Categorie: Kunstlokaal No.8

  • Houwen in steen en stikken met draad bij Kunstlokaal No.8

    Ze heeft de vorm vrij gehakt uit harde, zware steen: Ada van Wonderen. Het ruwe materiaal geeft onder haar handen, hamer en beitel een figuur prijs die zich lang verborgen heeft weten te houden. Wanneer ik de ruimte van Kunstlokaal No.8 binnenstap en om mij heen kijk, meen ik stenen doosjes in diverse afmetingen te zien. Doosjes die nog geopend moeten worden, die nog een vorm in zich dragen, besloten houden. Dat is het spannende van de gebeeldhouwde figuren: ik heb het gevoel dat zij nog niet af zijn. Dat het houders zijn van een gedachte, een veronderstelling. Want wat zal er onder die gebeitelde, ruigharige huid schuilgaan? Wat zal de spiegelglad gepolijste aaibaarheid verbergen? De steen zal het weten; deze is beeld geworden.

    Verwonderlijk. Suggestief beeld. De suggestie is echter vals, want dit ís wat het is. Dit is niet het begin, maar het resultaat van deze kunst. Er hoeft niets open; de vorm blijft gesloten. Een blokje steen dat zich verheft op pootjes. Het volume komt los van de aarde, is uit de tijd genomen en kent, na schuren, slijpen en kloppen, een eigen moment. Op dat tijdstip kruist mijn blik tweebenen, viervoeters en veelpoten. In dat ogenblik beschouw ik het bevroren uur: een punt dat door Ada van Wonderen is stilgezet in het tijdperk van deze brokken hardheid. De steentijd. De evolutie van Belgisch hardsteen, van marmer en albast, is hier gestopt, in dit figuur vervolmaakt. Dit is het sublieme stadium. De schepper heeft gesproken: het is goed zo.

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde

    Afgemeten gedaante

    Van Wonderen hakt geen objecten; het zijn figuren die in de steen tot uiting komen. Figuranten in de tijd, met menselijke en dierlijke trekken. Benen, voeten en poten houden het lichaam omhoog. En wanneer de materie vermoeid raakt van het staan, zijgt zij neer en steekt de dikke pootjes onder de zit uit. De figuren zijn in essentie het gestel van een levend wezen: de romp naar model gevormd, zonder hoofd, schouders, knie en  teen. In de kern is dit het wezenlijk voornaamste deel; daarom krijgt het in deze vorm het meeste gewicht aangemeten. Maar eigenlijk is de gestalte als zodanig van minder belang. Zij is plomp en statisch door het gebruikte materiaal, monumentaal in detail. De bewerkte huid maakt het ding tot levende steen, een dynamische vorm. Deze huid is door de kunstenaar gebeiteld en ingesneden.

    Albast, marmer of diabaas hebben een natuurlijke belijning. Daarin hoeft Van Wonderen niet in te grijpen; de gedaante afmeten is voldoende. Door de deur kom ik de ruimte binnen, zoals gebruikelijk. Rechts, op een sokkel tegen de wand, zie ik een roodmarmeren figuurtje. Het is mooi gelijnd, natuurlijk ingetekend. Het draagt de titel ‘Zie mij’. Het is denkelijk een zelfportret van de kunstenaar die mij binnen nodigt. Maar eerst trek ik nog de bovenste lade van de tekenkast o de gang open. Daar vind ik afdrukken van houtsneden op ruw geschept papier. In veelvoud is de tweepoter een poort geworden: een grafische schets om de figuur in de vingers te krijgen.

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde

    Bij afzonderlijke tentoonstellingen laat Kunstlokaal No.8 altijd een vierkant boekje verschijnen. Klein maar fijn, met net genoeg beeldbladen en teksten om de kunstenaars voor te stellen. Niet zelden grijpen de daarin afgebeelde werken mooi in elkaar en aaneen. Deze keer is de overgang wel heel bijzonder. Schaf u het boekje aan en zie zelf de perfecte wisseling van de zwarte viervoet met witte structuur naar het witte draad op zwart kunstleer. Ada van Wonderen spiegelt zich in Janneke Hogerheijde. Hogerheijde reflecteert op Van Wonderen. Hogerheijde wordt in het boekje voorgesteld als een tekenaar met de naaimachine. In dat genoemde wit op zwart laat zij de draad uitwaaieren als een explosie: de oerknal, met klein diafragma en lange sluitertijd vastgelegd.

    Gestikt patroon

    Waar de draad machinaal door het kunstleer ploegt, ontstaan plattegronden van een niet nader te noemen woongemeenschap. Hoewel enkel het stratenplan de aandacht krijgt, nieuwe wegen zoekt, kan het zicht in vogelvlucht heel wel een moment vóór de ruilverkaveling zijn: iedere keuterboer heeft nog een stukje land dat, samen met de andere percelen, een lappendeken vormt. Of het zijn de sloten in een veenafgraving. Tegelijkertijd is het eenvoudigweg een abstracte vormgeving die geen realistisch uitgangspunt behoeft te hebben. De draad stuurt zichzelf niet langs de geleider. Het is wel een machine, maar geen zelfdenkend wezen. De kunstenaar moet de stof onder de persvoet door geleiden om een gewenst stiksel te verkrijgen. Die navigatie geeft een bijzonder effect, maar blijft enigszins naïef in uitvoering en beeltenis. 

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde

    Meer tot de verbeelding sprekend zijn de monochrome werken in rood en blauw. Althans, op afstand lijken het éénkleurige, vlakke beeltenissen. Kom ik dichterbij, dan blijken door de verwerking van draden in de huid een scala aan structuren zichtbaar, en daarmee schakeringen en verzadigingen. Het hoogtepunt hierin is de ‘Symphony in Blue’, waarbij een gele monochromie wordt overstemd door blauwe draden die vlakken verdichten of juist doorzichtig laten. Een muziekstuk waarbij de eerste viool virtuoos over de partituur van het orkest speelt.

    Aldus houwt de één in harde steen, terwijl de ander stikt met losse draden. Beiden zetten zichzelf in de tijd, beelden het moment van zijn uit. Ieder met een vreemd verlangen nieuwe wegen te zoeken. En het Kunstlokaal weet paden te plaveien om ons te laten verwonderen, iedere keer opnieuw.

    Houwen en Stikken. Werken van Ada van Wonderen en Janneke Hogerheijde bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. Van 7 februari tot en met 1 maart 2026.

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde
    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde
  • De beleving van geschept papier

    De beleving. Natuur ervaren. Een gevoel nauwelijks te beschrijven. In poëtische volzinnen beschreven. Beter in artistieke beelden gevat. Het woord zet aan tot gedacht beeld. Het beeld geeft fantastische voorstelling. Best is het de natuur zelf. Hoewel woord en beeld geen uittreksel zijn of slechter aftreksel is, maar indruk en uitdrukking geven aan. De ervaring van de beleving. Het gevoel bij de waarneming.

    Kunst heeft een natuurlijke kant. In de natuur van de mens, de aard van het beestje, is het ingebakken. Zit het verborgen ergens diep weg in de lobi temoporales. Niet iedereen boort het aan, werkt het uit en stimuleert het. Maar iedereen heeft de gave, zonder er deel aan te nemen, ervan te genieten. Positief dan wel negatief. Het is een kwestie van smaak, het activeren van de nucleus solitarius. Bitter en zoet, zuur en hartig, mooi en lelijk.

    Kunst op papier brengt de voorstelling onder handbereik. De kunstenaar kan het beeld voelen. Er zit weinig tussen de realiteit en de indruk daarvan. Tekenen is de meest basale kunstvorm. Met een verkoold takje werden al lijnen gezet. Nu is dat verfijnd in het potlood als houder van grafiet. Dat schept al afstand, want houtskool verwerkt zich als de tuinman met de handen in de modder. De kool laat sporen na bij het tekenen, en niet alleen op papier.

    Wezen van de kunstenaar

    De beleving van kunst start bij de maker ervan. Deze vormt de waarneming om tot uitdrukking. In de ontroering kan de zichtbare werkelijkheid zich transformeren tot een abstract beeld, of herstructureren in een kunstzinnige waarheid. Dat neerzetten is de kracht van de kunstenaar, dat oppikken is het vermogen van de beschouwer. De natuur laat zich beelden, verbeelden in een landschap, een stilleven, een interieur of een portret. Zowel in het platte vlak als ruimtelijk. De natuur is niet alleen huisje, boompje, beestje. De mens heeft eveneens een natuur, ofwel is onderdeel daarvan.

    Het wezen van de kunstenaar beleeft de natuur in het algemeen. Maar verschillend van al die andere normale mensen. In het brein krijgt de natuur een gewijzigde vorm, wordt het zichtbare anders beleefd. Het huisje kan aanleiding zijn voor een abstracte vorm. Het boompje heeft kracht in een expressieve kleur. Het beestje is aaibaar realistisch in weergave. Stijgt uit boven het huis-tuin-en-keuken plaatje boven de bank. Kunst is geen reproductie van de werkelijkheid, hoort dat niet te zijn. Geen afgietsel. Een uitdrukking van een indruk. De expressie van gevoel.

    Deze gedachten komen bij me op zittend op de harde, weinig comfortabele, gymnastiekbank van Kunstlokaal No.8. Naar aanleiding van wat ik zie kom ik tot deze denkbeelden en inzichten. Maar ze raken kant noch wal en de wal keert het schip. Het houdt geen steek en het brengt me niet tot de kern. De deur van de ruimte zwaait open, er wacht een espresso in de huiskamer ernaast. Een koekje bij de koffie brengt me terug in de werkelijkheid. “Wat vind je ervan” is een retorische vraag. Men verwacht aan de koffietafel geen duidelijk antwoord. Dat heb ik ook niet pasklaar, want ik ben vergeten waarvoor ik hier kwam. Om te schouwen en te beschouwen, oordelen en te beoordelen, schrijven en te beschrijven.

    Geschept papier

    Dus teruggekeerd op mijn schreden. Verdiepend in het aangeboden werk, dat evenals de andere inrichtingen voor deze andermaal esthetisch in orde is. Gehangen is kunst op papier, en zelfs grafiek op blad gedrukt. En daar komt mijn gedachte aan natuur terug, want dat papier is niet gekocht in de winkel maar door de kunstenaars zelf gemaakt. Zij hebben de natuur van vezels gebruikt om papier te scheppen. En werken op een drager die eigenhandig is gemaakt zet de beeltenis extra kracht bij. De aard van het vel vormt de tekening die er is opgezet. Geschept papier geeft nooit een gladde ondergrond, dus de lijnen en vlakken daarop verhouden zich daarnaar en kunnen een eigen weg gaan – gewezen door de drager.

    Mark de Weijer nodigde vijf kunstenaars uit om in zijn atelier een week lang te proeven aan het maken van papier. Als een soort van project is het handmatige proces in een pilot opgestart. De resultaten worden getoond in Kunstlokaal No.8 onder de naam “Be my guest”, waarbij De Weijer de gastheer is en de vijf kunstenaars de gasten zijn. Het maken van papier is een intensieve arbeid. Maar bepaalt de maker wel tot de drager van de tekening die er naderhand op zal worden gezet. Men is dus van begin tot eind bezig met het product. De beleving is groots, de ervaring optimaal. Dat blijkt uit de ondervinding die in een publicatie is verwerkt als neerslag van het project.

    Eigen wijze binnen persoonlijk idioom

    De kunstenaars hebben ieder op een eigen wijze en binnen het persoonlijke idioom geëxperimenteerd. Lekker op dreef leerden ze de techniek van de gastheer of diepten hun kundigheid uit. Het handgemaakte papier heeft een eigen karakter die de aard van het kunstwerk bepalen. In de natuur van Overijssel werkend was deze omgeving een inspiratiebron. Dat blijkt uit de seriematige werken die in Jubbega hangen. In de expositie is het een genoegen dat de kunstwerken onpersoonlijk zijn. Dat enkel op een blad bij de tentoonstelling naam en toenaam staan aangegeven. Zonder dit blad erbij te pakken kan de bezoeker dus objectief de kunst bekijken.

    De kunstwerken zijn met elkaar in gesprek, zoals in het kunstlokaal het gehangen of geplaatste werk in dialoog is. Het vult elkaar aan en kan zelfs overlappen. Door diverse mensen gemaakt, maar kan zo uit hetzelfde atelier komen. En dat is in dit geval letterlijk ook zo, zij het dat vooral het medium in eenzelfde omgeving is gemaakt waar ook de informatie daarop de oorsprong in dit atelier heeft. De natuur, waarmee ik dit verhaal begon, is inspiratie. Tijdens het project zitten de kunstenaars daar midden in. De omgeving die verandert bij de dag. Het landschap spreekt in en door de kunst. De beleving is dus dezelfde. De uitdrukking daarvan divers. De realiteit kent een eigen taal, ook in de abstracte werken is deze te lezen. De kijker bemerkt dat de verschillende manieren van beleving prettig in en bij elkaar passen.

    Project naar idee Mark de Weijer

    Het is de sfeer van de natuur die de kunstenaars aantonen. Met en door natuurlijke materialen worden de voorstellingen op papier gezet. Het papier dat op een natuurlijke manier is gemaakt. Het zijn daarom helemaal biologisch verantwoorde producten. En ook het boek bij de tentoonstelling is gekaft in een ongerept geschepte omslag. Het is het aandeel van de gastheer in het project, die normaal gesproken niet grafisch bezig is. “Het woord omslag nam ik letterlijk: ik maakte een blinddruk van de bast van een iep in mijn tuin.” Het dekt de lading die een nieuwe kijk geeft op het werken op en met zelf geschept papier.

    Het project is een idee van Mark de Weijer. De stichting Grafein kon het mooi inpassen in de grafiektriënnale Grafiek25. De gastheer en begeleider wil de pilot met Ardi Brouwer, Jurjen Ravenhorst, Monique Kwist, Inez Odijk en Jadrankja Njegovan een vervolg geven in een jaarlijks kunstproject. Hij wil zijn atelier graag openstellen voor meerdere kunstenaars die de grafiek- en tekenkunst beoefenen, om zelf hun eigen dragers te maken. Om zodoende een kunstproces van begin tot eind te ervaren. Een belevenis!

    Be my guest. Papierproject. Tentoonstelling Kunstlokaal no.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega. Tot 30 november 2025. Behorende bij uitgave met tekst van Marie Jeanne de Rooij en ervaringen van deelnemende kunstenaars. Oplage 100 exemplaren. Stichting Grafein, 2025.

  • De werkelijkheid lostrekken in stroken, in vlakken en vorm

    Het lijkt tegenstrijdig, dat metaal in de natuur. Die menselijke ingreep in de schepping. Streed Don Q. in zijn dagen ook al tegen de verdomde windmolens die nu nog weer de horizon bevuilen. Waren die toen van hout, zijn de onze van staal. De honderd jaar oude belvedère toren stak tot voor kort nog fier uit boven het bosrijke Oranjewoud, beton past tussen hout. Een paradox, mens en natuur. Wie er met de toekomst gaat strijken wist Louis le R. maar al te goed. Zodra de mens de handen ervan aftrekt is het grijs in een ommezien groen. Overwoekeren planten stenen, herstelt de natuur scheve verhoudingen. Die schijnbare tegenstelling vind ik terug op dit moment  in Kunstlokaal No.8. Dikwijls schijnt het daar niet te passen, maar wordt een tweedeling rap tot een eenheid. Dit keer zet de tentoonstelling mijn gedachte op de man van La Mancha en de ecokathedraal. Dit om een ingang te vinden, een weg te gaan, langs de los-vaste regels van en in de natuur, een vinger te krijgen achter het wetmatig zink en het gevlochten object.

    Engelengeduld

    Het werk van Flos Pol heeft twee kanten van belevenis. In de serie geschilderde grondwerken legt zij als het ware het fundament, slaat ze palen in vruchtbare bodem, om er de verweven horizon op te bouwen. Er is geen figuratie anders dan raster van kleur en vlak. Tralies waarachter de werkelijkheid lijkt opgesloten, enkel wanneer ik mijn gedachten erover laat gaan kan het losbreken en de vrijheid vinden. Dan zie ik achter de abstracte waarheid een reële echtheid.

    In de gevlochten werken is de werkelijkheid vervlochten tot een abstracte beeltenis. Een afbeelding samengesteld uit mislukte en daardoor afgekeurde werken. Schilderijen die er niet mochten zijn, of schutbladen waren van doordrukwerken, worden door Pol hergebruikt in deze matten. Een daad van recycling, maar ook van herinterpretatie. Deze anders voor de prullenbak beschikbare flodders krijgen een nieuwe betekenis. De in repen gesneden vellen zijn de draden voor de weefsels.

    Met engelengeduld laat Pol deze stroken kruislings gaan, bovenlangs, onderdoor. Dwarsdraden in een golfbeweging tussen en over kettingdraden. Vanwege dat golven van de stroken bruisen kleuren, vlakken en figuraties dooreen. Als in een overvloed aan beeltenis maakt het beeld een dynamische afbeelding. De figuratie is door elkaar geschud en er ontstaan daardoor nieuwe gezichten, andere invalshoeken, haakse betekenissen. De oude lijnen zijn nog zichtbaar, maar krijgen een nieuwe duiding. De vlechtwerken hebben wel het karakter van zielenweefsels van primitieve volkeren. Een mat waaraan waarde gehecht is en wordt. Onderdeel van een grootse beleving, een religieuze beeldvorming. Met recht grondwerken, waarin de basis van zowel aarde als leven is gevormd. Aarde, de natuur waarin wij verkeren. Leven, het zijn hier en nu op het verleden daar en toen.

    Pol weeft wel strotouw en siergras in. De strenge spanning wordt dan beweeglijk doorbroken. Nog steeds is het grondplan van het traliewerk zichtbaar, maar de inbreng roert zich tegendraads en laat de compositie beven. Als de trillende atmosfeer bij warmte, een luchtspiegeling op de route. Niet dat Flos Pol mijn zinnen wil bedriegen, zij vlecht structuur in een kunstmatig landschap om mij de schoonheid van de natuur te tonen. En dan uiteindelijk lijkt zij helemaal klaar met die gestrenge schering en inslag, schopt ze tegen het weefgetouw zodat een warboel aan rechte toeren averechts werken en steken zich laten vallen. Beeld en kleur, vorm en volume raken in de knoop.

    En tenslotte biologeert een kleine compositie in deze opzet mijn blik, het acrylverf op linnen verbeeldt een opgeschoonde omgeving. Een zompend stuk grasveld waarin bruinen en gelen de sfeer maken. Een realisme dat rust geeft in de dynamische drukte van vlechten en vervlochten. Een schier contemplatieve structuur om in stilte te beschouwen. Het heeft niet de beweeglijkheid van verweven einders en geverfde grondwerken, maar schetst de werkelijkheid in een abstract beeld. Het toont schijnbaar dat mijn voorkeur uitgaat naar de min of meer tastbare werkelijkheid, terwijl voor abstractie om en nabij mijn aandacht geringer is. Niets is echter minder waar.

    Architectonische ingang

    Die werkelijkheid in dat abstracte beeld wat Pol uittekent schetst ook Manja Hazenberg in de ruimtelijke beleving. Uit geëtst zink snijdt en soldeert zij wiskundige vormen. Vierkanten en cirkels, in elkaar geschoven staand op een sokkel of solitair hangend aan de wand. Structuren die geconstrueerd lijken, maar zo te vinden zijn in de derde dimensie. Geen toeval, eerder een systematiek met ruimte voor spel. Het zijn herkenbare contouren en typische patronen. In het grijze staal licht koper op of schittert bladgoud.

    De kubusvormen hebben een architectonische ingang en kunnen zo modellen voor bouwwerken zijn. De essentie van de gedachte, de kern van het zijn. Een schets voor monumentaliteit. Nu in het moment. Geleid door de idee van Leonardo van Piso, aka Fibonacci, legt Hazenberg verbanden in haar werk met de gulden snede. Dat wiskunstige gegoochel met getallen gaat ver terug in de tijd. Zo brengt zij de kunst van het metrum, berg van de cadens, in de tentoonstellingsruimte hier en nu in. Geeft zij beeld aan het konijnenprobleem en de bijenstamboom in een abstracte weergave. De beschouwer herkent dat zo direct niet terug, deze vormen die door differentievergelijkingen en matrixrekeningen zijn gefigureerd. De beschouwer kan onbevangen kijken zonder zich deze wonderlijke wereld van het getal te realiseren.

    De werken van Hazenberg verhouden zich tot de vlechtmatten van Pol als de belvedère in het bos. Lijken koel in de warmte, gereserveerde menselijkheid tussen toeschietelijke natuur. Ze vullen elkaar echter aan alsof natuur zonder mens geen eenheid is. Niet naast elkaar, maar bij elkaar en samen. Zo zoeken beide kunstenaars naar de essentie van het bestaan, vorm en waarheid, hoe echtheid zich toont in abstractie. Ieder vanaf een eigen standpunt en met individuele middelen die hen persoonlijk aanspreken. Elementen die enerzijds speels en anderzijds gestructureerd de grond van het wezen onderzoeken, de basis van het zijn. Dat wat ten grondslag ligt aan kijken, aan begrijpen, aan het maken zelf. En wie goed kijkt, merkt dat het er allemaal al is, maar nog niet helemaal zichtbaar. Alsof de kunst mij uitnodigt de werkelijkheid zelf een stukje los te trekken, in stroken, in vlakken, in vorm.

    Expositie werken van Flos Pol en Manja Hazenberg, in de expositie Natuur en Wetten bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 te Jubbega-Schurega. Te zien van 5 tot en met 27 april 2025.

  • Buitengewoon gerijmd werk bij Kunstlokaal No.8

    Waar Els Moes zich op de vlakte houdt gaat Nies de Vuijst de ruimte in. Figuurlijk gesproken. Ik stap over de drempel van Kunstlokaal No.8 in een andere wereld. Is de rest van het oorspronkelijke schoolgebouw rommelig knus, de kunstruimte is strak in orde zodat de werken daar gepresenteerd optimaal tot hun recht komen. De witte wanden laten de tweedimensionale composities voor zichzelf, in dialoog met elkaar en tot de beschouwer spreken. En wanneer dat zo uitkomt vullen driedimensionale objecten volmondig de sfeer met hun aanwezigheid. Echter ditmaal, dat is februari 2025, is gekozen voor een duo-expositie die de wanden net genoeg vulling geven dat er geen overvloed aan beeld en ervaring is. Zoals geschreven; Els Moes kleurt het vlak waar Nies de Vuijst de ruimte neemt. En ik ga op onderzoek uit om mijn bewering te onderbouwen.

    Nies de Vuijst zag ik hier eerder, toen in combinatie met ruimtelijk werk van Nynke de Jong. Het werk kon zich destijds al meten met en was standvastig tot dat van de mede-exposant. Het bezat vrijwel alleen de wanden en kon daardoor voluit (aan)spreken. Nu is dat anders. Het moet ditmaal de wanden delen met het werk van Els Moes. Een evenredige verticale ruimte is het werk van Niels de Vuijst daarbij toebedeeld. Maar daarmee kan zij heel goed nog steeds een vuist maken. In uiterlijk, minimaal kleurenpalet en spaarzaam vormenspel, weet zij andermaal een maximum aan dramatisch effect te bereiken.

    Ongedwongen diepte

    Naast de monochrome eenvoud van Els Moes, de stilte van en in gelaagdheid, is het brede gebaar van De Vuijst wervelend en dynamisch. De verf leeft in de haarvaten van de kwast en laat zich tastbaar uitsmeren op het doek. De materie, ooit gekleurde modder aan een kwastje genoemd – want feitelijk is het niet meer dan dat, vloeit speels weg van het penseel. Stroomt overvloedig over het vlak en volgt eigenwijs daarom een eigen pad, het druipt in een dwarse richting. Er is opvallende beweging in stilstand.

    Door een soort van coulisselandschap ontstaat in de compositie een ongedwongen diepte, langs zwarte architecturale banen kijk ik naar de einder van een vroegere schildering. Er is echter geen sprake van een landschappelijke sfeer. Het schilderij is een abstracte vormgeving waarin de geest van een realiteit rondwaart. De werkelijkheid is verdwaalt in de ruimte van het platte vlak. De Vuijst heeft gelaagd geschilderd waardoor de voorgrond een achtergrond laat doorschemeren. Gebaren van eerdere handelingen vormen de basis, zijn het fundament van de latere bewerking. Er is verhaal te halen, er is geschiedenis geschreven. Door verf van de natte kwast transparant te laten uitvloeien schrijft De Vuijst haar werk uit, tekent het aan, geeft het kleur en vorm.

    Sprakeloos naar te kijken

    In de grote werken laat zij zich monumentaal gaan, hoewel de kleinere composities eenzelfde verheven uitstraling hebben. Daar ontstaat door dat eerdere genoemde doorzichtig uitsmeren een onbedoelde figuratie. Vormen die heel goed schetsen kunnen zijn voor ruimtelijke objecten. Het zijn al in deze tweedimensionale hoedanigheden met enige verbeeldingskracht driedimensionale plastieken. Suggestief roepen ze het beeld op van cortenstaal constructies. Waar De Vuijst zich krachtig uit in rechtlijnig constructivisme, laat ze achteraf minder omvangrijke werken zien waarbij de brede kwast cirkelbewegingen maakt. Daarin komt de streek tot leven en neemt een realistische vorm aan. Zelfs met de gedachte op nul en de blik op starend oneindig, doemt er een herkenbare figuratie op. Nog wel abstract in wezen, maar waar een naam aan te geven is.

    En het werk van Els Moes dan? Dat zwijgt. Althans ik sta er sprakeloos naar te kijken. Het werk neemt op voorhand niet het eerste woord. Het laat mij eerst uit de beweging van De Vuijst gaan om tot rust te komen, uit de meervoud in eenvoud te kijken, geconcentreerd te beschouwen. De monochrome kleurvlakken nemen mijn zintuigen in bezit. Ik word dan gehypnotiseerd opgenomen in het kleurrijke niets. Het slokt me op, misschien omdat ik het in eerste beschouwing niet meteen begrijp. Hoewel het maar één laag lijkt die eenvoudig valt te doordringen, blijkt het een meervoudig gelaagde compositie te zijn die zich niet meteen voor me opent.

    Verdiepend werken, diepzinnig verwerken

    Ik word in de ruimte die zich denkbeeldig achter het werk bevindt gezogen. Zoals je in een boek door de regels en langs de woorden in de sfeer van de vertelling wordt getrokken. Het intrigeert, de verbeelding gaat met me aan de haal. In eerste oogopslag lijkt het niets te zijn dan uitgestreken pigment dat aan de randen een complementaire tint aanneemt. Maar het is minder spontaan dan dat het lijkt. In dunne lagen is acrylverf op een aluminium plaat gestreken, waardoor het effect van gekleurd glas ontstaat. Langzaam bouwt Moes aan de sfeer, dat resulteert in een magische tegel kleur. De tinten verlopen fijnzinnig, mengen zich geraffineerd met afgestemde of tegengestelde kleuren. De kleurschaduwen, Moes noemt de composities shades, werken verdiepend die enkel diepzinnig door mij kunnen worden verwerkt. Daarom maken ze mij sprakeloos, ook wanneer het werk en ik samen tot een hoogtepunt in kijken komen. Het moment waarop kijken zien wordt. Is. Het werk verdient een gefocuste aandacht om de intensiteit ervan te ervaren. Sluit ik mijn ogen na intensief gekeken te hebben, verschijnt eenzelfde nabeeld op mijn netvlies. Het werk komt tot leven in mijn gedachte. Het neemt bezit van mijn beschouwing. Het kijkt terug.

    Zo ben ik om. Zetten de schilderijen van Nies de Vuijst mijn gemoed in beweging, komen mijn gedachten tot rust bij de getinte prenten van Els Moes. De Vuijst is krachtig en met grote gebaren los gekomen van de figuratie, waar Moes de abstractie in zichzelf laat verzinken. Hoewel ze hemelsbreed lijken te verschillen, vullen de werken elkaar aan. Afwijkend in uiterlijk, maar aandachtig in samenspel. Juist door die variatie is het een eenheid, kan het makkelijk door dezelfde deur. Het vloekt niet, het zingt samen het hoogste lied. Buitengewoon gerijmd.

    Kleur en beweging. Werken van Els Moes en Nies de Vuijst in een duo-presentatie bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega – Schurega. Van 1 tot en met 23 februari 2025.

  • Grondwerken en boomschrift in kunstlokaal

    Uit de grond van Hein van Delft groeit het bos van PJ Roggeband als eerbetoon aan het gedachtengoed van Louis le Roy in Kunstlokaal No.8. Hoe dat zit? Ik als bespreekman ofwel klompbreker zet daarover hieronder een boom op, dat met zoveel woorden bijna een bos is op vruchtbare bodem. Ik ben namelijk geen killer en houdt mijn darlings graag levend.

    De textuur van de aarde

    Van Delft hangt zand aan de wand, aarde aan de muur, en creëert zo een landschappelijke sfeer. Want zodra de mens een horizontale lijn ziet denkt hij dan zij een horizon te zien. Met daarboven de lucht en daaronder de aarde. Maar dat is niet wat Van Delft beoogt. Hij onderzoekt de kleur van de grond, de textuur van de aarde en wat het licht tussen en met de korrels doet. Het is de wisselwerking tussen mens en natuur die hem intrigeert. Als landschapsarchitect was hij al doende met natuurlijke vormgeving. Destijds grote lijnen volgend, het overzicht houdend. Nu gaat hij op de knieën tijdens wandelingen en verzamelt aardelementen, zandkorrels, kleiplakken, veengronden, siltlagen, leembodem en kalkgruis. Van een megazicht naar een macroblik. Met het potten van grondsoorten maakt hij zijn kunst. Nadat hij deze zoden en plaggen heeft gedroogd en gezeefd om ze gerubriceerd te bewaren, kan hij er op een later moment wanneer de inspiratie dat toelaat mee aan het werk. Met messen, troffels en spatels brengt hij de materie puur en ongemengd aan op panelen.

    Stabiliteit, vruchtbaarheid, groei

    De basale en onorthodoxe grondstof voor zijn materieschilderijen schraapt Van Delft dus van de aarde, steekt ze uit de grond. Een essentieel element dat de vaste, fysieke wereld vertegenwoordigt, dat is aarde. Het vormt de grond waarop we lopen, de aarde waarop we bouwen en de basis voor alles wat groeit en bloeit. Symbolisch staat aarde voor stabiliteit, vruchtbaarheid, groei en een diepe connectie met de materiële wereld. Maar dat Van Delft verschillende soorten grond gebruikt gaat minder diep dan ik hier benoem. Hij blijft aan de oppervlakte om daarmee het terrein van de kunst te verkennen. De kunstenaar zet figuurlijk een voetafdruk in de dunne laag aarde. Die aarde lijkt van weinig waarde, maar krijgt belang en gewicht door het op deze manier te presenteren. Als bouwstof voor kunst, ingrediënt van bezieling.

    Te gruizen en te korrelen

    De werken bezitten het pigment van het bestaan, de aardkleuren die fluctueren tussen diepbruin en zandgeel. De tinten die voorkomen in de aardlagen en zich in de aardkorst naar boven werken, zodat Van Delft deze kan delven. De korsten en plakken op de panelen aangebracht zijn meest borstelig open gewerkt. Of lijken te vergruizen en te korrelen. Ze hangen echter niet als los zand aan elkaar. De opzet in landschappelijke sfeer wordt naast de horizontale lijn nog versterkt door de lagen te groeven, de aarde te ploegen, voren door de akker te trekken. Hoewel hij dus abstracte beelden maakt, schept Van Delft toch een werkelijkheid. De aarde en het zand zijn gegrond, de klei en het veen komen van een specifieke plek. Er is niet zomaar ergens in de achtertuin een spadesteek genomen. Turf uit De Deelen, klei van de Waddenzee, leem uit Italië en zand van de Veluwezoom. De grond heeft echt betekenis voor die exacte plek, waarde voor een specifieke plaats. Die locatie is dan ook genoemd in het bijschrift van de compositie.

    Boomschrift

    PJ Roggeband zet een boom op waardoor ik het bos nog maar nauwelijks zie. In zijn installatie aan de tussenwand in het kunstlokaal toont hij wat een verzameling bomen volgens hem is. Dat is geen samengeschoolde groep stammen of een collectie met bladerdek gekroonde palen. Het is meer dan dat natuurlijke beeld, het kan worden omschreven in stemmingen en sferen. Het archief dat Roggeband uit boekfragmenten, magazineplaten en persoonlijke uitspraken van derden heeft opgebouwd zijn door hem aangevuld met eigen bevindingen, tekeningen en schetsen, kleine schilderijen. Uit dat geheel aan losse elementen heeft hij een hangend bos samengesteld en Boomschrift genoemd.

    Samenraapsel van indrukken

    De installatie is een verzameling met een bosrijke sfeer, dat tevens als handleiding of beter handreiking voor de creatie van een bos 2.0 in een versteend deel van de leefomgeving kan dienen. Hij zet een boom op als een meervoudige collage. In dat samenraapsel van indrukken verantwoordt hij zichzelf, geeft uitleg aan hoe het zo is gekomen en verdedigt zijn standpunt. Naast beeldende indrukken zijn tekstuele impressies tevens van even groot belang in de uitdrukking van Roggeband. Zijn boomhoge collage heeft naast schetsen en schilderwerken een keur aan teksten die op een schilderachtige manier op papier zijn gezet. Papier, in eerste aanvang onderdeel van de boom. Houten plankjes, teruggeven aan het geheugen van de boom.

    Grondwerken

    De kunstenaar PJ Roggeband heeft een voorliefde voor woorden van elf letters. De elfchivaris brengt deze, met hulp van vrienden en volgers, samen op een Facebookpagina. Stel je jezelf daarop scherp dan blijken er honderden woorden met elf letters te zijn. VanDalewoorden, maar ook schijnbaar bedachte woorden. Veel van deze elfletterige woorden vind ik terug in de installatie in het kunstlokaal. Kunstlokaal, elf letters. Boomschrift, elf letters. Grondwerken, elf letters. LouisGleRoy, elf letters. De naam Le Roy is onlosmakelijk verbonden aan de ecokathedraal. Ooit daar zelf aan begonnen, hij legde de eerste steen, wordt het bouwwerk tijdens zijn leven en na zijn sterven verder uitgebouwd door stapelende vrijwilligers. Het is een bouwwerk van steen, waar geen dak op zal komen. Er zal nooit worden gezegd: nu is het klaar, de kathedraal is af. Er zal in de eeuwigheid worden door gestapeld met de natuur als levend dak. Het gedachtengoed van Le Roy, zijn filosofie en werken, wordt gepresenteerd in Museum Heerenveen. De expositie in Kunstlokaal No.8 is in deze uitvoering een satelliet van het museum. Niet zo verwonderlijk, want eigenaar Marcel Prins is bouwmeester van de ecokathedraal. Dat landgoed in Mildam ligt halverwege tussen de beide tentoonstellingen in, reden er op de terugweg dan wel de heenweg even langs te gaan. Warm aanbevolen!

    GRONDWERKEN en BOOMSCHRIFT. Kunst van Hein van Delft en PJ Roggeband bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. Van 26 oktober t/m 17 november 2024.

  • Oorden klinken door zaagsneden in monochrome landschappen

    Je loopt er zo aan voorbij. Het is onderdeel van het leven, aan je gewoon en nauwelijks meer opmerkelijk. Tenminste wanneer het niet de aandacht krijgt die het verdient in een galerie of museum. Want in een tentoonstelling word je ertoe bepaald, trekt de blik er onwillekeurig naartoe. Dan staat het buiten jou dagelijkse zijn, neemt het een aparte uitzonderlijke plaats in. Dan is het iets, terwijl het normaal gesproken niets is. Dat is de kracht van de kunstenaar, namelijk, om van niets iets te maken. En dat is het vermogen van kunst, om het alledaagse bijzonder te laten zijn. De kunstenaar leert ons anders kijken, om een spreekwoordelijk hoekje zien. Het kunstwerk kan alles als onderwerp hebben en hoeft geen bekwame bedreven deskundigheid uit te stralen. Het is de kunst om de realiteit te vervalsen, een kopie van de waarheid maken en toch origineel blijven. Iets te maken van niets. Het oog te trekken naar om een blik te werpen op en anders te kijken in de wereld van de schone en beeldende kunsten. Kunst is een reflectie van leven, een spiegel waarin het zijn bestaansrecht heeft.

    Geen tekst nodig

    Je kijkt er zo langs heen. Ware het niet dat de eenkleurige tegels onderdeel zijn van een tentoonstelling in Kunstlokaal No.8 op dit moment. De monochrome composities hebben geen betekenis, deze bestaan. De vlakken die in licht reliëf op een paneel zijn gelegen kunnen maar nauwelijks onder woorden worden gebracht. De techniek kan besproken, de kleur onderscheiden, de strekking behandeld. “Het is bescheiden van formaat, toch straalt het in zijn meditatieve rust een monumentale natuur uit.” Dat laat het vierkante boekje bij de expositie lezen over het werk van Takashi Suzuki. En daar valt weinig meer aan toe te voegen dan dat uit het minimalistische werk eens te meer blijkt dat kunst geen grenzen kent. Niet hangt aan een bepaalde streek of specifiek land. Het spreekt een taal die ieder kan verstaan, verklankt het woord, mits men er open voor staat en het aan wil horen. De Japanner Suzuki brengt zijn werk niet onder woorden, het heeft namelijk geen tekst nodig. Het is de universele stilte die beeld heeft gekregen als wereldwijd landschap. De Oosterse mystiek waarin alles is losgelaten en enkel een contemplatief zijn de boventoon voert. Gewoon niets zijn, de gedachte leeg maken om genereus te kunnen leven.

    Place to be

    Kunstlokaal No.8 laat het werk van Monique Kwist aansluiten op deze meditatieve rust. Hoewel haar werk minder de stilte van de Japanse alpen heeft en meer de drukte van het Hollandse damrak, straalt het toch een uitgebalanceerde kalmte uit. De ruimtelijke objecten hebben door speels gestructureerde zaagsneden het profiel en het silhouet van architectuur. Subtiel volgen de lijnen de skyline van de eens bezochte oorden en plaatsen. Maar deze gelaagde afbeelding van de werkelijkheid krijgt pas vorm nadat Kwist de structuren in hout heeft gebruikt als stempels om een afdruk te maken op en in vellen papier. De vormen lijken afvaldelen uit een werkplaats voor houtbewerking. Het is echter meer dan overtollig materiaal, geen paria’s van het proces, verworpen, weggegooid. Het onbruikbare wordt in handen van de kunstenaar bruikbaar, door haar vingers tot zichtbaar element met een verhaal. Een persoonlijk souvenir dat algemeen aan kan spreken. “Ze voegt de delen samen als in een nieuwe landschappelijke en culturele taal”, spreekt het eerder aangehaalde boekje voor mij, “een verklanken van haar eigen plek, haar ‘place to be’.”

    In het oog springend

    Kort en bondig gezegd. Een tegel aan de wand en een stuk afvalhout op de vloer. Het wordt aan de kant geschopt of voorbij gekeken zolang de waarde er niet van is ingezien. De kunstenaar verheft het ongeziene voorwerp tot gewichtig object. Hergebruikt onze blik op onbemerkte dingen, recyclet echter de zienswijze en niet het voorwerp op zich. Dat ding blijft het eigen karakter houden, maar krijgt een gewijzigde aard door de kunst toegezegd en aangemeten. In deze paradox wordt het onopvallende opvallend, het onbeduidende duidt een diepere laag van betekenis. In de samenhang oord en klank is dat onmiskenbaar afgetekend. Het werk is in Kunstlokaal No.8, en overal in het oog springend.

    Tentoonstelling “oord en klank”, werken van Monique Kwist en Takashi Suzuki bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. Van 31 augustus tot en met 22 september 2024.

  • Het toeval geeft de doorslag in Kunstlokaal No.8

    Eigenlijk berust de kunst op toeval. Maar toeval bestaat niet. Toeval is een gestuurde samenloop van omstandigheden. Een gevolg van een oorzaak die we niet zien. Een gebeurtenis die we als mens schijnbaar niet in de hand hebben. Toeval is een illusie. Dat is natuurkundig gezien. Natuurkunstig evenwel is het kunstwerk een illusie. Het is een beeld van wat we zien of voelen. Een replica van de werkelijkheid. Bij toeval gelijkend aan het kijken en het tasten, het begrijpen. Toevallig spreekt het aan, heeft het een verhaal. Zoals de realiteit kan worden overgebracht in woorden, echter beter aanspreekt in beelden. Maar ojee, onvoorzien dwaal ik af van het toeval. Dat had ik eerstens niet voorzien, toevallig.

    Niet bij toeval is het tweetal, nu te zien bij Kunstlokaal No.8, samengebracht in een duo-tentoonstelling. Maar het lot verbindt hen wel. Want zowel bij Marco Arwert als bij René Korten bestaan hun kunststukken uit toevalligheden. Zit bij de één het avontuur in blinddruk op papier, de ander laat het gebeuren met verf op doek. Maar beide kunstenaars sturen de samenloop van omstandigheden, zetten het toeval naar hun hand omdat zij de oorzaak weten en daarom het gevolg kunnen overzien. Die bijzonderheid brengt hen samen in deze omgeving en laat hen gelijktijdig het werk presenteren. Dat maakt ook dat zij in de ogen van galeriehouder Marcel Prins een twee-eenheid kunnen zijn om de 71e tentoonstelling op rij alhier te kunnen bemensen.

    Ritmisch geordende reliëfs

    Het toeval wil dat het blinddrukken zoals Marco Arwert dat hanteert gemaakt lijkt te zijn voor slechtziende mensen. Door de traditionele techniek, en één van de oudste manieren van drukken, ontstaat reliëf in het papier. Op de plekken waar gedrukt is kun je met de ogen dicht de figuratie voelen. Niet daar zit bij Arwert de ongedwongen belevenis, deze komt voor bij het drukken van de nul of de punt van de schrijfmachine. Bij een analoge typemachine, dus niet elektrisch aangedreven, kan de gebruiker bepalen welke mate van druk wordt uitgeoefend op de toetsen. Is er (te) hard aangeslagen dan kan het karakter aan de typearm door het papier slaan. In geval van de nul en de punt ontstaat er dan een gaatje in het papier. Het toeval geeft de doorslag. Een welgemikt schot kan die gebeurtenis op dat moment in die tel sturen, touché.

    Effect van smeren

    De bladspiegels, met punten in een raamwerk of rijen nullen in kolommen, lijken zo uit een boekwerk gescheurd. De taal als beeld. Een onleesbaar letterschrift om te zien, maar leesbaar door te voelen. Als kunstwerk is dat ongepast, niet doen, dan zal het papier beduimeld raken. Dus zal ik met de ogen de ritmisch geordende reliëfs betasten. En zien dat de stemming wel een landkaart vormt, een stramien waarbij de doorslag de figuratie maakt. En houdt Arwert de schrijfmachine dan voor gezien en links liggen, drukt hij een lijnenspel als beeldverhoging. Een landschap in stijl. En perst hij dan een cirkel op papier, lijkt het alsof een druppel in water valt. Toeval?

    Het zal voor René Korten een verrassing zijn dat uit zijn verfstreken bij toeval een begrijpbare vorm ontstaat. Ofwel een beeld dat houvast biedt aan de ogenblik er iets, een tastbaar begrip, van te maken, in te zien. Niet met een plan, maar intuïtief smeert en strijkt Korten eerder opgebrachte plakken verf uit met een spatel. Door te variëren in druk, duur en positie van het strijkmes ontstaan vlakken die ruimte laten voor bestaande onderschildering. Hij werkt nat in nat en schuift kleuren over elkaar in een transparant spel. De getrokken vlakken krijgen het karakter van een landschap. Naast het trekken van de verf, laat Korten de met water aangelengde materie zich ook wel driftig een eigen weg zoeken op de drager. Maar telkens blijft het effect van smeren aanwezig. De compositie lijkt telkens onderweg. In de stilstand van het gekaderde linnen of het vel papier is voortdurend beweging op te merken, een spanning aangebracht.

    De composities laten zich niet eenvoudig omschrijven. Deze schilderijen spreken in hun veelkleurigheid en vormentaal voor zich. Behoeven geen uitleg. Het zijn zelfstandige afbeeldingen, autonome vormen, die buiten de werkelijkheid staan en daardoor zo wonderlijk echt lijken. Voor René Korten is het toeval een vreemdeling en een compagnon. In zijn werk balanceert hij op het snijvlak van de realiteit en een abstracte weerslag daarvan. Het is deze smalle rand waar vanaf de kunstenaar makkelijk kan vallen. Geestdriftig houdt hij zich staande, maar niet onbesuisd of ondoordacht. René Korten beeldt niet af, maar hij beeldt uit.

    Manipuleren

    De kunstenaar kan een realistisch effect in het abstracte beeld manipuleren door over en langs de vlekken zorgvuldig geplaatste lijnen en vlakken aan te brengen, zelfs plantaardige figuraties. Want in onze simpele opvatting verlangen wij ons een voorstelling te kunnen vormen. Proberen wij een vinger te krijgen achter het ondoorgrondelijke, trachten het geheimenis begrijpelijk te maken. Voor onszelf. Het bedrieglijke, de leugen tot waarheid te laten worden. Uit de verf laat Korten een valse realiteit ontstaan. Het is er niet, want het is natuurlijk alleen maar modder op een doek. Maar het lijkt toch te bestaan, als afbeelding van een onderbewustzijn dat verbanden legt met onbestaanbare elementen en realistische details. Toevallig wel.

    Punctueel – Vloeiend. Werken van Marco Arwert en René Korten bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. Te zien van 7 tot en met 30 juni 2024.

  • In stilte van de dialoog hoor ik mezelf ademen

    In de door zonnestralen aangelichte stilte van Kunstlokaal No.8 is het sereen rumoerig. De werken in die ruimte zijn zwijgzaam onderling in gesprek. Roezemoezig staan ze elkaar in beeld te woord. Als bezoeker aan de tentoonstelling voel ik mij een indringer. Echter probeer ik niet al teveel onrust te brengen. Ben ik angstvallig afzijdig. Loop op kousenvoeten zodat mijn schoenzolen niet piepen op de krakende houten vloer. Het storende geluid zal de werken opschrikken uit hun samenspraak en mij geen toegang tot hun duiding geven. Daarom ben ik contemplatief aanwezig, zoek de rust als van een kloosterling in mezelf om de kunst te kunnen beleven. Meditatief beschouw ik wat het kunstlokaal mij doet zien. Kijk ik in gedachten verzonken om het gesprek te volgen tussen de werken onderling. Dan richt het werk zich als vanzelf tot mij, word ik één met de tentoonstelling. Dan hoor ik zoals ik nog nooit gezien heb.

    Spannende ondertoon

    Ditmaal converseren de foto´s van Hans Sas met de tekeningen van Bowe Roodbergen. Bevraagt de stilte het vergezicht. Beantwoordt een tijdloos weidse horizont een zinnig diep-kijken. Hans Sas beziet met zijn cameralens objectief de natuurlijke ruimte. In de grootsheid vangt hij net het detail dat ongezien is maar hem de aandacht trekt. Met een scherp oog voor het creatieve element in de verder gewoon zakelijke omgeving. De creatie wordt recreatief ingevuld. In wat we dagelijks om ons heen zien merkt Sas de spannende ondertoon. Wij kijken wel maar zien niet, wij horen wel maar luisteren niet. De fotograaf ziet voor ons waar wij allang overheen en -langs kijken. Afgevallen blad op bewortelde grond. Bekalkt krathout. Naambordjes in bloembed zichtbaar door het glas van een antieke tuinkas. Je merkt het niet op, maar wordt er door Sas bij bepaald. Hij trekt mij in de sfeer van het landschap. Hij laat mijn blik bewegen over zijn uitzicht. In stille gewaarwording roept de bevroren stemming spanning op. De meerpaal lijkt de einder te stutten, laat zich spiegelen in het water en vormt met een dijkje een rustig perspectief.

    Het werk van Hans Sas rijmt met dat van Bowe Roodbergen. Het vormt geen kwatrijn of sonnet, heeft geen refrein of rondeel. Maar is een vrij vers waarin de beeldspraak het ritme bepaald. De gestileerde ollekebollekes en haikus zijn in balans. Er is halfrijm, volrijm en eindrijm. En, dat is het meest interessant, er is binnenrijm. In de versregels van de fotografie bijvoorbeeld rijmen twee gelieerde prenten. Dat uit zich vooral in de beelden van het landschap. Groene basaltblokken van een pier weerklinken in de groene greppel tussen geploegde aarde. Verrotte dubbele rij palen waaieren naar de einder zoals een stroompje meanderend een weg zoekt in het waddenslik. Het rijm schept rust, de stilte is niet ver weg. De werken zingen samen een woordloos lied, declameren zwijgzaam een regelloze volzin.

    De realiteit laat zich vertalen

    In zijn werk maakt Bowe Roodbergen de stilte voelbaar zoals Hans Sas het zichtbaar maakt. Vooral in de tekeningen van Roodbergen is de poëzie nooit ver weg. Ritmisch bewegen vlakken zich over de ruimte op papier. De vijftig tinten grijs worden onderbroken door zwarte lijnen of een lichte kleurtoets, welke de compositie spannend maken. Het breekt schreeuwend de fluisterende sfeer van het potlood open. Het stileert de werkelijkheid in abstracte vormgeving. De realiteit laat zich vertalen door een aandachtig opmeten van vormen, uitmeten van vlakken. Het landschap is verkaveld, de omgeving is opgedeeld in segmenten aarde. De wereld gerubriceerd. In ´BR 24-5´ geeft een rasterende ruitvorm een nieuwe kijk op een plantaardige vorm en rijmt op de gouden en zilveren ´Vierkantjes Ag´, die zich spiegelt in het papieren object ´BR 21.12´. Ook hier heeft de dichter, samensteller van de expositie, gezorgd voor een beroerende binnenrijm.

    En natuurlijk grijpen de foto´s de aandacht, waar de tekeningen een dieper inlevingsvermogen eisen. Wanneer beide kunstenaars zich spiegelen aan een voorganger wordt de poëtische inslag meer dan voelbaar. Het landschap van Willem van Althuis vertaalt zich in enkele composities van Roodbergen, terwijl Sas de visafslag van Laaxum ter hand heeft genomen. Nevel omhult het met een filter opgenomen gebouwtje. Het vervallen pand is meermalen door Van Althuis geportretteerd, gerenoveerd door olieverf in een serie stillevens. Daarop sloeg Hans Sas aan en heeft een rij foto´s bewerkt waarop de afslag letterlijk beeldend in de vergetelheid schijnt weg te zakken. Bowe Roodbergen raakte onder de indruk van het consequent reduceren van de werkelijkheid. Van Althuis liet op meerdere van zijn werken alles verdwijnen in een waas, alleen de essentie van de atmosfeer bleef over. De wereld is klein op zijn schilderijen, zoals deze beperkt is in mist met 50 meter zicht. Maar ondertussen mysterieus groot, omdat je niet weet wat er achter dat begrensde zicht zich afspeelt. Roodbergen legt over de zwarte nevel op de einder een witte lijn, daarmee tekent hij een horizon waardoor de omgeving handzaam blijft, tastbaar en begrijpelijk.

    Stilte, ademen. Expositie werken van Bowe Roodbergen en Hans Sas bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. 6 tot en met 28 april 2024.

  • Liefde op het eerste gezicht bij kunst en kunstenaar

    De kunstenaars hadden elkaar niet eerder getroffen, wisten zelfs van het bestaan van de ander niet af. Maakten kennis tijdens het ophangen van het werk. Niet alleen zij, maar ook de kunst van beider kunnen was nieuw aan elkaar. De compositie van de een ‘zag’ het werk van de ander in Kunstlokaal No.8 voor het eerst toen het uit de doos kwam. Voorzichtig en omzichtig beleefde het een het ander op het moment dat het aan de wand verscheen. De inrichters hingen het brutaalweg en ongegeneerd door elkaar aan de muur. Niet lukraak maar wel overwogen, streng afgemeten, waterpas. Maar zonder te vragen wat het werk daarvan zou vinden.

    Hoewel het echter een eerste kennismaking betreft is het liefde op het eerste gezicht. Ze wagen zich vrijmoedig aan de ander en aan elkaar. Deze werken passen en lijken voor de ander gemaakt en bestemd. Ver van elkaar ontstaan in eenzelfde emotie. Gecreëerd om tezamen een gesamtkunstwerk te vormen. Een samengestelde compositie bestaande uit diverse delen. Direct nadat het gehangen is raakt het werk gewend en kan meteen communiceren. Zo zodat het tijdens de vernissage zonder woorden aansprak. De titelkaartjes ontbreken, het verhoogt de belevenis van het enkele en het geheel. Als een onbeschreven blad oogt de ruimtelijke compositie de bezoeker tegemoet. Er is een papier waarop de verdeling staat aangegeven, maar dat schuif ik terzijde om onbevooroordeeld het geëxposeerde te benaderen.

    Overeenstemmend in gesprek

    De werken grijpen figuurlijk in elkaar. De sfeer past letterlijk naadloos. Wanneer ik zonder nadenken kijk, mijn kennis uitschakel, merk ik nauwelijks verschil tussen de stijl van Betty Simonides en dat van Frank van Ansem. De composities zijn zo overeenstemmend in gesprek, dat ik mijn stem er niet tussen wil verheffen. Ik houd bij wijze van spreken mijn mond en beleef dit kunstkabinet, dit wonderlokaal, in stilte. Het spel van vlak en lijn, het stoeien met volume en ruimte, geeft al zoveel leven dat ik nauwelijks laat merken dat ik er ben. Verborgen achter mijn beschouwend vermogen kijk ik bedachtzaam rond.

    Het werk bekijkt mij met aandacht terug, in belangstelling afwachtend wat ik ervan denk. Wat mijn bevinding is van hun bevestiging dat zij samen deze verbintenis aan kunnen en zijn gegaan. Het heeft ja gezegd en ik beaam dit volmondig. Zelden zag ik zo een eenheid in verschillend werk. Hoewel Kunstlokaal No.8 er een fijne neus voor heeft om tegenstellingen harmonieus samen te brengen. Er zijn in het twaalfjarig bestaan van de galerie al meerdere kunststukjes langs gekomen. De duo’s bleken maar al te vaak door te kunnen voor een solotentoonstelling. Het meervoud was veelal een enkelvoud. 

    Met warm doorbloede hand gemaakt

    Frank van Ansem speelt gespannen met lijnen en vlakken. Even uitgezet en afgemeten als de ruilverkaveling het land indeelt. Op het scherpst van de snede is het keurig in balans. Evenwichtig recht getrokken en stijlvol ingekleurd. De lijnen trekken de blik de compositie in. Er is experiment in die lijn en dat vlak, maar vooral in de structuur van de drager. Deze wordt niet weg geschilderd, maar blijft zichtbaar als houtnerf en doorbreekt speels de schijnbare zakelijkheid. Het is geen geprogrammeerde AI maar is met warm doorbloede hand gemaakt. Even fantasierijk als de graffiti waar Van Ansem zich voordien mee bezig hield. Beide bezigheden lijken rechtlijnig tegenover elkaar te staan, maar vormen een doorgetrokken lijn in het oeuvre van deze kunstenaar.

    Het platte vlak treedt de ruimte in bij de uitgestalde objecten. De uitgestreken lijnen richten zich op, lijken volume te krijgen in de lengte en de breedte. De uitdrukking blijft de abstracte vorm in een kubusachtige entourage. Fragile, maar niet breekbaar, toont het zich in beperkte afmeting robuust en krachtig. Stevig werk, op klein formaat groots. En zo past het zich aan op dat van Betty Simonides. Dat ook geen grootsheid nodig heeft om hoogmoedig te zijn. En geen pretentieuze inspiratie kent om enkelvoudig aan te spreken. Een reeks kleurige kleine rechthoekige panelen aan de wand en op de vloer doen denken aan een rij boeken in mijn kast. Netjes naast elkaar geplaatst op formaat, niets valt uit de toon alsof gerubriceerd op alfabet. Het daglicht vindt er een weg in om al bladerend schaduw te vinden.

    Bedachtzaam opgebouwd

    Minimal art is geen arme kunst maar heeft schijnbaar weinig aanknopingspunten nodig. Het werk dat Kunstlokaal No.8 brengt zou je ruwweg onder dat minimalisme kunnen scharen. Betty Simonides heeft hoogstens aan een enkele kleurlijn genoeg om aan te spreken. Of een meervoudige verschuiving van een enkel kleurvlak. De transparante verfstreken, met een brede kwast aangezet, zijn observaties van het materiaal en mijmeringen over de werkwijze. Het werk is bedachtzaam opgebouwd, stijlvol gearrangeerd en doet de compositie kleurrijk klinken. Het is niet alleen de gebruikte materie dat aandacht krijgt, maar meer nog hoe de uitwerking in de ruimte daarop en daarvan is. Op welke manier de kleur van het paneel een kunstwerk maakt en hoe zich dat verhoudt tot het licht dat een scherpe dan wel diffuse schaduw werpt. 

    Het lijkt op het eerste gezicht een kille tentoonstelling daar in Kunstlokaal No.8. Maar door het speelse spel met kleur, vlak en lijn dat bedachtzaam communiceert met ruimte en licht brengt het een warme sfeer binnen. Een behaaglijke stemming om te genieten van kunst in meervoudige eenvoud. De drempel lijkt hoog voor de minder geoefende kunstbeschouwer, maar is aangepast laag om de figuurlijk gehandicapte kunstliefhebber tegemoet te komen. De kunst in het voormalige schoollokaal is niet moeilijk of minder makkelijk leerbaar ernaar te kijken. De eigenaars willen onderwijzen en laten zien dat kunst vele kijkbare vormen heeft. Alles kan.

    Handeling en Ervaring. Werken van Betty Simonides en Frank van Ansem in tentoonstelling bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. Tot en met 24 februari 2024.

  • De camino van Antón Hurtado heeft geen stip op de horizon

    Hij vindt zijn inspiratie al wandelend langs ’s Heeren wegen. Dolend en dwalend door de landschappen van Navarra en Baskenland. Zijn thuishaven is Bilbao, zijn geboortegrond Pamplona. Door die stad loopt een pad naar Santiago de Compostella in Galicië. Het einde van de voettocht naar de relieken van de beschermheilige van Spanje, apostel Jacobus de Meerdere. De oude Keltische weg naar het verre westen, het einde van de wereld – finis terrae. Deze wordt nu schoorvoetend, stapvoets maar met opgeheven hoofd aangevangen. Als is het een pelgrimage, als doet men boete. Of als is de reiziger op kalme zoektocht naar God en komt zichzelf tegen langs berg en dal.

    Antón Hurtado echter loopt om zijn kunst te laven. Caminar para disfrutar del arte. Zijn wandeling is de voedingsbodem voor zijn scheppen, en camino a crear. Hij is over dat Jacobspad gegaan, hij heeft heuvels bewandeld en bergen beklommen. Op zoek naar de essentie van het landschap. Onderweg details registrerend. Schetst deze in een realistische stijl om het gevoel en de idee bij die plek vast te houden. Maakt aquarellen van het landschap en werkt deze thuis in het atelier uit in abstracte composities. Daar in de werkruimte vindt hij uiteindelijk het wezenlijke van de omgeving, de kern van de realiteit.

    Het op weg zijn, om het kijken, de beweging

    De Spaanse kunstenaar laat op dit moment zijn werk zien bij Kunstlokaal No.8 in Jubbega. Naast de zichtbaarheid van het landschap is het surreële daarvan geplaatst. Om het verhaal duidelijk te maken verduidelijkt galeriehouder Marcel Prins. Surrealisme als in bovennatuurlijk, het onzichtbare zijn. De lijnen en vlakken die in de natuur te herkennen zijn wanneer ik er oog voor heb. Meestal zijn deze landmerken overwoekerd door mijn gedachten. Door aannames op welke manier ik zal kijken. Vooroordelen hoe de wereld erbij hoort te liggen. De vertaling van Hurtado overzie ik niet, in eerste instantie. Deze ligt evenwel voor het oprapen, aan mijn voeten zo gezegd. In de lappendeken kan ik de voetstappen van de kunstenaar volgen. Met hem oplopen. Want in zijn werk gaat het om het op weg zijn, om het kijken, de beweging en het maken.

    Hij is letterlijk op weg door de landschappen van zijn geboortestreek. En figuurlijk op reis door zijn leven, door het oeuvre. Hij gaat almaar door, loopt volhardend voort. Maar niet recht op zijn doel af. Dat zou zijn eindpunt betekenen. Daar is de kunstenaar niet aan toe, nog. Hij wil onderzoeken, experimenteren. Het landschap onderwijst hem, hij is de leerling en leert doorlopend. De vormen en kleuren, de ruimte en het licht, neemt hij tijdens de voettochten mee in zijn schetsboek. Op de wandelingen legt hij zijn waarnemingen vast. Deze geschetste herinneringen werkt hij uit tot de idee zichtbaar wordt, het ondervonden gevoel op die plek.

    Wandelen er twee zielen langs de historie met éénzelfde gedachte

    Het is zijn emotie die in hoekige vlakken op doek en papier staan. Deze vertaling van de veelvormige realiteit tot enkelvoudige abstractie laat mij het tweeluik “zuurkoolpakhuis” van Willem van Althuis in gedachten komen. Willem deed toen in al zijn ongekunstelde oprechtheid wat Antón overdacht en weloverwogen nu doet. Onbekend als Hurtado is met dat werk blijkt de geest dezelfde. Wandelen er twee zielen langs de historie met éénzelfde gedachte. Lijkt Willems’ idee gereïncarneerd in Antóns’ denken. De laatste heeft deze aanzet sterk en tot in finesse uitgewerkt. Maar de geest van de kunst waart door alle landen. De kunst kent geen grenzen. Friesland is een provincie van Spanje. Kunst is niet taaleigen. Iedereen kan het spreken en elke verstaander kan het beluisteren. Soms alleen moet je de toespraak vaker horen om de uitspraak te doorzien.

    Antón Hurtado verstaat het landschap dat hij bewandelt. Hij doorziet de omgeving op zijn voettocht. Registreert de zichtbaarheid. Legt zijn ervaring vast in transparant geschilderde horizontalen en verticalen. Net als de flora en de fauna in dat landschap ontmoeten deze wiskundige eenheden op doek elkaar. Daardoor en daarmee worden nieuwe vormen gemaakt. De creatie neemt niet altijd duidelijk de oorsprong in herinnering. De horizon die het landschap tekent is veelal ver te zoeken of helemaal niet aanwezig. Want de kunstenaar graaft dieper dan de zichtbare werkelijkheid. Het is zijn realiteit die is ervaren en ondergaan bij het kijken. Het is een herschepping van de veelheid aan indrukken. Die verscheidenheid wordt gereduceerd tot een enkelvoudige uitdrukking. De essentie van zijn reflectie op het landschap.

    Na elk volgend schilderij kan de vormgeving met nog minder beeld toe

    Is voor de pelgrim Santiago de Compostella het einddoel, of Mekka, of Trondheim, of de Sint Pietersberg, of waar dan ook om zich te bezinnen. Voor Hurtado is het wandelen naar en aankomen op een bepaalde plek niet het eindpunt. Eigenlijk begint dan pas zijn tocht, zijn reis naar de verdere grens om deze vervolgens over te steken. De doelstelling wordt voortdurend gewijzigd. Hij tekent zijn eigen plattegrond uit, maakt zijn persoonlijke navigatie. De stip op de horizon wil hij niet bereiken, nog niet. Het oeuvre breidt daarom almaar uit. Wordt breder en verdiept zich gaandeweg. Want iedere keer en na elk volgend schilderij kan de vormgeving met nog minder beeld toe. Om de bodem te bereiken, het hart sneller te laten kloppen. De kern te halen, te komen tot het wezen. Iedere volgende creatie is het doel, de bestemming die bij leven nooit zal worden bereikt.

    CAMINAR. Tekeningen en schilderijen van Antón Hurtado bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. 7 tot en met 29 oktober 2023.