Categorie: Uitgeverij kleine Uil

  • Opkijken, nakijken, doorkijken bij werk Theo Onnes

    In de rij expressief figuratief realistisch werkende kunstschilders als Jan Altink, Johan Dijkstra, Jan Wiegers, Jentsje Popma en Gosse Koopmans past Theo Onnes. Schiermonnikoog is voor hem een grote inspiratiebron. Het eiland ligt karakteristiek tussen provincies in. Het hoort bij Friesland, maar het had evengoed Gronings land kunnen zijn. Onnes schaart zich bij de stijl van de Noordelijke realisten die hun gevoel in het werk laten spreken, meer dan een exacte kopie van de werkelijkheid te willen weergeven. Hij voelt zich zowel thuis bij De Ploeg als bij Gerrit Benner en Popma. Niet de zichtbare omgeving legt hij vast, maar de voelbare gedachte maakt hij tastbaar. Hij hanteert een expressieve, kleurrijke benadering waar de toets en kleur drager van emotie zijn. Bij voorkeur doet hij dat ‘en plein air’, in de traditie van Hollandse schilders die zich ‘in het veld’ installeren om de juiste kleur en sfeer te kunnen proeven.

    Past hij aan een traditie, Onnes heeft de stijl in zijn DNA. Hij stamt uit een familie van kunstschilders. En neemt het stokje over van voorvaders die eerst een andere richting kozen voordat ze vervielen in het benutten van palet en penseel. Ook Theo Onnes ziet niet meteen een carrière in de beeldende kunst voor zich, maar besluit uiteindelijk toch die richting in te slaan. En met succes. In het onlangs verschenen boek “Zichtbare verwondering, de kunst van Theo Onnes” schrijven Doeke Sijens en Jannes de Vries daar kleurrijk over. Even kleurrijk als Theo Onnes zelf de wereld beziet en verwerkt in zijn kunst. Ogenschijnlijk simpele en alledaagse onderwerpen, die echter door zijn aanpak, visie en uitvoering daar ver boven uit steken.

    Passie blijkt erfelijk

    De uitgave geeft niet alleen een omvangrijke bloemlezing uit zijn meest recente oeuvre, maar gaat tevens uitgebreid in op leven en werk van Onnes. Niet enkel het eigen ego, maar ook waardoor die identiteit zich in de familie liet vormen. Het boek begint uiteraard met enkele van zijn werken, want de beeldtaal is toch het belangrijkste element waarmee een kunstboek geschreven kan worden. Dan is er een essay van Leo Fijen, de gedoodverfde kloosterbezoeker waarvoor deuren open gaan die voor anderen gesloten blijven. Presentator Fijen treft schilder Onnes op het strand van Schiermonnikoog. Hij ziet in hem de stilte van het eiland. Een diep verlangen geeft deze man met een passie adem en zuurstof meent Feijen. “Als hij zo een dag gekeken heeft, is hij kapot. Helemaal kapot. Van de stilte, van de wind, van de vogels, van de zon, van de beweging in de stilte. (…) De stilte heeft van alles in hem bewogen, maar veel meer wakker geroepen. Want hij doet waarvoor hij geboren is. In de stilte van het eiland.

    Doorzettingsvermogen, steun van zijn directe omgeving en discipline zijn onmisbare factoren om zijn droom waar te maken. Met vallen en opstaan is Theo Onnes gekomen waar hij nu is, want je wordt niet zomaar een succesvol kunstenaar. Ook niet wanneer je uit een kunstzinnig milieu voortkomt. Het talent vraagt om ambitie, liefde, aandacht en voortdurend onderhoud. Het gezin Onnes wordt omschreven in het boek, want luidt niet het spreekwoord: zeg me wie jouw ouders zijn en ik zal zeggen wie jij bent. De genen kleuren het zijn, trekken de lijnen en vullen de vlakken. De passie blijkt erfelijk. Maar eerst wil Theo Onnes zich overgeven aan zijn andere driften. Hij strandt echter op het conservatorium en gaat de muziek als hobby beschouwen. Na twaalf ambachten en dertien ongelukken wordt zijn professie het schilderen naast lesgeven, het organiseren van exposities en de lijstenmakerij. En, niet onbelangrijk, naast vader en huisman. “Ik heb altijd creatieve dingen gedaan: meubels maken, fotografie en muziek, mijn eerste passie. Uiteindelijk begon ik met foto’s bewerken en dat ging steeds een stapje verder.” Een andere passie die gevolgd moest worden om met omwegen op de juiste plek te komen. Door het kunstzinnig bewerken van zelf geschoten foto’s komt Onnes tot de conclusie dat hij schilder is. Foto’s gebruikt hij nu nog wel als schetsmateriaal en zijn een voorbeeldfunctie om het geziene uit te werken.

    Familiegeschiedenis

    Het boek volgt gedetailleerd de familiegeschiedenis door de vertakking van de stamboom. En haakt uiteraard aan de kleinzoon die in de voetsporen van grootvader en vader, en nog enkele andere familieleden, het pad van de kunst inslaat. Zijn doopceel wordt gelicht om zijn loopbaan te bepalen en te beredeneren. Fotografie is een vorm van expressie, maar schilderen is zijn werkelijke roeping. Hij heeft interesse in het landschap en schildert bij voorkeur boerderijdieren. Op de kunstacademie hoort dat niet, maar de docenten brengen Onnes niet van de wijs. Hij zal zich blijven bekwamen in het figuratief realistische werk en schaart zich uiteindelijk in bovengenoemd illuster rijtje schilders. “En toen was het hek van de dam. Ik kon tekenen en schilderen en ik ben niet meer opgehouden.”

    Of al niet voldoende de familiegeschiedenis is omgespit, doen de schrijvers van het boek er nog een schepje bovenop door de loopbaan van grootvader Klaas en de carrière van vader Minne door te nemen. Zij zijn het toch die de grond vruchtbaar maakten zodat het zaadje van Theo kon uitspruiten, het plantje kon groeien en bloeien. En even uitgebreid als de ouders worden behandeld zo nauwgezet komt het gezin van Theo Onnes uit de verf. Vooral ook omdat de schrijvers meermalen letterlijk op de koffie kwamen en lange gesprekken met de familie hebben gehad. Zo komt de geschiedenis uit de eerste hand en komen getuigenissen op het kleed. Het werk van Theo Onnes richt zich op de weergave van de echte en zichtbare wereld die direct is waargenomen. Daarvoor trekt hij wel de velden in om onder de blote hemel te kunnen schilderen. Meteen dat wat hij ziet vastleggen op doek. Maar het is niet altijd de waarheid, want vaak laat hij zich leiden door stemming en gemoed. Het gevoel kleurt de omgeving tegengesteld aan de werkelijkheid.

    Op gevoel werken

    In een expressionistische stijl en met een losse verfstreek maakt hij de wereld tot zijn eigen omgeving. De verfhuid is in beweging, alsof de werkelijkheid zich nauwelijks laat bevriezen op doek. Theo Onnes maakt dynamische schilderijen om het vuur van de passie te blussen, maar deze laat zich met moeite temmen. Als een jonge volbloed hengst die onder het zadel moet. Hoewel de werkelijkheid een eigen kleur krijgt naar de emotie van de kunstenaar, streeft Onnes wel naar het maken van herkenbare figuratieve kunst. Want kunst zien moet laagdrempelig zijn, zoals ook de lessen in schilderen voor iedereen dienen te zijn. “Je hoeft geen Rembrandt te worden, maar je kunt wel een heel eind komen met je hobby.” Je hoeft geen kunsthistoricus te zijn om kunst te beoordelen en te waarderen.

    In het begin schilderde ik bijna fotografisch”, lees ik in het boek de woorden van Theo Onnes. “Nu ik meer ervaring heb, niet meer om de vorm hoef te denken, kan ik me meer richten op de verf. Ik werk nu losser, vrijer, bijna schetsmatig.” Deze ontwikkeling wordt niet echt in het boek waargenomen, omdat de meeste werken van na de eeuwwisseling zijn en oudere schilderijen nauwelijks zijn opgenomen. Toch is merkbaar en zichtbaar dat Onnes meer en meer op gevoel gaat werken. Lijkt hij vooral de zichtbare werkelijkheid te documenteren, de realiteit niet los te laten omdat het werk herkenbaar moet zijn, toch schemert hier en daar een abstracte benadering door de verfstreken.

    Zo vind ik op pagina 117 een explosie van gevoel in een waterval aan kleuren. Met “Noordzee” gaat Onnes hoopvol zijn boekje te buiten, kleurt buiten de lijnen en smijt de olieverf op het paneel. Het is een abstracte verwerking van een werkelijk gebeuren, terwijl de realiteit in tact blijft. In slordig vette verftoetsen staan zon, zee en wolken op de drager. In de avonduren op het verlaten strand van Schiermonnikoog raakte hij zichzelf kwijt en vind ik hem in zijn geschilderde zonsondergang terug. Hij vertaalt geziene beelden in schilderijen en maakt op die manier zijn zichtbare bewondering waarneembaar en soms zelfs voelbaar. Je schildert zoals je bent.

    Zichtbare verwondering. De kunst van Theo Onnes. Teksten Doeke Sijens en Jannes de Vries. Uitgeverij kleine Uil, 2025.

  • Vrijdenkers het zout in de pap

    Het is het zout in de pap. Het kruid dat het gerecht smaak geeft. Zonder dat is het flauw. Zouden er geen musici en muzikanten zijn die buiten de lijntjes kleuren, dan zou de scene niet spicy zijn. Dan is er geen avontuur, blijft het circuit een gemeenplaats. Middle of the road, dertien in een dozijn, de creatieve geesten daargelaten. Vrijdenkers in muziek lopen niet over het midden van de weg. Vallen over randen, maar krabbelen toch steeds weer op om nieuwe wegen te ontdekken en te begaan. Het zijn geen kauwgom kauwende mensen die lekker in het gehoor liggende deuntjes produceren. Het is geen achtergrondmuziek, het zijn klanken en tonen waarnaar geluisterd moet worden. Spits de oren om het alternatief voor de hitlijsten te horen en doorgronden. De vrijdenker is de luis in de pels, de kok die naar smaak het eten kruidiger maakt.

    Aan deze vrijdenkers, de muzikanten die de kantjes er niet aflopen maar juist de randen opzoeken om beter te presteren, aan deze vrije geesten heeft Edwin Hofman een boek geweid. Edwin Hofman mag zichzelf een autoriteit van de popmuziek noemen. Hij schrijft al lange tijd voor het online magazine ‘Written in Music’ en verzorgde daarvoor een 26-delige serie over postpunk. Een eerder boek van zijn hand nam de avonturiers van de Nederpop onderhanden, 40 jaar eigenzinnige Nederlandse popmuziek van Solex tot The Ex en Bettie Serveert tot Hallo Venray. Bekeek Hofman in 2020 nog het hele landschap, in zijn nieuwe boek zoomt hij in op een enkele boom of een eenzame struik. Met een dertiental kopstukken van de alternatieve Nederpop van 1980 tot nu heeft hij het er over.

    Alternatieve musici

    Het is vooral het plezier in en de moeite met het leven als vrijdenker wat in de gesprekken naar voren komt. Het vrije denken zonder aan de leiband te lopen van een maatschappij die voorschrijft hoe het volgens hen werkt of zou moeten werken. “Een band wordt nu meteen ge-brand en een carrière wordt vaak meteen al uitgestippeld. Dat autonome/eigenwijze van ons was wel heilig ja, dat is tegenwoordig minder”, weet Berend Dubbe, één van de dertien gesprekspartners. De vrije hand hebben in opzet en uitwerking, productie en distributie. Wat nog weleens kan betekenen dat de gemaakte muziek het grote publiek niet bereikt. “Ik denk wel dat mijn muziek supermoeilijk in iets te plaatsen valt, dat is soms ook echt een nadeel”, beseft Chantal Acda. “Ik voel me heel vrij; ik kan ook projecten doen met klassieke muzikanten. Ik heb ook een plaat gemaakt met jazzmuzikanten (…) Maar het is ook moeilijk. Niet alleen voor de mensen, de luisteraars, maar ook voor journalisten, zalen en platenmaatschappijen. Die weten soms echt niet waar ze mij moeten plaatsen.” Maar zoals er alternatieve musici zijn, zo zijn er ook non-conformistische studio’s en uitgevers die hart hebben voor het experiment. Die graag wat meer zout gebruiken om het gerecht te peperen, om de muziekwereld iets op te schudden en smakelijker te maken. “In onze tijd moest je echt sparen en lenen om naar een studio te gaan`, vertelt Marc de Reus. “Nu heb je Apple GarageBand, dat is gewoon een studio. Dus die barrière heb je ook niet meer. Het nadeel is wel dat iedereen ontzettend gaat zitten knippen.

    Geluidsdragers over de toonbank

    Het boek bestrijkt een periode van meer dan 40 jaar. Een periode waarin de nodige veranderingen optreden. Dus gaat het in de gesprekken over de bewegingen die niet altijd verbeteringen blijken. In 1980 werkte men nog offline en waren de radio en hitlijsten nog veelzeggend en spraakmakend. In 2020 gaat het online en speelt de competitie zich af in podcasts, blogs en streaminglijsten. Online kan de muziek miljoenen keren beluisterd zijn, terwijl offline nauwelijks nog geluidsdragers over de toonbank gaan. “Er is constant twijfel”, zegt Hans Vandenburg die de meest interessante versies de demo’s vindt. ”Waarom zou je weer moeite doen een plaat te maken? Je moet er heel veel werk voor verzetten en je verdient er niet veel mee. Maar het is gewoon leuk om teksten en vinyl te maken.” Er zijn anekdotes en weetjes te over. Van labelbaas Jos Haijer: “Ik kreeg heel veel demo’s natuurlijk. En soms nam je beslissingen waar je later van dacht: oei, dat had ik misschien wél moeten doen. Een cassette van Skik bijvoorbeeld. Ik weet nog wel dat ik in de auto daarnaar zat te luisteren. Mijn dochter, toen nog klein, vond er niets aan. Misschien heb ik het daarom wel niet gedaan.

    Niet elke naam in het boek zegt mij iets. Dat zal mijn tekortkoming zijn, omdat ik minder oog had en heb voor het alternatieve circuit. Maar ondanks dat blijven de verhalen over het vallen en weer opstaan, over het experimenteren en optreden, over de verhalen van achter de schermen en op het podium boeiend om te lezen. Het geeft weer dat vrijdenkers voortrekkers zijn, kunstenaars die voor de massa uitlopen. Zich bezig houden met dingen waaraan het grote publiek dan nog niet toe is, maar het later zal omarmen en weten te waarderen. “Het leuke van de beginsituatie, de tijd van het eerste album, was: je wist het zelf niet allemaal, de mensen kenden je niet, je was onbekend en je moest alles maar uitvinden”, blikt Erik de Jong terug, “dat stadium kan niet blijven natuurlijk, dat is logisch. Je krijgt ervaring, je leert dingen bij, maar je leert ook dingen af.

    Inspirerend muzieklandschap

    De vraag ‘Waar gaat het over?’ krijg ik voornamelijk in Nederland”, gaat Erik de Jong verder. “In België vragen ze nooit ‘Waar gaat dit liedje over?’ Het is een levensgevoel, het spreekt je aan of niet. Maar waar het over gaat is niet relevant. In Nederland wel.” Het blijkt niet altijd even makkelijk om de eigen muziek buiten de repetitieruimte te krijgen. Net als iedere beginnende band die zonder steun en toeverlaat het pad zelf moet effenen is de vrijdenker voortdurend bezig zichzelf aan de wereld te brengen. Veelal blijven zij dan steken in dat beginnersgeluk, omdat ze zich niet willen conformeren aan de grote gemene deler. En natuurlijk is er een markt voor, zijn er mensen die deze muziek kiezen boven de mainstream. “Je kan niet stellen dat er echt groot geld binnenkwam bij Top Hole”, zegt Jos Haijer. “Je bent en blijft een soort ‘voetbalclub Heerenveen’: als je scoort met een speler, dan is die speler vaak al gauw weg. (…) Daarnaast heb ik een haat-liefdeverhouding met Spotify en YouTube en al die andere diensten. Het levert niets tot weinig op, maar ja, als je er niet op aanwezig bent, dan ben je tegenwoordig qua muziek volkomen onvindbaar.” Tot slot meent Arjen de Vreede: “Een band wordt nu beloond als men zichzelf kan bedruipen. Vroeger ging het om de creativiteit. Nu gaat het om de marketing.” En bij de vrijdenker die de alternatieve pop bezigt blijft het en zal het blijven gaan om de creativiteit. Met een open blik, zeg ik met Edwin Hofman, met lef en dadendrang blijven zij onmisbaar voor een levenskrachtig en inspirerend muzieklandschap.

    Vrijdenkers in muziek. Alternatieve Nederpop van 1980 tot nu. Een bundeling van 13 levendige gesprekken met boegbeelden uit de ‘alternatieve Nederpop’. Edwin Hofman. Uitgeverij Kleine Uil, 2024.