdwijnen en opnieuw verschijnen als punten op een cirkel. In het middelpunt daarvan werkt Terpstra, waarbij constructie, deconstructie en reconstructie de stralen zijn. Zijn oeuvre is de dwarsdoorsnede, het diagonaal van de dingen.

    Een beschrijven van het geschiede

    Een gesprek met de kunstenaar belicht zijn relatie met de tijd. Je leest hem kennen, maar meer nog kijk je hem in zijn werk. Daarin groeit zijn wezen, het zijn. Mijn bewustzijn heeft daaraan moeten wennen. Want schreef ik in 1991, staande in de toenmalige Heerenveense Kunstruimte en nog niet zo gepokt en gemazeld in kijken en beleven, onder de kop ‘Het verhaal van Gerrit Terpstra heeft open einde’: “Deze ‘tiidskippenromte’ lijkt een uitstalling van vondsten. Het grijpt terug op een rijk verleden. Een geschiedenis waarin de mens evenzeer is geïnteresseerd als in de toekomst. Een verzameling gedachtegangen door Gerrit Terpstra in beeld gebracht, als een profeet met weldoortimmerde voorspellingen. Een beschrijven van het geschiede. De bouwwerken op de geroeste plateaus hebben de vorm van schepen. De stander, waarmee ze een geheel vormen, houdt de vaartuigen uit het water. Niet zozeer als letterlijke middelen om zich over water te verplaatsen, maar meer om het verhaal in de tijd ruimte en plaats te geven. Ieder scheepje is geladen met een vergankelijke vracht. In de ruimtelijke compositie zijn symbolen verwerkt van menselijke en stoffelijke zaken. Elementen die worden geofferd op een altaar van lood, glas, hout of papier. (…) Deze inspiratie dwingt de ‘romte’ op aan de toeschouwer die in devotie de knieën buigt en in spiegeling de geschilderde evenbeelden ontdekt.”

    Nu herbeleef ik die gedachte weer. De dingen van gisteren zijn de Dingen van vandaag. Met eenzelfde inhoud, maar in een andere vorm. Terpstra is gegroeid in zijn verhaal en weet het steeds beter onder beelden te brengen. Het boeit Terpstra terug te grijpen op werk dat eerder gemaakt is en daar opnieuw betekenis aan te geven. Om de tijd te herbeleven, het verleden in een andere vorm terug te halen naar het heden.

    Diepe denkers en verdiepte kunstenaars

    Uit een opstel, geschreven in het kader van de tweedegraadsstudie tekenen-handvaardigheid voor het vak kunstgeschiedenis, is het deel ‘het ding’ in het boek opgenomen. Daarin weidt Terpstra onder de noemers beleven en herbeleven uitvoerig uit over hoe het ding op zich als voorwerp in de loop der jaren een volwaardige plaats wist te verwerven in de kunst. Door toedoen van diverse kunstenaars werd het ding ingebracht en veranderde de zienswijze op en van kunst. Na het ding als individu te omschrijven, een gebruiksvoorwerp dat toepassing krijgt in een museum, stelt hij het in relatie tot natuur en cultuur. In een persoonlijke beschouwing benadert Terpstra het onderwerp op een filosofische manier, gaat in op de geschiedenis en de veranderende kijk op het onvoorstelbaar gewone. Door toedoen van diepe denkers en verdiepte kunstenaars heeft het ding waarde gekregen, heeft het beeld een functie. Is het ding tijd geworden. Nadat alle ins en outs zijn besproken brengt Terpstra het ding in zijn beeldend werk in, geeft het zin. Het opstel geeft een inkijk in zijn zienswijze, zijn benadering van dingen enzo.

    Zijn verhaal over een man die op zijn looppad een boerderij betreedt is al even mysterieus als vele van zijn composities en objecten dat zijn. Terpstra heeft het talent om de lezer in het verhaal te trekken, de gave om de kijker aan zijn werk te binden. Er gebeurt steeds om een hoekje iets wat niet te verwachten was. De laatjes in zijn kasten verbergen onvoorziene zaken. Bij Terpstra kun je de kunst opentrekken om nieuwe oude dingen te ontdekken. Niet alleen de objecten bewijzen dat driedimensionaal, ook in het vlak van de schildering en tekening, het grafiek, huist verwondering.

    Het Ding

    Gerrit Terpstra heeft een bijzondere manier van creëren en componeren. Je wordt in de creatie, het object, getrokken. De compositie, het schilderij, intrigeert zo dat het de aandacht vast houdt. Het is een mysterie, het heeft een magische aantrekkingskracht. Dat is wat het is in de fysieke ruimte. In het boek zijn het vooral de teksten die intrigeren, meer nog dan de verzamelde dingen. Die dingen kan ik zelf om me heen vinden, ze liggen verloren in mijn zijn. Maar in handen van Gerrit Terpstra en door zijn vingers aangeraakt krijgen die dingen meerwaarde. De magie zit in de vormgeving, de manier waarop het ding een plaats krijgt in de compositie. Ligt het verloren in de bak met nietsigheden of op een hoop oud vuil geveegd langs de weg, Terpstra ziet er de waarde van in en zet het op een voetstuk. Zo wordt het ding tot kunst en zie ik de nietsigheid opeens ietsigheid worden. Het verlorene is gevonden, de schepping herschapen. Terpstra’s schatkamer herbergt veel van die dingen die klaar liggen om te reïncarneren. Om een nieuw leven te beginnen.

    Hij gebruikt het losgelopen verloren materiaal als onderdeel van zijn kunststukken, zoals de stroperige materie uit een verftube deel uitmaakt van een schilderij. Het takje is belangrijk in het geheel van de installatie, de verfspat maakt het kunstwerk af. Het detail is belangrijk voor de opbouw en uitwerking van de compositie. Terpstra maakt het ding persoonlijk, geeft het waarde in het zijn. Het is blijkbaar iets. Het ding stelt weer iets voor. Het heeft een naam en mag met een hoofdletter worden geschreven, het Ding. Terpstra heeft een verhaal, het ding heeft een verhaal. Dat verhaal wordt zichtbaar in het zijn, in het wezen, dat het er is en mag zijn. Dat het bruikbaar was in de mensenwereld, materiaal dat tot nut was om het zijn leefbaar te maken. Maar dat nut heeft het verloren en is afgedankt, bedankt. Het bewees een dienst in de natuur, maar werd afgehaakt als het vallend blad in de herfst. Het was er, het deed er toe. Dat zijn is voorbij, dat leven is gedaan. Terpstra brengt andere inhoud in, het ding heeft nieuwe waarde. Het wordt hergebruikt. Je loopt eraan voorbij, Gerrit niet. Hij kijkt beter en ziet scherp. Hij heeft een verhaal en vertelt dat met wat het leven verloren heeft. Niet eens zozeer verloren, maar meer weg gedaan, afgevoerd. Dat wat eens was is weer nu. Gisteren wordt vandaag om morgen te glanzen.

    Leporello

    Tot slot is in de kaft van het boek een leporello gestoken. Het toont het vernietigen van een draadstaalfiguur. Een installatie opgetrokken uit fijnmazig draadgaas staat figuur voor het leven. Het verbeeldt de tijd en de vergankelijkheid. De mens verliest alles wat hem lief is – huisje, boompje, beestje – en legt uiteindelijk zelf het loodje. Wat rest is een hoopje niets. Want alles is ijdel, nutteloos, leeg. Stoei ik met letters om zinnige zinnen te maken, de woorden zo te rangschikken om een leesbaar verhaal te schrijven. Gerrit Terpstra evenwel heeft zijn tekst in beelden al gevonden om zin te geven aan zijn filosofie over tijd. Het mag de tijd hebben.

    Fan dingen ensa. Gerrit Terpstra. Teksten Jan de Waard, Gerrit Terpstra, Michel Tournier. Uitgave Wijdemeer Dokkum i.s.m. Mooi Rood Pers, 2025.

  • Want dieren zijn precies als mensen

    Het is fijn wanneer je niet altijd serieus hoeft te zijn. Dat je naast ernstige sonnetten ook rijmpjes op papier kunt zetten. Dat je niet altijd plechtig hoeft te schrijven, maar ook eens zingend uit de band kunt springen om de treurigheid te verdrijven. Luchtig en lichtvoetig, light verse of zoals Drs.P het noemde: plezierdichten. Rikkert Zuiderveld is een woordkunstenaar die  zich van diverse vormen en stijlen binnen de dichtkunst bedient. Die met ernst kan schrijven, maar daarnaast vrolijk de pen kan hanteren. Hij gaat virtuoos om met het woord, is een meester in de taal. Kan makkelijk liedteksten maken als een psalmdichter, maar tovert ook eenvoudig verzen en vergezichten uit de mouw, en bewerkt het papier creatoef met oneliners, limericks, topos en de haiku. Net zo makkelijk. En in elke vorm omzeilt hij een kwinkslag niet, want ook in ernst is de glimlach dichtbij.

    En dan beeldend kunstenaar Marius van Dokkum, hij ziet de humor in de wereld. Ook al probeert de mens zo ingetogen mogelijk met ernst het zijn te leven. De schilder/tekenaar haalt het leven in zijn creaties als het ware onderuit, zaagt figuurlijk de poten onder de stoel vandaan en zet de hoogmoed beeldend te kijk. Maar ook kan hij heel serieus aan realistische portretten werken en ruimtelijke beelden vormen. Zijn beschouwingen van de wereld zijn werkelijk, hij doet er echter wat zout en peper bij om de eigenwaan enigszins te kruiden, de inbeelding uit te beelden en de opgeblazenheid door te prikken.

    De kip of het ei

    Rikkert en Marius vonden elkaar al eens in het genre diergedichten. Een kijk op de wereld door de ogen van de mens op het dier. Echter eerder het dier dat meent mens te zijn, althans zich zo tracht te gedragen. Een samen optrekken van twee fantasten middels geïllustreerde gedichten of tekeningen met ondertitels, waarin dieren net mensen zijn en mensen zich gedragen als zijn het dieren. In een soort van fabels, fabelachtige poëzie, voer Rikkert diverse gedachte en bedachte dieren ten tonele. “Ik ben geen duif en geen parkiet / geen kraai en geen kanariepiet / en ook een ekster ben ik niet, / ik ben gewoonweg kierewiet.” Stel je dat eens voor, maak daar eens een beeld van. Marius bedacht bij de verzen beeldende illustraties. Tekeningen die de woorden tot leven wekken.

    Illustreerde Van Dokkum bij de eerste samenwerking “Door de wolf geverfd” nog ongekleurd de poëzie van Zuiderveld om de woorden te versterken met uitleggende beelden. In de nieuwe uitgave “de rijmelaarse kat” nemen de vrolijk gekleurde tekeningen een meer prominente plaats in. Zijn de rollen omgedraaid en is het dat de gedichten het tekenwerk illustreren. Wat was er eerder de tekening of het vers, de kip of het ei. Daardoor is het echt een kijkboek geworden meer dan dat het een (voor)leesboek is. Of dat het kind zich kan vinden in de tekening, opgaan in de creatie van de kunstenaar die aansluit bij de fantasie. Het kind kan zelf een verhaal bedenken bij de beelden, waar de volwassene de uitleg in de rijmen krijgt. Maar natuurlijk kan de ouder weer kind zijn en zich verkneukelen aan en in de tekeningen. Het hoeft niet altijd zo serieus te zijn.

    Woord en beeld

    De dieren in de Rijmelaarse Kat bevolken een wonderlijke wereld. In hun doen en laten zijn het net mensen. Meneer De Uil van de Fabeltjeskrant wist dat destijds al goed te duiden zittend op zijn boomtak: “Want dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensen-wensen, en dezelfde mensen-streken.” De wereld bekijkend met een knipoog. Want het schijnt allemaal niet zo ernstig als het lijkt, althans in de westerse wereld. Het is een dolle boel daar in het rijk van de gelaarsde kat, het sprookje dat ook al het menszijn op de hak nam. Echter is het land van de rijmelaarse kat surreëel, de fantasie viert er hoogtij. Marius van Dokkum weet dynamiek te brengen op papier, de tekeningen zijn in het platte vlak volop in beweging. Vooral in de grote complexe platen valt er veel te zien en voldoende op te merken. Het zijn waarlijk kijkplaten met oog voor detail zonder het grote geheel uit zicht te laten.

    Waar Rikkert Zuiderveld in taal virtuoos karakters kan neerzetten, zo meesterlijk tekent Marius van Dokkum deze op papier. De dieren hebben allemaal de aard van de werkelijke dierenwereld, maar acteren net iets meer uitvergroot het temperament van de mens. In de tekeningen beleef ik de dierenwereld zoals deze zich in vertaling van de mensenwereld aan de fantasie van Van Dokkum voordoet. In de gedichten herbeleef ik deze beelden in taal. En andersom. Ik lees de verzen, beleef de woorden, en herbeleef deze vrolijke fantasie in beelden, de tekeningen die aan de gedachte vorm geven. Gewone alledaagse voorvallen en gebeurtenissen krijgen woord en beeld: “Een luipaard is geen paard / en hij is ook niet lui. / Hij heeft alleen wel vaak / een slaperige bui.” En dat dan in een letterlijke opvatting uitgebeeld met een wolk in gapende slaap. En er is een apart over dieren die aan sport doen. En mol die verspringt, tennissende konijnen, een varken dat zich schoonspringt, kippen aan het biljart, een wielrennende Klara koe, een zeilende olifant en nog vele splorten meer. Hoe de kangoeroe roeit daarvoor moet zelf maar een “de rijmelaarse kat” aangeschaft worden. “Zwemmen / Alle vissen wilden meedoen, / ook de haring en de schol. / Maar de walvis dook in ’t water, / en toen was het zwembad vol.

    Voorstelling fantaseren

    Door de afbeelding raakt de handeling mijn ogen. Door de gedichten raakt het de taal. Kan ik de gebeurtenis benoemen. Kan ik het begrijpen, gaat de papieren beweging vooraf aan mijn fantasie. Wordt het benoemd nog voor ik er zelf duiding aan kan geven. Dan staat het vast, hoewel het een spel met taal is in combinatie met het getekende. Door het gedicht in relatie te brengen met de afbeelding is de handeling duidelijk. Dat is wel jammer, het maakt de beleving statisch. Ik kan niet zelf een voorstelling fantaseren. Eigenlijk zal ik me als een kind laten voorlezen zonder in het boek te kijken. Dan krijg ik zelf mijn beeld voor ogen en deze kan sterk afwijken van kunstenaars interpretatie. Of ik ben het kind dat plaatjes kijkt en niet kan lezen nog. Echter ben ik de volwassene voor welke beide dingen – het woord en het beeld – zich samenvoegen, zodat ik de fantasie van zowel van Van Dokkum als van Zuiderveld herbeleef. En die fantasie heeft vele uitwassen. Ik kan me voorstellen dat Rikkert weleens schaterlacht bij de taalvondsten die hem invallen. En dat Marius grijnst wanneer hij het potlood grappige lijnen laat tekenen. Het is allemaal niet serieus en met ernst hoeft dat ook niet.

    De rijmelaarse kat. Teksten Rikkert Zuiderveld, illustraties Marius van Dokkum. Uitgave Art Revisited, 2025.

  • Een expositie op de leestafel, om een boom op te zetten

    Het lijkt een makkie. Neem een bosje penselen en wat kwasten, pak er een doos verf bij en vul een beker met water. Scheur een vel zwaar papier uit een schetsboek. Meng dan de verf met water zonder de kleuren te besmeuren. En maak met het penseel lijnen en gebruik de kwast voor vlakken om een figuratie op te zetten. Gebruik desnoods je handen of een spons om speels details uit te werken. Klaar is kees, een kind kan de was doen. Zo oogt het resultaat in eenvoud. Maar zo makkelijk gaat dat niet. Aan een eenvoudig schijnende verftekening gaat een heel proces vooraf: veel kijken, goed zien, serieus beschouwen en diepgaand denken. Aanvoelen en mijmeren, bevoelen en reflecteren.

    Wie het boek The Infinite Tree of in goed Nederlands De Eindeloze Boom doorbladert waant zich in een bos. Achter elke boom staat een andere, bij het omslaan van iedere bladzijde doemt een nieuwe studie op. Twijgen slaan in mijn gezicht, takken druk ik aan de kant. Kunstenaar Ron Dirven, die deze gebonden expositie van eigen werk door Robert Zandvliet heeft laten cureren, geeft de dwaler handvaten om te beschouwen. Maar ook wel stuurt hij mij het bos in en zet een emotionele abstractie op. De oorsprong is echter nooit ver weg. Evenals de natuur veelvormig is zo is de kunst van Dirven pluriform. De boom als bron waaruit de inspiratie voort vloeit en de compositie ontspringt. Van origine is de stam de oorsprong. De drager van de geschiedenis. De wortels vertellen over het verleden terwijl de bladeren uitvliegen van de takken naar de toekomst.

    Weerbarstige stammen

    Het schijnt dat Ron Dirven gefascineerd is geraakt door het laatste schilderij van Vincent van Gogh. Geïnspireerd door de grillige lijnen en vlakken die een veelheid aan boomwortels tot een eenheid maken. In dat beeld schuilt de gebrouilleerde geest van de maker. Zijn strijd met het leven komt er in tot uitdrukking. Maar ook zijn olijfbomen en knotwilgen zijn zelfportretten. Dat Dirven daarin zijn oorsprong tot het componeren van zijn beeldtaal vindt is niet zo vreemd, want hij is directeur-conservator van het Vincent van Goghhuis in Zundert. Het geboortehuis van de schilder, waar echter de reden om zijn kunst er nu te tonen flinterdun is. Daarom is er in de tot museum omgevormde pastorie regelmatig een confrontatie met hedendaagse kunstenaars, die zich in een naastgelegen atelier op het werk en de idee van Van Gogh kunnen richten. Daaruit komen de meest interessante projectmatige producten en composities voort.

    Ron Dirven werkt echter in eigen atelier aan zijn oeuvre met de boom als bron van inspiratie. De boom die het leven is, de stamboom van het zijn. Maar zijn fascinatie is breder, Dirven beschouwt de natuur als geheel. In al de veelvormige uitingen zoekt hij naar eenvoud. Deze vindt hij het meest karakteristiek in de weerbarstige stammen, de verhoutte stengels tot grillige takken, de bladeren en de vruchten. In eenvoudig meervoudige tekeningen werkt hij deze inspiratie uit. In een speelse stijl zijn het vrolijke en fantasierijke verbeeldingen geworden. Door de kleurstellingen met water uit te drukken ontstaan transparante voorstellingen, geen compacte bosranden of massieve doorkijkjes. Geen indruk waarin ik door de bomen het bos niet meer zie.

    Ron Dirven staat zich er in de buitenwereld niet op voor kunstenaar te zijn, omdat hij niet als schilderende museumdirecteur geafficheerd wil worden. Daarom heeft hij jaar en dag in afzondering iedere maandag van elke week aan zijn portfolio gewerkt. Daarvan is nooit een tentoonstelling gekomen totdat collega Robert Zandvliet artist in residence in Zundert werd. Zandvliet zag de kwaliteit en bezag de originaliteit van Dirvens werk en raadde hem aan daarmee in de openbaarheid te treden. In eerste instantie is het boek The Infinite Tree daarvan de weerslag. Een logboek als beschrijving van zijn bevlogen fascinatie voor het machtige hout.

    Een kind kan de was niet doen

    Steeds opnieuw ging en gaat hij de strijd aan met het materiaal om vooral de stam en de takken in een oogwenk krachtig op papier te zetten. Het gebruik van meer water geeft het beeld de ruimte om zich te ontvouwen en daarmee kan de kunstenaar de controle enigszins los laten. Hoewel het resultaat een statische afbeelding is, eigen aan de boom als standvastig karakter, gaat er tegelijkertijd een dynamische kracht vanuit. Alsof iedere ademtocht als windkracht 8 er langs schuurt en de emotie tot boven de kruin laat stijgen. Dirven studeert en improviseert om het moment te raken waarop het werk zichzelf lijkt te maken en hij doorgeefluik is van iets buiten hemzelf. “Het is het moment waarop je alle ratio, elk vooropgezet plan of ambitie los durft te laten”, schrijft Rebecca Nelemans in de inleidende tekst van het boek. “De sprong diep in de duisternis van het niet sturen, niet weten, zoeken naar het moment van onvermogen om uit te drukken, daar ontstaat het onzegbare (…) dat zo kenmerkend is voor de beeldende kunst.”

    Een kind kan de was niet doen. Het opzetten van een boom in de meest eenvoudige vorm is geen kinderwerk, hoewel deze jeugdige figuur zonder rugzak spontaan een meesterwerk kan creëren. Op de simpele manier waarop een kind de wereld beschouwt en kan uitdrukken, kan de kunstenaar eenvoudig zijn of haar emotie in de afbeelding tekenen en penselen. Of zoals Zandvliet meent dat alles in het werk van Dirven op zijn plek valt: “Er is niets in deze werken wat te veel of te weinig is of niet klopt.” Het beleven straalt van de werken af, de veelvormigheid van de natuur maakt indruk op zowel de kunstenaar in het veld als de beschouwer in zijn werk. Het boek is een expositie op de leestafel, waarin A5 vellen tussen de A4 bladen zijn gestoken om de beleving van het bos te waarborgen. In de afzondering en de stilte tussen de vier muren van het atelier is een robuust oeuvre ontstaan dat de wereld aankan. Een weergaloze beeldbeschrijving die staat als een huis boom. En zoals de natuur zich van diverse kanten laat bekijken, heeft Ron Dirven in zijn studies van het hout een veelzijdig vermogen opgebouwd. Hij tovert als het ware met de verf en schept aldus speelse creaties in legio variaties op het fenomeen boom. Ron Dirven is zichzelf, maar in het diepst van zijn wezen een beetje Vincent van Gogh: veel kleur en een snelle penseelstreek met ruimte voor emotie.

    The Infinite Tree – De Eindeloze Boom. Ron Dirven. Tekst Rebecca Nelemans. Uitgave The Eriskay Connection, 2025.

  • Muzikaal Oinkbeest uitgetekend in beeldverhaal

    De vertelling lijkt de magie te verliezen wanneer beelden voorgetekend zijn. Maak ik een eigen voorstelling bij het beluisteren van het hoorspel, de strip als afgeleide daarvan kan onttoverend werken. Ook de film naar het boek is meestal een minder aftreksel daar je eerder in gedachten een eigen figuratie maakte tijdens het lezen. En die figuren zien er net even anders uit dan de acteurs in de film. Het persoonlijke beeld heeft de magie van het verhaal, de tekenaar of regisseur zet daar de eigen idee tegenaan. Die voorstelling strookt lastig met mijn persoonlijke beeld, zodat de betovering wat mij betreft verloren raakt. Daarom dacht ik dat de sprookjesstrip over het hoorspel van Elly Nieman en Rikkert Zuiderveld de magie van Het Oinkbeest teniet zou doen. Want heb ik een min of meer duidelijk beeld voor ogen wanneer ik dat muzikale verhaal beluister, het in plaatjes te zien als een graphic novel zou het mysterie onthullen. Zo dacht ik. Maar niets is minder waar.

    Elly & Rikkert

    Het Oinkbeest dat zich afspeelt in de sfeer van ‘De Kauwgomballenboom’ en ‘Als ik een bijtje was’. Dromerig, enigszins kinderlijk, met een licht filosofische klank en een morele ondertoon. In die typische stemming waarop Elly en Rikkert patent lijken te hebben. Een moderne gebroeders Grimm of Hans Andersen, die met hun fantasierijke verhalen de lezer een spiegel voorhouden met een vriendelijk belerend plot. Een volksverhaal dat ook kinderen aanspreekt. Zo’n vertelling maakten de muzikale echtelieden begin jaren 70 van de vorige eeuw. De anarchie van de woelige jaren 60 waren net over gewaaid, maar de bloemrijke sfeer die liefde ademde klonk door in het volgende decennium. De geur van cannabis hing nog in de lucht. Het Oinkbeest paste vrolijk en opgeruimd in de idee van die jaren 60.

    Inge Bogaerts zat als jong meisje vastgeplakt aan de bruine luidsprekerbox in de kamer. Tussen de verzameling van vader had ze een luisterverhaal ontdekt en kwam bij de eerste klanken vanaf het vinyl onmiddellijk onder de betovering van de fantasierijke vertelling. Ze ging helemaal op in het spel van Elly en Rikkert, die met verve het Oinkbeest vertolkten. Ze luisterde weer en nog een keer. En weer eens weer. Omdat ze het zo dikwijls had beluisterd en zich in ruime mate een idee vormde, kan ze op latere leeftijd als tekenaar die gedachten van toen terughalen en letterlijk uitwerken. Exact in de sfeer zoals het duo dit bij het schrijven voor ogen moet hebben gehad. Bogaerts is als het ware in de huid van de Zuidervelds gekropen. Kijkt met hun blik naar het verhaal. Zij figureren daar in, zoals ze ook in het hoorspel zij de verschillende figuren een stem gaven.

    Deze makers zijn met de tijd mee gegaan, opgegroeid met hun publiek en zij met hen. De jaren waaruit ze zijn ontsproten hebben ze echter niet los gelaten. Nog altijd sijpelt het sprankje hoop dat alles beter zal worden van de provo-tijd erin door. De flowerpower is niet verdwenen, de bloem steekt nog in het haar, de tegencultuur leeft door in Vledderveen. Doordat Elly en Rikkert tijdloos zijn kunnen zij voor de eeuwigheid componeren, schrijven en musiceren. Het verhaal van Het Oinkbeest is daarom universeel. Hoewel gegoten in een enigszins kinderlijke jas sluit het thema aan bij jong en oud. Het land waarin Het Oinkbeest belandt is een verzamelplaats van geloof, hoop en liefde. Maar de bewoners moeten nog worden lek geprikt om te doorzien dat het leven alleen maar goed is. Het Oinkbeest laat hen kijken met nieuwe ogen en laat beleven wat ze niet voor mogelijk hadden gehouden.

    Levendig, vol vrolijkheid

    De vrolijke sfeer die Elly en Rikkert wisten vast te leggen in hun sprookjesachtige vertelling weet Bogaerts naadloos over te brengen in de tekeningen. En ze voegt zelfs meer details en handelingen toe dan het hoorspel aangeeft. Dat spel heeft in de muzikale intermezzo’s ruimte om de fantasie te laten stromen. Door die melodieën kan de luisteraar zelf de loop van het verhaal invullen. En dat heeft Bogaerts destijds volop voor zichzelf gedaan. Daardoor kan ze nu extra cachet aan het verhaal geven en handelingen vormen die toen werden gesuggereerd. De uitwerking is daarom niet een slap aftreksel maar een sterke afgeleide van het origineel. Het voegt zelfs iets toe. Geeft beeld aan de gedachte.

    Doordat Bogaerts op jonge leeftijd zo vaak het hoorspel heeft beluisterd, kan zij zich goed inleven in de vertelling. Weet ze hoe de personages figureren tot de verhaallijn. Wat de mimiek is en hoe de eigenschappen zijn. In haar vertaling is het een drukte van belang in het bos. De kleine dingen die na meerdere malen beluisteren in het hoorspel te horen zijn, iedere keer weer ontdek ik iets nieuws en anders – het is maar in welke stemming ik ben en hoe open de oren staan. En ook de strip lees ik eens weer, bekijk het opnieuw met andere ogen. En steeds ontdek ik in de schijnbare te drukke wirwar van kleuren, vlakken en lijnen details die ik eerder niet heb opgemerkt. De strip is levendig, vol vrolijkheid, zelfs de mindere stemming wordt meer opgeruimd weergegeven. Het is er kortom een vrolijke boel. Even vrolijk als dat het er in de studio destijds moet hebben toe gegaan. Een feestje voor oor en oog. Bij de plezierige klanken kom je als het ware los van de aarde, bij de lollige tekeningen gaan je gedachten met je gevoelens aan de haal, op de loop. Het kan niet waar zijn, maar op een dag kan het wel zo gebeurd zijn. Er doet zich meer voor tussen verstand en emotie, wanneer ik me maar als kind kan inleven. Voor het kind is alles mogelijk, hun taal en fantasie maakt van een muis een olifant, zet monsters onder het bed en spoken op het behang.

    Volwassen beeldverhaal

    Zoals Bogaerts destijds bij de teksten en liedjes haar hart liet veroveren, zo betovert zij met haar tekeningen de lezer van nu. De luisteraar is kijker geworden. De muzikale reis is een tocht naar de verbeelding. Is onze tijd vooral gericht op beelden die verhalen moeten vertellen, Bogaerts haakt hier mooi op in door haar herinnering te verbeelden. De teksten te volgen, en haar fantasie daar bij in te vullen. De idee van het duo is nauwlettend in de gaten gehouden en kunstig in beeld gebracht. En zelfs zo dat de lezer ofwel kijker daar zelf nog invulling aan kan geven. De vertelling heeft ook iets surrealistisch. Het is niet echt en toch kun jij je er werkelijk in inleven. De fantasie zweeft boven de werkelijkheid. Het zijn welhaast Jeroen Bosch achtige taferelen die zich op de pagina’s ontvouwen. In elk geval in de sfeer van het grote blikken harmonie orkest dat over de bergen trekt. Over die angstaanjagende Jeroen Bosfiguren is een zachtmoedig sausje gegoten. En op de stoeprand zitten twee vreemde vogels. “Zoals we door de straten lopen / En de wonderlijkste kleren kopen / Zijn we net / Twee vreemde vogels / / Jij met je ravenzwarte haren / Je kanariegele vest / Kijk de mensen staan te staren / Die zijn anders dan de rest”.

    De liedjes op papier klinken niet, maar dansen over en door de bladzijden. In je hoofd zing je zo de tekst mee, ook al heb je nog nooit het hoorspel gehoord. Het is deze speelse kracht van de tekenaar die naadloos aansluit bij de ludieke uitingen van de muzikanten. Het mag een kinderlijk sprookje zijn, het is een volwassen beeldverhaal waarin jong zowel als oud zich kan inleven. Het houdt een spiegel voor en wie als Alice in Wonderland door deze spiegel durft te stappen komt in een wonderlijke wereld van metaforen, beeldspraken en zinnebeelden. Het onbekende raakt bekend, het vreemde wordt gewoon. Wie anders is van lijf en leden, wie tegendraads denkt, wordt liefderijk opgenomen in de groep. Iedereen is gelijk zo is de boodschap, we sluiten niemand uit. Kom erbij!

    Dan kan ik me onopvallend en een beetje gegeneerd in een hoekje inleven in de wereld van het kind. Want zou ik in deze wondere walgelijke wereld niet eens graag weer kind zijn. Onbevangen door de ogen van Het Oinkbeest het goede in de wereld opnieuw ontdekken. Daarvoor hoeft niemand zich te schamen, dat worden als een kind is een groot goed. Niet het kind zijn op zich, maar het inleven alsof je weer kind was. Kijk door de ogen van Het Oinkbeest, figuurlijk door het beeldverhaal te bekijken en te lezen. Letterlijk door het boek te openen en de twee gaten in de omslag voor je gezicht te houden. Kijk door, kijk anders, kijk opnieuw. En ontdek.

    Het Oinkbeest. Een sprookjesstrip. Inge Bogaerts. Beeldverhaal naar het hoorspel van Elly Nieman & Rikkert Zuiderveld. Uitgeverij Oogachtend, 2025.