Category: Gaia Chapbooks

  • Mijn wilsbeschikking als gelukkig mens

    Voorin, het staat er, zwart op wit gedrukt: Voor Harry. Twee bladen daarvoor staat met de hand geschreven: Voor Jurjen. Het is van mij, voor mij. Deze dunne gedichtenbundel, dik genoeg om er in te verdwalen, lijvig als het leven. Na de inhoudsopgave en zes regels van de Harry van Doveren val ik meteen met mijn neus in de ranzige boter. Schrijfster dezes, de poëte Kine Brettschreider, slaat met pen en papier wild om zich heen – het recept om te lezen doorregen met opiaten en opioïden. Direct is al duidelijk dat het minder duidelijk is. Dat het verkeerde been wordt uitgestoken, waarover ik als een ezel meerdere malen struikel. Desondanks houd ik de opdracht in het achterhoofd: “we willen dat iedereen ons zonder misverstanden begrijpt / misschien is het goed om eens te zeggen dat onze levenslust / zich afzet tegen de onveranderlijkheid van verveling”. Waar las ik dat eerder?

    De dichter geeft aanwijzingen hoe dagelijkse dingen tegemoet te gaan. Korte notities als boodschappenbriefje voor de supermarkt van het leven. Harry, zo zou je kunnen zijn. Maar ik voel me aangesproken. Ze had het toch voorin geschreven? Maar de bundel is geen recept voor mijn leven, het is het voorschrift waar de dichter zich aan wil houden. Probeert te houden. Daaruit kan ik mijn eigen voordeel trekken. Want, maakt de kunstenaar niet vooreerst het kunstwerk voor zichzelf? Later, wanneer een gevoel overeenkomt met de kijker wordt een juiste snaar geraakt, klinkt het vertrouwd en kan het de wereld in.

    Aandacht en geduld

    Weeszinnen, lees ik, die kop noch staart lijken te hebben. Losse woorden, rondgestrooid dat het gedrukt staat. Maar tussen de regels door, zelfs tussen de woorden door, vallen er verbanden te ontdekken – relaties te leggen. Kine vermeldt veel niet, laat ruimte om te associëren. Alles klopt echter, valt niet uit elkaar maar past aan. Poëzie lezen vraagt aandacht en geduld. Sterker nog: als je een gedicht na één keer lezen meteen kunt doorgronden, dan is er iets mis met de poëzie of met de lezer.

    hortensia

    Dat Kine de hortensia als springplank neemt om een theebloem te worden is niet zomaar uit de lucht gegrepen. Die bloemen fungeren in de bundel niet alleen als planten, maar ook als symbolen voor verschillende manieren van in het leven staan. Het is een dichterlijke hang naar harmonie, vrede en liefde. Door alle manieren te vinden om de plant te bemesten, te kruisen en te cultiveren is ze feitelijk bezig de wereld zichzelf te laten worden. Alle menselijke besmettingen te doen verdwijnen en terug te keren naar de hof van Eden. Het paradijs op haar vierkante meter onder dak in de kas of het atelier, de keuken. Nadat ze alle variëteiten in overvloed heeft uitgeprobeerd moet ze constateren dat het een onmogelijk streven is de wereld te veranderen door bij zichzelf te beginnen. Ondanks de aandacht te laten groeien om te verbinden kan zij in het diepst van haar gedachten geen waardevolle relatie opbouwen.

    De theorie loochent de praktijk. In schoonheid is ze harmonieus oprecht, zoals de hydrangea. Ze richt zich op de enkeling, niet op de samenhang van onderdelen als in de bloomingteaflower. Ze dreigt erysimum te worden, derde keus, maar ze bezit veerkracht hoewel ze zich in de achtergrond het best op de plaats voelt. Dat is een aanname gezien het pseudoniem dat ze bezigt. Ze wil floreren vanuit haar eigen basis, zonder de behoefte aan applaus. Voor het voetlicht treedt ze met poëzie die is opgeslagen in dichtbundels. Dus waarom zou ze zich verontschuldigen geen theebloem te zijn. Waarom zal een dichter zich überhaupt pardonneren voor wat hij of zij niet is of juist wel wil zijn. De lezer verdicht lyrisch het bewustzijn om de geest te personifiëren.

    theebloem

    Kine geeft meermalen in haar verzen een opsomming van wat te doen, hoe te zijn. Waarom op aarde te zijn. In de geest van alter ego Ig is niet alles ijdelheid, integendeel. Ig lijkt daarbij zowel een personage als een afsplitsing van de dichter zelf, een stem waarin verschillende kanten van haar persoonlijkheid samenkomen. Ze bestaat uit diverse perspectieven, van verschillende kanten te bekijken. Een legering van gedachten, dus wel een theebloem. In Ig komen alle genen van Kine samen. Ik zie dat voor me, een bolletje met jasmijn, roos, goudsbloem en lelie. Een boeketje dat je schenkt als blijk van waardering. Voor Jurjen.

    Iets moet er gebeuren

    Na 22 jaren in het leven maakt Ig het testament op van haar jeugd. De wilsbeschikking staat er echter al na drie weken. Want Ig kent geen leeftijd, heeft geen grenzen. Voelde zich eerder een trekpoptt, Kine trok aan de touwtjes. En dat doet ze nog steeds, want Ig leeft voort buiten het diepst van haar gedachten. Wat heerlijk om zo gemaskeerd het leven tegemoet te treden. “de tijd vliegt niet zonder betekenis / iets moet er gebeuren / het weigeren / het kwetsen / / / doorgroeien en iets zeggen / geen lege loods zijn / waar iemand wanhopig rondrent

    kine brettschreider, ig

    Het wereldgemiddelde, de doorsnede van de mensheid, vindt het helemaal niet zo gek om het hoofd eens helemaal leeg te maken. Woorden en klanken die in de weg zitten uit te schrijven, van je af te schrijven, uit te spuwen. Dat braaksel heeft die Harry bijeen geveegd om poëzie, die zich niet als gedichten laat vermommen, uit te drukken. Geen fastfood, maar krachtvoer. Deze Kine doet dat eens netjes over op een meer gestroomlijnde en overdachte wijze. (Leven onder één dak maakt van de een en de ander een twee-eenheid.) De tweede lezing bij het lezen van gelukkig de mens stuurt het woordenboek iedere kant op die Van Dale maar voor mogelijk heeft gehouden. De eerste lezing is behoudend als een psalmboek. Echter het is een zaak van de bewuste klok en de onbewuste klepel. De bestaande tekst naar je hand zetten voor de goede verstaander onaf te maken.

    Ik meen er fragmenten uit melodieuze liedteksten in te herkennen, die hier een andere betekenis hebben om aan de context te rammelen. Concrete observaties krijgen plots een vervreemdend karakter. Lichamelijk, alledaags en licht ontregelend. Het verklaart zichzelf niet volledig, het blijft rondzingen in beeldklanken. Die vervelende feedback piept en bromt mij tussen de oren. Zo kan ik dit dichtwerk vergelijken maar niet verklaren. Misschien is dat uiteindelijk ook precies de bedoeling van deze bundel: niet begrepen worden als een rekensom, maar ervaren worden als een toestand. Daar ik niet telkens besef wat ik lees, zingt het begrip vervelend rond in mijn hoofd. In de gelaagde poëzie lijkt de schijn te worden opgehouden. Schijnt het lijk uit de kast te komen. Maar ik kan die kast maar niet van het slot krijgen. Ligt de sleutel onder de mat of in de bloempot, achter het behang geplakt of boven de deur op het kozijn gelegd. En dan blijkt de kast helemaal niet op slot te zitten, ik kan zo bij de inhoud – het lijk aanraken en betasten.

    Een boekje open

    Begrijp ik wie of wat Kine is, denk ik haar persoonlijk te kennen, dan kan ik een vinger achter haar verantwoording krijgen. Dan vallen de woorden als een puzzel in elkaar, passen mij de regels en stemmen de zinnen overeen waar ze eerder dachten niet aaneen te sluiten. Het dichtwerk correspondeert met mijn geestelijk zijn. De brief is in duidelijk handschrift opgesteld. De dichter doet met deze bundel een boekje open. Het is een uiterst persoonlijk geschrift. In ‘sexo’ komt ze bij haar zeer toegewijde persoonlijkheid. Het is een ode aan haar derde keus, de Harry van de opdracht. Gedurende de bundel groeit hij uit van een naam in een opdracht tot een voortdurend aanwezige figuur in de achtergrond van de gedichten. Met hem wil zij door tegen wil en dank, tot de dood hen scheidt. Hij is haar icoon, idolaat maar niet overdreven schrijft ze hem voor zich uit in iets wat een toekomstig liefdeslied zal zijn. Harry wikt de woorden, waar Kine de tekst beschikt. “we wilden al vroeg terug de aarde in / meer nog dan dat we dieren zagen in de wolken / ik leverde dertien jaren in om even oud te zijn met jou / voor een minder moeilijk later of zullen we hand in hand” (…) “we zeggen We doen alle steden op dezelfde manier / daklozen in twee huizen waar we niet wilden zijn”

    De twee beelddichten – nee, geen klankdichten, tralala – ter illustratie in de bundel vormen een verhelderend verkapte rebus overgoten met humor om de serieuze inval te verluchtigen. Hier kan mijn geest voor een moment het voorgaande overdenken en me voorbereiden op wat komen gaat. Als in de stille meditatie tijdens het avondgebed, de vesper. Contemplatief glimlach ik fluisterend bij ‘mama’. De jonge Kine, toen nog Angeline, weet niet wat te tekenen en vraagt mama om raad. Het advies is: teken maar een huis. Waarop de actie: een gearceerde cirkel. Tegendraads zoals de dichtbundel afwijkt van het rechte pad der poëzie. Ik houd ervan. Het is mijn wilsbeschikking als gelukkig mens.

    kine brettschreider – sorry dat ik geen theebloem ben / vrede dat waren marsen. gaia chapbooks #46, 2026

    kine brettschreider, gaia chapbooks

  • Berichten over gemeenplaatsen

    Het wat. Dat is zoeken. Zoeken naar zin. Gekomen uit het schijnbaar niets. Iets vinden. Wat. Het wat. Wat is het wat. Wat zoeken. Wat vinden. Hetgeen. Dewelke. Maar anders. En anders. Want anders blijft het gissen. Wat als er niets is. Of anders wat als er iets is. Harry van Doveren blikt in de bundel “brieven aan topos” terug over zijn schouder de voortijd in. De voorbije tijd uit. Een dichter, een kind van na de oorlog. Voor zijn moeder een vreemde in de slaapkamer, had ze spijt? Zijn komst in 53 bracht de wereld niet op orde. Na de schone schijn van de bevrijding liep de wereld verloren. Niet hij was het ondergeschoven kind, maar wordt wel later een bèta, die woorden becijfert.

    Terugkijken in de tijd

    Met stelligheid beziet de dichter de wereld en vertaalt zijn inzicht in experimentele poëzie. De taal van het hart dat door de geest wordt ingefluisterd. Hij rekent af met het leven als middelbaar mens, althans de jaren van zijn volwassenheid. Nu hij tot de groep bejaarden behoort, kan Van Doveren zich omkeren en terugkijken in de tijd. Is de periode van niet droog zijn achter de oren opeens minder serieus dan destijds verondersteld. Hij wil het wel opnieuw beleven, de twijfel is vanzelfsprekend. Wat had hij beter moeten zien of beter kunnen laten.

    In metaforen beschrijft de dichter zichzelf. Met symbolen logiseert Harry wie Van Doveren is: maakt hij zichzelf tot logos en kan hij brieven aan topos schrijven. Zijn gemeenplaatsen zijn reeds eerder besproken en toegelicht. Hij schijnt een clichémannetje. Deze bundel “brieven aan topos” lijkt een afrekening, een vereffening met een tijd van leven. In het gesloten archief waar de familie gerubriceerd verblijft, zet de dichter een boom op. Aan de stam groeien takken tegen de diepte in. Luchtwortels laten appels niet ver van de boom vallen. Met een diavoorstelling van vergeelde foto’s krijgt de herinnering beeld en lijkt het verleden zich opnieuw te manifesteren.

    Het gewicht van het leven

    Het verborgen verleden fluistert om aandacht. Attentie staat geschreven tussen de regels door. Wat was krijgt geen uitroepteken, het vraagteken is uitgewist – geretoucheerd. Een puntkomma laat het daar en toen doorlopen in het hier en nu. Wie leert van wat was, slaat geen deuren dicht (om andere te openen) en verbrandt geen schepen achter zich. Zelfs geen roeiboot waarin je zicht houdt op wat was, waar je was en niets ziet van wat voor je ligt, waar je naartoe gaat. De topoi zijn te dierbaar om links te laten liggen. In het gewicht van het leven, de belangrijkheid van zijn, dienen deze herhaald te worden. Om niet zichtbaar in herhalingen te vallen, niet letterlijk te papegaaien, omschrijft hij de clichés cryptisch en blijft iedere platitude fris en fruitig.

    Hij geeft inkijk in een manier van leven. Zijn leven, dat Harry Van Doveren als voorbeeld neemt voor wie hij is. En waaraan ik mezelf kan spiegelen. Contemplatief lees ik dan ook zijn gedichten. Meditatief laat ik de regels op me inwerken. Dat verdient voortdurend een nadere beschouwing, een herhalend lezen. Zijn woorden zijn aanvechtbaar, op de letter echter minder omstreden. Ziet de zin in het stoppen met de waan van een dag. Door daaruit te breken valt het droombeeld in duigen, een verbeelding waaraan de dichter graag gehoor zou geven. Want hoewel de waarheid fantasie lijkt, is de illusie geen bedrog. De echtheid schijnt vaag, het is een gave dit te ontsleutelen. Ook wanneer de dichter onuitgewerkte opstartregels opsomt. Dit zet mij tot het aanvullen, de drang wat af te maken. “in Scheveningen wonen kinderen die in zee plassen” en dan vul ik aan met “in Allahabad leven kinderen die zich in de Ganges wassen”. “het absurde wordt vanzelf minder absurd dan de waarheid” om daarna door te formuleren “de nieuwe wereld overschaduwt de oude”. Maar wie ben ik dat ik als lezer de dichter zal aanvullen? Het is zo’n woeste gedachte…

    Gedichten die op teksten lijken

    Ieder gedicht is het waard om gelezen te worden. De betekenis te achterhalen, hoewel dat niet relevant of zelfs triviaal is. De waarde van een tekst is persoonlijk, zoals de kunst een individueel gegeven is. Het is de waarheid van de schrijver, dat door de lezer onderkend kan worden maar er ook een eigen werkelijkheid aan kan ophangen. Het gedicht is een kapstok, de jas past ruim of zit te krap maar zal nooit als gegoten zitten. Maar hoe hij zijn toen omschrijft, daar kan ik iets mee, dat vult mijn ervaring wel aan. Wij zijn van dezelfde lichting, welhaast. Dus de wereld toen had voor ons een eendere betekenis, blijkt nu. De golf van gevoelens overspoelde een vergelijkbaar idee, in de branding is het water even nat – over een ieder schijnt dezelfde zon of in de tweede landstaal geschreven: wêr’t wy op ‘e wrâld ek binne oeral skynt deselde sinne. Hij was daar en ik ben hier, tussen muren van het gezin. Iedere ouder drukt een eigen stempel, samen vormt het een karakter wanneer alle zegels zijn geplakt.

    Er zijn gedichten die op teksten lijken, waarbij ik moet bepalen tot welke stijlfamilie deze behoren. Echter gaat het in de kunst niet om techniek wat mij betreft, maar over gevoel en voorstellingsvermogen. En dat laatste stelt Harry van Doveren op de proef, dat vermogen mij een beeld van de tekst te maken. Hij daagt mij uit zijn poëzie te doorgronden. Daarom neem ik de spade ter hand en graaf me in om vervolgens, weer, tegen de diepte in te groeien. En ondertussen legt hij mij verholen zijn vaardigheid uit. Lees ik weer en nog eens, en over en weer, vooral “opkijkend temidden van … onverzonnen beelden”. Het is beeldend beschreven, maar uit het vage beeldscherm komt maar langzaam een duidelijk testbeeld naar voren. Deze brief is geschreven met onzichtbare inkt, ik moet het tegen het licht houden om te kennen wat er staat.

    Geheimzinnige liefdesliederen

    Het middendeel van deze compositie is een ode. Een lofdicht lijkt me aan de lieve waar de bundel aan is opgedragen. Het toen is afgedaan, het was. “verliefdheid begint met een appel plukken / met een gespeeld steels van de ladder vallen / om na tig valpartijen te ontdekken / / dat het romantische gen hardleers is / dat het een verdrietigingsmonster is – een parasiet / die liefde pijn doet met uit de tijd vallen” en verder “door dichter bij de grond te komen waar ik bij leven ten diepste / op stond * om me daar te verenigen met wat uit mijn leven was / gevallen en wat ik zo hartstochtelijk miste” Liefdesliederen worden met de pen van Van Doveren geschreven telkens meer geheimzinnig. Hoewel hij zich bloot geeft, ontkleedt hij zich niet. Door “in een landschap met onbegraven gedichten” lees ik de daad, de daad van liefde. Het hoogtepunt. Zal ik het voorlezen? Ja, doe maar! “verteerde poëzie / / / tot pre-poëzie / van voor de tijd dat ik een spijker in een boom kon slaan * mijn / grijphand legt een veer op jouw beschorste waar de zon nooit / komt * de jaarringen van een boom * een orgaan in het spleetje en / de koe gaat dood * zoemgrond spokende lokstoffen * haasje over / de sloot * sneeuwval op jouw bekken / nagedruppel in het kuiltje” Een voorbeeld van het raadselachtige geheim, het idioom waarin Van Doveren zich met gemak wentelt. “verlangen een verstrooid bezit / in verzet met zwijgen / / / heb je gemerkt dat mijn verlangen in korte tijd een ander / uiterlijk heeft gekregen * hoe mijn hoofd door de spaken / van letters tolde toen jouw woorden niet meer droog werden? / / / geef een voorsetje met drie geruisloze zelf-pogingen / in doorschemeren waarom / / / – mijn rechterhand voelde de aangeleerde glimlach horen / – mijn linkerhand zag zichzelf over gewaaghals schrijven / – mijn leven hoorde mij door een spiegel kijken”

    De apotheose is vrijwel een afrekening met wat vader was. Met wat twee vaders waren. Zo hij was, ben jij geworden, zo jij bent dacht hij te zijn. Harde werker, diepe denker. Hij gaf het leven, jij nam het terug. Hij was de zender, jij ontving.

    Twijfel. Ik aarzel, ben onzeker over deze (te) lange tekst. Dat wil zeggen: feitelijk behoef ik het wat niet te verklaren. Het wat verklaart zichzelf. Mijn duiding kan schuren tegen dichters’ invulling. Mijn waarheid zal een halve zijn. Zal nooit de hele lading dekken. Ik kan het cryptogram oplossen wanneer ik mij kan inleven in wat de bedenker ervan heeft geïnspireerd. Kom ik niet tot een eensluidend woord, dan kijk ik stiekem achter in het blad om het antwoord te vinden. Maar zo’n uitvlucht geeft Van Doveren mij niet. Ik moet goed lezen en nog eens en weer. De woorden wegen, de zinnen overwegen. De regels in beraad nemen. Inleven. Meevoelen. Dan openbaart het onbekende in de tekst zich. Ik herken woorden die ook in mijn dictionaire staan. De manier waarop deze door de dichter zijn gerangschikt; that’s a different kettle of fish. Maar ik hoef niet te beredeneren of motiveren, dat kan de poëzie heel goed autonoom voor zichzelf doen. Mijn taak is de lezer op het spoor zetten. Waarbij de rails weleens kunnen wijken en niet meer parallel lopen. Dat de lezer het spoor bijster is en het spoorboekje de juiste weg moet wijzen. Mijn lezing kan dat spoorboekje zijn. Dat houd ik mijzelf dan maar voor.

    “Niemand – / / / ontving een klacht / veegde hierna zijn stoep / betaalde op tijd de rekeningen
    / / was er vrede hij was voor vrede / was er oorlog hij ging / de kranten noemden hem de held van sneuvelen / / wat doet mij op hem lijken? / wat doet hem op mij lijken? / ik ontving nooit een klacht / / veegde mijn stoep / betaalde op tijd mijn koelkast / met een apart groen bakje”

    brieven aan topos. harry van doveren. gaia chapbooks, 2025.

  • Het voormaolig stàdsie Utreg van Peter Knipmeijer

    Karel V, wie kent hem niet? Voor de onwetenden dan, een korte uitleg. Karel V, levend van 1500 tot 1558, was keizer van het Heilige Roomse Rijk en koning van Spanje, en heerste over een uitgestrekt Europees wereldrijk. In 1545 verbleef hij in Utrecht in het Duitse Huis, waar een bijeenkomst van de Orde van het Gulden Vlies plaatsvond. Het huidige Grand Hotel Karel V is naar hem vernoemd ter herinnering aan dit historische bezoek. Punt.

    En Peter Knipmeijer, kent iemand hem? Jawel, want hij is een Nederlandse dichter, geboren in 1970. Hij debuteerde in 2010 met de bundel Tweelingsterren en was van 2012 tot 2018 lid van het Utrechts Stadsdichtersgilde. Hij woont tegenwoordig in Terneuzen en publiceert gedichten in bundels en tijdschriften. Knipmeijer is de bedenker van de topo, een poëtische vorm die hij zelf ontwikkelde en waarmee hij andere dichters inspireerde. Dus.

    Waarom ik deze twee heren in deze bespreking samenvoeg is omdat de chefkok van Restaurant Karel V in Utrecht Knipmeijer in het voorjaar van 2023 de opdracht heeft gegeven 5 gedichten te schrijven voor bij het dan nieuwe menu: “iets met de stad, een mooi loom gevoel, zomerige shizzle en een goeie vibe”. Hoewel Peter van Amersfoort is voelt hij zich toch verbonden met zijn ‘voormaolig stàdsie Utreg’. Voormalig, want de experimentele en vernieuwende dichter Peter Knipmeijer woont nu in Zeeland. Maar het gebeier van de Dom resoneert nog in zijn gedachten.

    Reisgids om emotie van Utrecht te verkennen

    De 5 in opdracht geschreven gedichten vulde Knipmeijer aan met 9 oude en 14 nieuwe, want hij was toch lekker bezig. Het zijn kort en bondige aantekeningen geworden van zijn gevoel bij de stad. Veelal autobiografisch – zichzelf geportretteerd langs de grachten, over de bruggen, in de werfkelders – daar net als bij kunstschilders jij zelf het beste model bent. Van de 28 schetsen heeft de dichter een dun boek samengesteld, een soort reisgids om de emotie van Utrecht te verkennen en herkennen. De “Utrechtse notities” is verschenen als deel 43 van de Gaia Chapbooksreeks.

    Been there, done that – ik was daar, maar het er zijn verveeld niet: Utrecht is een prachtige stad, er gaat niets boven. Daarom hoef ik de emoties die Knipmeijer in zijn notities legt niet te verkennen, want ik herken ze alle. Hij weet die stemming en deze sfeer scherp neer te zetten, de ontroering duidelijk te vatten. Niet verwonderlijk dat collega-dichter Ingmar Heytze schreef “Je kunt de man uit Utrecht halen, maar Utrecht niet uit de man”. En hij kan het oprecht weten, want de dichter en performer is op en top Utrechter in hart en nieren.

    Ik waan mij langs de grachten

    Het zijn spitse beschouwingen die de dichter in experimentele poëzie giet. In halve bewoordingen die ik heel kan opvatten. Hij schrijft niet alles wat gezien is, maar ik kan toch de hele sfeer aanvoelen. Knipmeijer heeft aan een half woord genoeg om mij het plaatje helemaal te beelden. Hij maakt zijn zinnen niet af, laat ruimte voor en geeft plek aan mijn idee. De witruimte is adembenemend. Automatisch vul ik dan de stemming aan, aldus zijn de gedichten interactief. Ik dien mijn geest bloot te leggen om de naakte waarheid onder ogen te zien. De dichter geeft de voorzet zodat ik op doel kan schieten. Het ligt aan mijn aanvoelen, of beter invoelen, of ik scoor.

    Bij de gedichten van Knipmeijer waan ik mij langs de grachten en op de terrassen van Utrecht. Voel een bries, merk de zwaluwen in het hemelsblauw en hoor oude klokken galmen. Denk ik een kreeft in de Singel te zien; de excentrieke edelman Everard Meyster had grootse plannen met Utrecht als havenstad. Zo leer ik door dichters woorden nog iets van toen, van jaren her. En er zijn meer aanduidingen die ik naar betekenis opzoek. De notities zijn niet eenvoudige aantekeningen, maar gaan meervoudig dieper de gedachten in. Reflecteren, overdenken, filosoferen.

    Het epopee over de stad Utrecht

    De metaforen vliegen me om de oren. Want wat is er fijner om niet man en paard te noemen, maar de lezer op het verkeerde been te zetten. Zo zodat deze serieus na dient te denken om door te hebben wat de dichter bedoelt. Dat het niet doordeweeks gedicht is, maar buitengewoon afgesloten. Heb je als lezer de sleutel, dan is het vers snel van het slot. “Studentenhuis, jaren ’80 / Iemand die hotelschool / Iemand die diergeneeskunde /  / Altijd geld tekort / Altijd een park met eenden om de hoek” Ik proef vroeger, ik ruik toen, ik weet voorbij.

    Welke gedichten Karel V op het menu heeft gezet wordt niet duidelijk. Dat is overigens van weinig belang. Het is zijn opstap, de aanleiding voor Knipmeijer om zich weer eens op het vrije vers te storten. Het gaat om het epopee over de stad Utrecht. Een lofdicht van de helden van de straat, de grachten, de stegen. Onder toezicht van de Dom, die hoog boven de stad oprijst. De toren losgebroken van de kerk is het juweel van Utrecht, een bouwwerk waar men trots op is. Ooit beklom ik de 465 treden om vanaf een hoogte van 98 meter boven NAP de stad te bezien. Ik doe dat niet meer, het is te hoog – ik vrees al de stoeprand. Knipmeijer wijdt een speciaal vers aan de Dom. Dat heeft het verleden als onderwerp, de geschiedenis van de toren. Het wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Een journalistiek gedicht derhalve.

    Oude klokken galmen links en rechts

    Het meest in het oog springend zijn de dichtwerken 23 tot en met 26. Deze hebben het afscheid als thema, het wegdragen van een vader. Wat de verhouding van de dichter tot deze mens is blijft ongewis. Hij duidt echter scherpzinnig wat er plaats heeft tijdens een dergelijke gang. Het laatste gedicht voordat de DOM ter sprake komt, nummer 27, is het afscheid van het zijn van leven. De weemoed spreekt er boekdelen uit, de spijt, het zelfverwijt. Want hoe vertrouwd klinkt deze emotie: “Je kan jarenlang / Op een terras gezeten hebben / Maar altijd met de rug gekeerd / Naar waar je blik had willen zijn /  / En je kan jaren later / Op een terras belanden / Jezelf opnieuw verliezen in hemelsblauw”. En ik merk de zwaluwen op, voel een bries terwijl oude klokken links en rechts galmen. Wanneer ik de stad eens weer bezoek.

    “De ‘Utrechtse notities’ zijn onontbeerlijk voor iedereen die iets met Utrecht heeft, met goede poëzie, of allebei.” Deze kritiek liet Ingmar Heytze op de achterkant van de bundel afdrukken. Hij neemt mij de woorden uit de mond. En een ieder die het boek tot zich neemt en de gedichten beschouwt zal dit beamen. De notities schetsen de stad en zijn gegoten in opvallend dichtwerk. Om Utrecht te leren kennen of de stad weten te onderschrijven hoe Knipmeijer het zich heeft gedacht. Een gids tot en naar een eeuwige zomer in soft focus.

    Utrechtse notities. Gedichten. Peter Knipmeijer. Uitgave Gaia Chapbooks, 2025.

  • Mijn vlieger staat doof aan de horizon

    Autobiografisch scan ik de verwikkelingen van Harry van Doveren. Ik lees de nieuwe bundel “ik kan vliegen” woord voor woord nauwkeurig, kopieer de tekst in gedachten naar mijn eigen wezen om het achter mijn oogleden te kunnen projecteren… In deze dichter herken ik mijzelf omdat hij zichzelf figuurlijk bloot geeft tussen de regels door van zijn poëzie. Bij zijn beschreven aannames van persoonlijk beleefde ervaringen ontgaat mij aanvankelijk de logica, zoals ik soms eveneens versteld sta van mijn eigen schrijfwijze na een nachtje slapen. Aan zijn denkkader moet ik eerstens wennen, maar daarna staat in tweede instantie zijn dichtkunst mij helder voor ogen. Ik ben uitgeslapen.

    De axiomatische poëzie lijkt in experimentele zin enigszins abstract, omdat Van Doveren zich bedient van beeldspraak en overdrachtelijke uitdrukkingen. Mooie vondsten die tot nadenken stemmen, evenwel de lading letterlijk dekken. En natuurlijk wenst de lezer dezes dan voorbeelden. Welnu, wat te denken van “volgde waarheid en leugen op de evenwichtsbalk” en hoe te mijmeren met “zag geschiedenis opgerold terug in celluloid” of stil te staan bij “herboren beesten kruipen als kruimels uit de braadpan” en “vliegen werd een horizon begraven”.

    Ja, ik besef dat de zinnen uit hun verband zijn genomen en schijnen gekortwiekt. Dat er voor dan wel achter de woorden betekenissen zijn en volgen. Maar veel van de gevleugelde regels zijn goed als oneliners en kunnen best alleen de kooi uit de lucht in. Dat is de kracht van Harry van Doveren, dat het dichten een ongerijmd welhaast labyrintisch geheel lijkt maar juist staat als een huis. De lezer moet alleen wel durven die woning binnen te gaan om de heterogene pannenlappen tot homogene lappendeken samen te brengen.

    Onderzoeken en ondervinden

    Autobiografisch leer ik de mens Van Doveren door zijn woorden kennen. Door zijn taal mij eigen te maken, zo zodat ik het woordelijk kan verstaan, letterlijk kan horen. Om slechts enkele gelezen woorden beter in de context te begrijpen zoek ik verder buiten de teksten. Om te weten wie Jannis Kounellis was, welke de pijlen van Statius zijn en wat udon is en waar Geilo ligt. Mijn neus is niet zolang dat ik de betekenis uit mijn hoofd kan oplepelen. De dichter zet mij aan tot intellectuele handelingen om mijn kennis te verbreden en mijn geest te ontwikkelen waarbij mijn kunde zich verdiept.

    De bundel “ik kan vliegen” deelt zich in drieën. Drie hoofdstukken of perioden van tijd. De voorjaren gaan inderdaad over de lente van des dichters leven. Het onderzoeken en ondervinden, het uitproberen en evalueren, het leven leren verstaan door kennis van goed en kwaad. Het paradijs is verlaten en de hof van heden ligt met een grimlach voor hem open. Ik ervaar de tekst wel als déjà-rêvé, dat had je gedroomd, of beter beleef ik het als déjà-vu, been there done that. “in mijn voorjaren was ik er stellig van overtuigd dat / ‘ik hou van je’ zeggen onherroepelijk was en meedogenloos / eenduidig * gelijk wiskundige symbolen en formules”.

    In de tussenjaren legt Harry zijn voorjaren af – “wikkelde touw om mijn schoolboeken”. Het is de tijd van volwassen zijn, meneer Van Doveren zijn. De wereld is evenwel nog eenvoudig en begrijpelijk. En ik volg hem op de voet, schrijf mijn eigen wezen achter zijn gelikte pen. Maar het zijn wordt ongemerkt verward, het wezen raadselachtig. De maatschappij roept – nog niet in de kantlijn. Zijn wereld als béta is in die jaren tussen onweten en weten complex. “het komt / er op aan wat ik doe zeg of schrijf” In zijn lente kon hij groter zijn dan de tijd, maar in de jaren van onderscheid leek hij juist kleiner en nietiger dan Pluto in het zonnestelsel.

    Hij zoekt verbanden, sorteert teenlengtes, wilde zich blijven herkennen in het rumoer van de nacht – in het vinden van kracht in zwakheid. Hij strijdt met zichzelf zoals Jacob met de engel, met zijn verleden en zijn schuldgevoel. En langzaam verdwijnt het werkzame leven naar de kantlijn, is nog slechts een stelling in de marge. Dan is er de vrijheid van de najaren.

    Het leven in dichten vangen

    Hij reist nog wel door voor- en tussenjaren, omdat deze bestemmingen vorm moeten hebben en duidelijkheid krijgen. Een mens is wie hij was. De dichter dicht dichter bij zichzelf. De dichter beschouwt meer helder in de nadagen van wat een levenlang heet. “een stevige wind met een ongemakkelijk verleden” en de wind draait en legt zich neer, welhaast te rusten – welterusten. Hoewel Van Doveren lijkt af te rekenen met het zijn waarvan hij voordien onderdeel van uitmaakte, is het echter een balans opmaken – plussen en minnen, voren en tegens. Hij maakt een overzicht en kijkt wat het heeft opgeleverd. Neemt afscheid, speelt over en begint overnieuw: “blijf drinken tot jij in de lobby van het hotel verschijnt in / doorschijnende kousen met zwartfluwelen handschoenen / ivoorwitte bovenarmen en een nauw boordje om je hals” en eet met smaak een kers uit de tuin van Tsjechov. En ondertussen mijmert de dichter zonder scrupules door. Probeert het leven in dichten te vangen, sluit het zijn op in woorden, strooit letters als afgevallen bladeren in de herfst, het najaar, de najaren. In deze jaren door schade en schande wijs geworden doorziet hij zichzelf in wezen. Hij formuleert aannames als waarheden. Gedachte echtheid is zijn werkelijkheid waarmee ik instem wanneer het me uitkomt. “diepte en hoogte horen thuis in het vocabulaire van een / kunstenaar omdat hij de enige is die zijn hele leven lang / afdaalt opstijgt en voortdurend zoekt naar de plek waar / het lood de bodem raakt en de hemelse geest bloeit

    De voorjaren zijn vervlogen, de tussenjaren maakten opvliegend, zodat Harry van Doveren in de najaren kan vliegen. Natuurlijk zet hij geen punt, trekt hij geen streep; hij beleeft de trage tijd waarin het duister verleden gekuist is met bloedrode verf. Hij zet het niet, maar het sluipt wel binnen: de punt. Maakt hij zich woordelijk zorgen? Ziet hij in de donkerte van de avond door het gordijn een rood met zwart gevuld teken voor het raam staan? Zijn dromen bedrog, spreekt de dichter de waarheid. Dat teken is metafoor voor de wachtende (die met de zeis?), het wakende einde of het nakende slot. “ik denk de laatste tijd zo vaak aan hem en aan wat dan – “ Ja, wat dan.

    Het betreft hier een open einde. Natuurlijk denkt de mens wanneer de jaren van het zijn opraken aan een afronding, ooit, eens. Maar nu nog niet. In de bundel “ik kan vliegen” dicht Harry van Doveren zijn leven. Het is ongemeend een autobiografie. Een persoonlijke levensbeschrijving in puntige zinnen, scherp als het slagersmes in mijn keukenla. Het zet een kerf in mijn vlees. Ik voel het warme bloed langs mijn huid stromen. Op tijd stelpt de dichter echter het levensvocht dan weer. Zet mij op een verkeerd been en brengt mij vervolgens opnieuw in evenwicht. Het is aan hem gelegen dat ik blijf lezen, namelijk. Kennen en weten. Ik vlieg met hem mee naar de regenboog. Mijn vlieger staat doof aan de horizon. Geen nood meer te ledigen, geen noot meer te lenigen.

    Harry van Doveren. Ik kan vliegen. Gedichten. Gaia Chapbooks, 2025.

  • Met Harry van Doveren op weg naar Astraea, recht zo die gaat

    Ik moet aanstaan wil ik het ontvangen, de poëzie van Harry van Doveren. Want het is geen eenvoudige kost, zoals het sonnet en de kwatrijn dat wel zijn. Van Doveren´s stelligheid in een axiomatische dichtvorm is voor mij niet even vanzelfsprekend. Hij gooit een bal op die ik niet meteen kan terugkaatsen. Er is geen handleiding, ik vorm zelf de regels van het spel. Ik ga in gesprek met het boek.

    Het is geen poëzie volgens de letter van het gedicht. Er is geen rijm te bekennen of de woorden zullen zo bij toeval aan het slot van de regels vallen dat het harmonieert en wederkeert. Maar er is wel ritme om de tekst tijdens het declameren niet op te dreunen maar te laten galmen als door bergen en fluisteren als over zee. Want alleen stil voor me uit lezen is niet genoeg, de zinnen hebben klank nodig om deze te doorgronden. Ik moet mijzelf de regels horen zeggen, de woorden beluisteren uit mijn eigen mond.

    De dichtvorm is dan wel losjes losgelaten, waarbij de verzen conceptueel door de taal zwerven. Het leidt mijn gedachten af van de tekst bij het lezen, ik val stil in contemplatie, het stemt tot overdenken en bepeinzen, beschouwen. Mijn blik dwaalt onvoorbereid af naar niets, ins Blaue hinein staar ik. Bevat ik na wikken en wegen de denkbeelden dan begrijp ik het grotere idee dat tot buiten de bundel reikt, maar niet in het wilde weg.

    Het heeft ruimte nodig

    Het kaft, met een opdruk van Harry´s Kine – ik kreeg een ‘in Nucleo’ gelijkend een spiegelei bij mijn exemplaar van de bundel, dat kaft blijkt een benauwend keurslijf waarbinnen het afgedrukte schrijven zich krampachtig uitdrukt. Het heeft ruimte nodig, dit schrijven – dat druksel. Het moet kunnen spelen in de uitgestrektheid van mijn denken. Daar waar geen grenzen aan mijn kennis zijn, althans die ik niet opzoek. Ik blijf binnen mijn kunnen, terwijl ik beter buiten mijn vermogen kan treden om aan te staan en uit te gaan.

    Van Doveren dicht bij wijze van spreken de taal. Om de verzen te openen heb ik een sleutel nodig met de juiste baard. Wat ik lees is klaarblijkelijk en onweerlegbaar, heeft vrijwel tevens een andere betekenis dan waarvan ik in eerste aanleg uitga. Het schijnt een waarheid te hebben die voor mij niet bewezen is, omdat ik met andere waarden reken. Denk ik de strekking te kennen dan is er misrekening aan het slot en past mijn sleutel niet meer, is deze krom of gebroken.

    Van Doveren schuift dan de grendel op de deur en opent het luikje daarin, ik kijk in een paar vriendelijke ogen boven een glimlachende mond en een glanzend puntje van zijn neus. Weet ik vervolgens geen juist wachtwoord te formuleren, laat deze bewerking van taal mij niet toe. Ik kom pas binnen in betekenis en gedachte wanneer ik mij de spraak eigen maak. Dat betekent overlezen en opnieuw lezen. Overdenken en bepeinzen, de woorden wegen en de zinnen pluizen. Dan kan ik mezelf on zetten en aan laten staan, dan begrijp ik wat ik lees. Dat heeft tijd nodig, om de taal van deze dichter te doorgronden. Dan vloeien – als het goed is en ik op de juiste golflengte zit – mijn gedachten samen met zijn opvatting.

    Ieder woord kent een metafoor

    In ‘On’, het eerste deel in de bundel, stelt Van Doveren zich dan nog wel zelf open. Hij zet zich aan, zodat ik eenvoudig op hem kan afstemmen. Hij stelt zich aan mij voor. Laat lezen wat hem bezig houdt, zodat ik mij daarmee kan bezig houden. Hij geeft mij het materiaal om te overwegen, de handvaten om zijn wereld te vatten. Het is geen gemakkelijk schrift, geen eenvoudig taalgebruik. Ieder woord kent een metafoor, iedere letter heeft een spiegeling in de spraak. Zijn bouw van zinnen doet mij buiten zinnen raken. Maakt van mijn beschouwing een verstild peinzen. Het diepe nadenken volgt uit zijn aangeven van gedachten. Zoals hij een lofdicht schreef op zijn geliefde, zo dicht hij verder een ode aan het zijn, het is.

    Zijn het korte verhalen die passen op een enkele bladzij, dat daarbinnen ze zelfs nog een brede kantlijn op de bladspiegel nodig hebben of in experiment afraffelen. Van Doveren slaat mij met overdrachtelijke uitdrukkingen om de oren. Hij wast mij de oren en zegt dan wel omfloerst waar het op staat, maskeert de taal en vermomt de poëzie. Harry’s gedichten vormen figuurlijke anagrammen van letterlijke werkelijkheden, zijn spreektaal is mijn speelkaart – schoppen troef. “koester het stapeltje witte kaarten uit mijn archief / met reflecties over de ontmoeting met Gracchus / op een parkeerplaats halverwege de snelweg tussen / Toscane en Geiranger • hij was onderweg naar / Geiranger om daar meteen weer terug te keren / naar Toscane • een havenloos gesprek • dood genoeg

    Met ‘onderwerp: afstandstekort’ ben ik in het niemandsland tussen aan en uit, on en off, ‘/’. Ik weet niet of ik aan het licht kom of uit de tijd ben. Vereenzelvig mij met leven-meneer. Neem de naoorlogse schade op: “een doedelzak van de dood • tinnitus van het slagveld”. Nog even sta ik aan, draai de knop halverwege, tuimel de schakelaar nog niet – nog even zijn tussen aan en uit. On Off. Om dan na de bominslag met de dichter op reis te gaan naar en door het land van letterkeer en wedervraag. Hij zet mij af op het station van het grondbeginsel, veronderstel ik; ‘off’. Zijn gedichten, de poëzie, een autobiografische monoloog; voor mij een getuigenis, een tweespraak, die ik in dialoog afsluit. “heb nooit zonder dichters gekund • mijn poëzie / wilde alles gelezen hebben wat in kast zeven stond / van de bibliotheek • nu dat in zijn geheel onderweg / is naar de sterren timmer ik mijn eigen kast zeven / om te zijner tijd weloverwogen te kunnen besluiten / of ik de onverwachte moet vermijden of met hem / mee zal gaan naar Astraea

    on / off – Harry van Doveren, gedichten. Gaia Chapbooks, 2024

    Linosneden Kine Brettschreider (Angeline van Doveren-Kersten).

  • Begrijpend lezen door het drieluik Harry van Doveren

    Het valt niet te lezen, het drieluik poëzei van Harry van Doveren. Echter is daar geen beter Nederlands woord voor het bekijken en begrijpen van aan elkaar geregen letters tot woorden en zinnen, verzen, verhalen. Hoewel lezen nog geen begrijpen is. Je neemt kennis van de inhoud, maar hoeft dit dan verder nog niet te doorzien, aan te voelen of te begrijpen. Echter de poëzei, daarin dien jij je te begeven om het te snappen. Jawel het staat er goed, poëzei, en klinkt antiek maar wil van nu zijn. Om het te verstaan moet ik er instappen, het lezen betreden laten zijn. Mij voorstellen wat er staat. Mijn verbeelding aanspreken, maar niet de fantasie. Een afbeelding maken van de betekenis van de woorden in gedachten. Dat is geen lezen, dat is imagineren, verzinnebeelden. Deze dichtkunst is het symboliseren van de wereld en alles wat daarin aan beelden tot ons komt. Deze dichter vertaalt de wezenlijkheid tot klanken die kunnen klinken en als woorden worden afgedrukt.

    Harry van Doveren omschrijft de essentie van het wezen cryptisch ofwel bezigt een abstracte poëzie – jawel hier draai ik de ei-klank tot ie-klank voor een actueel begrip. In de poëzie zie ik de betekenis wanneer ik goed kijk. Niet dat hij moeilijke woorden gebruikt, maar rangschikt deze zodanig dat de zinnen lastig toegang geven. Laat woorden uit het verhaal weg om de essentie van het gedicht te grijpen. Het schijnt dat Van Doveren geen verhaler en geen dichter wil zijn, maar is het allebei. De poëzie is in de proza ingevoerd. De proza vertelt, de poëzie raakt de kern.

    Zien om te begrijpen

    Sla ik de bundels open begeef ik me in de genoteerde droombeelden die voor deze schrijver waarheden zijn. Realiteit omdat hij dit zo ervaart. Hij kijkt naar de wereld en kan niet anders dan deze zichtbaarheden zo omschrijven. Want de waarheid is te kostbaar om in platte alledaagse karakteristieken te definiëren. De woorden laten zich bij hem niet zoals gebruikelijk in regels opvolgen tot te begrijpen theoretische volzinnen. De poëzie van Van Doveren moet je zien om deze te begrijpen. Niet lezen, maar bekijken en voorstellen. Dan kom je tot de kern van het wezen in deze onregelmatige gedichten. Ik sluit aan op deze bijeengeraapte werkelijkheid. Ik schep een band met Harry van Doveren, want hij schrijft zichzelf uit en laat de dichter als mens zien.

    Met zijn regels, zonder hoofdletters van elkaar gescheiden door punten, krijg ik inzicht in zijn brein. In die bovenkamer ligt de taal schijnbaar overhoop. Rag en web weggeveegd voordat er helder zicht is op reden en doel. Het laat zich niet lezen, het staat er, het is er. In een klassiek drieluik komt zijn wezen tot mij. Het is alsof een kabinet van bijvoorbeeld Jeroen Bosch is opengeslagen, de scharnieren kraken antiek in de sponning. Voor mij ontvouwt zich een niet gedachte wereld, een niet verwachte aarde. Niet bedacht maar wel denkbaar. De aaibare gedrochten van de schilder koesteren mijn weten. Zij symboliseren een zijn door wangedrag en mishandel. Houden een spiegel voor, een metafoor met opgeheven vinger. Deze terechtwijzing vind ik niet terug in het drievoud van de Van Doveren dichtbundels. Of het zal een zelfreflectie zijn, waaruit ik overdrachtelijk mijn persoon kan beoordelen.

    MACHINE POËZEI

    Kan een machine zoveel emotie tonen als de mens dat doet. Is het gevoel digitaal te maken waar Van Doveren het analoog invoert. Kan de machine, lees de computer, gevoelens hebben en leren delen zoals het menselijk brein dat meanderend kan vastleggen. De computer kan de schijn ophouden, maar het blijft surrogaat. Dit eerste deel doet een beroep op mij. Is een interactieve bundel waarbij ik kan bepalen welke wending het gedicht kan nemen op de vooraf bepaalde mogelijkheden Woorden symboliseren een beleving. Kunnen andere betekenissen hebben dan gangbaar opgevat. Het duurt even voordat de lezer zich in die denkwereld kan begeven, dat deze aanvoelt wat de dichter ervaart. Maar wie de cryptische omschrijvingen eenmaal doorziet kan beelden maken bij de woorden. Al lezende vormen zich dan als vanzelf illustraties bij de tekst. Ik heb de boekjes, zwarte druk op wit, zelf kleurrijk denkbeeldig geïllustreerd – in gedachten van plaatjes voorzien.

    Van Doveren schrijft beeldend, maar de woorden geven geen letterlijke betekenissen zodat de voorstelling op diverse manieren kan worden ingevuld. Soms zijn de gedichten als collages, lijken diverse woorden aan en over elkaar geplakt die buiten het vers weinig met elkaar van doen hebben. “uitvinders geven ons een machine voor het ontmoeilijken van dát andere  – de technische poëzie . in deze verbrandingsoven stoken zij onze verbeelding waarna zij alle letters uit de asla schrapen en ons vervolgens uitstrooien op de zee van hun akkers” en “is doorzetten een bitterzoete gladiool? / is de schaduw licht uit het donker? / is lucht het huiveringwekkende beest / in een stofzuiger? / is zonlicht een machine / één oog op de sign of the times?

    VOETBAL IN DE LONGEN

    En dan het tweede deel waarin de gedichten korte verhalen lijken. Zinnen lopen over de bladspiegel door. Weer zonder hoofdletters en zonder leestekens. Slechts gescheiden door een zwevende punt. Het karakteristiek van deze dichter in zijn experimentele helderheid. Het dichten laat de zinnen dansen, de woorden draaien soms om de as, of houden in spagaat de betekenis in het midden. Deze bundel is meer autobiografisch, zichzelf afvragend. De zin van het zijn, de reden van de ratio. Wat is hij, wie ben ik. Kijkt terug en haalt herinneringen op. Gisteren is ook een herinnering. Voltooid verleden tijd, want komt niet opnieuw aan ons voorbij, dient zich niet weer bij mij aan. Een uur geleden is onvoltooid verleden, want het heden is nog gangbaar – wordt nog gemaakt.

    Dit deel is op hemzelf toegeschreven, de dichter. Korte verhalen over eigen ervaringen, gebeurtenissen. De poëet toont zichzelf, geeft deze mens bloot. Blik in zijn bestaan, kijkje in zijn wezen. Verleden een open boek dat geheimen niet zomaar prijsgeeft. De vertaalslag in mijn gedachten zet de aandacht op scherp. Weg zijn de omfloerste woorden, de cryptische omschrijvingen. What you see is what you get. “. AAN DE BOOT VAN BLAUW BEGONNEN twee losse vectoren schreven elkaar in word perfect . S. over de rol van de overtuigde vogel en ik over mijn avonturen als de schuwste barbeel in de Seine” Beschrijft echter ook mijn eigen vertwijfeling en spijt van niet gedane zaken of juist wel de keer van het leven. Dat voel ik in. Dat kan. “. DE TREIN NAAR HET FRONT HEEFT VERTRAGING ik kan onmogelijk sterven . ben daar te langzaam voor

    VECTOR PRIVACY MAX/MIN

    De titel van deze bundel is ergens getekend op een uitgestreken prop papier. Zegt 1 tekening toch meer dan 100 woorden, denk ik? Is het woord ijdelheid waar de lijn vruchtbaar schijnt. De lijn zich nestelt in het geweten en honderduit spreekt, waar het woord vervaagt en nietszeggend is. Zou het dichtbundel drieluik ongeschreven kunnen zijn waar dit vectorbeeld de drie-eenheid is. Heb ik genoeg aan slechts deze horizontale, verticale en het diagonaal. Bekleedt deze het zijn, het wezen. En kan de rest op andere proppen in de prullenmand verdwijnen? Geenszins, want deze beschrijven datgene wat in beelden niet uit te drukken is. Wat één paradox! Ook de vectortekening heeft woord nodig in de kantlijn om zichzelf te verdedigen. Tekst en beeld vormen het zijn, het wezen.

    In dit derde deel komt het welzijn van de dichter aan de orde. “.. KAN EEN PRIVÉ-GEDICHT NOG WEL NA TENDER BUTTONS? het vermoeden bestaat dat onvruchtbaar denken (doen alsof je origineel bent) definitief school heeft gemaakt . klopt dit dan wordt vanzelf vanaf nu vanzelf vanaf vroeger . er wordt gesproken over de reling van een vrachtboot . ooit mijn vriend maar nu Egypte

    Kritiek op scherp

    Is alles dwaasheid? Metaforen van het leven, symbolen van het zijn. Woorden wentelen om te leren begrijpen. Deze dichtkunst is een collage van de werkelijkheid. Overal uit elk moment wordt een tel geknipt en geplakt tot poëtische proza. Een ruimtelijke verbeelding, een derde dimensie op het vlakke papier. Sluit ik mijn ogen stijgen zo de beelden op in geuren en kleuren uit de zwarte woorden in reukloos drukinkt. Ik hoef de zinnen niet te verklaren, er is geen bewering voor het zijn van een ik. Mijn rede om te beschouwen is redeloos, radeloos probeer ik de rand van de volgende bladzij te bereiken en de pagina om te slaan om opnieuw reddeloos in het diepe duister van die ik te duiken. Het duister waarin een licht fluistert aan het eind van de tunnel.

    Wanneer ik de bundel dichtdoe kijk ik terug op wat ik niet wist en onmogelijk kon weten. De herinnering aan wat ik las zet mijn kritiek op scherp. De woorden moeten zichzelf verklaren, ik hoef mij daar niet over te buigen, aan te branden. Want een enkel fout geplaatst woord laat mij door de mand vallen. Wie denk jij dat je wil zijn om de tekst niet te begrijpen maar wel wil omschrijven. Ben jij beter en meer schrander dan de dichter himself?

    Zal ik ooit de zin kennen van deze reden? Zal ik ooit voor de andere deze ene kunnen omschrijven? Kunnen ontleden de taal van zijn geest. Bedoeling is een leeg woord zolang er geen begrip is, begrijpen is. Begrip is willen, begrijpen is proberen. Het experiment van gedachten ordenen. Opstellen in rijen van drie. Geef acht! Ik acht mij in staat mij een mening aan te matigen, er iets van te vinden en dit niet voor mijzelf te houden.

    Drieluik machine poëzei / voetbal in de longen / vector privacy max/min . Harry van Doveren, gedichten. Uitgave Gaia Chapbooks, 2024.