Categorie: Uitgave in eigen beheer

  • Henk Zwerver improviseert op papier

    Henk Zwerver plaatst een komma waar andere kunstenaars een punt zetten. Zo begon ik kortgeleden mijn beschouwing over het werk van Zwerver, zoals ik dat zag in Kunstlokaal No.8. Die letters staan nog warm op mijn scherm, het artikel ligt nog digitaal te drogen, zo recentelijk is het geschreven. Als reactie op die recensie stuurde de kunstenaar mij zijn laatste gedrukte uitgave. “Dit is het boek dat de aanleiding vormde tot mijn recente expositie (…), mijn allereerste verschijnen voor publiek en meningsvorming.” Deze bundel collages kan ik voor kennisgeving aannemen, er verder niets mee doen en gezien in de boekenkast schuiven. “Ik stuur het je graag toe omdat jij de eerste bent die in geschreven woord reageerde op mijn spul.” Die conclusie zet mij aan tot dieper denken dan slechts een kijken zonder te zien. Maar zal ik herhalen wat ik eerder schreef? Zal mijn ambiguïteit, onbepaaldheid, andermaal de voortdurende komma onderkennen?

    Henk Zwerver, collages

    Dat is het namelijk wel. Die komma is belangrijk voor zijn werk. Hij gaat verder waar anderen afronden. Zijn idee reikt verder dan het zichtbaar geconstrueerde beeld. In de achtergrond van het een denkt hij door om de voorgrond van het andere samen te stellen. A prima vista betreedt Zwerver een pad dat hij zelf gaandeweg ontdekt. Zo werkt dat in zijn muziek en zo klinkt dat door in zijn kunst. Door de bundel Un appareil photo kom ik op het spoor van Henk Zwerver. Het boek heeft geen tekst, want beelden zeggen meer dan duizend woorden. Dus daaruit kon ik geen verhaal halen. Via zijn website ontdekte ik een andere dimensie, die van de muziek.

    De komma blijft staan

    Zwerver beoefent de vrije geïmproviseerde muziek. En net als dat in de kunst zo werkt, van het realisme naar de abstractie, heeft hij sporen verdiend in meer traditionele stijlen zoals beat en rock. Uiteindelijk maakt hij zich los van het keurslijf van de vierkwartsmaat en gaat het experiment aan door klankonderzoekend, pointillistisch en eigenzinnig de gitaar te bespelen. Diezelfde drang om vrij te zijn vind ik terug in zijn beeldende werk. Hij knipt en scheurt details uit de bekende wereld om er tot dan toe onbekende uitdrukkingen mee te maken. In zijn collages geeft hij omwonden commentaar op het zijn. Door anders te kijken en verdiepend te zien, ontdek ik de onomwonden kanttekening.

    Henk Zwerver, collages

    De aanleiding tot beelden, het materiaal waarmee Henk Zwerver werkt, is genomen uit de zichtbare werkelijkheid. Het resultaat van passen en meten, schuiven en verleggen, is van een onwerkelijke orde. Hij arrangeert en structureert een nieuwe regelmaat. Zo heb ik de wereld om mij heen nooit bekeken. Vanuit dit perspectief is het leven nog minder begrijpbaar dan het al was. Zwerver legt niet uit, maar roept juist vragen op. Hij zet geen punt, maar plaatst een komma. Het is niet zo, het is onder andere.

    Van snaren naar schaar en lijm

    Zijn muzikale domein is dat van de vrije improvisatie, waar klank, stilte en intuïtie belangrijker zijn dan melodie en vaste vorm. Die formulering kan ik over zijn beeldende kunst leggen, het dekt de lading naadloos. Henk Zwerver improviseert niet alleen in muziek. Ook op papier zoekt hij zonder vooropgezet plan naar samenhang. Waar hij als gitarist met snaren en klanken werkt, zijn het in zijn collages schaar en lijm die het beeld laten ontstaan. Hij improviseert dus niet alleen met geluid, maar zeker ook met beeld. Ook zijn collages zijn geïmproviseerde composities; de muzikale werkwijze heeft hij naar het beeld vertaald. Waar de muziek met moeite ingang vindt, zet het beeld deuren open. Alsof Zwerver zelf even genoeg heeft van de gestapelde en exploderende tonen, en afleiding zoekt in rustiger vaarwater.

    Een sprong naar voren, een stap terug

    Dat stille water heeft een diepe grond. Soms is de oppervlakte troebel, maakt kroos het water drabbig, en zie ik door de grote waternavel de bodem niet meer. Het bos en de bomen. De aandacht voor en de uitwerking van Zwervers omgeving maakt zijn wereld tot een abstract gegeven. Wat te denken van al dit knip- en plakwerk, het verstand gaat op nul waardoor de blik op oneindig kan staan. Want zonder punt is het werk oneindig. Henk Zwerver maakt geen punt waar hij een komma zet. Zijn punt is een abstract fenomeen. Niet actuele krantenknipsels maken zijn moodboard, maar fragmenten uit een voorgaand leven. Waar Zwerver in de muziek een sprong naar voren doet, zet hij in zijn collages een stap naar achteren. Het houdt elkaar in balans.

    De kunst is geen afleiding om tot rust te komen van de vrije geïmproviseerde muziek. Ik zie hem in gedachten stijf van de adrenaline de gitaar in de koffer doen, zich natrillend aan tafel zetten en al bladerend de schaar ter hand nemen. Werkend en beeldend komt hij tot rust en laat zich op voor een volgende muzikale sessie. Dat is het niet, dat is een fout beeld. De kunst is een verwacht voortvloeisel van de muziek. Dit gebeurt er wanneer een improviserend muzikant zijn manier van muziek maken naar het beeld vertaalt. Dit laat hij als spoor achter. Dit klinkt. In de bundel is het qua geluid stil, maar in gedachten is het even spraakmakend vergeleken met de klanken op het podium. Waar de cd de geluidsdrager is van de muzikale composities, is de bundel de beelddrager van de collagecomposities.

    Henk Zwerver, collages

    Een fotoapparaat zonder fotograaf

    Un appareil photo, een fotoapparaat. In de bundel is Henk Zwerver volgens de letter niet de fotograaf. Hij heeft de verzamelde beelden niet voor zijn lens gehad. Hij is echter wel de plaatjesmaker, waar hij als praatjesmaker tekortschiet. Het woord in zijn beeld is geen tekst, het is een karakter om in beeld te spreken. Het nodigt uit tot lezen, maar moet een uitnodiging tot kijken zijn. Zwerver legt de taak van fotograaf uit in de samengestelde beelden. De fotograaf ziet de wereld door een afgebakend kader. Zwerver bekijkt de wereld met een groothoeklens en heeft een breder panorama. Hij doorziet het werkelijke beeld. Zijn inzicht gaat voorbij aan de werkelijkheid en zet daar een nieuwe waarheid tegenover.

    Un appareil photo. Henk Zwerver. Uitgave in eigen beheer, voorjaar 2024.

    PS

    Dit schreef Marcel Prins als begeleidende tekst bij de presentatie in Kunstlokaal No.8. Woorden die nagloeien in mijn gedachten, maar mijn mening niet hebben vervormd. Toch wil ik mijn lezers dit knipsel niet onthouden:

    “Collages, met papier, schaar en lijm tot stand gekomen. Evenwichtzoekende composities van tekst- en fotofragmenten die klinken naar een andere tijd. Zwerver is niet alleen zijn naam, hij is een muzikaal circusartiest. Als balancerend kunstenaar daagt hij subtiel uit te kijken naar wat niet vanzelf spreekt. Hij knipt en schuift met historische snippers zoals hij klanken combineert tot ritmes en tonen. De berg verwonderingen reduceert hij. Wat overblijft is een uitgelezen selectie.”

    Henk Zwerver, collages
  • William-Alexander: twee-eenheid zonder samensmelting

    Eén van de eerste vaardigheden waar een nieuw mens op deze wereld overheen moet stappen is, naast duidelijke taal leren spreken, het op eigen benen leren staan en lopen. Praten om te communiceren, contact leggen. Lopen om zich te verplaatsen, contacten te ontmoeten. De peuter beweegt zichzelf, uit zichzelf en kan daardoor al veel, vindt het zelf. Door de eerste gevoelens en ervaringen op papier te zetten gaat het kind als vanzelf tekenen, want schrijven is nog een brug te ver – dat komt later. Het uiten in beelden is ook zo’n handeling die de basis is van het levensleerproces. Tekenen is de meest basale techniek van kunst maken. Het past bij het begin van de mensheid zoals het hoort bij de start van het leven. Al tekenend, cq. beeldend, raakt de mens vertrouwd met de omgeving. Leert het dingen begrijpen. Meer één met de compositie kun je bijna niet zijn; je bent de tekening, de tekening is jouw handschrift. De afstand tussen maker en maaksel bedraagt niet meer dan enkele centimeters: de lengte van het stukje grafiet, krijt of houtskool dat tussen duim en wijsvinger wordt gehouden. Zo kort genaderd is men verbonden met het beeld dat onder de handen ontstaat.

    Lopen en tekenen als levenshandeling

    Waar lopen een basisbeweging van het menselijk bestaan is, is tekenen een even fundamentele handeling van de creativiteit. Wilma Vissers beoefent beide. Het zit in haar genen, stroomt warm door haar aderen. Al lopend over de paden van het inspirerende Ierse landschap legt zij haar indrukken vast. Ze tekent in de open lucht, en plein air, tijdens de wandelingen. Ze loopt en tekent onderwijl door. Dat kan, je kunt schetsmatig gedachten op papier zetten terwijl je onderweg bent. Die schets kan zelfs al het kunstwerk zijn. Dat het gevoel meteen de juiste vorm heeft gekregen. Hoeveel kunst kan de pelgrim maken op tocht naar een bedevaartsoord. Tijdens wandelingen en voettochten ontstaan ideeën die om uitbeelding smeken.

    Wilma Vissers, Alexandra Huddleston, William-Alexander

    Vissers maakt een abstract beeld van wat haar blik kruist. Maar meer dan dat, want het is de uitkomst van wat haar gevoel ervan vindt. Welke emotie bij de werkelijkheid het tekenen in gang zet. Die emotie draagt het beeld, de ervaring diept de kern uit. Dat zal niet zichtbaar aansluiten bij mijn beleving, maar door beter te kijken en juist in te leven zie ik overeenkomsten met de realiteit. Onderken ik waar de oorsprong van het gemaakte beeld ligt, welke de inspiratiebron is van waaruit de tekening ontspringt. Wilma Vissers laat zich leiden door de landschappen van Ierland. Daar heeft zij een onderkomen om uit te stappen en de ingeving binnen te lopen. Het is een ruig landschap, grillig zoals de Schepper het in den beginne bedoeld moet hebben. Daar tegenaan zet Vissers een ogenschijnlijk ongecompliceerde gedachte. Een idee dat gestroomlijnd is door het gaan. De lijnen die getrokken zijn in het lopen, de vlakken gevuld bij het rusten.

    Twee manieren van kijken

    Alexandra Huddleston loopt met haar mee. Op de wandelingen door de natuur hebben ze het erover. Over wat ze zien en wat dat met hen doet, samen en persoonlijk. En ze spreken over de kunst, over de compositie die het lopen kan dirigeren. Waar Wilma Vissers haar indrukken schetst, maakt Huddleston foto’s van de omgeving. Beide dames leren mij anders kijken naar het landschap. Wilma pakt de essentie van de ervaring en Alexandra legt de kern van het kijken vast. Zet de één de werkelijkheid om in abstracte beelden, de ander plaatst de realiteit in werkelijke beelden. De één hoe het daar voelt, de ander hoe het daar is. Maar wel pikt Huddleston die details waaraan de wandelaar voorbijloopt, die in de haastige stilte niet gezien worden. Zo onder de indruk van het grote geheel worden de afzonderlijke kenmerken overgeslagen. De fotograaf maakt er drieluiken van, verknipte panoramische beelden. Op die manier komt het karakter van het landschap nog beter tot recht.

    Wilma Vissers, Alexandra Huddleston, William-Alexander

    Wilma Vissers en Alexandra Huddleston vormen samen, althans hun werk is onder de noemer gebracht van, een enkele kunstenaar met de fictieve roepnaam William-Alexander. Deze bij de gratie van beide dames bestaande kunstenaar laat zich inspireren door de eilanden en kuststreken van het Atlantische noordoosten. De abstractie en de figuratie verbinden zich in een handzaam boekje. Al eerder werd van dit project een eigen uitgave gemaakt, waarin tekening en fotografie verbanden leggen. Reageert het ene werk in de eerste documentatie op het andere, lijkt William-Alexander een twee-eenheid te zijn. In de tweede uitgave blijken de kunstenaars minder op elkaar te reageren en meer het landschap te laten spreken. Het verbindingsstreepje koppelt de namen, maar zal beter een schuine streep zijn: wel dan niet. Het landschap inspireert, de kunst doet dat niet. Ze gingen samen op, leefden twee weken op één adres en maakten dezelfde wandelingen in hetzelfde landschap: County Donegal, Ireland. Uit die lichamelijke en geestelijke samenwerking is werk ontstaan dat onder geen enkele noemer de wereld in kan, maar dat toch doet. Het is geen kunstenaar die tekenend fotograaf of fotografisch tekenaar is. De twee disciplines gaan niet samen op. Dat maakt het boekje “too” duidelijk.

    Samen, maar niet samengesmolten

    Waar tekenen een fundamentele handeling is, is kijken dat in overtreffende trap. Zonder kijken is er geen beeld, is er geen situatie om vast te leggen. In de fotografie wordt het kijken in een fractie van een seconde bevroren, zo zoals het gezien kan worden. Bij het tekenen is er na het kijken een ogenblik van bezinning om de ervaring vast te leggen, zo zoals het ook gezien kan worden. Lopen, praten, tekenen en kijken. Samen is het William-Alexander. In “too” een verwachte vooruitgang op “tack-tack”, maar geen samensmelting. Ieder voor zich hinkt op twee gedachten. Dat samenvoegen geeft toch een zichtbaar resultaat. Het heeft verbanden, maar losse eindjes worden niet vastgeknoopt. Het blijft een gezamenlijk project van twee individualisten.

    William-Alexander. too  Wilma Vissers, tekeningen & Alexandra Huddleston, fotografie. Uitgave in eigen beheer, 2026.

    Wilma Vissers, Alexandra Huddleston, William-Alexander
  • Het springende moment van Ike Smitskamp

    Zij probeert het moment te vatten. Nee, beter: zij pakt het moment. Vangt de essentie van een beeld dat opeens en onverwacht haar netvlies raakt. Zomaar, tsjak! Ike Smitskamp noemt dat een springend moment. Een fractie van tijd die haar in het oog springt, waarbij haar gemoed stuitert. Een beeld trekt de aandacht. Het intrigeert en inspireert haar zó, dat ze het op hetzelfde ogenblik dat het zich voordoet wil vastleggen. Dat moet. Maar natuurlijk gaat de tijd verder, rolt het moment weg, heeft ze langer nodig dan die ene tel om het te tekenen. Het is echter op haar netvlies gebrand, met een fotografisch geheugen weet ze het beeld vast te houden en te reproduceren.

    Het potlood als geheugen

    Het potlood is haar in de snelle beweging behulpzaam. Daarmee kan ze snel een schets opzetten die het moment blijft volgen. Overigens is ze vrij het beeld verder in te vullen, het is op dat moment haar indruk. Ze heeft het zich toegeëigend. Toch blijft ze steeds bij de waarheid, omdat ze altijd dat weergeeft wat ze heeft gezien. Smitskamp verzint er niets bij, het is haar waarheid zoals ze de echtheid interpreteert. Het kan wel zijn dat meerdere momenten samenkomen in een enkel beeld. Het kan ook zijn dat Smitskamp een gedachte heeft opgeslagen die er uit moet, dien vorm verlangt. Is dat een aanslag op de werkelijkheid? Kunnen twee werelden niet samen optrekken?

    Achter het springende moment, het plotseling geziene, krijgt Ike Smitskamp niet altijd de vinger achter – ze begrijpt niet altijd evengoed wat ze ziet. Dat is een reden om het vast te leggen, zodat ze het later kan doorzien en eventueel verder uitwerken. Ze legt het met potlood op papier stil, maar eigenlijk is het volgens haar het springende moment  dat háár stillegt. Veel van die springende momenten staan afgebeeld in het boek “Tekenwerk 2020-2024”, een archivering van kortstondigheid.

    Herinneringen tekenen

    De momenten zijn vluchtig, worden opgeslagen in de voorbijgaande tijd. Feitelijk tekent Smitskamp aandenkens, ze maakt letterlijk en figuurlijk herinneringen. Een geheugen van de tijd. Een souvenir in het moment. Die vrijheid heeft ze, en daarvoor hoeft ze niet met rugzak en navigatie in de hand de zon te zoeken of bergen te beklimmen. Haar vrijheid kan zich in de achtertuin verschuilen, daar kan het moment vanachter een bosje opeens naar voren springen. Soms loopt ze er aan voorbij en valt het oog er niet op, en dan is het er, onaangekondigd. Op dat moment moet Smitskamp er iets mee. En doet ze er iets mee.

    Het ontregelt haar denken, dat springende moment. Om opnieuw in te regelen neemt ze potlood en papier ter hand. “Al tekenend doe ik ingrepen zoals je die ook zou doen in een verhaal, om je boodschap echt helder en van jouw te maken”, schrijft zij in het boek over haar tekeningen. Ze legt vast wat ze zag en wat ze daarbij ondervond. Het kleurt het beeld, zodat het moment wordt toegeëigend. Dat fragment tijd is voortaan haar ogenblik. Wanneer ik door het boek blader, kan ik die momenten meebeleven. Als het ware neem ik de bewaarplaats door waarin de kaarten met momenten op dag en datum gerubriceerd in een bak staan.

    Ike Smitskamp, tekenwerk
    Donderdag 17:04u. 17:22u. 17:36u.

    Door de ingrepen wordt het moment tot gearchiveerde tijd gemaakt, tot op de dag en het tijdstip vastgelegd, ligt dat specifieke ogenblik vast. Het is onwrikbaar bevroren in de tijd. Daarbij krijgt het nog een titel mee, het moment wordt omschreven en is niet een abstract beeld. Hoewel de essentie wel een versimpelde weergave van het ervaren moment kan zijn. Door de ingrepen kan de tekening een gelaagd karakter krijgen, kan het moment de tijd overlappen en doorlopen buiten het kader. Want uiteraard laat tijd zich niet (be)dwingen.

    Smitskamp beslist later nog of dat moment zich kan laten mengen met meerdere ogenblikken. Op die manier blijft de beweging van tijd over verschillende momenten zichtbaar. Of worden diverse fracties van tijd samengebracht in een soort van collage, een samengestelde tekening. Maar altijd blijft dat ene springende moment, het beeld dat zich opeens voordoet en waardoor het gemoed van de kunstenaar een sprongetje maakt, het uitgangspunt. Het is die inspiratie die bepalend is voor de weergave. “Door te tekenen, door vertraging in te zetten”, citeer ik de kunstenaar, “geef ik kwetsbare momenten uit de werkelijkheid een ereplaatsje. Op deze manier archiveer ik kortstondigheid.”

    Van venster tot vogelvoederplank

    En waarmee kan het allemaal beginnen. Wat kan een springend moment zijn. Een blik uit het venster van de caravan. De inkijk in het trappenhuis. Het kijkje tussen de luxaflex. Wat doodnormaal lijkt kan door verloop van invallend zonlicht ineens zo anders zijn. Dat schaduwen verschillende gezichten bieden. Dan kan zo’n moment ineens opspringen waar het anders gewoon was blijven liggen. Die gezellige figuratie langs de muur opeens tot dreigende schimmen wordt. Ook kan een mus op de vogelvoederplank in de tuin, gezien tussen de lamellen van raambekleding door, een wonderlijk mooi moment zijn.

    Blikvelden breken door dubbele ramen, langs geopende deuren, onder tafels, boven kasten. Alles kan inspireren wanneer het maar anders is dan het normale. Misschien is het wel een opspringende gedachte die in een stil moment ontstaat. Opvallend even, en dan weer door. Die ene tel pakt Ike Smitskamp en laat het doorvloeien op papier. En soms is de tekening met enkele trefzekere bewegingen niet af. Dan moet er iets bij waardoor het moment er een laag bij krijgt. Dat er aan de tijd een ogenblik wordt vastgeplakt. Zodat de tekening een ruimtelijke collage wordt. Of dat een kleurlijn of -vlak het in de eeuwigheid zet. Dat het platte vlak zich verheft tot ruimte. Dat de tekening opstaat waar het moment een gat in de lucht sprong.

    Meestal doorzie ik wel die ingeving, deze bevlogenheid van de eerste aanblik. Maar soms is de voorstelling niet meteen herkenbaar, valt het moment bij wijze van spreken in scherven van het papier. Dan is mijn inlevingsvermogen bepalend voor de manier waarop ik omschrijf wat ik zie. Zoals de maker de vrijheid al tekenend ervaart, voel ik deze speelruimte aan in de uiteindelijke tekening. Ik ondervind daar het alleenrecht om mijn waarheid eraan te koppelen. Veelal blijft de werkelijkheid datgene wat ik door haar ogen in potlood op papier zie verschijnen. Het kan ook zijn dat ik niet een tafel zie, of een deur, de trap, maar er mijn eigen beeld aan verbind.

    Licht dat tijd zichtbaar maakt

    In haar werk is Ike Smitskamp bezig met lichtval en schaduwwerking. Met het potlood kan ze fijne nuances aanbrengen en het licht werkelijk over het papier laten vallen. Het zet het vastgelegde moment in beweging, alsof de tijd erin doorloopt. Zodoende zijn het, ondanks het statische karakter, dynamische beelden. Een subtiele animatie van kleur kan in bepaalde composities de sfeer verlevendigen of juist vervreemden. Ondanks of dankzij dat de werkelijkheid tegen het licht wordt gehouden, kan deze echtheid zich vervormen tot een abstracte gewaarwording. De momenten uit de tijd genomen, de details uit de realiteit ontvreemd, geven de uitsneden van leven een geheimzinnig karakter. De bijzonderheid wordt tot karakteristiek in het werk van Ike Smitskamp.

    Ike Smitskamp tekenwerk, archivering van kortstondigheid. Uitgave in eigen beheer, 2025.

  • De X-factor van Marc Fabels

    Hoe kan ik de schuld krijgen omdat ik niet zie dat ik blind ben. Ik vertaalde vrij de titel van de verder Nederlandstalige dichtbundel van Marc Fabels. Ik probeerde de tape van het omslag los te trekken. Maar ik kon er letterlijk geen nagel achter krijgen. Die paarse plakband is onderdeel van de smoezelige tekening, maar zo realistisch aanwezig dat het net echt is. Die afbeelding van de tape daagt mij uit verder te kijken dan mijn neus lang is. Te doorzien waar het figuurlijk over gaat in de bundel. Maar hoe kan ik de schuld krijgen omdat ik niet zie dat ik blind ben. Blind ben voor de gedichten van Marc Fabels, als ik al ergens de schuld van moet krijgen. De vraag waar het grenzeloos vertrouwen was in de goedheid van zelfs de allergrootse klootzakken, blijft daardoor groezelig. In dat gestelde probleem, waarmee Fabels met de deur in huis valt en dat als een rode draad door de bundel loopt, maakt de dichter zich kwaad en vloekt ongegeneerd. Alsof een verwensing het antwoord kracht bij zet. De retorische vraag zet meteen de toon. Als je maar de juiste woorden sprak. Als ik de ogen maar opende om de poëzie van Marc Fabels te doorzien. Blijf ik blind voor zijn regels, dan vind ik ook de juiste woorden niet. En krab ik vruchteloos de tape af van de doornig getekende bloemen. Week ik echter de woorden los van de zinnen dan laat ik de tekst me wel bekomen.

    De X die groot op het omslag prijkt, is veel meer dan een grafisch motief. Zij staat voor de blinde vlek, het kruispunt, het onverklaarbare en het ontbrekende. In woorden die titels vormen als crux, lux, rex en jinx fungeert zij als een soort magnetisch middelpunt waarrond de gedichten zich bewegen. De bundeltitel – how can I be blamed for failing to see that I’m blind – maakt van die X uiteindelijk een teken van het niet-zien: niet de onbekende die opgelost moet worden, maar de blinde plek die zich niet eenvoudig laat opheffen. Alles in deze bundel draait om de vraag wat het betekent om niet te zien dat je niet ziet. De X blijkt het punt waar al deze motieven samenkomen: het niet-zien, het zoeken naar betekenis, het afbreken van zekerheden.

    De blinde vlek

    Blindheid en niet-zien vormen een paradox: hoe kan ik verantwoordelijk worden gehouden voor het niet opmerken van mijn eigen onvermogen om te zien? De bundel voelt autobiografische kwesties aan de tand. Het bekentenisachtige aspect krijgt hier een universele lading. Het ‘ik’ spreekt weliswaar vanuit een persoonlijke ervaring, maar de blindheid waarover het gaat blijkt een menselijke conditie: niemand ziet zichzelf volledig. “Vind maar eens de juiste woorden die niet / iedereen al gebruikt of op zijn minst / een volgorde die recht doet aan je / onverwoestbare ijdelheid” Dat is waar ik ook mee stoei: de juiste woorden vinden en deze op volgorde zetten om, in dit geval, een dichtbundel juist te omschrijven. De letters in woorden te passen om wat staat geschreven te waarderen. “Vind maar eens een zin die niet / per seconde verandert, verdwijnt of / raadselachtig zwijgt / – liever staar je je / blind op het wit tussen de woorden alsof / de verlossing van al je voorgeprogrammeerde / dromen zich zal openbaren in een flits”. Fabels heeft mijn aandacht met dit eerste gedicht meteen te pakken. Ik lees mezelf erin: “vergeet het maar / zo uitverkoren / ben je niet”.

    Met de handen in de ogen

    Zijn gedachten meanderen rond afkeer en passie. Bloeien als de door hem getekende bloemen. Prikken als de doornen van die afgebeelde distels. En verdorren wanneer de concentratie verslapt. Fabels overdenkt zichzelf, bekijkt de man in de spiegel en vindt er het zijne van. Wie is de duivelskunstenaar die in gedachten alles tot goud laat worden? Wanneer hij maar de juiste woorden vindt. De X staat voor een woord dat onvindbaar is. Te mysterieus om de X in woorden te vangen. Het lijkt alsof de betekenis ervan is weggevallen, dat Marc Fabels in deze bundel zichzelf weer zoekt. Met de handen in de ogen wrijvend probeert hij in zijn eigen blik, herinnering of blindheid door te dringen. “wat heb je nou / eigenlijk gedáán / wát heb je nou / eigenlijk écht / gedaan / waar je niet / jaren later / met schaamte / voor het verkloten / van zo veel tijd / op terugkijkt?” Precies dat is het algemene in zijn teksten. Vraag ik me dat ook niet af waar ik mijn kostbare tijd ooit eens mee heb verkankerd.

    In de kleine bundel, slechts 11 poëtische expressies, gaat het om niet-zien en het onzegbare. Steeds opnieuw keert hetzelfde probleem terug: zien wat zich onttrekt aan het zien. Om non-existente X-files waarvan de crux een exit strategy is. Een spel met de taal om het onzichtbare te beschrijven. Het verscholen ego in het licht te zetten, zodat ik als lezer in dat geheim kan doordringen. Er mezelf aan kan spiegelen, me erin verliezen, omdat het zo dicht bij mijn eigen identiteit ligt. Het is weinig dichters gegeven om zich zo nauw met hun lezers te verbinden. Althans in mijn geval raak ik aan de poëzie van Marc Fabels. Het doet me wat en zet mij aan de juiste woorden te vinden. De woorden die recht doen aan het schimmellinnen en het bladdergoud, de stapelzinnen en de hapertaal – broze beelden, loze woorden. Zelfs de allergrootste klootzak bloeit erbij, iets breekt in hem wanneer hij halverwege de bundel tot inkeer komt: het boekje niet terzijde schuift maar juist met stijgende belangstelling tot het einde leest.

    Exit strategy

    Het einde. Ook dat beschrijft Fabels. De titel ‘exit strategy’ roept de gedachte aan een geregisseerd vertrek op. In de context van de bundel kan die uitgang worden gelezen als een metafoor voor sterfelijkheid of dood. In dat meedogenloze vogelperspectief, de geest hangt boven de dode man, ziet de dichter zijn eigen afscheid aan. “ik zag heus wel hoe / de letters die je sprak / zich radeloze mieren rond / de genadeloos dichte kist / wisten terwijl ze woorden / wilden zijn maar toch / moet ik zeggen / heb je mooi gesproken / alles wat je vertelde / is exact / hoe ik was” En precies zo lees ik hem: zoals hij was, zo ben ik.

    How can I be blamed for failing to see that I’m blind. Marc Fabels. Dichtbundel. Uitgave Paper Crown, 2026.

    Marc Fabels
  • Van functie naar compositie, bescheiden en informeel

    De tas als drager van om het even welke inhoud is een bruikbaar attribuut in ieder huishouden. Tegenwoordig betaal ik aan de kassa een luttel bedrag, maar voor wat ik ontvang een fors bedrag, wanneer ik vergeten ben een tas mee te nemen voor mijn aankopen. Dat is om de afvalberg in te dammen. Plastictassen zijn daarom not done en ik schaam me bijna wanneer ik er wel één bij me heb of er een aanschaf. De papieren tas past meer bij deze duurzame tijd en kan bovendien voor andere doeleinden worden hergebruikt, terwijl het plastic na meerdere praktische momenten gescheurd en verfrommeld in de vuilnisbak verdwijnt.

    In de kunst van Kees van de Wal gaat het niet om de werkelijkheid, maar om de ervaring van het zichtbare. De functie van de tas als drager is in en door zijn handen niet anders geworden. Hij hergebruikt papieren exemplaren in zijn kunst. Hij recyclet als het ware de tas en geeft het ding een nieuw leven, een ander zijn. Is het eerst een gebruiksartikel, na bewerking is het geworden tot kunstwerk. Nog steeds echter is de tas drager van een boodschap. Zoals het canvas de verf draagt, het papier de tekening, zo draagt de tas de uitdrukking die Van de Wal eraan geeft. Voordat de tas de abstracte afbeelding vormt, vouwt de kunstenaar het papier, lijmt het en beschildert het per object met twee kleuren. Daarbij ligt de nadruk op het handvat. “Wat oorspronkelijk een praktisch detail was, wordt een architectonische vorm, een opening, een kader in het vlak.

    Het heeft iets te vertellen

    Het is afval. Na eerste gebruik meestal al rijp voor de oud-papierbak. Na ondoelmatig hergebruik begint het vaak al te scheuren. De vraag is of Van de Wal gebruikte tassen ter hand neemt, met een geschiedenis, of nieuwe exemplaren waarin nog geen verhaal zit. Een nadere observatie wijst uit dat er gebruikssporen op en aan zitten. Ik zie vouwen en kreukels, maar dat kan ook doordat de kunstenaar er zelf mee aan het werk is geweest. Papier is kwetsbaar en (ver)vormt zich snel door bewerking. Laat ik ervan uitgaan dat er een leven was, een gebruik met ooit een inhoud. Dan heeft het product een verhaal omdat er een toepassing was, ooit. Het heeft iets te vertellen. Er is een geschiedenis, een verleden. Dat verleden wordt door Van de Wal niet veronachtzaamd; hij houdt er rekening mee. Hij maakt de zin echter niet af. Hij begint een nieuwe zin, geeft er andere zin aan. Zet geen punt achter de zin, maar een komma. Overschrijft daarmee in principe het wezen wel. Of is het herschrijven?

    Routekaart voor mijn geest

    Dat werken met papieren tassen staat niet op zichzelf. Het is een lijn die gevolgd is, die ooit begon bij het reliëf van een omgeving aan het landschap voorbij en via van kader, context en samenhang bevrijde vormen – op zoek naar de ultieme vorm, een vorm die niets voorstelt maar alles zegt – uitkomt bij oude kartonnen dozen die inspiratie geven. Van platgevouwen dozen gebruikt hij de vouwlijnen als structuur voor een nieuwe opzet. Ook vouwt hij het volume tot een pakketje waaruit de inhoud is geperst. Laat Van de Wal bij de tassen het handvat figureren als vorm waar het oog op valt, bij de uitgevouwen doos betreft dat de gaten die hij erin laat vallen. Wordt de tas gevormd tot een object dat niet meer herinnert aan de oorspronkelijke vorm, dan is de doos een plattegrond van zichzelf – een routekaart voor mijn geest. De opstaande zijden worden het liggende grondvlak. De ruimte wordt tot vlak, de derde dimensie afgevlakt tot lengte en breedte. Door het karton te kleuren krijgt het een nieuwe maat, niet één die de omvang bepaalt maar één die de hoedanigheid vastlegt. De doos is, uitgevouwen, het bestek van een grondvlak voor de opzet van een ruimtelijk voorwerp. Het gebruik treedt de wereld van de kunst binnen. Is het kunst wanneer de kunstenaar de doos of de tas heeft aangeraakt en hervormd.

    De boekjes die de kunstenaar mij stuurde geven een kleine selectie van werken uit de periode waarin hij zich uitdrukt met dozen en tassen. De indruk is dat hij steeds verder gaat met het loslaten van de werkelijkheid om de ultieme vorm te zoeken. Hoever kan hij gaan om een vorm te creëren die niets voorstelt maar alles zegt? Heeft hij die al gevonden? Kan hij zich al uitdrukken door niets te laten zien, terwijl daarmee alles gezegd is? Het is een interessante evolutie die Van de Wal doormaakt. Waar komt deze ontwikkeling op uit? Ieder jaar maakt hij een boekje met nieuw werk daarin, zo is het plan, om de groei van zijn kunst vast te leggen en te tonen. Ik ben graag toeschouwer en beschouwer. Ik kijk door zijn creaties anders tegen gebruiksvoorwerpen als dozen en papieren tasjes aan. Ik zal deze niet zo snel meer links laten liggen, maar er de aanleiding voor een kunstig object in zien. Hé, is dat niet een Van de Wal? Een kunstwerk zonder titel, dat niets voorstelt maar boekdelen spreekt.

    #06 Wall objects, modest and informal. #07 From function to composition. Kees van de Wal. Uitgave in eigen beheer, februari 2026.

  • Marike Hoekstra werkt met verdriet in Trauerarbeit

    There will be other songs to sing, another fall, another spring, but there will never be another you.” Door de deur is meteen de drempel geslecht. De toon is gezet. ‘Trauerarbeit’ raakt de juiste snaar wanneer je er gevoelig voor bent. En dat ben ik. Het boek dat de weerslag is van een project spreekt aan, daar het over verlies gaat en de omgang daarmee. De zin op de titelpagina komt uit de jazzstandard “There will never be another you” geschreven door Mack Gordon voor de musical “Iceland’(1942), later gezongen door onder meer Chet Baker, Frank Sinatra en Andy Williams – kortgeleden nog door Rickie Lee Jones. Heel dikwijls kunnen anderen verwoorden waar jij met moeite woorden aan kunt geven. Zo gebruikt Marike Hoekstra teksten van elders in haar beeldende taal, omdat het wiel niet opnieuw uitgevonden hoeft te worden. Omdat verdriet en rouw universeel zijn, passen bestaande woorden, klanken en beelden vaak als een aangemeten jas. Een jas die je aan de kapstok kunt hangen en voor een moment aan iets anders wilt denken. Maar die jas hangt daar in het zicht. Soms storend aanwezig, maar meestal een uitkomst bij regenachtig weer – de tranen zijn nooit ver.

    Kun je werken aan verdriet? Je kunt werken met verdriet, dat moet wanneer het je overkomt. Verdriet kun je niet verwerken. Verdriet is nooit af, nooit klaar. Er staat geen punt achter verdriet, altijd een komma en soms zelfs een dubbele punt. In ‘Trauerarbeit’ draagt Marike Hoekstra het verdriet op handen. Letterlijk. Op het omslag is dat in tekening al meteen zichtbaar gemaakt. Het is niet eenvoudig de gelaagde tekeningen in het boek te duiden. In hun expressiviteit geven deze een directe impressie van de emotie. En dat is niet eenvoudig door een buitenstaander te beoordelen. Het dient bekeken te worden, aangevoeld, begrepen. Dus houd ik me liever bij de sfeer waarin het boek zich aandient wanneer ik het open.

    Een eeuwige vlam

    Om te werken met verdriet daarvoor kent de Nederlandse taal geen juiste term die de lading dekt, schrijft Marike Hoekstra in haar nawoord ofwel de verantwoording. Er is zoiets als (professionele) rouwverwerking, dat impliceert dat het verdriet eens klaar moet zijn. Dat je over het dode punt raakt en verder met het leven gaat. Maar dat is niet mogelijk. Het dode punt is geen stip op de horizon. Er is licht aan het eind van de tunnel, maar heel vaak wordt dat door iets of iemand uitgedaan. Soms is er een iets of iemand die het vuur opstookt. Want een vonk is er altijd, een eeuwige vlam.

    In de toelichting geeft Hoekstra uitleg aan haar kunst. Beelden hebben echter geen verklaring nodig. Zodra er tekst in het beeld verschijnt rijzen er vragen, dan wenst de kijker antwoorden. Zonder titel en zonder woorden leeft het beeld, kan het een individuele gewaarwording zijn. Maar duikt een tekst op, een uitgeschreven gedicht in de schildering of een uitgeknipt fragment in een collage, dan is de ervaring onpersoonlijk, dan spreekt het gevoel van de maker honderduit. Omdat het hier echter zeer persoonlijke kunst betreft waarbij ik aansluiting moet zoeken om de betekenis ervan te vinden, is de motivering van het werk een welkome aanvulling. Het is geen uitleg derhalve maar een toelichting, een verantwoording waarom het er is en de manier waarop het er is zoals het er is. De inspiratie van het zijn.

    Hoekstra is in de tijd op reis gegaan, vanwege haar verdriet echter nooit meer thuis gekomen. Die dag van verlies heeft haar leven gebroken, er is een voor en een na. Door de tekeningen een beeld aan het verdriet te geven, verdwijnt het niet. En dat is ook niet de bedoeling. De kunst is geen uitlaatklep, het is een middel om het verlies als een gevonden goed te kunnen beschouwen. Het tekenen is een ritueel geworden om met verdriet te werken. Het is geen verwerken, want het verdriet moet niet weg. De gebeurtenis, oorzaak van het verdriet, is geweest. De treurnis echter is.

    Loze beloften

    Verdriet zit niet tussen de oren, het werken ermee is een dagtaak. Het betaalt niet uit, maar loont wel – het levert iets op. Werken met verdriet, trauerarbeit – rouwarbeid, geeft het leven kleur maar het krijgt niet de glans die het voorheen had. Je kunt het oppoetsen tot je een ons weegt, het blijft een lachen als de boer met kiespijn. Door de zielenpijn heen denk je de zon achter de wolken te zien schijnen. Na regen komt zonneschijn, na lijden komt verblijden, na storm komt stilte; het zijn holle frasen – loze beloften. Want je kunt geen krokodillentranen huilen, er bestaan geen rozen zonder doornen. “Kleine zorgen kun je delen. Maar er is een soort verdriet dat mensen niet meer kunnen helen. En dat hoeft ook niet“, hoor ik Toon Hermans bij leven zeggen. En zo is het. En Vasalis schreef “Veel soorten van verdriet, ik noem ze niet. Maar een, het afstand doen en scheiden. En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.”

    Marike Hoekstra haalt in haar werk Vasalis meermalen aan, want de dichter en psychiater kan met woorden troosten waar de kunstenaar probeert met beelden te helen. “Moeder, zeid hij, waarom schreit gij? / Waarom greit gij op mijn lijk? / Boven leef ik, boven zweef ik / Engeltje van ’t hemelrijk”; Joost van den Vondel draagt de pijn, waardoor het leed beter te verdragen is. De woorden van Paternak maken een winternacht tot zomerwende. Een tekst kan het beeld overnemen, echter nooit vertalen. De taal van het woord past never nooit niet de spraak van het beeld. Een beeld zegt meer dan duizend woorden is niet zomaar bedacht. Het beeld is universeel, het woord plaatsgebonden.

    Geboortedatum

    Het boek ‘Trauerarbeit’ spreekt mij aan, zoals het iedereen zal aanspreken die met rouw te maken heeft. Het boek is daarin een goede raadgever, omdat het past als een handschoen. Vele van de tekeningen zijn zo als pleister op mijn wonde te leggen. Niet om te helen of te genezen, maar om ermee te leren omgaan. Vooral een specifieke datum in het boek bleek bij mij de weemoed op te roepen, waardoor ‘Trauerarbeit’ voor mij een bijzonder kleinood is geworden. Een boek dat een ereplaats in mijn boekenkast heeft gekregen. Wanneer je ontdekt dat jouw geboortedatum een bijzonder moment betekent in het verlies bij een ander mens schept dat een band. Een verbinding is gelegd, die niet fysiek is en waar die ander geen weet van heeft. Nu wel, nu ik het hier beschrijf. Zo is Noah, het onderwerp (middelpunt) en inspiratie voor het boek, opeens eigen en vertrouwd. Ik zal voortaan op mijn verjaardag denken aan zijn geboortedag. Zo dragen mensen samen het leed van de wereld.

    Marike Hoekstra viert het leven. Ze heeft geen afscheid genomen. Wel fysiek; het lichaam is gegaan. Door over Noah te tekenen, hem op te nemen in haar kunst, kan ze hem echter blijven liefkozen. Blijven aanraken. Niet met de vingers, hoewel het scheppen van nieuw leven op papier handwerk is, het betasten doet ze nu met haar emotie. Voelen is gevoel geworden. De ene keer liefdevol, de andere keer opstandig en dwars. Die wisseling van stemming valt opmerkelijk duidelijk in de kunstwerken te lezen. Met zachte hand verdraagt verleden tijd werkelijkheid. Met harde hand blokkeert weemoed het verlies. Ermee leven betekent niet achterlaten. Noah is nog steeds onderdeel van het gezin. Door de tekeningen blijft ze in gesprek. Dat betekent niet dat ze haar verdriet niet heeft verwerkt; ze werkt ermee om het vooral niet te vergeten. Het project is geen afgerond geheel, het blijft voortdurend in beweging en groeit uit tot een levende legende. Niet een aandenken als is het een souvenir van een leven, maar een denken aan om niet te vergeten.

    Ik volg haar in het rouwproces. Een ontwikkeling die geen resultaat vergt. Dat resultaat is al het proces op zichzelf. Expressief handschrift. De werkelijkheid abstract. De realiteit is hard, maar moet beleefd. Het kind blijft leven in het sterven, omdat het beeld krijgt. Fotocollages pakken fragmenten, omgeving die herkent wordt, maar het blijft buitenshuis, gaat buiten de mens om, onpersoonlijk. De tekeningen zijn meer nadrukkelijk, geven duidelijk weer waar de geest een uitweg zoekt. Het is niet alles treurnis in dit boek, het is veel meer een liefdevolle uitgave, een monument. Een herinnering aan een leven dat te snel tot een einde is gekomen. Schreef Bram Vermeulen “en als ik dood ga, huil maar niet / ik ben niet echt dood moet je weten / het is het verlangen dat ik achterliet / dood ben ik pas als jij dat bent vergeten” dan houd ik me daar aan vast wanneer ik het boek van Marike Hoekstra nog eens doorblader en de beelden beleef.

    Trauerarbeit. Beeld, tekst en ontwerp Marike Hoekstra. Uitgave in eigen beheer, 2025.

    Marike Hoekstra, Trauerarbeit

  • Marije Bouman fluistert de geest van het landschap

    Zocht Marije Bouman eerder met haar werk grenzen op die een niemandsland omzoomden. Een omgeving waar niemand is en waar de sterveling geen weet van heeft. Alleen de mens die niet rationeel kijkt maar met gevoel beschouwt, kan er kennis van nemen. De landschappen van toen leefden in grensgebieden. Pasteltinten zweefden mijmerend over de composities. Deze beeldden geen concrete zaken af, maar maakten abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. En nog steeds is de rust en de stilte van dat abstracte terrein in haar huidige werk te vinden. In de non-figuratie onderzoekt zij de essentie van het landschap. De kern van het wezen der natuur. In een summier aantal lijnen en enkele kleurvlakken tekent zij haar contemplatieve emotie bij het landschap in waterverf op papier. Het is geen werkelijk landschap, hoewel dit wel het uitgangspunt is en de inspiratie vormt. Maar door haar blik en uit haar handen is het een landschap van de geest. Geen tastbare waarheid, maar voelbare echtheid.

    Het is kijken en laten inwerken. In het zalige niet-zijn ben je niet meteen vriend. Kleuren bewegen over tinten, flarden en korte verfstrepen verhouden zich als vlakken in een collage. Daarin wil het oog een houvast. Maar het hoeft niet te ontdekken, want het kan zo zijn als het is. Bouman fluistert het landschap. Met zachte tonen zet zij een eigen wereld in de werkelijkheid. En ik moet goed luisteren en beter kijken, anders zien, om aan te sluiten bij haar mythisch denken. Het is geen mysterie, het is een meditatieve staat van zijn. Diep in gedachten verzonken mijmert zij zich een zijn dat relateert aan een landschap, dat de associatie legt met de tastbare zichtbaarheid. Zo kijken en aanvoelen is een benadering die mij, en al die andere westerse mensen met mij, stelselmatig is afgeleerd. Zo lees ik dat althans in haar inleiding, een manier van kijken die zij op haar beurt beschouwt in de Chinese denkwijze. “De oude Chinese meesters gebruikten het landschappelijke om hun filosofie uit te drukken en om een verlangen op te wekken naar berg, bos en rivier. Dit werd met poëzie en in beeld uitgedrukt. Uit de beheersing van het schrijven van karakters vloeiden de teken- en schilderkunst voort.”

    Inkijk op de eeuwigheid

    In die zin heeft Marije Bouman de gave om de kern van het landschap te raken. In aquarel of met gemengde techniek maakt zij grensgebieden. Op de scheiding tussen waarneming en gedachte verbeeldt zij een niemandsland. Een gebied waar de tijd geen vat op heeft; het is er tijdloos. Een inkijk op de eeuwigheid. Als de grootmeester Kwo Sji over de velden door de tijd in de toekomst keek, zo gebruikt Marije Bouman de elementen aarde, water en lucht als de levenskracht in haar werk. En ik neem haar advies ter harte: “Laat ieder die tot rust wil komen deze bundel ter hand nemen.” De daarin opgenomen kunstwerken, dichtregels en oude doch zeer inzichtelijke en ook zo poëtische tekstfragmenten over de Chinese landschapskunst zetten mij aan de kamerpresentatie in Museum Belvédère te bezoeken. Echter ervaar ik daar niet optimaal de sfeer die Bouman oproept; uit een naastgelegen kamer klinkt het slotakkoord van een andere Friese kunstenaar. Storend op dat moment, maar de ingetogen lyrische werken van Bouman handhaven zich desondanks. Deze staan in de rumoerige wereld als een kalme oase.

    Het is stil in de composities van Marije Bouman. Er heerst rust voor wie zich erin ingeeft. Wie langer blijft staan kijken om de emotie die Bouman erin heeft gelegd aan te voelen, kan erin meeleven. Echter ligt er ook een bepaalde geladenheid tussen de zichtbare lagen kleur, alsof de natuur en het landschap in spanning afwachten wat komen gaat. Want de stilte zal eens doorbroken worden. Niet in het ogenblik dat Bouman heeft vastgelegd en waar zij alle drukte uit heeft weggeschilderd, maar wel in de momenten die volgen. En dat hoeven geen rumoerige tellen te zijn; dat kunnen ook zeer wel in zichzelf gekeerde tijden zijn. Maar dat er iets staat te gebeuren heeft Bouman er onbewust in gelegd, als een zin die niet is afgemaakt. De kijker vult aan, denkt door, maakt af.

    Stilte zichtbaar in inkt

    Bouman laat zich leiden door Chinese wijsheid. Daarin kan de introverte kunstenaar zichzelf vinden. Niet enkel het beeld maar zeker ook het woord inspireert haar. “Poëzie is schilderen zonder de vorm en schilderen is zichtbaar geworden poëzie“, is zo’n gevleugelde uitspraak. De klassieke Chinese meesters waren vooralsnog diepe denkers. Het filosofisch beredeneren lijkt daar wel uitgevonden. China wordt vaak beschouwd als de oudste ononderbroken beschaving ter wereld, met een geschiedenis die duizenden jaren teruggaat. Hoewel het niet per se het biologisch oudste volk – in de zin van de eerste mensen op aarde – is, is de Chinese cultuur en samenleving een van de langstlopende die tot op de dag van vandaag voortduurt. In de poëzie en de beeldende kunst is de Chinese traditie voor velen een richtinggevend voorbeeld geworden – niet door luidheid, maar door verstilling. In het werk van oude penseelmeesters als Kwo Sji wordt het landschap niet vastgelegd als afbeelding, maar als ademruimte: een plek waar kijken en denken in elkaar overgaan. Schilderkunst, kalligrafie en poëzie raken er elkaar zonder grens. Onder de lange schaduw van een denktraditie die met Confucius verbonden is, krijgt aandacht een vorm van oefening, en oefening een vorm van levenshouding. Zo ontstaat een kunst die niet alleen iets toont, maar iets laat gebeuren: stilte die zichtbaar wordt in inkt.

    En dat is precies wat er in de composities van Bouman gebeurt. Haar kunst toont niet alleen iets, maar laat iets gebeuren: ik proef er de stilte. Het raakt die filosofische denktraditie. Zij toont een transparant landschappelijk portret. Teer en dromerig, in het schemergebied van de werkelijkheid. De lyrische verbeelding van hetgeen er schijnt te zijn, een ingebeelde omgeving. Opgepakt in het voorbijgaan, gezien en overdacht. De herinnering aan een moment is dikwijls mooier dan het moment zelf. Je onthoudt sneller de schoonheid dan dat je de lelijkheid in gedachten bewaart. Dat mooie van de omgeving zet Bouman neer in transparant geschetste lijnen en licht aangezette kleuren. Pasteltinten zweven mijmerend over de composities. Een in opzet expressief gedetailleerde weidsheid van het landschap. Deze beelden geen concrete zaken af, maar maken abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. Niet die werkelijkheid is benadrukt, maar wel het verlangen naar rust en ruimte in de realiteit. Na een omgang in het landschap worden thuis de gedachten uitgewerkt. Er wordt dan een sfeer toegevoegd, namelijk de emotie die zich na het moment buiten in het geheugen heeft vastgezet. De omgeving aangevuld met de gedachte; dat klinkt abstract en dat is het ook. Abstract landschappelijke portretten, derhalve.

    De stilte in gedachten

    Marije Bouman brengt abstract poëtisch werk dat voortkomt uit de passie voor de natuur. De composities relateren aan wolkenluchten en landschappen. In enkele gebaren is de verf in het beeld gezet. Het betreft verstilde grensgebieden, plekken waar iets nog niet is vastgezet maar al wel vorm begint te krijgen. In de Chinese kunsttraditie het gebied waar schilderkunst poëzie wordt, en poëzie beeld. Letterlijk kan in de literati-traditie een schilderij een gedicht bevatten, en kan een gedicht een landschap oproepen. Het grensgebied is daar geen scheiding, maar een overlap – een dunne laag waar kijken, lezen en denken samenvallen. Het terrein van Marije Bouman ligt tussen droom en werkelijkheid. Het niemandsland tussen abstractie en realiteit. Een omgeving die zich voordoet in gedachten bij het zichtbare onderwerp. Kijk in het rond, aandachtig naar wat je ziet. Sluit de ogen, dan verschijnt dit beeld op het netvlies. Als het ware een projectie achter de oogleden. De stilte in gedachten.

    En sla ik de uitgave bij die museale tentoonstelling open, dan maak ik een natuurlijke beweging naar de mystieke ruimte. De transcendente atmosfeer die ligt besloten tussen de pagina’s door de afdruk van diverse werken. De zachtheid waarmee Bouman haar composities kleur geeft, komt goed tot uiting in dit drukwerk. Hoewel op kleiner formaat dan het originele werk, hebben deze reproducties dezelfde sfeer. In speciale gevallen aangezet met een hardere penseel of scherpe pen, wanneer een luidere toon noodzakelijk is. In het hart van de uitgave laat Bouman de oude Chinese meester aan het woord. “De geest van het landschap” doorlezend vormen de beelden in het boek stemmige illustraties bij de tekst. “Daar zijn verschillende wijzen waarop men een landschap kan schilderen. Het kan uitgespreid worden over groote composities en toch niets overbodigs bevatten. Het kan tot een klein bestek teruggebracht worden en toch niets ontberen. Ook zijn er verschillende manieren om landschappen aan te zien. Nadert men ze met het ontvankelijk gemoed van den natuurliefhebber, dan is hun waarde groot; nadert men ze met trots of zelfgenoegzaamheid in de ziel, dan hebben zij ons weinig te zeggen.”

    ELEMENTEN. Marije Bouman. Kamertentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 21 februari tot en met 7 juni 2026. Publicatie met een selectie uit de serie gecombineerd met fragmenten uit een belangrijke elfde-eeuwse verhandeling van de Chinese inktschilder Kwo Sji. Uitgave in eigen beheer, 2026.

  • HARTEKLOP: gedacht en geleefd, bedacht en beleefd

    Heeft stilte kleur? Is het warm, is het koud? Heeft stilte vorm? Hoewel stilte fluïde is, is het tastbaar. Niet dat je het kunt aanraken of bevingeren. Voelbaar is een beter begrip voor stilte. Stilte is te ervaren, in te voelen en aan te voelen. Voor eenieder heeft stilte kleur en vorm. Geeft stilte kleur aan het leven? Kan stilte warm aanvoelen, maar kan stilte tevens om te snijden zo koud zijn? Stilte kan een warm bad zijn, dat na drukte en rumoer het leven kalm beleefd kan worden. Stilte kan kil en hartje winter zijn, dat gezwegen wordt omdat er geen liefde meer in de lucht hangt. Stilte lijkt het graf voor de mens die spanning en leven om zich heen wenst om te overleven. Maar stilte is ook niets. Geen geluid, geen afleiding, wel aandacht, concentratie, contemplatie. Het heeft alles in zich, zoals wit dat heeft. Stilte is wit licht, waar rumoer achromatisch zwart is.

    Guus Koenraads

    Voor Guus Koenraads is stilte een geometrische vorm. Een vierkant, een rechthoek. Gelijke zijden en rechte hoeken. Stilte is hoekig, stilte is niet rond. Stil in een hoekje zitten en tot jezelf, in jezelf, bij jezelf komen. Het heeft een egale kleur in de afzonderlijke vorm. De stilte van Koenraads straalt rust uit. Warme rust die nergens kil wordt. In de traditie van constructieve geometrie kent de oppervlakte diepgang, is het schilderij gelaagd. De lagen zijn fysiek niet aanwezig; de suggestie zit in kleurgebruik en vormgeving.

    Vlees in de kuip

    Volgens Kitty Zijlmans zijn de werken van Koenraads driedimensionale schilderwerken. Objecten met inhoud, niet enkel een platte figuratie. Het door hem gemaakte vlak, met acrylverf op doek, wordt gevouwen om een paneel, zodat de dimensie zich schijnt door te zetten van oppervlak tot ruimte. In de schaduwen lijken de kleuren zich te mengen met de wand als drager. De objecten spelen een rol binnen de kosmos waarin deze zich voor de uitstalling hebben begeven. Zijlmans opende de expositie bij Pulchri Studio in Den Haag, waarvan mij de catalogus door de kunstenaar is gestuurd. Voor dat in eigen beheer uitgebrachte boekje schreef zij als hoogleraar hedendaagse kunstgeschiedenis het voorwoord. De twee kennen elkaar al dertig jaar en weten dus wat voor vlees ze in de kuip hebben, hoe het smaakt en of het naar smaak is. Dat kan een bevooroordeling van het getoonde werk inhouden.

    Guus Koenraads, Pulchri Studio, Harteklop

    Mijn oordeel heeft geen geschiedenis, anders dan dat ik eerder werk van Koenraads zag bij Kunstlokaal No. 8 in Jubbega. Destijds schreef ik er onder meer het volgende over: “Hij ziet kleuren – vlakken en lijnen, velden en grenzen – gebruikt voor gangbare uitzichten, die nieuwe indrukken maken door zijn schilderijen. Deze composities benoemen de omgeving in een hogere wereld. Uitgemeten werken die op doek op paneel geschilderde lagen dragen. Elke laag met een eigen geest en betekenis.” Dat was in het najaar van 2022.

    Into great silence

    In het boekje dat de naam Harteklop draagt, sla ik aan op het werk met de titel “Into the Great Silence”. Het brengt mij de arthousefilm met vrijwel dezelfde titel in herinnering. Ik zag deze vier uur durende documentaire in een alternatief filmhuis en later als nachtfilm op de televisie. In de film, die een reportage is van het leven in het kartuizerklooster Grande Chartreuse hoog in de Franse Alpen, wordt hoegenaamd geen woord gesproken, behalve wanneer een kloosterling wordt ingewijd of de monniken plezier hebben in de sneeuw. Er is geen muziek, anders dan de religieuze gezangen van de monniken. Met “Into Great Silence” ga je werkelijk de grote stilte binnen. Die große Stille, zoals de film oorspronkelijk heet. Het is als een schier oneindige vesper waarin je tijdens het gebed wordt teruggeworpen op jezelf, doordat je in je eigen ik gekeerd bent. Datzelfde effect heeft de kunst van Koenraads. Om bij zijn idee te komen, moet ik bij mezelf te rade gaan. Vraag ik mij af wat ik zie, tast ik de duistere kracht af. De stilte kleurt naar de tint die Koenraads eraan heeft gegeven. Zijn werk verbreedt mijn horizon, verdiept het perspectief. Terwijl de verdieping niet verder reikt dan vijf centimeter, lijkt de derde dimensie eindeloos ver door te lopen.

    De abstracte werken hebben ieder een titel, waardoor mijn gedachten in een bepaalde richting worden gedreven. Objectief kan ik niet naar het ritmische evenwicht kijken. Ergens moet de verklaring van de compositie aanwezig zijn, want het heeft een naam, dus luistert het nauw. Ergens zoek ik de maan en de aarde, de zon en de aarde en de omgeving achter het landschap. De vlakken gaan figureren zonder dat er sprake is van figuratie. Bij “aarde” zoek ik een lichaam, iets van een portret. Echter, wanneer de titel “Quiet and Peace” zich aandient, word ik warm van binnen. Want dat is wat het werk van Koenraads uitstraalt: rust en vrede. Ruimte in tijd. De wijzers van de klok houden even de pas in. Dit moment, samen met de compositie, is van mij; dat ene ogenblik is onze space. En dan hoeft mijn gedachte niet in een bepaalde richting gestuurd te worden. Het is er. De richting is eindeloos onbepaald.

    In gedachten schuiven

    Het zijn niet de vlakken die de hartslag bepalen, het is de kleur die emotionele waarde geeft. De harteklop van Guus Koenraads, de abstracte vormgeving, prikkelt mij intens. In stilte is een groot rumoer. Is er eerst een statische beleving, naarmate ik langer naar het werk kijk – mij de tijd geef er aandacht aan te besteden – gaat het beeld leven. Komt er beweging in de stilstand, schuiven de vlakken langs elkaar en wordt de opwinding een dynamisch kijkgenot.

    De kunstenaar heeft de tinten zorgvuldig gekozen en strak tegen elkaar gezet. Het is een stap in de evolutie van de geometrisch-abstracte kunst. Het heeft een strengere vormgeving dan De Stijl had. Er is, met meer aandacht voor de klare lijnvoering, een minder schilderachtig kunstwerk ontstaan. De vlakken zijn onderling te beschouwen, in gedachten te schuiven. Waar het wordt onderbroken, zet mijn blik automatisch de vorm door. Meer gedetailleerd kan ik tevens de lijnen volgen. Dan verlaat ik het grote geheel en graaf me in op de vierkante centimeter. Dat brengt rust, dat geeft vrede. Stilte heeft kleur. Stilte heeft sfeer. De beleving geeft een warm gevoel. Het is de polsslag van Koenraads’ kunst. Gedacht en geleefd, bedacht en beleefd.

    HARTEKLOP. De variatie van eenvoud. Guus Koenraads. Uitgave in eigen beheer, 2025.

    Guus Koenraads, Pulchri Studio, Harteklop
  • De poëet en de pictieet hebben een persoonlijk perspectief

    Monaden. Dacht ik een opzettelijke verschrijving op het kaft te lezen. Het zal nomaden zijn! De twee, Geven en Van Doveren, zonder vaste woon- of verblijfplaats in de kunst. Rondtrekkend door woorden en beelden, dwalend langs zinnen en houtblokken. Het blijkt echter geen retorische verspreking te zijn. Monade is een begrip dat door de Duitse filosoof Leibniz in het zijn is geroepen. Ik keek ernaar, zette een vraagteken. En zoals men dat doet bij de kennisquiz Twee voor Twaalf wanneer het antwoord uitblijft: “dat zoeken we op” — en de tijd loopt.

    Blijft onverkort dat de dichter en de kunstenaar zwervend beelden oppikken en er andere perspectieven aan geven. Maar die monaden? Met het begrip ‘monade’ wordt geen tastbaar deeltje bedoeld, leggen de boeken mij woorden in de mond. Het is een innerlijk perspectief op de werkelijkheid. Alles wat bestaat, is opgebouwd uit zulke monaden: kleine, ondeelbare ‘kijkpunten’ die elk de wereld op hun eigen manier weerspiegelen. Ze hebben geen direct contact met elkaar en lijken toch samen te hangen in een wonderlijke orde. Wat wij als één object ervaren, is eerder een samenval van perspectieven dan een op zichzelf staand ding.

    Opnieuw gestalte

    De titel Monaden suggereert dus een werkelijkheid die niet uit vaste vormen bestaat, maar uit afzonderlijke, innerlijke perspectieven. In deze samenwerking tussen dichter en beeldend kunstenaar ontvouwt zich geen eenduidig beeld, maar een veelheid aan benaderingen die naast elkaar bestaan. Tekst en beeld raken elkaar niet direct, maar bewegen in een subtiele samenhang, alsof zij elk vanuit een eigen binnenwereld hetzelfde proberen te benaderen. Wat ontstaat, is geen afgerond geheel, maar een samenspel van blikken waarin betekenis zich steeds opnieuw vormt.

    De monade verschijnt hier niet als abstract begrip, maar als iets dat opnieuw gestalte krijgt. In de objecten van hergebruikt hout lijkt het materiaal een tweede leven te leiden — alsof wat ooit was, zich in een andere vorm herneemt. Het materiaal herinnert zich wat het geweest is, zonder dat nog te zijn. Dat geeft de objecten iets van een stille reïncarnatie: geen herhaling, maar een verschuiving van bestaan. En de tekst, die zich haast terloops als gedicht aandient — alsof betekenis zich bij toeval ordent — laat eenzelfde beweging zien. Tussen de regels door schemert een nostalgie: een herinneren dat geen terugkeer is, maar een opnieuw beleven. Een her(be)leving waarin wat was zich anders voortzet.

    Door mij verzonnen woord

    Maar nu ter zake. Voor mij ligt dat boekje, in bruine omslag van 300 g/m² Kraft papier. Mij gestuurd door de poëet, met goedkeuring van de pictieet. Vergezeld van een niet mis te verstane opdracht: “De wereld hoort graag wat je ervan vindt.” Dat verlangt verwachting en schept resultaat, — of is het andersom? In elk geval kan het zwaar op mijn schouders drukken. Ik zweet peentjes en stoot mijn kop tegen een writer’s block. En toch: uit het gat in mijn hoofd vloeien woorden die recht proberen te doen aan tekst en beeld in Monaden.

    Dan die pictieet. Wat is dat? Nooit van gehoord. Het is een door mij verzonnen woord, als prozaïsche tegenhanger van de poëet. De poëet — alias van de dichter — is een verouderd neologisme dat inmiddels verankerd ligt in de taal. Voor de beeldend kunstenaar ontbrak mij zo’n woord. Dus: de dichter is poëet, de kunstenaar is pictieet. Ik zie dat zo voor me. In de schemering van de studio werkt de pictieet met hout en klei, met penseel en steen. Elke vorm lijkt te ademen, alsof ze verhalen fluistert die nog niemand hoorde. Waar woorden tekortschieten, spreekt het beeld. En waar het oog slechts ziet, onthult de pictieet een innerlijke wereld. Zo wordt kunst geen object, maar een gesproken poëzie van vormen.

    Taal doet afdwalen

    De woorden van Harry van Doveren passen bij de beelden van Fred Geven — als het deksel op de pot, als twee handen op één buik. In de teksten, die bij toeval gedichten blijken te zijn, lees ik tussen de regels een herinneren. Alsof de dichter over zijn schouder kijkt, terug in de tijd. De tijd die hem lijkt in te halen. Maar hoe kan dat? Het zijn is hier en nu en speelt zich af in dit ogenblik. Haalt de tijd het zijn in, dan zou het wezen stilstaan en was de tijd achterop geraakt. Denkend hierover kom ik uit op een onmogelijkheid: een Penrose-driehoek, een Sisyfusarbeid.

    Maar ik dwaal af. Dat is wat taal doet. Woorden roepen woorden op, betekenissen laten gedachten zwalken. Blijf bij de les, sprak de meester streng doch rechtvaardig. Want de woorden en de beelden — al deze elementen moet ik, als de Bijbelse Maria, overwegen in mijn hart. En de wereld wacht.

    In het moment

    Voor de bundel Monaden heeft Fred Geven bewaarkisten geopend: gymnastiektoestellen voor de zintuigen. Mijn zien fitnest door de bundel. Mijn ogen bewegen over de pagina’s, mijn blik traint betekenissen. En Harry van Doveren heeft zijn zinnen gezet op het verwoorden. Zoals in experimentele poëzie de lezing niet meteen vastligt, zo lijken de blokken los van de woorden te staan, de beelden buiten de tekst te vallen. En toch steunen ze op elkaar. Ze passen, ze dragen. Het opent de ogen en ontgrendelt de geest.

    Beide makers plaatsen hun constructies in het moment: het hier en nu. Na jaren van vorming en beleven is het ogenblik van nagenieten aangebroken. Herinneringen en ervaringen laten zich tot adagium vormen. De dichter kijkt terug op een begin en een middendeel, en ziet vooruit naar een slot. De beeldend kunstenaar snijdt voorbije beelden uit hout en kleurt ze naar een actuele stemming.

    Poel van verlangen

    Beiden raken de ziel. Omdat ze woorden en beelden laten aarden. Ik woel met blote handen in die drek, bevuil mezelf met modder. De woorden verwaaien niet als stuifzand; de objecten laten een nabeeld achter op mijn netvlies. Het verlies van wat eens was voel ik, maar het stemt mij niet triest. Het past. Zoals vorm bij woord. Zoals tekst bij object. Harry’s hand op mijn schouder. Mijn reflectie in de Poel van Fred.

    De poëet en de pictieet bekijken het zijn vanuit een persoonlijk perspectief. In het brandpunt daarvan focust mijn gevoel. “handen kunnen fouten herstellen waar teveel weten in tekortschiet” De woorden raken mij, de beelden beroeren mij. “vergeten beelden bestaan niet” Een poel van verlangen. Een landschap van spijt. De apotheose lees ik in: “ik vul mijn tijd met het schrijven van brieven over het misverstand dat ik geboren ben met een belofte” Want zijn wij niet allen zo op de wereld gezet? Met de toezegging dat het door ons beter zal worden. Iedere generatie houwt zich een eigen beeld. Want zou… had het… zal het… Maar ieder bekijkt het landschap van het leven vanuit een eigen perspectief. “toen wij nog niet bestonden sleten beekjes al hun sporen uit de heide en de droge bossen en zorgden met hun vee-zand voor groei op het esdek van de akkers” De monade van de ziel beweegt zich als nomade door de bundel.

    MONADEN, bezielde elementen van de werkelijkheid. Fred Geven | beeld, tekst | Harry van Doveren. Uitgave in eigen beheer, 2026.

  • Roland Sohier ontknoopt als Maria de verwarring

    …gelukkig hebben we de foto’s nog. Was het een slotscène? Waren wij toeschouwer van de apotheose, het hoogtepunt, de ontknoping van wat de kunst van Roland Sohier voor de mensheid betekent? Het resultaat van een leven lang aanschoppen tegen de menselijke toestand? Heeft de kunstenaar zich door de jaren heen met zijn werk in teveel bochten gedraaid, zodat de kunst complex, chaotisch en verwarrend is geworden, letterlijk in de knoop geraakt? Dat een laatste expositie de ingewikkelde gewaarwording moest ontwarren. “Ontknopen is geen daad van kracht, maar van aandacht: het vraagt tijd, geduld en de bereidheid om niet meteen te begrijpen,” lees ik op de website van Galerie Larik, waar de fysieke ontknoping plaatsvond.

    Die expositie daar is nu gedaan, maar gelukkig heb ik de foto’s nog. En het is fijn dat ik het schetsboekje behorend bij de tentoonstelling door de kunstenaar kreeg toegestuurd. Want het moment mag dan voorbij zijn, de essentie is met boekje en foto’s bewaard gebleven. De knoop is daar in allerlei vormen nog aanwezig. De vraag blijft of de expositie werkelijk een ontknoping was, of dat dit voorzichtig trekken aan de uiteinden een stevige ruk in de juiste richting teweeg heeft gebracht. En blijft Sohier ageren, want de knoop beseft niet meteen dat hij is ontwart; dan blijft de verwarring.

    Een knoop in het aardse bestaan

    Op zijn website schrijft kunstenaar Roland Sohier dat hij zijn licht laat schijnen over ‘de menselijke toestand’. Zonder letterlijk te willen zijn, levert dat werk op dat getuigt van dreigend ongemak en onrust in deze tijden van verwarring. Die vita activa van de mens heeft dus de voortdurende, niet aflatende aandacht van Sohier. Het maakt zijn arbeiden, werken en handelen interessant. Op een cartooneske manier neemt hij de hoogmoed op de hak. Al diverse onderwerpen passeerden bij hem de revue, een parade die de show meermaals en op diverse plekken stal. Zijn belachelijke tekeningen en absurde schilderijen leggen een knoop in het aardse bestaan. De spanning die zijn composities in gang zetten, legt een knoop in mijn maag. Wat zie ik, en wat moet ik ermee? Ondanks de weerzin die zijn werk wel oproept door de uitgesproken aversie voor de menselijke arrogantie, blijven het vette tekeningen die iets betekenen en die ik daarom gezien moet hebben.

    Een leven lang tegen de pedanterie van het zijn schoppen, knopen maken en ontwarren, en toch geen ontknoping – alleen steeds nieuwe manieren om in de knoop te raken. Sohier is een nestor in de kunst die zijn sporen heeft verdiend. Maar hij is nog lang niet opgebrand en heeft nog voldoende stof voor beelden. De situatie in de wereld noopt hem telkens met jeugdige brutaliteit het zijn dat hem minder aanstaat, pootje te lichten. Ondanks dat hij in de groei van zijn oeuvre een duidelijk eigen stijl heeft ontwikkeld, weet hij steeds weer opnieuw te verrassen. De ontknoping zet geen punt achter zijn carrière, maar opent een deur die een ander heeft dichtgedaan.

    De menselijke toestand strikken

    Het schetsboekje, dat voor mij als herinnering aan de tentoonstelling op tafel ligt, heeft een zwarte kaft zonder opdruk, zonder verwijzing of aanduiding van herkomst. Zo onpersoonlijk als een naamloze agenda. De titel, de drager van bedoeling en intentie, is van minder belang. Het schrift kan rubriekloos in mijn bibliotheek verdwijnen. Het gaat om de inhoud; het gaat over knopen. Het toont allerlei knopen, van schootsteek tot vissersknoop, van paardenknoop tot wurgsteek, en van dubbele paalsteek tot molenaarsknoop. Het geeft voorbeelden, zodat ik zelf een Gordiaanse knoop kan leggen, een Windsor-knoop in mijn stropdas kan draaien, of mijzelf kan opknopen. Het legt verbanden tussen knopen uit diverse windstreken om de wereld en de menselijke toestand te strikken en samen te vlechten, en zo strak aan te trekken alsof het een Shibari-harnas betreft.

    Ook neemt Sohier een loopje met de knoop, zoals hij het zijn niet serieus neemt. Want de knoop kent veel betekenissen in diverse hoedanigheden. Er kan iets mee worden gesloten, het kan een verbinding zijn. Het kan een triggerpoint zijn, een nodium, een vertex. Het kan een snelheid aanduiden, een punt in de goederenstroom, en het kan een achternaam zijn. Is het een metafoor en neemt het plaats in een uitdrukking, dan staat het symbool voor een toestand: in je oren knopen, de eindjes aan elkaar knopen. Sohier geeft beeld aan nietsigheden die van levensbelang zijn voor het reilen en zeilen. De knoop geeft vastigheid, legt een verband en vervlecht de wereld.

    Met kunst knopen ontwarren

    Het schetsboekje is eveneens een herinnering voor de kunstenaar zelf, om nog eens na te gaan hoe hij tot dit thema is gekomen, wat er door zijn hoofd is gegaan en waar hij door bevlogen inspiratie uitdrukking aan heeft gegeven. Het is geen catalogus bij de tentoonstelling, maar het heeft wel dezelfde zwartgallige inslag. Galerie Larik namelijk was door Sohier veranderd in een donkere grot door vellen papier zwart te bewerken en als behang aan de muren te plakken. Aan dat gegeven geeft hij verantwoording achterin het boekje, want hij zag licht aan het eind van de tunnel. De begrafenis van paus Franciscus was voor hem de trigger tot verbeelden. In die processie kwam een wonderdadig genadebeeld naar voren met als titel “Maria die de knopen ontwart”. Het symboliseert haar vermogen om tussen God en de mensen te komen, en de complexiteit en moeilijkheden van ons leven te ontknopen.

    Niet dat Roland zich Maria meent, maar hij zag in deze toewijding wel een actueel thema. In het licht van de huidige situatie in de wereld probeert hij met zijn kunst knopen te ontwarren. De Maria zie ik in de tekening terug in het schrift, en bespeur ik in schildering op foto’s van het gebeuren. Er valt veel te ontwarren, maar sommige dingen krijgen geen oplossing. De metro in Washington en in Kuala Lumpur blijft een chaotische plattegrond. En ik probeer, net als vroeger, een kop en schotel tussen mijn handen te knopen, de eagle pose voor de spiegel na het douchen aan te nemen. Ik begrijp niets van de indian rope trick, maar heb dan ook geen slangenbezweerdersfluit. Gelukkig heb ik het schetsboekje nog, dan kan ik de verschillende knopen er eens op naslaan. Knopen die gezien moeten zijn, omdat ze iets betekenen.

    De Ontknoping. Moleskine schetsboekje van Roland Sohier. Met gedicht van Astrid Lampe en titelpagina door Johan Lubbers. Uitgebracht in eigen beheer, winter 2025.

    Roland Sohier, Galerie Larik, De Ontknoping