Category: Laatste drie geplaatste stukjes

  • Met Egbarta Veenhuizen op reis door het innerlijk landschap

    Uitingen van de rijkdom die een reis door het innerlijk landschap kan bieden“, zo besluit kunsthistoricus en publicist Rients Kooistra zijn intro tot een boek over het werk van kunstenaar Egbarta Veenhuizen. Het is een enigszins gedateerd boek, maar de kunst die daarin getoond wordt blijft actueel. Zoals vrijwel elk kunstwerk niet tijdgebonden is. Vrijwel, want wat te denken van kunst die uitsluitend in het heden wil leven, zoals politieke propagandakunst en satirische prenten. Deze lopen het risico door datzelfde heden ingehaald te worden. Dat maakt het niet minder interessant, maar wel meer kwetsbaar voor veroudering dan kunst die zich richt op meer universele ervaringen. De persoonlijke ervaringen van Egbarta Veenhuizen blijken universeel, algemeen, om niet te zeggen wereldwijd aansprekend. In een uitgave bij Mauritsheech Publishers met een oplage van 500 exemplaren zal het boek inmiddels wel aan de man zijn. In de museumwinkel van Belvédère zag ik het liggen en het interesseerde me. Door een opdracht een korte film over haar Groenland-project te maken kreeg ik van de kunstenaar een gesigneerd exemplaar met als tegenprestatie dit artikel.

    Het werk dat in het boek, met als ondertitel ‘het raadsel wordt er niet minder om‘, staat afgedrukt omvat twee decennia van scheppen: 1990 tot 2010. Twintig jaren waarin het raadsel van creëren alsmaar dieper is doorgespit en uitgebeend. De dramatiek van het zijn, het mysterie van het leven, heeft kop en staart in de tekeningen van Veenhuizen. Handelingen en gebeurtenissen krijgen symbolische betekenissen, de menselijke figuur als metafoor in een cartooneske omgeving.

    Het beeld mij eigen maken

    Van de raad maak ik dus een daad door het boek te openen. Ik ga op reis door het innerlijk landschap. En probeer daarbij mijn landschap in dat van Veenhuizen te passen, zodat beide samenvallen – dat ik haar betekenis aanvoel. Want wat zie ik, welk beeld neem ik waar, wat is er aan de hand? Volgens Kooistra lijken de tekeningen rebussen en heeft de kijker als taak van de losse onderdelen één geheel te maken. Egbarta Veenhuizen geeft de woorden aan waarmee de lezer van haar beeld een verhaal dient te maken. De titel van het werk geeft nog een ingang. Echter, wanneer het werk zonder titel zich manifesteert, komt het aan op mijn eigen verbeeldingskracht. Feitelijk zijn dat de meest speelse werken, omdat ik dan een persoonlijke verklaring aan de tekening kan geven – het beeld mij eigen kan maken. Bij een opschrift gaat mijn gedachte een bepaalde kant op. Slaat mijn gedachte een weg in die door de kunstenaar is gewezen.

    In het geval van Veenhuizen is de benaming echter even cryptisch als het beeld zelf. Krijg ik de kop maar niet bij de romp, geeft het etiket het raadsel een gelaagde inhoud. Dus houd ik mij de uitspraak van Max Kozloff, in de vertaling van Huub Mous, maar voor: “The eye can never be forced to ‘think’, but the mind can be made to see“: “Het oog kan niet denken, maar de geest kan zien“. Ofwel niet het verstand op nul, maar wel de blik op oneindig. Dan zie ik slechts de buitenkant van een mens, die de verpakking is van die persoon. Het voorkomen, het aangezicht, is de gedaante van een mens. In dat silhouet schuilt het karakter, de geaardheid van het wezen. De tegenwoordigheid is wat ik als werkelijkheid beleef, het innerlijk is een abstract gevoel. De ziel van de figuur is dan te ontdekken wanneer de luchtbel wordt doorgeprikt, van het glazen huis de ruiten zijn ingegooid. De essentie van het beeld ligt in een diepere laag.

    Het kijken naar het werk van Egbarta Veenhuizen kan vragen losmaken waarop het zichtbare beeld geen antwoorden geeft. Wie zijn het, hebben ze een naam? De figuren zijn niet ‘naar het leven’ getekend. Een krantenfoto of een vergrijsde afdruk uit het familiealbum kan een bron van inspiratie zijn, maar over het algemeen is het portret uit het hoofd opgezet. Het gaat Veenhuizen ook niet om een specifiek persoon, meent kunsthistoricus Huub Mous. “Het gaat haar om de relatie tussen haarzelf als kunstenaar en een menselijke figuur die zij observeert.” Wie een mens tekent maakt zich een voorstelling van die persoon. Hij of zij ziet een beeld, een uiterlijke gestalte, observeert in zijn of haar verbeelding een lichaam, een houding. De kunstenaar heeft in de praktijk voldoende beeldmateriaal opgedaan om zonder model theoretisch een nauwkeurig lijf te beelden. En zelfs door de buitenkant een beeld te presenteren dat de binnenkant weergeeft. Die emotie, dat gevoel, spreekt dan in het zichtbare beeld, de tekening.

    Verplaatsen in de geest

    Het kijken naar de werken van Veenhuizen vergt doorkijken. Niet wat ik zie is wat het is, maar wat zich achter de voorstelling bevindt. De zichtbare werkelijkheid maskeert de inspiratie, het achterliggende idee. Het figuurlijke mombakkes verbergt de emotie van de maker. De maskers gaan af wanneer de kijker door die façade prikt en op eenzelfde golflengte komt te zitten. Dat vereist inleven en meevoelen, je verplaatsen in de geest van de kunstenaar. Dat is geen eenvoudige opgave, zoals ook het oplossen van een vijfsterrencryptogram dat niet is. Complexe woordspelingen, dubbele bodems en anagrammen kenmerken de hersenbreker. Egbarta Veenhuizen verwerkt in haar composities beeldspelingen, gelaagde visuele verwijzingen en beeldraadsels, waarvan de oplossing zich pas gaandeweg openbaart. Het is noodzaak zich in te leven in de denkwijze van de puzzelmaker. Wat bedoelt deze, wat heeft hij voor ogen? Je blokt en puzzelt, peinst en beredeneert. En opeens, eureka!, heb je de oplossing, het antwoord. Zo is dat met de kunst van Veenhuizen. Je kijkt en beschouwt, doorziet en overdenkt, en dan gaandeweg opent het beeld zich en begrijp je het idee. Het is niet eenvoudig, hoewel het picturaal herkenbaar is. Dat komt door die gelaagde betekenissen en visuele dubbelzinnigheden. De abstracte werkelijkheid, de symbolische realiteit. Logo’s van de emotie. Beeldmerken van het gevoel.

    Laat ik Huub Mous weer aan het woord: “In het werk van Egbarta Veenhuizen gaat het niet zozeer om het mechanisme van de betekenisgeving, maar meer om de manifestatie van een betekenis als zodanig.” Dat was eerst, zo is het begonnen. Het vroege werk heeft nog niet geheel de vorm gekregen die het zou moeten hebben, waar Veenhuizen naartoe wil om zichzelf te uiten. Ze is als kunstenaar nog in de groei. Haar kunst is nog in ontwikkeling. Het werkt langzaam toe naar de betekenis die in de houding en de mimiek van het lichaam ontdekt gaat worden. En daarmee komt dan de gelaagdheid in het werk binnen. En hoeft de kunstenaar niet meer te observeren, maar kan vanuit zichzelf werken.

    Het lijf is figuurlijk gezien haar lichaam. De verbeelde uitdrukking is haar gevoel. Dat maakt de werken puur persoonlijk, voor de buitenstaander minder makkelijk te doorgronden. Echter, Huub Mous weet wat daarvan de oorzaak is, misschien. “Misschien omdat het onbewuste moment van de artistieke creatie meer ruimte heeft gekregen in het proces dat aan het ontstaan van de voorstelling vooraf ging.” Een mooie volzin die de essentie van het werk probeert te vatten. Is de figuur meer herkenbaar, de duiding van het beeld blijft duister. Is er een verschuiving naar een verstaanbaar beeld, het antwoord op de vraag blijft dubbelzinnig. Dat is daarom dan ook de ondertitel van het boek: het raadsel wordt er niet minder om.

    Nog is het werk mysterieus, geheimzinnig. Veenhuizen weet haar kunst steeds dubbel te laden. Niet alleen in het platte vlak, maar zeker ook in een ruimtelijk beeld. Maar dat laat dit boek nog niet zien. Na dit boek zullen bezoeken aan arctische gebieden haar kunst thematiseren. Maar dat is gezegd met de kennis van nu. In 2011 had Veenhuizen er nog maar één reis opzitten. En lonkten Groenland en IJsland nog. Was de koude nog niet in de composities geslopen. De werken in dit boek stralen de warmte van het mogen scheppen. Het plezier in het tekenen, het ontdekken van aansprekende thema’s, het experimenteren met nieuwe technieken en handschriften. Het boek toont het werk niet in chronologische volgorde. De focus ligt eerst op het dan nieuwste werk. Waarna stapsgewijs door het oeuvre wordt gegaan, een stap achteruit en dan twee vooruit. Zo kan de betekenis met terugwerkende kracht duidelijk worden. Van het heden in 2011 naar het verleden van 1990. De reis door het innerlijk landschap heeft nog niet de eindbestemming bereikt, er is nog voldoende rijkdom te ontdekken.

    Egbarta Veenhuizen, het raadsel wordt er niet minder om: een selectie van werk (1990-2011). Tekst Rients Kooistra, Huub Mous. Uitgave Mauritsheech Publishers, 2011.

    Egbarta Veenhuizen
    Egbarta Veenhuizen
    Broos geheel

  • Marike Hoekstra werkt met verdriet in Trauerarbeit

    There will be other songs to sing, another fall, another spring, but there will never be another you.” Door de deur is meteen de drempel geslecht. De toon is gezet. ‘Trauerarbeit’ raakt de juiste snaar wanneer je er gevoelig voor bent. En dat ben ik. Het boek dat de weerslag is van een project spreekt aan, daar het over verlies gaat en de omgang daarmee. De zin op de titelpagina komt uit de jazzstandard “There will never be another you” geschreven door Mack Gordon voor de musical “Iceland’(1942), later gezongen door onder meer Chet Baker, Frank Sinatra en Andy Williams – kortgeleden nog door Rickie Lee Jones. Heel dikwijls kunnen anderen verwoorden waar jij met moeite woorden aan kunt geven. Zo gebruikt Marike Hoekstra teksten van elders in haar beeldende taal, omdat het wiel niet opnieuw uitgevonden hoeft te worden. Omdat verdriet en rouw universeel zijn, passen bestaande woorden, klanken en beelden vaak als een aangemeten jas. Een jas die je aan de kapstok kunt hangen en voor een moment aan iets anders wilt denken. Maar die jas hangt daar in het zicht. Soms storend aanwezig, maar meestal een uitkomst bij regenachtig weer – de tranen zijn nooit ver.

    Kun je werken aan verdriet? Je kunt werken met verdriet, dat moet wanneer het je overkomt. Verdriet kun je niet verwerken. Verdriet is nooit af, nooit klaar. Er staat geen punt achter verdriet, altijd een komma en soms zelfs een dubbele punt. In ‘Trauerarbeit’ draagt Marike Hoekstra het verdriet op handen. Letterlijk. Op het omslag is dat in tekening al meteen zichtbaar gemaakt. Het is niet eenvoudig de gelaagde tekeningen in het boek te duiden. In hun expressiviteit geven deze een directe impressie van de emotie. En dat is niet eenvoudig door een buitenstaander te beoordelen. Het dient bekeken te worden, aangevoeld, begrepen. Dus houd ik me liever bij de sfeer waarin het boek zich aandient wanneer ik het open.

    Een eeuwige vlam

    Om te werken met verdriet daarvoor kent de Nederlandse taal geen juiste term die de lading dekt, schrijft Marike Hoekstra in haar nawoord ofwel de verantwoording. Er is zoiets als (professionele) rouwverwerking, dat impliceert dat het verdriet eens klaar moet zijn. Dat je over het dode punt raakt en verder met het leven gaat. Maar dat is niet mogelijk. Het dode punt is geen stip op de horizon. Er is licht aan het eind van de tunnel, maar heel vaak wordt dat door iets of iemand uitgedaan. Soms is er een iets of iemand die het vuur opstookt. Want een vonk is er altijd, een eeuwige vlam.

    In de toelichting geeft Hoekstra uitleg aan haar kunst. Beelden hebben echter geen verklaring nodig. Zodra er tekst in het beeld verschijnt rijzen er vragen, dan wenst de kijker antwoorden. Zonder titel en zonder woorden leeft het beeld, kan het een individuele gewaarwording zijn. Maar duikt een tekst op, een uitgeschreven gedicht in de schildering of een uitgeknipt fragment in een collage, dan is de ervaring onpersoonlijk, dan spreekt het gevoel van de maker honderduit. Omdat het hier echter zeer persoonlijke kunst betreft waarbij ik aansluiting moet zoeken om de betekenis ervan te vinden, is de motivering van het werk een welkome aanvulling. Het is geen uitleg derhalve maar een toelichting, een verantwoording waarom het er is en de manier waarop het er is zoals het er is. De inspiratie van het zijn.

    Hoekstra is in de tijd op reis gegaan, vanwege haar verdriet echter nooit meer thuis gekomen. Die dag van verlies heeft haar leven gebroken, er is een voor en een na. Door de tekeningen een beeld aan het verdriet te geven, verdwijnt het niet. En dat is ook niet de bedoeling. De kunst is geen uitlaatklep, het is een middel om het verlies als een gevonden goed te kunnen beschouwen. Het tekenen is een ritueel geworden om met verdriet te werken. Het is geen verwerken, want het verdriet moet niet weg. De gebeurtenis, oorzaak van het verdriet, is geweest. De treurnis echter is.

    Loze beloften

    Verdriet zit niet tussen de oren, het werken ermee is een dagtaak. Het betaalt niet uit, maar loont wel – het levert iets op. Werken met verdriet, trauerarbeit – rouwarbeid, geeft het leven kleur maar het krijgt niet de glans die het voorheen had. Je kunt het oppoetsen tot je een ons weegt, het blijft een lachen als de boer met kiespijn. Door de zielenpijn heen denk je de zon achter de wolken te zien schijnen. Na regen komt zonneschijn, na lijden komt verblijden, na storm komt stilte; het zijn holle frasen – loze beloften. Want je kunt geen krokodillentranen huilen, er bestaan geen rozen zonder doornen. “Kleine zorgen kun je delen. Maar er is een soort verdriet dat mensen niet meer kunnen helen. En dat hoeft ook niet“, hoor ik Toon Hermans bij leven zeggen. En zo is het. En Vasalis schreef “Veel soorten van verdriet, ik noem ze niet. Maar een, het afstand doen en scheiden. En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.”

    Marike Hoekstra haalt in haar werk Vasalis meermalen aan, want de dichter en psychiater kan met woorden troosten waar de kunstenaar probeert met beelden te helen. “Moeder, zeid hij, waarom schreit gij? / Waarom greit gij op mijn lijk? / Boven leef ik, boven zweef ik / Engeltje van ’t hemelrijk”; Joost van den Vondel draagt de pijn, waardoor het leed beter te verdragen is. De woorden van Paternak maken een winternacht tot zomerwende. Een tekst kan het beeld overnemen, echter nooit vertalen. De taal van het woord past never nooit niet de spraak van het beeld. Een beeld zegt meer dan duizend woorden is niet zomaar bedacht. Het beeld is universeel, het woord plaatsgebonden.

    Geboortedatum

    Het boek ‘Trauerarbeit’ spreekt mij aan, zoals het iedereen zal aanspreken die met rouw te maken heeft. Het boek is daarin een goede raadgever, omdat het past als een handschoen. Vele van de tekeningen zijn zo als pleister op mijn wonde te leggen. Niet om te helen of te genezen, maar om ermee te leren omgaan. Vooral een specifieke datum in het boek bleek bij mij de weemoed op te roepen, waardoor ‘Trauerarbeit’ voor mij een bijzonder kleinood is geworden. Een boek dat een ereplaats in mijn boekenkast heeft gekregen. Wanneer je ontdekt dat jouw geboortedatum een bijzonder moment betekent in het verlies bij een ander mens schept dat een band. Een verbinding is gelegd, die niet fysiek is en waar die ander geen weet van heeft. Nu wel, nu ik het hier beschrijf. Zo is Noah, het onderwerp (middelpunt) en inspiratie voor het boek, opeens eigen en vertrouwd. Ik zal voortaan op mijn verjaardag denken aan zijn geboortedag. Zo dragen mensen samen het leed van de wereld.

    Marike Hoekstra viert het leven. Ze heeft geen afscheid genomen. Wel fysiek; het lichaam is gegaan. Door over Noah te tekenen, hem op te nemen in haar kunst, kan ze hem echter blijven liefkozen. Blijven aanraken. Niet met de vingers, hoewel het scheppen van nieuw leven op papier handwerk is, het betasten doet ze nu met haar emotie. Voelen is gevoel geworden. De ene keer liefdevol, de andere keer opstandig en dwars. Die wisseling van stemming valt opmerkelijk duidelijk in de kunstwerken te lezen. Met zachte hand verdraagt verleden tijd werkelijkheid. Met harde hand blokkeert weemoed het verlies. Ermee leven betekent niet achterlaten. Noah is nog steeds onderdeel van het gezin. Door de tekeningen blijft ze in gesprek. Dat betekent niet dat ze haar verdriet niet heeft verwerkt; ze werkt ermee om het vooral niet te vergeten. Het project is geen afgerond geheel, het blijft voortdurend in beweging en groeit uit tot een levende legende. Niet een aandenken als is het een souvenir van een leven, maar een denken aan om niet te vergeten.

    Ik volg haar in het rouwproces. Een ontwikkeling die geen resultaat vergt. Dat resultaat is al het proces op zichzelf. Expressief handschrift. De werkelijkheid abstract. De realiteit is hard, maar moet beleefd. Het kind blijft leven in het sterven, omdat het beeld krijgt. Fotocollages pakken fragmenten, omgeving die herkent wordt, maar het blijft buitenshuis, gaat buiten de mens om, onpersoonlijk. De tekeningen zijn meer nadrukkelijk, geven duidelijk weer waar de geest een uitweg zoekt. Het is niet alles treurnis in dit boek, het is veel meer een liefdevolle uitgave, een monument. Een herinnering aan een leven dat te snel tot een einde is gekomen. Schreef Bram Vermeulen “en als ik dood ga, huil maar niet / ik ben niet echt dood moet je weten / het is het verlangen dat ik achterliet / dood ben ik pas als jij dat bent vergeten” dan houd ik me daar aan vast wanneer ik het boek van Marike Hoekstra nog eens doorblader en de beelden beleef.

    Trauerarbeit. Beeld, tekst en ontwerp Marike Hoekstra. Uitgave in eigen beheer, 2025.

    Marike Hoekstra, Trauerarbeit

  • Mijn wilsbeschikking als gelukkig mens

    Voorin, het staat er, zwart op wit gedrukt: Voor Harry. Twee bladen daarvoor staat met de hand geschreven: Voor Jurjen. Het is van mij, voor mij. Deze dunne gedichtenbundel, dik genoeg om er in te verdwalen, lijvig als het leven. Na de inhoudsopgave en zes regels van de Harry van Doveren val ik meteen met mijn neus in de ranzige boter. Schrijfster dezes, de poëte Kine Brettschreider, slaat met pen en papier wild om zich heen – het recept om te lezen doorregen met opiaten en opioïden. Direct is al duidelijk dat het minder duidelijk is. Dat het verkeerde been wordt uitgestoken, waarover ik als een ezel meerdere malen struikel. Desondanks houd ik de opdracht in het achterhoofd: “we willen dat iedereen ons zonder misverstanden begrijpt / misschien is het goed om eens te zeggen dat onze levenslust / zich afzet tegen de onveranderlijkheid van verveling”. Waar las ik dat eerder?

    De dichter geeft aanwijzingen hoe dagelijkse dingen tegemoet te gaan. Korte notities als boodschappenbriefje voor de supermarkt van het leven. Harry, zo zou je kunnen zijn. Maar ik voel me aangesproken. Ze had het toch voorin geschreven? Maar de bundel is geen recept voor mijn leven, het is het voorschrift waar de dichter zich aan wil houden. Probeert te houden. Daaruit kan ik mijn eigen voordeel trekken. Want, maakt de kunstenaar niet vooreerst het kunstwerk voor zichzelf? Later, wanneer een gevoel overeenkomt met de kijker wordt een juiste snaar geraakt, klinkt het vertrouwd en kan het de wereld in.

    Aandacht en geduld

    Weeszinnen, lees ik, die kop noch staart lijken te hebben. Losse woorden, rondgestrooid dat het gedrukt staat. Maar tussen de regels door, zelfs tussen de woorden door, vallen er verbanden te ontdekken – relaties te leggen. Kine vermeldt veel niet, laat ruimte om te associëren. Alles klopt echter, valt niet uit elkaar maar past aan. Poëzie lezen vraagt aandacht en geduld. Sterker nog: als je een gedicht na één keer lezen meteen kunt doorgronden, dan is er iets mis met de poëzie of met de lezer.

    hortensia

    Dat Kine de hortensia als springplank neemt om een theebloem te worden is niet zomaar uit de lucht gegrepen. Die bloemen fungeren in de bundel niet alleen als planten, maar ook als symbolen voor verschillende manieren van in het leven staan. Het is een dichterlijke hang naar harmonie, vrede en liefde. Door alle manieren te vinden om de plant te bemesten, te kruisen en te cultiveren is ze feitelijk bezig de wereld zichzelf te laten worden. Alle menselijke besmettingen te doen verdwijnen en terug te keren naar de hof van Eden. Het paradijs op haar vierkante meter onder dak in de kas of het atelier, de keuken. Nadat ze alle variëteiten in overvloed heeft uitgeprobeerd moet ze constateren dat het een onmogelijk streven is de wereld te veranderen door bij zichzelf te beginnen. Ondanks de aandacht te laten groeien om te verbinden kan zij in het diepst van haar gedachten geen waardevolle relatie opbouwen.

    De theorie loochent de praktijk. In schoonheid is ze harmonieus oprecht, zoals de hydrangea. Ze richt zich op de enkeling, niet op de samenhang van onderdelen als in de bloomingteaflower. Ze dreigt erysimum te worden, derde keus, maar ze bezit veerkracht hoewel ze zich in de achtergrond het best op de plaats voelt. Dat is een aanname gezien het pseudoniem dat ze bezigt. Ze wil floreren vanuit haar eigen basis, zonder de behoefte aan applaus. Voor het voetlicht treedt ze met poëzie die is opgeslagen in dichtbundels. Dus waarom zou ze zich verontschuldigen geen theebloem te zijn. Waarom zal een dichter zich überhaupt pardonneren voor wat hij of zij niet is of juist wel wil zijn. De lezer verdicht lyrisch het bewustzijn om de geest te personifiëren.

    theebloem

    Kine geeft meermalen in haar verzen een opsomming van wat te doen, hoe te zijn. Waarom op aarde te zijn. In de geest van alter ego Ig is niet alles ijdelheid, integendeel. Ig lijkt daarbij zowel een personage als een afsplitsing van de dichter zelf, een stem waarin verschillende kanten van haar persoonlijkheid samenkomen. Ze bestaat uit diverse perspectieven, van verschillende kanten te bekijken. Een legering van gedachten, dus wel een theebloem. In Ig komen alle genen van Kine samen. Ik zie dat voor me, een bolletje met jasmijn, roos, goudsbloem en lelie. Een boeketje dat je schenkt als blijk van waardering. Voor Jurjen.

    Iets moet er gebeuren

    Na 22 jaren in het leven maakt Ig het testament op van haar jeugd. De wilsbeschikking staat er echter al na drie weken. Want Ig kent geen leeftijd, heeft geen grenzen. Voelde zich eerder een trekpoptt, Kine trok aan de touwtjes. En dat doet ze nog steeds, want Ig leeft voort buiten het diepst van haar gedachten. Wat heerlijk om zo gemaskeerd het leven tegemoet te treden. “de tijd vliegt niet zonder betekenis / iets moet er gebeuren / het weigeren / het kwetsen / / / doorgroeien en iets zeggen / geen lege loods zijn / waar iemand wanhopig rondrent

    kine brettschreider, ig

    Het wereldgemiddelde, de doorsnede van de mensheid, vindt het helemaal niet zo gek om het hoofd eens helemaal leeg te maken. Woorden en klanken die in de weg zitten uit te schrijven, van je af te schrijven, uit te spuwen. Dat braaksel heeft die Harry bijeen geveegd om poëzie, die zich niet als gedichten laat vermommen, uit te drukken. Geen fastfood, maar krachtvoer. Deze Kine doet dat eens netjes over op een meer gestroomlijnde en overdachte wijze. (Leven onder één dak maakt van de een en de ander een twee-eenheid.) De tweede lezing bij het lezen van gelukkig de mens stuurt het woordenboek iedere kant op die Van Dale maar voor mogelijk heeft gehouden. De eerste lezing is behoudend als een psalmboek. Echter het is een zaak van de bewuste klok en de onbewuste klepel. De bestaande tekst naar je hand zetten voor de goede verstaander onaf te maken.

    Ik meen er fragmenten uit melodieuze liedteksten in te herkennen, die hier een andere betekenis hebben om aan de context te rammelen. Concrete observaties krijgen plots een vervreemdend karakter. Lichamelijk, alledaags en licht ontregelend. Het verklaart zichzelf niet volledig, het blijft rondzingen in beeldklanken. Die vervelende feedback piept en bromt mij tussen de oren. Zo kan ik dit dichtwerk vergelijken maar niet verklaren. Misschien is dat uiteindelijk ook precies de bedoeling van deze bundel: niet begrepen worden als een rekensom, maar ervaren worden als een toestand. Daar ik niet telkens besef wat ik lees, zingt het begrip vervelend rond in mijn hoofd. In de gelaagde poëzie lijkt de schijn te worden opgehouden. Schijnt het lijk uit de kast te komen. Maar ik kan die kast maar niet van het slot krijgen. Ligt de sleutel onder de mat of in de bloempot, achter het behang geplakt of boven de deur op het kozijn gelegd. En dan blijkt de kast helemaal niet op slot te zitten, ik kan zo bij de inhoud – het lijk aanraken en betasten.

    Een boekje open

    Begrijp ik wie of wat Kine is, denk ik haar persoonlijk te kennen, dan kan ik een vinger achter haar verantwoording krijgen. Dan vallen de woorden als een puzzel in elkaar, passen mij de regels en stemmen de zinnen overeen waar ze eerder dachten niet aaneen te sluiten. Het dichtwerk correspondeert met mijn geestelijk zijn. De brief is in duidelijk handschrift opgesteld. De dichter doet met deze bundel een boekje open. Het is een uiterst persoonlijk geschrift. In ‘sexo’ komt ze bij haar zeer toegewijde persoonlijkheid. Het is een ode aan haar derde keus, de Harry van de opdracht. Gedurende de bundel groeit hij uit van een naam in een opdracht tot een voortdurend aanwezige figuur in de achtergrond van de gedichten. Met hem wil zij door tegen wil en dank, tot de dood hen scheidt. Hij is haar icoon, idolaat maar niet overdreven schrijft ze hem voor zich uit in iets wat een toekomstig liefdeslied zal zijn. Harry wikt de woorden, waar Kine de tekst beschikt. “we wilden al vroeg terug de aarde in / meer nog dan dat we dieren zagen in de wolken / ik leverde dertien jaren in om even oud te zijn met jou / voor een minder moeilijk later of zullen we hand in hand” (…) “we zeggen We doen alle steden op dezelfde manier / daklozen in twee huizen waar we niet wilden zijn”

    De twee beelddichten – nee, geen klankdichten, tralala – ter illustratie in de bundel vormen een verhelderend verkapte rebus overgoten met humor om de serieuze inval te verluchtigen. Hier kan mijn geest voor een moment het voorgaande overdenken en me voorbereiden op wat komen gaat. Als in de stille meditatie tijdens het avondgebed, de vesper. Contemplatief glimlach ik fluisterend bij ‘mama’. De jonge Kine, toen nog Angeline, weet niet wat te tekenen en vraagt mama om raad. Het advies is: teken maar een huis. Waarop de actie: een gearceerde cirkel. Tegendraads zoals de dichtbundel afwijkt van het rechte pad der poëzie. Ik houd ervan. Het is mijn wilsbeschikking als gelukkig mens.

    kine brettschreider – sorry dat ik geen theebloem ben / vrede dat waren marsen. gaia chapbooks #46, 2026

    kine brettschreider, gaia chapbooks