Categorie: Diversen Boeken

  • De groeipijnen van Museum Belvédère

    Ga je naar Museum Belvédère, dan kom je voor wind, water en wad. Voor kunst uit het noorden van Nederland die verbindingen legt met gevoelsgenoten in andere Europese windstreken. Reisgenoten door de kunst.

    Belvédère zou het museum van de verstilling zijn, was destijds de opzet. Verstilling betekent echter niet dat het er stil is of dat er geen publiekstrekker in de zalen kan worden tentoongesteld. Mercuur had wel die gedachte, maar Steenbruggen zocht na hem de grenzen op en liet ruimte voor het onverwachte. Toch sta je als bezoeker enigszins vreemd te kijken wanneer de grappenmakers onder de kunstenaars – het stripschap, de cartooneske tekenaars, de karikaturisten – met hun werk een plek krijgen aan de wanden.

    Een vreemde eend?

    Het profiel van Museum Belvédère blijkt echter breed genoeg om met Groeipijn Peter de Wit binnen te halen. Een tekenaar die op het eerste gezicht een vreemde eend lijkt in de bijt van de schilderkunstige traditie van het museum. Maar wie het profiel van Belvédère wat ruimer bekijkt, ziet dat er altijd ruimte is geweest voor kunstenaars die zich tussen schilderen en tekenen bewegen, voor illustratieve en stripachtige beeldtaal en zelfs voor ironie en humor. Te denken valt onder meer aan Joost Swarte, Hans Niemeijer en Martin Jarrie.

    De tentoonstelling is daarmee niet zozeer een breuk met het museumprofiel als wel een proef op de som van hoe ver dat profiel kan worden opgerekt. Han Steenbruggen wil het profiel van Belvédère niet als een keurslijf laten werken. Hij wil het brede spectrum laten zien en ruimte geven aan het experiment. Naast Jan Mankes uit de vaste collectie past daarin dus ook Peter de Wit als tijdelijke attractie. De Wit is een geweldige tekenaar met actuele thematiek, zegt Steenbruggen. Maar misschien is hij zelf ook wel een grote fan van Sigmund. Wie weet.

    Bij het bekijken van de tentoonstelling in een van de kamers in de westvleugel kan ik meer dan zo nu en dan een grinnik niet onderdrukken. En soms brengen de tekeningen mij zelfs tot ingehouden lachen, want te veel kabaal is ongepast. De met humor overladen tekeningen breken echter de stilte van het museum. De gedachten bij de cartoons vallen niet geruisloos in woorden op de vloer. Soms is een glimlach het enige geluid.

    Peter de Wit brengt de klare lijn van Joost Swarte terug in dit museum. Swarte was er net voor de lockdown te zien, gecombineerd met Jarrie. Swarte, de geestelijke en zakelijke vader van de klare lijn, waarmee De Wit op een humoristische en speelse manier aan de haal gaat.

    Meer dan Sigmund

    Peter de Wit is natuurlijk vooral bekend van Sigmund, de dagelijkse cartoon in de Volkskrant. Maar stripfanaten kennen hem al veel langer, onder meer van Stampede! en De Familie Fortuin. Zijn tekenwerk beperkt zich dus bepaald niet tot de psychiater met de vileine opmerkingen. Met Doodleuk, een reeks tekeningen over de dood, en nu Groeipijn, over kinderen en hun ouders, laat De Wit opnieuw een andere kant van zijn tekentalent zien. Het zijn zelfstandige reeksen waarin hij zich meer vrijheid veroorlooft dan in de krantencartoon. De onderwerpen verschillen hemelsbreed – de dood tegenover het opgroeien – maar in beide gevallen gebruikt De Wit zijn scherpe blik en gevoel voor humor om iets alledaags van een andere kant te bekijken.

    De tekenaar relativeert de actualiteit met een scherpe pen, gevoed door een puntig inzicht. Hij breekt het serieuze ouderschap open door de kinderen te laten zeggen waar het volgens hen op staat. Hen de hoofdrol te laten spelen. Wie zijn werkelijk de baas in huis? Wie laten van de wereldhuishouding geen spaan heel? De jeugd heeft de toekomst, dat blijkt eens te meer uit de tekeningen van De Wit. Hij staat de ernstige museumbezoeker meermaals op de tenen. Grappig is dat hij voor dit museum een speciaal toegesneden tekening heeft gemaakt. Vader met de kinderen op museumbezoek: “Kunst hoeft niet altijd mooi te zijn, hè. Misschien vonden jullie het wel mysterieus of verontrustend.” De kinderen: “Of gek”, “Of poepie”. Om te lachen.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère

    De tekeningen uit Groeipijn zijn momenteel te zien in Museum Belvédère en ook gebundeld in het gelijknamige boekje. In die bundel vrij werk, verschenen bij Concertobooks, verdedigt Han Steenbruggen op de flap zijn keuze om het werk van Peter de Wit museaal te tonen. “Ik ben een trouwe Volkskrant-lezer. In de ochtendhaast sla ik altijd veel over, maar nooit de dagelijkse strip van Peter de Wit.” Nou ja, nu weten we het. Doordat De Wit met slechts enkele trefzekere lijnen en opvallend open vormen zijn personages definieert, past hij in het profiel van het museum, vindt Steenbruggen. Met minimale middelen duidt hij een scène en weet hij emoties op te roepen. Bijna-niets wordt heel-veel. Dat sluit aan bij menig kunstwerk in de collectie.

    Peter de Wit tekent in Groeipijn met milde humor en een vriendelijke knipoog, meent Steenbruggen. Daardoor ontwapenen de kleine scènes en worden grote olifantenproblemen gereduceerd tot kleine muizenoplossingen. De botsingen tussen jong en oud worden daarmee in perspectief geplaatst en genuanceerd. De Wit ziet de betrekkelijkheid van de struikelblokken in de opvoeding in, de plaats van ouder en kind binnen het gezin. We zijn allemaal jong geweest. Onbevangen tekenen als kind kan Peter de Wit niet meer, daar is hij zich van bewust. “Maar neem van me aan, het plezier en de intensiteit zijn er niet minder om.” Hij laat zijn fantasie los op de strubbelingen van het ouder-zijn en het kind-zijn en deelt ons dat via zijn tekeningen haarfijn mee.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère

    Buiten de lijntjes

    De tekeningen van Peter de Wit kleuren iets buiten de lijntjes van het Belvédère-profiel. Het museum zoekt daarmee de grenzen van zijn karakter op. Het experiment heeft een interessante uitkomst. De wrange, pijnlijke, liefdevolle, ontroerende en grappige tekeningen verbeelden herkenbare situaties. Deze kamerpresentatie in de westvleugel van Museum Belvédère is een verademing tussen alle min of meer ernstige vertoningen. En krijg ik er niet genoeg van, dan zoek ik in de museumwinkel de gebundelde groeipijnen op. Want heb je de tekeningen in het museum gezien, dan kun je ze mee naar huis nemen in boekvorm.

    Groeipijn. Over kinderen en hun ouders. Peter de Wit. Uitgave Concertobooks, 2026. Publicatie bij tentoonstelling in Museum Belvédère te Oranjewoud, van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère
  • Een tekenkabinet vol verwondering

    De fysieke presentatie mag dan zijn afgelopen, gelukkig hebben we de foto’s nog. En de catalogus die mij door curator Manja van der Storm is toegestuurd. De werkelijke aanwezigheid van de tekeningen laat zich echter niet in een boek vangen. Toch zal ik het daarmee moeten stellen. Het heeft uiteraard meer waarde de tekeningen in de werkelijkheid te bekijken, om het aanzien en de beleving, het karakter en de uitstraling ervan aan te voelen. Toch geven het boek en de webshop een goede indruk van wat het Tekenkabinet zoal te bieden heeft.

    Ooit boog ik mij al over het kabinet bij eerdere presentaties. De door kunstenaar Van der Storm geïnitieerde tentoonstelling van tekenwerk op klein formaat (maximaal A4) beleeft inmiddels haar veertiende editie. Feitelijk kan ik deze teksten welhaast ieder jaar overschrijven en mijzelf citeren.

    Wat goed werkt, verandert niet

    Er verandert namelijk weinig aan de opzet, omdat deze staat en dus niet hoeft te worden gewijzigd. Never change a winning team: wat goed werkt moet je niet veranderen. De doos is duurzaam, enkel de inhoud kan telkens wijzigen. Er is een kern van kunstenaars die voortdurend opnieuw nieuw werk inlevert. Om die as draait dan de inbreng van wisselende deelnemers. Het zijn er veel, te veel om in deze tekst afzonderlijk te benoemen. Daarom is het zaak het Tekenkabinet als geheel te beschouwen. Soms een lade open te trekken en te zien wat er in zit. Maar geen bespreking per individu, om aan anderen geen afbreuk te doen.

    Voorheen omschreef ik het Tekenkabinet als staalkaart van de tekenkunst. “Het meldt op de website geen galerie, geen kunstenaarsinitiatief, collectief of vereniging te zijn – kunstenaars worden geen lid, maar deelnemer per editie. Het is een onafhankelijk podium voor grootse hedendaagse, autonome tekenkunst op klein formaat. Tentoonstellingen, webshop en de daarbij behorende catalogus geven aandacht aan diverse stijlen binnen de tekenkunst.”

    Iedere tekening een eigen meug

    Als een kabinet met laden, een puntzak vol snoep. “Eigenlijk geeft iedere la die ik van het kabinet opentrek een nieuwe verwondering. Een ander helder zicht op de kunst van het tekenen. Ieder snoepje uit de zak heeft een eigen meug, geeft een persoonlijk genot. Het Tekenkabinet houdt van tekenkunst zoals ik van al het lekkers in die puntzak snoep houdt. Het toont daarom jaarlijks een selecte collectie, want uit de aanmeldingen zoekt het Tekenkabinet representatief werk waarin het tekenen tot recht komt.”

    Gaf ik het Tekenkabinet als ministerraad tekenbevoegdheid.  Kleinkunst, want het is lange tijd het ondergeschoven kind in de kunst geweest. Kunst met een kleine k. Het deed ertoe als schets voor het echte werk, voor de kunst met een grote K. Maar onder meer door stimulatie van Tekenkabinet en de acties van galeries gespecialiseerd in tekenkunst groeit het tekenen groter en wordt volwassen.”

    Zette ik het op een platform voor autonome tekenkunst. “Het is een reisgids om het zich vrij gevochten land van de tekenkunst tot in elke uithoek te ontdekken en leren kennen. Waarschijnlijk zijn nog niet alle facetten belicht, maar het tekenkabinet laat wel veel kanten van deze kunstvorm zien. Het is een letterlijk en figuurlijk kleurige opsomming.”

    Het papier als vruchtbare grond

    Zo constateer ik, mijn verzameling catalogi door de verschillende jaren heen doorbladerend, dat de tekenkunst zoals gepresenteerd door het Tekenkabinet een groei doormaakt. Het papier is een vruchtbare grond waarop deze manier van uitdrukken zich kan ontwikkelen. Al lang is potlood en inkt, krijt en kool geen schetsmateriaal meer als voorstadium van een volwaardig kunstwerk. Er wordt naar hartenlust met het medium geëxperimenteerd. Vanuit de werkelijkheid wordt vereenvoudigd en via een abstracte weg keert men terug naar de realiteit. Alles is mogelijk en alles wordt gebeurlijk.

    De catalogus, de webshop en de pop-uptentoonstellingen, zijn een visitekaart voor het tekenen. Nu de expositie is afgelopen, kunnen de werken blijven schitteren in druk en langs de digitale weg worden gekocht. Van iedere kunstenaar is in de catalogus een representatief werk opgenomen, geselecteerd door de organisator uit het aanbod. Daarbij staan titel, techniek en formaat vermeld. Tevens is het contact in de vorm van een webadres opgenomen, zodat de eerste kennismaking een verder onderzoek mogelijk maakt. Zo is er door de jaren heen een waaier aan mogelijkheden binnen deze manier van kunst bedrijven ontstaan. Een dwarsdoorsnede van de Nederlandse tekenkunst, een rijk palet, een kleurige bloemlezing. Over het hele spectrum is een typerend beeld geschetst.

    Het beeldmerk van het Tekenkabinet

    Aan de opzet en de presentatie is weinig veranderd. Het idee ontstond en kreeg een uitwerking die een stevig fundament bleek, voldoende om vaste grond onder de voeten te krijgen en te behouden. Wat enkel wijzigt, is een opvallend detail: het beeldmerk van het Tekenkabinet. Daarin komt telkens een onderdeel van de tekenpraktijk naar voren. Waren het eerder al het schaafsel van een potlood, een stalen puntenslijper, de verschillende hardheden van het potlood met telkens een uiterst scherpe punt, een prop gefrommeld papier of een witte museumhandschoen; in 2026 is het opnieuw een puntenslijper, onmisbaar voor de tekenaar. Een rode kunststof variant met duidelijke gebruissporen. Wie vervolgens de website van het kabinet bezoekt, vindt daar de legio voorbeelden die door de jaren heen in de laden ervan zijn opgeborgen.

    En ik sta buiten met mijn neus tegen de etalageruit gedrukt. Het water loopt mij bijkans in de mond bij het zien van zoveel lekkers. Ik word er hebberig van en koester mijn boekjes in de plastic winkeltas. Ik zou naar binnen willen stormen en mijn boodschappenlijst afwerken. Aan de kassa een XXL-puntzak vol lekkernijen willen afrekenen. En er thuis stuk voor stuk van willen genieten. Nu kan ik mij slechts verlekkeren aan en in de cadeaugids, en dat maakt al veel goed.

    Tekenkabinet XIV. Catalogus van de tekenkunst op klein formaat. Concept, vormgeving en productie Manja van der Storm, mei 2026.

    tekenkabinet, amsterdam
  • Waar het lichaam betekenis wordt

    Touch is aanraken, touching is ontroeren. Een persoon aanraken kan ontroerend zijn, emotioneel. Je komt in zijn of haar comfortzone. Je nadert zo dicht dat het intiem wordt. Je treedt een wereld binnen die veilig is, een vertrouwde omgeving. Dat kan confronterend zijn, ongewenste intimiteit. Maar het is ook een welkome gemeenschap wanneer twee lichamen één zijn, willen zijn. Aanraken en ontroeren liggen dicht naast elkaar, betasten en vertederen; het streelt maar kan ook schuren. Het bevoelen kan een bepaald gevoel opwekken, zowel positief als negatief. Zo is het met kunst idem dito. Door kunst kun je worden aangeraakt, het kan je ontroeren. Wanneer het je niet aanstaat, is er geen klik en wenst het kunstwerk geen intimiteit.

    Waar verbinding faalt

    In de kunst van Caren van Herwaarden gaat het dubbel op. In de gelaagde tekeningen zowel als in haar diepzinnige beelden. Het zijn objecten van mededogen. Meelijwekkende creaties, omdat de kunstenaar de zwakke kant van het mens-zijn toont. Zij brengt het streven en mislukken van het menselijk handelen aan het licht. Daar waar de schepping faalt, namelijk bij het maken van verbinding. De gemeenschap lijkt iets gemeen te hebben, maar schijn bedriegt veelal. De gemeenschap wenst homogeen te zijn, maar is eerder heterogeen. Zij steekt als los zand in elkaar. Er is nauwelijks consensus in het grote idee van de groep. Er kan veel onderlinge strijd zijn, omdat de een de ander geen ruimte geeft en er onderling geen respect is. Er is sprake van rechts en links, zwart en wit, welles en nietes. Van Herwaarden prikt door die uiterlijke glans heen en boort tot het matte innerlijk. Zij legt de zwakheid van de mens bloot en beeldt deze zonder versiering af. Ze maakt het niet mooier dan het is en daardoor krijgt het een bepaalde schoonheid.

    Caren van Herwaarden

    Het kan aanstootgevend zijn, zelfs als het ethisch correct lijkt, omdat de kunstenaar een spiegel voorhoudt. De werken laten zien waarvoor wij in de meeste gevallen liever de ogen sluiten. Het onthult onze gebreken en mankementen. Daar willen we echter niet op worden aangesproken. Maar het spreekt voor zich dat wij daar in essentie wel aan moeten geloven. Dat afzetten schept vertedering, zoals de platen in het boek Touch, waarmee de kunstenaar zich presenteert. In tekeningen, collages en samengestelde beelden legt Caren van Herwaarden gebaren en handelingen vast. Meestal bewegingen van het menselijk lichaam, en na een artistiek verblijf in Ierland lopen paarden het werk binnen. „Maar de mens is tragischer, want paarden zijn zich niet bewust van hun sterfelijkheid, ze hangen geen religie aan en zeuren en klagen niet”, dicht Walt Whitman in Song of Myself. Meestal dus bewegingen die normaal lijken, maar ongewoon zijn omdat deze gebaren toenadering inhouden. Zij gebieden aanraking, gelasten het toucheren. Althans, zo zou het in een gemeenschap moeten zijn. Daar is geen afstand, maar juist gewenst bevoelen.

    De taal van gebaren

    Getekende en gepenseelde lichamen, maar ook afbeeldingen van driedimensionale figuren tref ik aan in het boek. Voortdurend is daar dus de interactie met de ander, de anderen als in een gemeenschap. Groepsgewijs staat de boodschap. Soms zelfs als een samengeklonterde troep lijven. De lijnen en vlakken maken vormen die herinneren aan de glooiingen van het lichaam. Het vel dat fysiek inhoud heeft, als een zak met botten en vlees. Maar dat is niet waar het in het werk van Caren van Herwaarden om gaat. Het is de inhoud die geestelijk aanwezig is. Waarmee mentaal wordt gecommuniceerd, waarlangs het contact met de ander verloopt. De gebaren zijn belangrijker. De mimische driften. Van betekenis in het gebaar zijn de handen; deze krijgen uitgewerkte aandacht. Daarin ligt de taal van het lichaam, zoals in gebarentaal voor een doof persoon.

    Caren van Herwaarden

    Sommige kunstwerken zie je niet zozeer, die voel je”, stelt journalist Merel Bem in haar bijdrage aan de uitgave. „(…) natuurlijk zie ik dit werk, het is immers ook gemaakt om naar te kijken. (…) Maar dat kijken gaat gelijk op met voelen.” Het werk van Caren van Herwaarden roept bij Merel Bem dikwijls een lichamelijke reactie op. Ze weet haar steeds weer te raken met de intieme, ontroerende momenten die ze kiest. Dat zie ik ook, dat voel ik aan. Dat is een geestelijke spanning, een mentale geladenheid. Het beeld kruist fysiek mijn blik, terwijl ik er emotioneel door geraakt word.

    Kijken met de handen

    Voor de tekeningen en objecten is licht een element van belang. Zonder licht kan de kunst niet worden gezien. Maar de ruimtelijke beelden van Caren van Herwaarden zouden betast moeten worden om er de geestelijke essentie van te kunnen waarnemen. Kijken met de ogen, zien met de handen. In het essay ‘”zandengel” schrijft filosoof en muzikant Gustan Asselbergs dat hij gelooft in het wezen dat op de tast leeft, over de ander struikelt, zich smerig maakt met de klei onder zijn voeten en niet schrikt van het zweet dat via holtes en huidslabben zijn weg naar buiten vindt. „Wanneer zijn wij ermee begonnen onszelf te maskeren? (…) We zijn gecrasht op de buitenkant der dingen, dat is het hele probleem, en nu durft niemand meer.” Dit kwetsbare lichaam, dat gebaren vergeten is, spreekt de kunstenaar aan. Een beeld dat geworteld is in haar zijn door een voorstelling uit haar jeugd: een halfnaakte, gemartelde dode man hing vroeger bij hen thuis boven de deur van de woonkamer. Dat heeft bewust dan wel onbewust haar kunst gekleurd.

    Caren van Herwaarden, Jap Sam Books

    In de weerslag van het gesprek dat kunsthistoricus en conservator Ludo van Halem met Caren van Herwaarden had, omschrijft de kunstenaar wat haar tot het maken van kunst aanzet. Welke condities daarvoor van belang zijn. Met „de werkplaats” toont zij zichzelf naast haar kunst. Met haar idee in gedachten blader ik nog eens het boek door, herken gevoelens en haak aan bij gebaren. „Wat ik zo bijzonder vind aan tekenen is dat je ook iemand ‘betekent’”, laat ze weten. „Dat je niet zozeer iemands gezicht of lichaam beschrijft, maar vooral betekenis geeft. (…) Je bezielt dan.

    Het lichaam kortom is inspiratie. Het wezen dat is, het onzichtbare lijf. Onpersoonlijk evenwel, want het beeld moet universeel zijn. Eenieder moet zich erin kunnen herkennen. Daarom is er wel een kop, maar geen gelaat. De houding van het lijf is belangrijk, niet het optreden van de persoon. Het lijf is drager van de boodschap, zoals het canvas de verf kan dragen waarin het beeld zich zal vormen. Niet het lichaam als lijf is het beeld, het is de houding die de taal maakt. De gebaren zijn het gereedschap om tot uitdrukking te komen en vormen de indruk. Caren van Herwaarden omarmt haar impressies van het leven. Een onpersoonlijk zijn dat zo universeel is dat het voor iedereen persoonlijk kan worden. Ze kijkt door de kleren en de huid heen, kleedt een persoon tot op het bot uit. Wat overblijft is het gevoel, de emotie. De kern wanneer de verpakking is afgedaan. Om dat te verbeelden heeft ze wel een lichaam nodig, want een gemoed laat zich niet uitdrukken.

    Touch. Caren van Herwaarden. Jap Sam Books, 2023.

    Caren van Herwaarden, Jap Sam Books
  • Met Egbarta Veenhuizen op reis door het innerlijk landschap

    Uitingen van de rijkdom die een reis door het innerlijk landschap kan bieden“, zo besluit kunsthistoricus en publicist Rients Kooistra zijn intro tot een boek over het werk van kunstenaar Egbarta Veenhuizen. Het is een enigszins gedateerd boek, maar de kunst die daarin getoond wordt blijft actueel. Zoals vrijwel elk kunstwerk niet tijdgebonden is. Vrijwel, want wat te denken van kunst die uitsluitend in het heden wil leven, zoals politieke propagandakunst en satirische prenten. Deze lopen het risico door datzelfde heden ingehaald te worden. Dat maakt het niet minder interessant, maar wel meer kwetsbaar voor veroudering dan kunst die zich richt op meer universele ervaringen. De persoonlijke ervaringen van Egbarta Veenhuizen blijken universeel, algemeen, om niet te zeggen wereldwijd aansprekend. In een uitgave bij Mauritsheech Publishers met een oplage van 500 exemplaren zal het boek inmiddels wel aan de man zijn. In de museumwinkel van Belvédère zag ik het liggen en het interesseerde me. Door een opdracht een korte film over haar Groenland-project te maken kreeg ik van de kunstenaar een gesigneerd exemplaar met als tegenprestatie dit artikel.

    Het werk dat in het boek, met als ondertitel ‘het raadsel wordt er niet minder om‘, staat afgedrukt omvat twee decennia van scheppen: 1990 tot 2010. Twintig jaren waarin het raadsel van creëren alsmaar dieper is doorgespit en uitgebeend. De dramatiek van het zijn, het mysterie van het leven, heeft kop en staart in de tekeningen van Veenhuizen. Handelingen en gebeurtenissen krijgen symbolische betekenissen, de menselijke figuur als metafoor in een cartooneske omgeving.

    Het beeld mij eigen maken

    Van de raad maak ik dus een daad door het boek te openen. Ik ga op reis door het innerlijk landschap. En probeer daarbij mijn landschap in dat van Veenhuizen te passen, zodat beide samenvallen – dat ik haar betekenis aanvoel. Want wat zie ik, welk beeld neem ik waar, wat is er aan de hand? Volgens Kooistra lijken de tekeningen rebussen en heeft de kijker als taak van de losse onderdelen één geheel te maken. Egbarta Veenhuizen geeft de woorden aan waarmee de lezer van haar beeld een verhaal dient te maken. De titel van het werk geeft nog een ingang. Echter, wanneer het werk zonder titel zich manifesteert, komt het aan op mijn eigen verbeeldingskracht. Feitelijk zijn dat de meest speelse werken, omdat ik dan een persoonlijke verklaring aan de tekening kan geven – het beeld mij eigen kan maken. Bij een opschrift gaat mijn gedachte een bepaalde kant op. Slaat mijn gedachte een weg in die door de kunstenaar is gewezen.

    In het geval van Veenhuizen is de benaming echter even cryptisch als het beeld zelf. Krijg ik de kop maar niet bij de romp, geeft het etiket het raadsel een gelaagde inhoud. Dus houd ik mij de uitspraak van Max Kozloff, in de vertaling van Huub Mous, maar voor: “The eye can never be forced to ’think’, but the mind can be made to see“: “Het oog kan niet denken, maar de geest kan zien“. Ofwel niet het verstand op nul, maar wel de blik op oneindig. Dan zie ik slechts de buitenkant van een mens, die de verpakking is van die persoon. Het voorkomen, het aangezicht, is de gedaante van een mens. In dat silhouet schuilt het karakter, de geaardheid van het wezen. De tegenwoordigheid is wat ik als werkelijkheid beleef, het innerlijk is een abstract gevoel. De ziel van de figuur is dan te ontdekken wanneer de luchtbel wordt doorgeprikt, van het glazen huis de ruiten zijn ingegooid. De essentie van het beeld ligt in een diepere laag.

    Het kijken naar het werk van Egbarta Veenhuizen kan vragen losmaken waarop het zichtbare beeld geen antwoorden geeft. Wie zijn het, hebben ze een naam? De figuren zijn niet ‘naar het leven’ getekend. Een krantenfoto of een vergrijsde afdruk uit het familiealbum kan een bron van inspiratie zijn, maar over het algemeen is het portret uit het hoofd opgezet. Het gaat Veenhuizen ook niet om een specifiek persoon, meent kunsthistoricus Huub Mous. “Het gaat haar om de relatie tussen haarzelf als kunstenaar en een menselijke figuur die zij observeert.” Wie een mens tekent maakt zich een voorstelling van die persoon. Hij of zij ziet een beeld, een uiterlijke gestalte, observeert in zijn of haar verbeelding een lichaam, een houding. De kunstenaar heeft in de praktijk voldoende beeldmateriaal opgedaan om zonder model theoretisch een nauwkeurig lijf te beelden. En zelfs door de buitenkant een beeld te presenteren dat de binnenkant weergeeft. Die emotie, dat gevoel, spreekt dan in het zichtbare beeld, de tekening.

    Verplaatsen in de geest

    Het kijken naar de werken van Veenhuizen vergt doorkijken. Niet wat ik zie is wat het is, maar wat zich achter de voorstelling bevindt. De zichtbare werkelijkheid maskeert de inspiratie, het achterliggende idee. Het figuurlijke mombakkes verbergt de emotie van de maker. De maskers gaan af wanneer de kijker door die façade prikt en op eenzelfde golflengte komt te zitten. Dat vereist inleven en meevoelen, je verplaatsen in de geest van de kunstenaar. Dat is geen eenvoudige opgave, zoals ook het oplossen van een vijfsterrencryptogram dat niet is. Complexe woordspelingen, dubbele bodems en anagrammen kenmerken de hersenbreker. Egbarta Veenhuizen verwerkt in haar composities beeldspelingen, gelaagde visuele verwijzingen en beeldraadsels, waarvan de oplossing zich pas gaandeweg openbaart. Het is noodzaak zich in te leven in de denkwijze van de puzzelmaker. Wat bedoelt deze, wat heeft hij voor ogen? Je blokt en puzzelt, peinst en beredeneert. En opeens, eureka!, heb je de oplossing, het antwoord. Zo is dat met de kunst van Veenhuizen. Je kijkt en beschouwt, doorziet en overdenkt, en dan gaandeweg opent het beeld zich en begrijp je het idee. Het is niet eenvoudig, hoewel het picturaal herkenbaar is. Dat komt door die gelaagde betekenissen en visuele dubbelzinnigheden. De abstracte werkelijkheid, de symbolische realiteit. Logo’s van de emotie. Beeldmerken van het gevoel.

    Laat ik Huub Mous weer aan het woord: “In het werk van Egbarta Veenhuizen gaat het niet zozeer om het mechanisme van de betekenisgeving, maar meer om de manifestatie van een betekenis als zodanig.” Dat was eerst, zo is het begonnen. Het vroege werk heeft nog niet geheel de vorm gekregen die het zou moeten hebben, waar Veenhuizen naartoe wil om zichzelf te uiten. Ze is als kunstenaar nog in de groei. Haar kunst is nog in ontwikkeling. Het werkt langzaam toe naar de betekenis die in de houding en de mimiek van het lichaam ontdekt gaat worden. En daarmee komt dan de gelaagdheid in het werk binnen. En hoeft de kunstenaar niet meer te observeren, maar kan vanuit zichzelf werken.

    Het lijf is figuurlijk gezien haar lichaam. De verbeelde uitdrukking is haar gevoel. Dat maakt de werken puur persoonlijk, voor de buitenstaander minder makkelijk te doorgronden. Echter, Huub Mous weet wat daarvan de oorzaak is, misschien. “Misschien omdat het onbewuste moment van de artistieke creatie meer ruimte heeft gekregen in het proces dat aan het ontstaan van de voorstelling vooraf ging.” Een mooie volzin die de essentie van het werk probeert te vatten. Is de figuur meer herkenbaar, de duiding van het beeld blijft duister. Is er een verschuiving naar een verstaanbaar beeld, het antwoord op de vraag blijft dubbelzinnig. Dat is daarom dan ook de ondertitel van het boek: het raadsel wordt er niet minder om.

    Nog is het werk mysterieus, geheimzinnig. Veenhuizen weet haar kunst steeds dubbel te laden. Niet alleen in het platte vlak, maar zeker ook in een ruimtelijk beeld. Maar dat laat dit boek nog niet zien. Na dit boek zullen bezoeken aan arctische gebieden haar kunst thematiseren. Maar dat is gezegd met de kennis van nu. In 2011 had Veenhuizen er nog maar één reis opzitten. En lonkten Groenland en IJsland nog. Was de koude nog niet in de composities geslopen. De werken in dit boek stralen de warmte van het mogen scheppen. Het plezier in het tekenen, het ontdekken van aansprekende thema’s, het experimenteren met nieuwe technieken en handschriften. Het boek toont het werk niet in chronologische volgorde. De focus ligt eerst op het dan nieuwste werk. Waarna stapsgewijs door het oeuvre wordt gegaan, een stap achteruit en dan twee vooruit. Zo kan de betekenis met terugwerkende kracht duidelijk worden. Van het heden in 2011 naar het verleden van 1990. De reis door het innerlijk landschap heeft nog niet de eindbestemming bereikt, er is nog voldoende rijkdom te ontdekken.

    Egbarta Veenhuizen, het raadsel wordt er niet minder om: een selectie van werk (1990-2011). Tekst Rients Kooistra, Huub Mous. Uitgave Mauritsheech Publishers, 2011.

    Egbarta Veenhuizen
    Egbarta Veenhuizen
    Broos geheel

  • Takkenhoogte bezien door museumbezoekers

    Het is een unieke uitgave”, zegt Han van Hagen wanneer ik met hem naar de parkeerplaats loop. “Niet eerder kwam er een boek uit waarin de museumbezoeker zelf aan het woord komt over een tentoonstelling. Altijd zijn het kunsthistorici en recensenten die erover schrijven. Maar voor mij is het belangrijker hoe het publiek over mijn werk denkt.” Han heeft mij een exemplaar van zijn nieuwe boek beloofd. Het ligt in zijn auto. Ik zoek hem op in Museum Belvédère waar opnieuw zijn serie “Takkenhoogte” wordt tentoongesteld. Althans: de keuze die museumbezoekers daaruit hebben gemaakt.

    Over die eerste tentoonstelling in het voorjaar van 2025, en het daarbij verschenen boek als catalogus, schreef ik eerder. Een doorsnee museumbezoeker ben ik niet. Ik zie, beschouw en kijk om te oordelen. Techniek en compositie interesseren me minder; het gaat mij in mijn besprekingen om het gevoel – de emotie die ik ondervind kijkend naar het werk. Die ervaring zet ik om in woorden. Feitelijk wat de bezoekers met de etsen in Takkenhoogte ook hebben gedaan.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek

    Het ontstaan van de serie en de bijzondere werkwijze van de afzonderlijke delen in het geheel mogen inmiddels meer dan bekend zijn. Na het bezoeken van een tentoonstelling van Hercules Segers in het Rijksmuseum was Van Hagen zodanig geïnspireerd dat hij op eenzelfde wijze als de zeventiende-eeuwse kunstenaar wilde werken. Segers maakte unica van zijn prenten door elke afdruk anders te behandelen. Geraakt besloot Van Hagen in diens trant een prent te maken om te ervaren wat er zou gebeuren. Het werd een serie die door de tijd uitwaaierde tot een oplage van driehonderd bladen van een en dezelfde etsplaat. Iedere afdruk kreeg een verschillende, unieke bewerking, zodat het museum een wandvullende opstelling kon maken. En dat was slechts een keuze uit de totale serie. Basaal opgehangen met spelden vormden de 104 prenten een wonderwand, een kunstinstallatie die de monumentale maat van Takkenhoogte aangeeft.

    Welke keuze maakten zij en waarom

    De serie had als bijkomend verschijnsel”, schreef ik in mijn eerdere beschouwing, “dat Van Hagen gaandeweg merkte dat iedere afdruk een eigen karakter had. Een persoonlijk gevoel aanboorde, een individueel gemoed aansprak. Bij iedere afbeelding bleek een bepaalde stemming te horen. De nuchtere technische zijde werd overstemd door een informele, emotionele kant. Zoals afzonderlijke beschouwers een andere beleving kunnen hebben bij hetzelfde kunstwerk, zo is er in de serie Takkenhoogte voor iedere beschouwer een eigen afdruk. Uiteraard kan dat per dag verschillen; kan het vandaag deze zijn, terwijl het gisteren die andere was en het morgen weer de volgende is. Zo heeft Takkenhoogte alle emoties die voorhanden zijn in zich. Zijn alle uitkomsten mogelijk, heeft ieder resultaat een verwachting.”

    En juist deze emotie interesseerde Han van Hagen. Door de wijze van exposeren bekeken bezoekers eerst de hele wand als een geheel, waarna zij op de afzonderlijke prenten gingen inzoomen. “Welke keuze maakten zij daarbij en waarom?” Dat wilde Van Hagen graag weten. Door middel van een vraag op een tekstbord nodigde hij de bezoekers uit daarop een reactie te geven. En die reacties waren zo waardevol dat de kunstenaar ze wilde vastleggen in een speciale uitgave van Takkenhoogte, namelijk de Bezoekers. Een kleine tachtig respondenten zijn in het boek opgenomen, met daarnaast hun gekozen prent.

    Alle reacties”, verantwoordt Han van Hagen zijn in eigen beheer uitgegeven boek, “die de bezoekers mij toevertrouwden, getuigen van een persoonlijke beleving. De keuze van een bepaalde prent was vaak aanleiding om gevoelens onder woorden te brengen. (…) De afbeelding op een prent blijkt tot ontroering te kunnen leiden én troost te bieden.” Al bladerend door de uitgave valt het mij op dat er veel herinneringen worden opgehaald, dat reageerders zich in woorden van hun kwetsbare kant laten zien. Dat verlies door een prent beter wordt verwerkt. Ook geven de platen aanleiding een persoonlijk verhaal te vertellen, of inspireren zij collega-kunstenaars in hun eigen werk. “In bijna alle reacties laat de schrijver zijn of haar binnenwereld zien. Takkenhoogte is een klankbord geworden van het gemoed.

    Meer dan kreupelhout

    De prenten roepen emotie op, zoals kunst een kwestie van gevoel is. Het is geen vluchtig, terloops zien; de werken verdienen een onderzoekende manier van kijken, een beschouwen. Een doorzien, zodat het vlierbosje meer is dan kreupelhout. Dat het een portret wordt van dit stukje natuur. Dat het zich even divers tot de buitenwereld kan verhouden als de mensen die ernaar kijken. Dat er voor iedere dag van het jaar een emotie is; dan zal Han van Hagen er echter nog een aantal bij moeten maken, in de hoop dat de etsplaat dit aankan.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek

    Op deze plaats zou ik de emoties van de bezoekers kunnen herhalen. Of de mij meest aansprekende uitspraken kunnen citeren. Ik doe dit niet, daar Van Hagen dat zelf al voldoende gedaan heeft in zijn boek Takkenhoogte – de bezoekers. Waarin de bezoekers op hun eigen manier een takkenbosje beschouwen in een wat wild gegroeid gebiedje, ergens argeloos en onnadrukkelijk aanwezig in de achtertuin die overgaat in het heideveld. In die overgave en concentratie spelen stemmingen een rol, maar ook levenservaringen, het geheugen, herinneringen en verhalen. Een bepaald beeld in de reeks trekt dan de aandacht om iets persoonlijks op te diepen uit het individuele leven zelf. Dan gaat het uiteindelijk over het mysterie van geboorte en dood, de essentie van familie, het verliezen van dierbaren – hoe ver weg soms ook –, de liefde en de erotiek, de voortdurende inspirerende inzichten en vergezichten van landschappen, kunstwerken en geschriften, het wonder van de taalgeboorte van de allerkleinsten, de betekenis van vriendschap. Verdorie, nu haal ik toch een reactie aan. Bedankt, Leo Divendal.

    Het is een uniek project, dat “Takkenhoogte”, dat een buitengewoon vervolg heeft gekregen. Meestal legt museumpersoneel of een galeriehouder wel een gastenboek bij een tentoonstelling of expositie. Daarin kunnen bezoekers iets schrijven, maar dat zijn doorgaans algemene reacties en geen respons op afzonderlijke werken. In het geval van Takkenhoogte zijn de reacties een waardevolle toevoeging voor zowel de maker als de kijker. Het geeft een inkijk in hoe kunst beleefd wordt. Niet enkel wordt het werk van Han van Hagen beschreven; de beschouwende bezoekers gaan tevens in op hun individuele kunstbeleving, die universeel blijkt te zijn. Kunst geeft vorm aan de persoonlijke beleving van de werkelijkheid. De beleving van Han van Hagen blijkt echter minder persoonlijk dan hij vermoedde. Zijn werkelijkheid blijkt waarheid en echtheid voor velen. “Kunst doet waarvoor het bestemd is, zij zet aan tot ervaren, denken of leidt tot ontroering, een binnenwereld wordt bereikt”, vult de kunstenaar aan.

    TAKKENHOOGTE – de Bezoekers – . Han van Hagen. Uitgave van Kunstcentrum Hofstede Duet, 2026. Te zien in Museum Belvédère van 5 mei tot en met 7 juni 2026.

    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek
    Museum Belvédère, Han van Hagen, Takkenhoogte, grafiek
  • De beeldraadsels van Dirk Bakker kunnen zonder uitleg verwonderen

    In de Leeuwarder Courant, een provinciale krant die zich van landelijk belang acht, krijgt een zekere Dr. Denker de ruimte en gelegenheid zijn cryptische rebussen te presenteren in de kerstbijlage. Ieder jaar is er een grote schare fans die zich buigt over de beeldraadsels en woordspelingen die in de illustraties verborgen zitten. De puzzels van Dr. Denker, een pseudoniem dat al sinds 1931 bestaat, zijn een cultureel fenomeen in Nederland. Het oplossen van deze puzzels is een geliefde traditie geworden, waarbij families samenkomen om hun breinbrekers op te lossen. Niet alleen in Friesland. Meestal zijn het mensen, dieren en dingen die in de plaatjes figureren en de puzzelaars op het verkeerde been zetten. Maar ook gebruikt de dokter letters en cijfers die qua plaatsing en verhouding tot elkaar een woord vormen. Aan die puzzeldokter dacht ik bij het zien van de schilderijen van Dirk Bakker in Museum Belvédère.

    Dr. Denker

    Deze kunstenaar, die bij leven onder de radar is gebleven, krijgt na zijn dood een terechte plaats in de kunstgeschiedenis. Wat is er mooier dan dat een oeuvre door een collega-kunstenaar wordt ontdekt en veiliggesteld. Dat het levenswerk behouden blijft voor de toekomst. Hoe anders dreigde dat te lopen voor de kunst van Dirk Bakker. Als kunstenaar werkte hij in de schaduw van de kunstwereld en exposeerde nauwelijks. Zijn wonderlijke verbeeldingswereld vond maar moeizaam ingang bij het grote publiek. Zoals de rebuspuzzels van Dr. Denker onoplosbaar lijken, zo zijn de beeldraadsels van Dirk Bakker onverklaarbaar. De duiding die men er niet aan kon geven maakte het werk te mysterieus en blijkbaar onverkoopbaar.

    Eigen draai geven

    Waarom echter zou je willen weten wat de oplossing is? De maker kan het niet meer uitleggen. Vragen blijven onbeantwoord. De schilderijen hebben geen titels en missen daardoor een korte omschrijving van het onderwerp. Maar eigenlijk is dat prettig, want zo kan de kijker er een eigen begrip aan koppelen. Het is gissen wat Bakker heeft bedoeld, waardoor ik er zelf een duiding tegenover kan zetten. Zo kan ik een eigen draai geven aan de plaat, terwijl de schilder er voor zichzelf een persoonlijk beeld aan heeft gegeven. Een verwerking van de wereld om hem heen, niet enkel van de zichtbare werkelijkheid maar zeker ook van het abstracte gevoel.

    Zie ik de werken in het museum en blader ik de bijbehorende uitgave door, dan verbaas ik mij over de humor en de opgeruimde blik op de wereld. Maar dat kan schone schijn zijn, want de wonderlijke verbeeldingen zijn titelloos en kunnen een duistere verwerking van alledag bevatten. De puur persoonlijke kijk krijgt geen uitleg, heeft geen naam, mag die wel hebben maar die moet ik er zelf aan geven. Het zet de museumbezoeker meer aan het denken dan enig ander tentoongesteld werk dat over het algemeen doet. Om de voorstelling te vatten en te begrijpen moet je langer blijven staan kijken. Een vluchtige blik lost het raadsel niet op.

    Bij het klimmen der jaren en een lichamelijke aftakeling werd het noodzakelijk dat het echtpaar Bakker de vertrouwde omgeving moest verlaten. De grote verzameling eigen kunst en de andere verzamelingen — Bakker was naast kunstenaar ook verzamelaar — moesten daarop een nieuwe plek krijgen. Echter, voordat bevriende kunstenaars zich erover konden ontfermen, zorgde de thuiszorg voor afvoer en verspreiding over landelijke kringloopwinkels. Zo is de kunst van Dirk Bakker ongewild onder de mensen gekomen. Slechts een deel van het oeuvre kon worden gered. In de uitgave Beeldraadsels is daaruit een bloemlezing opgenomen. De kamerpresentatie in het museum geeft daarvan weer een dwarsdoorsnede.

    Klaar en helder

    De platen hebben soms een kinderachtige uitstraling, of beter gezegd: een kinderlijk karakter. Op de manier waarop een kind de wereld voor zichzelf uitlegt, zo duidt Dirk Bakker zijn blik op het leven. De grote vraagstukken krijgen kleine antwoorden. Aldus wordt de grote mensenwereld grijpbaar en begrijpelijk. Misschien kan het kind in de schilder het volwassen-zijn beter aan. Een deel van zijn oeuvre bestaat uit tekeningen voor kinderen, waarin stripfiguren en personages uit sprookjes en volksverhalen een geheimzinnige hoofdrol spelen. Voor het kind zijn ze klaar en helder; het zet daartegenover een eigen verhaal en kan er honderduit over vertellen. Voor grote mensen blijft het een raadsel, omdat zij niet meer onbevangen zijn en de kinderlijke naïviteit hebben afgelegd.

    Dirk Bakker

    Naar de kunst van Dirk Bakker dient men te kijken zoals een kind kijkt. Grote levensvragen worden klein gemaakt. Wat niet te bevatten valt, is geloofwaardig in beeld gezet. Op een cartooneske manier beziet de kunstenaar het leven van alledag, van allemanswereld en alledaags bestaan. Uit die verwondering destilleert hij een bewonderend beeld. In beeldspraken maakt hij voorstellingen om voor zichzelf het zijn te verklaren, zich niet bewust dat anderen er een mysterieuze voorstelling in zien. Of misschien wel met opzet vragen oproepend zonder een antwoord te geven. Zo van: zoek het zelf maar uit. Dit is zijn verhaal, waarmee ik vervolgens een eigen vertelling kan maken. De retorische vragen zetten mij aan het denken. Zij houden de aandacht gevangen in een surrealistische gedachtewereld. En krijg ik er geen vinger achter, dan blijft de plaat een kleurige, vrolijke schildering.

    Beeldraadsels. Dirk Bakker, schilderijen. Kamertentoonstelling bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 21 februari tot en met 7 juni 2026. Uitgave “Beeldraadsels”, samenstelling en tekst Theo de Feyter, voorwoord Han Steenbruggen. Museum Belvédère, 2026.

    Dirk Bakker, Museum Belvédère, Theo de Feyter
  • Tekeningen van adem en geest in Groningen en Heerenveen

    Een leeg vel papier. Maagdelijk wit. Het ligt op de tekentafel. Of hangt, geklemd, aan de ezel. Het nodigt uit om bevlekt te worden. Schreeuwt bijna van genot bij een eerste aanraking. Een handgebaar. Een eerste lijn. Een geveegd vlak. De inspiratie overvalt de tekenaar. Intuïtief volgt de hand de geest. Een gedachte krijgt vorm. Niet zomaar wordt de kunstenaar schepper genoemd. Van niets iets maken. Want de Schepper zal eenzelfde gevoel hebben gehad. Een lege ruimte, zwart als de nacht, waarin Hij een bolvorm hangt om er Zijn inspiratie op los te laten. De aarde was woest en ledig, maar Hij maakte er een vredig en beschaafd paradijs van. En Hij zag dat het goed was. Was, want we weten wat ervan is geworden.

    Diezelfde euforie kent de kunstenaar wanneer de eerste stip, de volgende lijn en het nieuwe vlak op papier zijn gezet. Wanneer de afbeelding is geplaatst, de figuratie betekenis heeft gekregen. Dan ziet hij of zij dat het goed is. Is, want de handeling geeft aan wat het moet worden. Niet altijd is de tekenaar tevreden met het resultaat. In een tekening kan immers amper worden geretoucheerd zonder dat het zichtbaar is. De uiting moet meteen staan, dient onmiddellijk de indruk te omvatten; anders wacht de prullenbak.

    Wat het tekenen in de kunstgeschiedenis aan betekenis heeft gewonnen, is algemeen bekend. Het is van schets en ontwerp voor een schilderij uitgegroeid tot een kunstwerk op zichzelf. De tekening is niet langer het ondergeschoven kind van de kunst. Het tekenen is volwassen geworden en kent evenzovele uitwassen als het schilderen.

    Gelaagde betekenis

    Gezien de vergelijking tussen het scheppen van kunst en de schepping van de aarde, is de tentoonstelling Ruach op haar plaats in de Akerk in Groningen. Het is als het ware een thuiswedstrijd. De over het algemeen menshoge tekeningen, gehangen langs de wanden, passen in deze sfeer van geloof en hoop, kerkleer en eredienst. Ruach is adem, wind en geest. Het is ongeduld, woede en hartstocht. Allemaal woorden die passen bij de handeling van het tekenen.

    De thematiek van Ruach sluit aan bij de gelaagde betekenis van de Akerk; historisch, spiritueel en alledaags. Allemaal even menselijk. De kunstwerken nodigen uit tot aandachtig kijken, voelen en misschien zelfs eenvoudigweg: even ademhalen”, lees ik op de website van de Akerk. En dat is het: de composities verdienen aandacht. In de devote ruimte van wat eens een godshuis was, kan de bezoeker zich concentreren op het eigen ademhalen om de oerkracht van de werken te ervaren. Want tekenen is de oervorm van kunst. Die energie is te voelen in de werken die op dit moment in de Akerk in Groningen hangen.

    Galerie Getekend in Heerenveen is op dit moment een satelliet van de tentoonstelling in Groningen. Toont het drietal kunstenaars daar grote werken, omdat de ruimte dit meer dan toelaat, in Heerenveen is werk op klein formaat te beschouwen, aangezien de galerie zich beperkt tot een aantal vierkante meters. De sfeer is echter van gelijke maat. De tekenaars zijn namelijk zowel op groot als op klein formaat in staat te overtuigen. De kracht van tekenen als ritueel is voor hen vanzelfsprekend. De bezoeker kan zich op beide locaties oefenen in aandacht.

    Ruimte boven de werkelijkheid

    Tekenen is misschien wel de intiemste kunstvorm. In een tekening komt de beschouwer het dichtst bij de hand en het gebaar van de kunstenaar. “Het is een vorm van expressie die al eeuwenlang een centrale rol speelt in de menselijke communicatie en creativiteit”, citeer ik AI. Niet altijd ben ik het met het kunstmatige intellect eens, maar bij deze stelling kan ik mij zonder meer aansluiten. De tekenaars Arno Kramer, Caren van Herwaarden en Marisa Rappard staan op de schouders van hun voorgangers. In hun eigen stijl laten zij deze kunstvorm doorgroeien.

    Het hoeft niet altijd een punt van herkenning te hebben. Het kan een herkenbare figuratie zijn die schuurt aan identificatie. Het is niet altijd waar wat je ziet. De werkelijkheid steekt soms anders in elkaar dan verwacht. In hun tekeningen probeert het drietal een wereld zichtbaar te maken die gelaagd is, die zich beweegt in een ruimte boven de werkelijkheid. Met de tekening probeert men de waarheid te begrijpen en te beïnvloeden. Om deze te begrijpen is concentratie nodig, toewijding aan wat zichtbaar is. Het wekt weerstand op, omdat elementen die niet passen passend zijn gemaakt. Er is verwondering over abstract werk dat vragen stelt aan de huidige tijd. En de mens in die tijd smeekt om erbarmen.

    De geest vormgeven

    De drie tekenaars hebben eenzelfde fundament waarop zij hun kunstwerken bouwen. Het is een oefening in openstaan, luisteren – proberen af te stemmen op wat nog niet zichtbaar is. Van niets iets maken. De geest vormgeven. Tot uitdrukking brengen wat geen uiterlijkheid heeft. Door de vorm geweld aan te doen wil de tekenaar de aandacht vasthouden. De beschouwing verdiepen, het vluchtige bevriezen. Op die vaste grond ontstaat een variabele stijl. Iedere kunstenaar neemt zichzelf mee in het kunstwerk. Elke benadering biedt een ander perspectief op de methode om de wereld en de werkelijkheid te duiden.

    Meent de een dat verlies een eigen draagbaar beeld verdient, de ander gaat uit van de betekenis van een ervaring, de derde duidt de techniek van de wolkenlucht. Ze hebben gemeen dat de tekenkunst schuurt aan religie, aan een christelijk jargon: de piëta en stabat mater, God zwevend op een wolk, het onderzoek van de leegte. De Akerk is een thuiskomen, Galerie Getekend een veilig nest. “Door te tekenen scherpen we onze waarneming en onze geest”, liet Arno Kramer in de uitgave behorende bij de tentoonstelling in Groningen afdrukken, “en roepen we dingen bij onszelf op die we op geen enkele andere manier dan via de ontstane kunst kunnen oproepen.”

    Ruach. Drawings of breath and spirit. Arno Kramer, Caren van Herwaarden, Marisa Rappard. Publicatie bij tentoonstelling RUACH in Akerk Groningen van 17 januari tot en met 31 mei 2026. En “Van tijd naar tijd” in Galerie Getekend, Stationsstraat 6, Heerenveen. Van 13 maart tot en met 10 mei 2026. Uitgave Groninger Kerken, 2026.

  • De Bijbelse belofte van een geestelijk koninkrijk

    Wanneer met evangelische en christen-zionistische kerkgangers wordt gesproken over het Heilige Land, dienen de woorden zorgvuldig te worden gekozen. Al snel valt het begrip antisemitisme zodra medeleven wordt getoond met de Palestijnen die door de Joden worden afgeslacht. God heeft een belofte gedaan aan het uitverkoren volk, zo meent men. De Joden krijgen een land toegewezen: een aards koninkrijk. En dat gebied mag met hand en tand worden verdedigd, zo is de overtuiging.

    Niet alleen christenen die streng in de leer zijn en de Bijbel van kaft tot kaft menen te kennen, geloven in de heilsboodschap waardoor de staat Israël lijkt te zijn ontstaan. Het is een lastige kwestie. Want moet je als christen voor Israël als joods grondgebied zijn? En mag je daar dan geen kanttekeningen bij zetten? Is het waar dat God dit volk dat heeft beloofd? En mogen de leiders van dat volk dan oorlogsmisdaden begaan om de belofte in te lossen? ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’.

    Wetenschappelijk gefundeerd

    In het boek “Israël?” probeert Hans van Oort een antwoord te geven op de vraag of de staat Israël dat beloofde land is. Als hoogleraar spit hij de Bijbelboeken door en diept daaruit op wat Jezus, apostelen en evangelieschrijvers werkelijk zeggen. Natuurlijk heeft hij zich een mening gevormd: dat hedendaagse christenen en joden een militaristische en verdrukkende staat Israël moeten afwijzen. Die mening onderbouwt hij echter met wat er geschreven staat.

    Hans van Oort, Israël

    Hans van Oort levert daarmee een wetenschappelijk gefundeerde bijdrage aan het debat. Dat debat mondt vaak snel uit in haat en nijd, twist en ruzie. De rode draad in het boek is dat God volgens apostelen en evangelieschrijvers niet spreekt over een bepaald gebied op aarde. Het gaat om een geestelijk koninkrijk dat al bestaat en wordt bevolkt door gelovigen: mensen die zich houden aan Zijn wetten en geboden. Dat betreft dus niet enkel joden, maar alle mensen op aarde. Het gaat om een universele heilsgeschiedenis. De belofte van ‘het land’ is geworden tot de erfenis van ‘de hele wereld’.

    Door diverse Bijbelboeken tegen het licht te houden, toont Van Oort aan dat er geen Bijbelse basis is voor de vorming van de staat Israël. Hij maakt duidelijk wat in de testamenten wordt bedoeld met het koninkrijk van God. In eigen woorden vertaalt hij de Bijbelse taal naar een begrijpelijk standpunt. Hij geeft niet zozeer zijn mening, maar laat zien wat de Bijbel volgens hem zegt over deze kwestie. Overigens is het vraagstuk voor de Bijbelschrijvers zelf geen punt van discussie.

    Hans van Oort, Israël

    Van Oort gaat niet enkel uit van de Statenvertaling, maar beroept zich vooral op de oorspronkelijke talen waarin de boeken zijn overgeleverd. Daaruit leidt hij zorgvuldig de stelling af dat niet de staat Israël het beloofde land is, maar dat de hele aarde aan gelovigen is toegewezen. De nadruk ligt volgens hem veel meer op het geestelijke koninkrijk dan op een gebied met grenzen die verdedigd moeten worden.

    Grondige en spannende lezing

    Bijbelgetrouwe christenen strooien rijkelijk met teksten wanneer het over de rechtmatigheid van de staat Israël gaat. Hans van Oort stelt echter dat zij niet werkelijk luisteren naar wat deze teksten zeggen. “Deze studie is een verademing, een grondige en spannende lezing van het Nieuwe Testament”, beveelt hoogleraar kerk en theologie Bernhard Reitsma de uitgave aan. “Wie niet wil blijven steken in kretologie of sentimentele theologie, maar echt wil luisteren, kan niet om dit boek heen”.

    Van Oort heeft zijn oor te luisteren gelegd bij de vier evangeliën, de brieven van onder meer Paulus en de openbaring van God aan Johannes. En nergens hoort hij dat er een aardse staat wordt voorzegd. Ook vindt hij geen belofte dat het Joodse volk een begrensd gebied in het Midden-Oosten toegewezen krijgt.

    De auteur, die een vraagteken achter Israël zet, eindigt zijn zoektocht met een uitroepteken. Het is niet de vraag of Palestina de plek is voor de Joden; het antwoord is dat alle landen van de wereld plaats bieden aan het volk van God. Dat volk bestaat niet enkel uit mensen die zich Jood noemen, maar uit allen die het karakter van gelovige dragen.

    Hans van Oort, Israël

    Zij die handelen naar de leefregels van God vormen het uitverkoren volk. Aan hen is een koninkrijk beloofd. Dat koninkrijk is niet tastbaar, maar wel voelbaar: een geestelijke werkelijkheid. Het is geen toekomstbeeld, maar een toestand die nu al bestaat.

    Authentieke bronnen

    Met “Israël?” stelt Hans van Oort dat er geen verwachting van een aards rijk wordt gepredikt. Er is geen aardse Messias, geen heilige stad en geen heilig land als ‘eeuwig’ erfdeel. Als Bijbelvorser voert hij tal van bewijsstukken aan om deze stelling te onderbouwen. Natuurlijk blijft het zijn interpretatie van de teksten. Maar volgens hem is wat er staat geschreven helder en duidelijk.

    Van Oort vindt de tijd rijp om een tegengeluid te laten horen tegenover bepaalde ‘theologische’ opvattingen over Israël. Hij richt zich op mensen die de staat Israël in ‘het Heilige Land’ onkritisch bejubelen. “Ze is naar mijn inzicht onterecht en niet te staven uit de authentieke bronnen”, schrijft hij in de inleiding. Volgens hem laten de oudste christelijke geschriften geen ruimte voor een nieuwe staat Israël. Nergens in de Bijbel vindt hij een positieve visie op een Joodse staat; volgens hem wordt die zelfs afgewezen.

    Hans van Oort, Israël

    De ontkenning van de staat Israël betekent volgens Van Oort echter niet de ontkenning van het Joodse volk. De Joden behouden een unieke en blijvende plaats tussen de volkeren. “Het heil is uit de joden”, klinkt het bij een van de evangelieschrijvers. In het Nieuwe Testament, zo betoogt hij, slaat Jezus een universele heilsweg in. Die geldt voor voormalige heidenen én voor de Joden die ooit te midden van de volken waren uitverkoren.

    Aanzet tot verdere studie

    Het boek “Israël?” onderbouwt het concept van het ‘koninkrijk Gods’ als een heilig land waarin alle gelovigen leven. Het bestaat nu al en zal ook blijven bestaan. Daarmee is het boek tevens een studieboek. De auteur analyseert de materie gedetailleerd en behandelt meer dan alleen de aardse staat Israël. Ook de religieuze geschiedenis die in de Bijbel aan bod komt, krijgt ruime aandacht.

    In het slothoofdstuk concludeert Van Oort dat christenen onmogelijk achter een staat Israël kunnen staan. Niet in algemene zin en zeker niet in haar huidige vorm. Laat ik de hoogleraar zelf aan het woord, die een goed leesbaar boek heeft geschreven zonder onbegrijpelijke vaktaal. Het is bovendien een naslagwerk dat uitnodigt om de aangehaalde Bijbelverzen nader te onderzoeken. Zo kan het dienen als aanzet tot verdere studie naar deze staat in het Midden-Oosten, die zoveel ophef en verdeeldheid veroorzaakt onder mensen die volgens de Schrift juist eensgezind zouden moeten zijn.

    Hans van Oort, Israël

    Hans van Oort: “Wat ten slotte te zeggen over die moderne en officieel seculiere staat Israël, al decennialang meedogenloos en vaak ook rechteloos opererend? Mij komt een woord van Augustinus in gedachten, in onze westerse wereld lange tijd een van de invloedrijkste theologen en filosofen: ‘zonder gerechtigheid is de staat een roversbende’. En een woord van zijn joodse leermeester, dat erop wijst dat bruut geweld nooit iets oplost: ‘Wie het zwaard opneemt, komt door het zwaard om’.”

    Israël? Wat Jezus, apostelen en evangelieschrijvers werkelijk zeggen. Hans van Oort. Uitgave Amsterdam University Press, 2025.

    Hans van Oort, Israël
  • Kamerkoor Capella’92 vindt uitdaging in Fryske Matteus

    In het najaar van 2008 maakte ik voor de Friesland Post een reportage over de Fryske Passie. Met Jan Rot, Eppie Dam en Gerben van der Veen had ik gesprekken. Dit artikel dat in de editie van januari 2009 in het maandblad stond, werkte ik om naar een verhaal voor de Heerenveense Courant. Dit artikel verscheen in maar 2009 in deze wekelijkse krant.

    Na tien jaar Mattheus Passion zocht Gerben van der Veen een uitdaging in de traditionele zetting van dit monumentale klassieke muziekstuk. “Het was tijd voor iets anders”, zegt de Heerenveense dirigent strijdvaardig. “Ik wilde het werk met een kleine bezetting en een barokorkest uitvoeren. Dat had ik al eerder gedaan met de Johannes Passion. Op dat moment, nu een jaar geleden, kreeg ik een e-mail van Eppie Dam met een bladzijde uit zijn Friese vertaling van de Mattheus. Het sprak me meteen aan.” De uitdaging was gevonden. 

    De noten van Bach staan nog op de juiste plaats en hebben niets aan intentie verloren, maar de getoonzette Bijbeltekst is meer van deze tijd. Dam gebruikte voor zijn vertaling de Nederlandse hertaling van de Duitse woorden door Jan Rot. “Begin jaren tachtig had ik al het plan om de Mattheus Passion uit het Duits in het Fries te vertalen”, vertelt Eppie Dam, “maar toen beschikte ik nog over onvoldoende taalmacht en Fries idioom. In de jaren negentig deed ik een nieuwe poging, maar intussen vond ik de Duitse tekst te zwaar en te hermetisch. Dat veel buitenkerkelijken en ongelovigen erdoor worden aangesproken komt door de fenomenale muziek van Bach. Het verhaal nemen ze dan graag voor lief.”

    “Het gaat mij om de muziek!”

    Vanaf het allereerste begin geloofde Dam in de versie van Jan Rot. Hij vindt dat die getuigt van een eigenzinnige maar uiterst liefdevolle visie. “De kracht van Rot’s hertaling is dat hij het verhaal niet voor lief neemt, maar het juist wil vertellen”, is Dam van mening. “Het lijdensverhaal van Jezus is weer actueel en menselijk.

    De Mattheus is geschreven en wordt bedoeld als een passie om het evangelieverhaal te verduidelijken”, licht Jan Rot toe, die zo heeft hertaald dat de woorden toegankelijk zijn voor een breed publiek. “Meer dan tweehonderd jaar later komt dat in je eigen taal heel helder binnen. Door het slopen van de taalbarrière, en de tijdbarrière, hoor je de muziek veel duidelijker en begrijp je waarom die heftig is: omdat het boze priesters zijn. Het gaat mij om de muziek! Anders ging ik wel boeken vertalen. Juist de muziek wint veel van de oorspronkelijke kracht in mijn hertaling.

    Langdurig groeiproces

    In expressie zijn meer nuances te leggen met een kleine groep. Van der Veen weet dat een groot koor allure heeft en imponerend kan zijn. “Ik was jaren gewend bepaalde intenties te leggen”, zegt Van der Veen, “maar in de nieuwe versie bijvoorbeeld, loopt de verhaallijn in de koralen door. Bij Bach zijn het losstaande reacties, overpeinzingen door het koor. Bij Rot en Dam krijgen de koralen een heel andere lading. Als dirigent moet je natuurlijk zorgen dat alle noten er zijn, maar minstens zo belangrijk is het om te bepalen welke accenten je legt en wat voor karakter je naar voren haalt. Dat is een langdurig groeiproces.

    Gerben van der Veen

    Hij had ook kunnen besluiten de Rotmatteus uit te voeren, maar Van der Veen heeft moeite met het Nederlands op de noten van Bach. Die taal heeft minder poëtische waarde vindt hij, het Fries is meer krachtig, kleurrijk en beeldend. Het komt heel dicht bij de felheid van het Duits.

    Zoekgeraakte evenwicht hersteld

    De dirigent zoekt niet enkel de uitdaging in de memmetaal, maar ook in de kleinere bezetting van koor en orkest. Kamerkoor Capella’92 van Centrum voor de Kunsten a7 aangevuld met enkele gaststemmen, een kinderkoor en barokorkest Florilegium Musicum.

    En dan zijn er nog vijf scholieren van het Bornego College die met ons meedraaien”, vult Gerben aan. “Ze hebben muziek in hun examenpakket en krijgen bij ons de unieke kans om een monumentaal werk als de Mattheus Passion van zo dichtbij mee te maken.

    Kamerkoor Capella’92

    De Fryske Matteuspassy heeft op zaterdag 28 maart 2009 de première in de Grote Kerk van Leeuwarden. Een dag later zal het Fries op de noten van Bach klinken in de RK kerk van Heerenveen.

    Veel toehoorders respecteren het verhaal, maar hebben er verder weinig mee,”vindt Eppie Dam. “Zij worden nu met het verhaal geconfronteerd. Want het mag uit betrokkenheid of ergernis zijn, de Rotmatteus dwingt tot de punt van de kerkbank. Het zoekgeraakte evenwicht tussen tekst en muziek is door Rot hersteld.” Het is een luisterpassie, vooral om de mensen wakker te schudden.

    Hart en ziel gegeven

    Ik heb heel goed gekeken wat er stond”, zegt Jan Rot, “maar ook weloverwogen dingen veranderd. Er zitten een aantal saaie stukken in de Bijbel, daar voel je dat Bach alle zeilen bij moet zetten om het interessant te houden. In mijn Nederlands komt de kruisdood heftig aan. Dat is echt verschrikkelijk, het doet pijn.

    Rot was zich er voortdurend van bewust aan iets bijzonders te zitten. Geen heilig huisje, maar meer een kathedraal. Een nationaal bezit. Een grote bek en veel moed had hij daarvoor nodig, en weemoed. “Ik heb werkelijk hart en ziel gegeven. Over elk lidwoord is wel vier keer gewikt en gewogen. Maar je moet niet aan de noten van Bach komen. Er zitten wel wat lichte tonen in, zoals ik houd van grapjes op een begrafenis. Dat geeft lucht om daarna extra hard toe te slaan.” En tot slot: “De allermooiste uitvoering, voor de eeuwigheid, dat blijft gewoon de Duitse.”

    Heerenveense Courant, 26 maart 2009

  • Passie voor de Friese taal op muziek van Bach

    In het najaar van 2008 maakte ik voor het Fryske maandblad Friesland Post een reportage over de Fryske Passie. Met Jan Rot, Eppie Dam en Gerben van der Veen had ik gesprekken. Jan Rot had namelijk de Duitse taal van de Mattheus Passion omgezet in hedendaags Nederlands, waarna Eppie Dam deze tekst vertaalde in het Frysk. Het onderstaande artikel verscheen in de editie van januari 2009:

    De solisten kunnen het Duits van Bach’s Matthäus Passion dromen. Het koor kent het “sind Blitzen, sind Donner in Wolken verschwunden?” uit het hoofd. Daarom is het een hele klus de tekst in het Fries te zingen. Hertaalde Jan Rot de passie twee jaar geleden in eigentijds Nederlands, Eppie Dam zette deze woorden over in de Friese taal. Dirigent Gerben van der Veen vindt dat het kleurrijke en krachtige Fries goed past op dit klassieke monument. “Is bliksem en tonger it flokken fergongen!?” bekt fantastisch.
    Kamerkoor Capella’92 gebruikt elke repetitie om de tekst, die door Eppie Dam op cd is ingesproken, eigen te maken en in ‘geef Frysk’ uit te spreken. Straks komen deze koordelen en koralen samen met de aria’s en recitatieven van de solostemmen. De hoekdelen voor de pauze, waar eigenlijk een jongenskoor staat voorgeschreven, worden ingevuld door een kinderkoor. Uiteindelijk wordt dit alles over de klanken van barokorkest Florilegium Musicum gelegd.

    Zorgen dat alle noten er zijn

    Van der Veen zocht na tien jaar een uitdaging om de Matthäus in kleinere bezetting uit te voeren. Daarom is het koor Capella’92 van zijn thuisbasis Centrum voor de Kunsten a7 ingezet om deze versie uit te voeren. “Ik ben gewend geraakt om bepaalde intenties in de tekst te leggen. Bepaalde koralen zijn heel ingetogen en aria’s erg uitbundig, daar geef je een zeker karakter aan”, zegt de dirigent, die moet zorgen dat alle noten er zijn. “Het is geen letterlijke vertaling, dus is er een heel andere lading. De verhaallijn loopt door in de koralen, terwijl het bij Bach losstaande reacties zijn als overpeinzingen door het koor. Ik moet goed nadenken hoe ik de noten laat klinken, waar leg ik accenten, wat voor karakters geef ik ze mee, waar breng ik nuances aan.

    Gewikt en gewogen

    De hertaling van Jan Rot schudt de mensen wakker en zet ze op het puntje van de kerkbank. Opeens worden klanken woorden met betekenis. De taal is te begrijpen met een inleefbare gevoelswereld. Zo komt ook de muziek direct aan en krijgt iets terug van zijn oorspronkelijke kracht. Over elk lidwoord heeft Rot wel vier keer gewikt en gewogen. Zowel dat beschouwende als het emotionele karakter zijn terug te vinden in de vertaling van Eppie Dam. “Voor veel Friezen is het Nederlands de taal van het hoofd, terwijl het Fries totaal is ingebed in alle vezels van het hart. Daarom dalen de woorden van de Fryske Matteus dieper in ons neer en raken ons tot in de ziel”, vindt hij. Dam is benieuwd of het de jongeren net zo zal aanspreken als de Rotmatteus doet. De kennis van de Friese taal neemt vooral af onder de jeugd, dat zou het werk weer minder toegankelijk kunnen maken.

    Menselijk verhaal

    De kracht van Rot’s hertaling is dat hij het verhaal niet voor lief neemt, maar het juist wil vertellen. Het laat dingen zien”, vertelt de Friese schrijver die geroerd is door en gelooft in het werk van Rot. “Bijvoorbeeld hoe instituten en machthebbers omgaan met de eenling die er andere ideeën op na houdt. Wie idealen heeft en afwijkt van de letter of de heersende mening, zal daarvoor een prijs betalen. Dat is een wetmatigheid van alle plaatsen en van alle eeuwen. Daarmee is het lijdensverhaal van Jezus vooral een menselijk verhaal geworden. Deze Matteuspassie stelt vragen. Hoe sta je zelf als mens in de wereld? Sluit jij je aan bij de massa en roep je mee in het koor van het grote publiek? Blijf je trouw aan je ideeën en aan je zielsverwanten, of laat je ze vallen en ben je uiteindelijk net zo broos als dat kleine rotsje Petrus?

    Louter passie

    De Matthäus Passion is in het Duits een instituut, dat verandert niet. Uiteindelijk zal dat het nu ook in het Nederlands worden. “En wie weet in het Frysk”, zegt Dam. “Met mijn vertaling hoop ik in elk geval te laten zien dat geen taal te klein is om het hoogste culturele erfgoed te kunnen dragen. Elke moedertaal geeft er – dankzij de authentieke emotionele lading – een extra dimensie aan zoals geen vreemde taal dat kan. De Fryske Matteus is louter passie.”

    Moeilijke delen

    Het was voor mij geen gespreid bed”, zegt hij doelend op Rot die al woorden op noten had gezet. “Sommige delen kon ik bijna voor de hand weg vertalen, andere passages plaatsten me voor grote problemen. In sommige gevallen kostte het me weken om ze op te lossen. Simpele korte zinnen zorgden voor de meeste problemen. Nog liet Pilatus zich overstemmen, zingt Rot’s verteller wanneer de stadhouder niet opgewassen is tegen het volksrumoer. ‘Noch liet Pilatus him overrule’, ‘Noch liet Pilatus de earen hingje’, ‘Noch liet Pilatus [dit en dat]’. Zo zeurt het nacht en dag door in mijn hoofd, totdat opeens de oplossing eenvoudig voor de hand ligt. ‘Noch liet Pilatus syn stim net jilde.’ Zo simpel dat het is alsof de vertaler er geen werk van heeft gehad.
    Rots, opzij, licht Jezus bij! Alsof het onder een zwerfkei verscholen ligt, zo moeilijk kom ik aan het gewoon voor de hand liggende rijmwoord. ‘Rots, hjirwei, skyn Jezus bij!’ Dat is misschien wat vertalen is: steeds keien, basaltblokken en tegels omdraaien, om te kijken of er iets onder ligt. Ik heb eelt in mijn handen gekregen. Van alle vertaalwerk dat ik tot nu toe heb gedaan, is de Fryske Matteus verreweg de lastigste klus geweest.

    Goed gekeken

    Eppie heeft goed gekeken”, zegt Jan Rot, “want het is belangrijk dat de vertaling de muziek niet aantast. Van mijn tekst mag afgeweken worden. Liever ten koste van Jan Rot dan ten koste van Bach.
    Bij de première zal Rot in de Grote Kerk van Leeuwarden naast zijn stiefmoeder zitten, “want die is Fries dus dat zal wel helpen”. Zij zal het “Kappe! Kringen! Lit him los!” voor Jan vertalen in “Schande! Laat dat! Laat ‘m los!” waar Bach “Laßt  ihn, haltet, bindet nicht!” hoorde.

    Friesland Post, januari 2009