Categorie: Museum MORE

  • De werkelijkheid onder controle bij Museum MORE

    De typografie in de titel van het boek heeft al de uitleg van het onderwerp in zich. Ik lees het zonder te haken op de verdraaide eerste E en tweede C in REALITY CHECK. In vluchtige blik schijnen de woorden normaal geschreven. Het lijkt te kloppen, maar de echtheid is verschillend aan mijn waarheid. Zo is het ook met de werkelijkheid, het doet zich onderscheidend voor aan wat ik zie. Kijk ik beter zie ik anders en wordt ik mij bewust van mijn eigen kijken. Zo moet ik voortdurend controleren of de realiteit wel echt is, of mijn waarheid wel universeel is of slechts individueel blijft. Wat is de grote gemene deler in het beschouwen van de werkelijkheid. Het is zoals het is, de realiteit, maar er is een abstracte laag achter en dat maakt de werkelijkheid persoonlijk met een eigen interpretatie. De echtheid die niet valt uit te drukken, dus abstract is; gevoel, herinnering,

    Museum MORE belicht het realisme van het voorgaande decennium, de tien jaar dat de instelling bestaat. De Nachtwacht bijvoorbeeld past dan niet in deze context. Maar het is wel een bijzonder historisch voorbeeld van hoe de realiteit werkt. De opdrachtgevers hadden een ander schilderij verwacht dan dat Rembrandt heeft afgeleverd. Zij hadden een andere voorstelling van de werkelijkheid dan de schilder heeft gehad. Hij bracht abstracte elementen in om de echtheid van het tafereel te waarborgen. Op eenzelfde manier leert mij de tentoonstelling “Reality Check”, maar vooral de uitgave daarbij waarin conservator Sito Rozema in een essay de werkelijkheid controleert, een vinger probeert te krijgen achter het begrip realisme.

    Rozema gaat de geschiedenis van de realiteit in de kunst na en komt tot de conclusie dat de hedendaagse realist met wisselende uitingsvormen vergaand reageert op de hedendaagse realiteit. De begrippen ‘echtheid’ en ‘waarheid’ staan daarbij vooral centraal. Want wat is realisme. De definitie van het realisme in de beeldende kunst heeft nooit onomstreden vast gestaan. De zichtbare werkelijkheid is onderhevig aan echtheid en waarheid. En de waarheid is dan weer ondergeschikt aan het persoonlijke perspectief. Volgens Rozema wil het realisme niet zozeer registreren, maar interpreteren, representeren en communiceren. Het gaat om mijn eigen kijk op de realiteit, die is verschillend aan die van mijn buurman. Daarom heeft niet alleen de werkelijkheid een andere invloed, maar geeft tevens het kijken naar een schilderij een verschillende indruk. Dat kunstwerk is de realiteit, die voor iedere beschouwer een individuele indruk geeft. De realiteit is een persoonlijke ervaring, een eigen invulling en verklaring op het zichtbare gegeven.

    Modern realisme

    Tegenwoordig, is ook de conclusie van de essayist, valt de werkelijkheid niet meer klakkeloos te vertrouwen. Voortdurend moet deze worden gecontroleerd op echtheid, klopt het wel wat ik zie. “In een onzekere wereld waarin ‘waarheid’ een relatief begrip lijkt te zijn geworden, maakt de realist met een duidelijk herkenbare vormentaal een persoonlijk statement over de vraag: wat is de werkelijkheid?” De kunstenaar manipuleerde altijd al de werkelijkheid, de kunst vervormt het zichtbare voortdurend in een eigen beleving. Maar krijgt nu concurrentie van kunstmatige intelligentie. Deze kan voor de kunstzonnige uitdrukking worden aangewend, maar daarmee begeeft men zich wel op glad ijs. Werd bij de opkomst van de fotografie de scheidslijn ook al meer onscherp, nog wel voortdurend was het duidelijk. Fotografie registreert de werkelijkheid zonder meer, kunst legt de persoonlijke beleving van de kunstenaar daar overheen. “Onze tijd vraagt om een realiteitsbesef, om heldere stellingen en eerlijke vertwijfelingen.”

    Museum MORE staat zich erop voor het moderne realisme te tonen. Daarmee heeft het zich in de tien jaar van haar bestaan inmiddels een volwassen plaats in het museumlandschap verworven. Het is daarom dat een tentoonstelling om de realiteit te duiden op de plaats is in Gorssel. Vijftig kunstenaars leggen in hun werk uit hoe zij de werkelijkheid ervaren en op welke manier zij deze gebruiken om verhaal te maken. In de uitgave komen zij aan het woord om in tekst uit te leggen waarom zij zichzelf al dan niet als realist zien. Daardoor houdt het boek het midden tussen een kunstuitgave en een leerboek. Door de uitleg daarin leer ik anders kijken naar de kunst van dit museum. Staat mijn blik afgestemd op deze werkelijkheid, die vrijwel nergens de mijne is maar toch als heel vertrouwd overkomt.

    Werkelijke werkelijkheid

    In de uitgave, dat minder catalogus en meer bijschrift bij de tentoonstelling is, worden de kunstenaars voorgesteld. Leer ik hen kennen in de manier van werken en de kijk op hun kunst. Alle hebben zij een onderscheiden en soms wel ambivalente voorstelling van wat de waarheid kan zijn. Altijd is de waarneming van de werkelijkheid het vertrekpunt, het fundament waarop het kunstwerk is gebouwd. De zichtbare dingen worden beschouwd zoals ze zijn of zich voordoen, deze worden gekoppeld aan herinneringen en ervaringen. De figuratie is in deze belangrijk, want het geeft toegang tot het werk als herkenbaarheid. De beschouwer komt door figuratie dichterbij de kunst zonder er moeite voor te doen. Pas dan kunnen abstracte elementen een rol gaan spelen, kleur, ritme, toon, licht en schaduw. Is de kijker gevangen in de identificatie dan kan de emotie worden aangesproken.

    Een werkelijke werkelijkheid bestaat er niet, stemming en ervaring maken er deel van uit – herinneren doet herkennen. Onze herinnering bestaat voor een groot deel uit beelden. Kunstenaars maken daar wel handig gebruik van door dergelijke beelden te mengen in de werken. Door dat kennen kunnen de beelden thuisgebracht worden, een plaats krijgen en innemen. Het net is alsof ik ze eerder zag, daar eens was – een déjà vu beleving die mij persoonlijk raakt waardoor automatisch de emotie wordt aangesproken. “Realisme biedt de kijker een vertrouwde bedding die het verhaal toegankelijk en herkenbaar maakt, waar abstractie juist een laag van ambiguïteit toevoegt”, weet de Indiase kunstenaar Abul Hisham. In een volzin slaat hij de spijker op de kop. “Dit spanningsveld maakt het mogelijk om op een subtiele manier complexe thema’s te verkennen, en de kijker uit te dagen om na te denken over wat ze zien in plaats van het simpelweg als feit te accepteren.

    Realisme gaat over werkelijkheid

    Overwegend zijn kunstenaars niet zo scheutig met het uitleggen van hun kunst. Of het in woorden benaderbaar maken van het werk, de compositie moet voor zichzelf spreken en zich zelfstandig duiden. Toch weet Sito Rozema het moment van bezinning over leven en werk in gesprekken met kunstenaars vast te leggen. Geven zij goedmoedig en spraakmakend aan waar het volgens hen over gaat. “Realisme gaat over de werkelijkheid zo getrouw mogelijk weergeven”, bedenkt Merel Jansen. “Naar mijn idee wordt er dan een duidelijk element vergeten: een schilderij gaat over de werkelijkheid gezien vanuit de ogen van de kunstenaar.” Kunstenaars gaan verder dan die werkelijkheid, ze willen iets tonen dat onzichtbaar blijft. Want hoe ziet liefde eruit, en hoe druk je rust uit, welke indruk geeft vrijheid of schoonheid. In de kunst kan dit worden weergegeven door kleur en vorm. Daarmee heeft de realiteit de abstractie nodig.

    Een kunstwerk reist in de gedachten van de kijker tussen voorstelling en voorstellingloosheid, want de beschouwer kent niet altijd wat hij of zij ziet – herkent het niet in eerste instantie. Het is kijken, begrijpen, weten en verwonderen. Het is een spel van zien en onderscheiden. Geprikkeld worden door anders te kijken, er langer bij stil te staan, er de tijd voor nemen. Dat is wat deze tentoonstelling de bezoeker zeker leert. In eerste instantie neemt de herkenning het voortouw, de zichtbare werkelijkheid die het realisme in deze kunst benaderbaar maakt. Maar daarna bij nadere beschouwing volgt er een erkenning van het werk, wordt door de huid heen gekeken in een diepere laag van emotie. Blijkt de werkelijkheid opeens vervreemdend, maar wel als verbeelding aanvaardbaar. Herken ik mezelf tussen de verftoetsen, lees ik mijn verhaal tussen de regels. Beleef ik de werkelijkheid gezien door de ogen van de kunstenaar. Ik heb mijn waarheid geverifieerd.

    REALITY CHECK. 10 jaar More, 10 jaar Realisme. Sito Rozema. Voorwoord Maite van Dijk. Uitgave Waanders Uitgevers i.s.m. Museum MORE, 2025.

  • Verdwalen in monumentale tekenkunst bij Museum MORE

    Hantsjes op ‘e rêch”, zei ik tegen mijn zoontje van 6 wanneer wij een warenhuis of museum bezochten. Hij was een jonge onderzoeker en keek het liefst met zijn handen. “Handjes op de rug”. Kijken met de ogen, niet met de handen. Dat is sowieso een voorwaarde bij kunst in een museum, of werken op een andere plek tijdens een tentoonstelling. Hoewel ik net als mijn zoon toen, hij is nu 37 en houdt zijn handen thuis, soms wel graag wil voelen. Vooral langs de rondingen van een beeldhouwwerk. Maar ook de huid van een schilderij. Om te weten op welke manier iets tot stand is gekomen. Om de structuur van de inspiratie te ondergaan, de emotie van het scheppen te doorvoelen. Meer te kennen dan alleen het beeld te zien. Een vinger achter de oorzaak te krijgen, het waarom van het bestaan van het kunstwerk te bevatten. Het devies is echter alleen kijken, aanraken niet. En kan ik mijn aandrift niet bedwingen en beweegt mijn vinger naar het werk, dan hoor ik “hântsjes op ‘e rêch!”. Ofwel wijst mij een suppoost terecht: “meneer, wilt u niet aan de werken komen”.

    In de tentoonstelling “Size Matters” in Museum MORE is het zeker af te raden de monumentale tekeningen aan te raken. Al zou ik ze wel willen bevoelen om te onderzoeken waarmee ik te maken heb. De tekeningen zijn zo groot dat deze mijn blik in zich opnemen. Bezit nemen van mijn ervaring. De afgebeelde ruimte kan ik bijna fysiek betreden en er met de ogen in rondlopen. Bij sommige installaties is dit ook daadwerkelijk mogelijk en wordt ik geconfronteerd met evenbeelden, nabeelden en oerbeelden. De werken nemen compromisloos de ruimte in en eisen mijn aandacht op. Van tekeningen op meterslang papier of doek tot video-animatie en ruimtevullende installaties. Doordat ik door de grootte onderdeel wordt van het kunstwerk, het mij opneemt als speler in het geheel, zal ik mijn omgeving willen gaan aanraken. De huid van de getekende mensen, de bast van planten, de structuur van gebouwen, de pels van dieren. De museale afmetingen, het gedetailleerde karakter, de massale afbeeldingen – deze komen hard binnen, veelal mede door het onderwerp dat ze aansnijden.

    Geen snelle ontwerpen op schetspapier

    Het maken van een tekening is al langer een autonome kunstvorm. Was het tekenen eerder een schetsen voordat het resultaat, de schildering bijvoorbeeld, in beeld werd gebracht; tegenwoordig is het een volwaardige op zichzelf staande uiting. Het materiaal leent zich ertoe om groot formaat dragers te ‘beschrijven’. Met potlood en krijt kunnen fragmenten en onderdelen tot in finesse worden uitgelicht. De tekening is geen schets, maar een tot op de kleinste bouwsteen uitgewerkte afbeelding. Doordat er zo fijn gewerkt kan worden heeft de tekening wel de uitstraling van een fotografisch beeld. En dat zal ik dan willen voelen, het doorgronden, er kennis van nemen.

    Geen snelle ontwerpen op schetspapier om de grootte, breedte en hoogte van het voornemen, de begeestering in de vingers te krijgen. Maar op de vierkante centimeter miniem en beduidend uitgewerkte inspiraties. Met actuele onderwerpen die op deze manier sterk aanspreken. Voor een deel is de fotografie aanleiding, vormen foto’s het startpunt om een thema te peilen en te ontrafelen. Kunnen bestaande indrukken onderdeel zijn van een fantastische en futuristische uitdrukking. Het is kunst om in te verdwalen, om jezelf in te verliezen.

    Potlood en krijt basis handmatig werken

    De catalogus bij de tentoonstelling geeft inzicht in de achtergronden van de werken en de inspiraties van de makers ervan. Het laat op handzaam formaat de monumentale werken zien. Voor de echte beleving is het zaak de tentoonstelling in het museum te bezoeken. Dan kan ik effectief en wezenlijk onderdeel uitmaken van de werken. Kan ik mij er tussen begeven en me erdoor laten overweldigen. Deze kunst, tot en met 2 februari 2025 getoond in de zalen van Museum MORE, geeft een bijzondere ervaring wanneer het live wordt meegemaakt. Door in de ruimten te zijn overkomt mij de ruimte van de tekening. En krijg ik oog voor de uitzonderlijke aard van dit fenomeen in de kunst.

    Was de tekenkunst eerder intiem, niet met de bedoeling openbaar te maken maar op te bergen in ladekasten, een medium dat de beschouwer het dichtst bij de kunstenaar brengt. Tegenwoordig zijn in de tekeningen nog aldoor de persoonlijke gedachten en het handschrift er het meest in vergelijking met andere uitingen in te herkennen. Dat wist het grote formaat waarop gewerkt is niet uit. Nog altijd is het potlood en het krijt de basis om handmatig te werken. En zelfs wordt de materie wel met de vingers tot een beeltenis gevormd. In de tekening zit de kunstenaar, omdat er niets tussen hem/haar en de drager staat. “Een tekening is de meest directe vertaling van het hoofd via de hand”, schrijft cultuurjournalist Edo Dijksterhuis in zijn essay in de catalogus. “Een tekening kan de essentie van de gedachte waarop hij is gebaseerd benaderen maar nooit helemaal omvatten. (…) Kunstenaars blijven vooral kunst maken omdat ze telkens net niet te pakken krijgen wat hen voor ogen staat. En die worsteling is in geen medium zo zichtbaar als in tekenkunst. Een tekening laat zich lezen als een logboek van handelingen.” Dat logboek wil ik lezen, met de vingers langs de regels gaan, het schrift aanvoelen. De handelingen meten en doorzien.

    Dichter bij de finesses van de tekening

    Een groep van 28 kunstenaars uit binnen- en buitenland hebben de samenstellers van de tentoonstelling aangetrokken om hun werken te laten zien. In de catalogus lichten artistiek directeur Maite van Dijk en senior conservator Marieke Jooren het idee om een grote tentoonstelling te maken over hedendaagse monumentale tekenkunst toe. De kunstenaars zelf laten zich citeren omtrent hun liefde voor tekenen. “Wat ik zie, wordt pas echt wanneer de lijn van mijn pen het heeft verkend; alles wat ik tegenkom wordt gevat in de lijnen die ik teken”, is opgetekend uit een gesprek met Anne Muntges. “Het werken op groot formaat brengt me dichter bij de finesses van de tekening.” Andere tekenaars voelen ook dat het is alsof ze binnen een zelfgeschapen wereld stappen en daarin meteen elk detail kunnen doorgronden. Door zo dicht op het werk te zitten kan de essentie van het onderwerp worden verkent en onthult. “Een groot formaat heeft als voordeel dat je objecten op ware grootte kunt tekenen”, vindt Levi van Veluw. “Het lijkt alsof je door een venster kijkt naar een andere dimensie. (…) In een tekening is alles mogelijk, er zijn geen natuurwetten. Het grote formaat helpt om de illusie van het getekende tafereel te verwezenlijken.

    Fysieke ‘opponent’

    Niet alleen maar wel veelal werken de kunstenaars zonder toevoeging van kleuren in hun werken. Door zwarten en grijzen op de witte drager aan te brengen krijgt de tekening een vervreemdend karakter. Dan is er geen afleiding door kleur. Het staat buiten de werkelijkheid, maar maakt er toch onderdeel van uit. Worden kleuren aan de tekening toegevoegd komt het beeld terug in de realiteit, maar spiegelt zich in een surrealiteit. Wat ik zie lijkt werkelijkheid, maar is fantasie – een gedachte met de waarheid als basis. De grens tussen werkelijkheid en verbeelding vervaagt. Raquel Maulwurf: “Ik teken met houtskool, één van de oudste kunstenaarsmaterialen. Dankzij verkoold (dus vernietigd) hout kan ik hele werelden tot leven brengen: creatie uit destructie. De reductie tot zwart-wit stript het beeld van overbodige franje.

    De tekening wordt door de grootte een fysieke ‘opponent’ voor zowel de maker als de beschouwer”, dwaal ik in de microscopische verwondering van Hans de Wit. “Lichaam en geest raken overrompeld.” Het op afstand kunnen overzien van het geheel en het van dichtbij ervaren van motieven, detaillering en structuren zijn in zijn werk essentieel, “net als de tegenstrijdige gevoelens van bijvoorbeeld aantrekking en afkeer. Hierbij speelt ook het manipuleren van de natuurlijke schaal van de motieven een rol.” Die manipulatie van de blik, het oog om te dolen, zie ik terug in de meeste van de andere werken. Het is een bijzondere ervaring de monumentale tekenkunst live bij Museum MORE en later thuis via de catalogus “Size Matters” te bekijken. In de tentoonstelling houd ik krampachtig mijn handen op de rug en laat mijn blik verdwalen in de getekende verhalen.

    Size Matters. Monumentale tekenkunst nu. Monumental drawing now. Voorwoord Maite van Dijk. Teksten Marieke Jooren, Edo Dijksterhuis. Uitgave WBOOKS Zwolle in samenwerking met Museum MORE Gorssel, 2024.

  • Gezichten en gedichten over water in woord en beeld

    Water. Het is overal, om ons heen, in ons. Het heeft kracht, water, aantrekkingskracht. Het geeft kracht, om te leven. Het is niet grijpbaar en onbegrijpelijk. Het vloeit. Als stof tussen de vingers. Het is zichtbaar, water. Maar geeft geen houvast. Het wateroppervlak draagt niet. Het slokt op, de diepte trekt. De vloer is plafond tegelijk. Onder nul is het voelbaar. Draagt het water. Boven honderd verdwijnt het in de atmosfeer. Vergast het water, vervluchtigt. Het heeft geen geur en kleur. Levend water. Het is om ons, het is ons.

    We klagen wanneer teveel van boven komt. We klagen wanneer te weinig van boven komt. Kunnen er in wentelen, het tot ons nemen. Het verkwikt, het laaft en reinigt. De wereld spiegelt erin. Reflectie als selfie. Mijn hand door het dynamisch gladde vlak grijpt in het niets en laat de beeltenis verdwijnen. Water geeft leven en kan het opslokken. Water is onbereikbaar. Het is magisch, mysterieus en magnetisch. Water is paradoxaal. Trekt aan en stoot af. Geeft vertier en verdriet. Langs de oever wordt gelachen en gehuild. Water bepaalt leven. “En God scheidde de wateren, de tweede dag.

    Jan Toorop, Zee, 1899, Kröller-Müller Museum Otterlo

    Watergezichten en watergedichten

    Geen wonder dat het kunstenaars beweegt water als onderwerp te nemen. Het inspireert. Schilders, tekenaars, zelfs beeldhouwers wijden er hun werk aan. Dichters, schrijvers en muzikanten zetten water op papier. Componisten laten noten kabbelen en orkesten stromen. Filmers en fotografen nemen water voor hun lens. De creatieve geest laat ons recreatief genieten. En wij, wij vleien ons op het strand en kijken uit over zee, het watervlak waaraan geen einde lijkt te komen. Zitten op de oever aan het water of springen er lustig vanaf en vrolijk erin.

    In beeld neemt water een vaste vorm aan. In woord blijft water vluchtig en treft de emotie. Dat wijst het boek “Aan ’t water” uit. Een publicatie van Uitgeverij Thoth in samenwerking met Museum MORE, waarin 100 watergedichten 100 watergezichten begeleiden. Ofwel waarin 100 watergezichten 100 watergedichten illustreren. De woorden zijn evenwel niet opgeschreven naar aanleiding van de beelden. De beelden geven geen commentaar op de woorden. Maar op een moment passen ze bij en sluiten op elkaar aan.

    Co Breman, De IJssel, 1908, particuliere collectie

    Water verbeeldt welsprekend in taal

    De beelden zijn langs of op het water gemaakt. Als voorbijganger beschouw ik het. Zit op de oever, loop over de brug, laat me vervoeren door een boot of het veer. Heen en weer. De kunstenaar laat het zich allemaal aanzien en geeft commentaar. Ik kan ervan genieten, de realiteit verbeeldt door potlood of penseel. Impressies en expressies, portretten van het landschap en de mensen daarin. Altijd gerelateerd tot het water. Gefigureerd naar de werkelijkheid, maar nergens versimpeld tot abstractie.

    Voor bovenzinnelijke indrukken spel ik de woorden, ga de zinnen met mijn vinger langs de regels, lees ik de gedichten nauwkeurig zoals ik de beelden met de ogen betast. Het water versimpelt zich niet in de poëzie, het verbeeldt zich juist meer welsprekend in de taal. Het beeld is er, grijpbaar, wel in de geest en met de gedachte van de kunstenaar. De taal draagt de realiteit tot emotionele hoogten en gevoelvolle diepten. De taal maakt het beeld meer zichtbaar, niet zoals het zich voordoet maar op de manier dat het aanvoelt.

    Marian Plug, Vijver, 2003, Museum Lakenhal Leiden

    Verhalend moment, sprekend ogenblik

    Lyrisch boven episch met een dosis dramatiek. Tevens merk ik humor in de gedichten. Tref ik lichte verzen met een glimlach en zware teksten met een grimlach. De dichter neemt het water op de korrel en daarbij meteen de wereld en de mens daarin. Persoonlijke beschrijvingen en afstandelijke commentaren. Een verhalend moment, een sprekend ogenblik. Water stroomt door de uitgave “Aan ’t water”. Het is een ode aan het water, een lofdicht in beeldspraak. Voorstellingen als metafoor van de beleving.

    De samenstellers hebben uit het omvangrijke archief van de literatuur en de beeldende kunst deze bloemlezing opgediept. Oude meesters en jonge talenten, en alles wat daaraan aan creatieve geesten tussen zit. In beelden en gezichten van Jan Toorop, Theo van Doesburg en Piet Mondriaan tot Christiaan Kuitwaard, Siemen Dijkstra en Wendelien Schönfeld via Leo Gestel, Willem Hussem en Rein Dool. Ze durven het allemaal aan het water als lijdend onderwerp te nemen en op een eigen manier uit te diepen en op te scheppen.

    Tussen de dichters vind ik klassiekers als Constantijn Huygens, Nicolaas Beets en J. Slauerhoff. Maar ook Toon Tellegen, Rutger Kopland en Judith Herzberg. Mij onbekende poëten die herkenbare regels schreven, waartegen ik mijn gevoel kan plaatsen en die sluiten aan mijn ervaring. En de humor van Drs.P, Wim de Vries en Micha Hamel. Het maakt de uitgave tot een verfrissend boek om mee te nemen voor een verpozen in een strandstoel met uitzicht op zee, zittend op een bank langs de vijver in het park, een zoel terras pikkend langs het water achter een fijn glas bubbels. Proost! (hoewel “Aan ’t water” niet gaat over dat vocht)

    Aan ’t water, 100 watergedichten en 100 watergezichten. Samengesteld door Boudewijn Bakker, Helmi Goudswaard en Nicolaas Matsier. De publicatie verscheen tegelijk met de tentoonstelling Aan ’t water in Museum MORE, 23 maart tot 9 september 2024 te zien. Uitgave Museum MORE i.s.m. Uitgeverij THOTH, 2024.

    Ferdinand Erfmann, Liggende baadsters, 1952, Bonnefanten Museum Maastricht
  • Jan Worst is schepper van een onwerkelijke waarheid

    Vader Worst hield van tekenen en schilderen. De schilderende loodgieter Boele Bregman woonde een paar deuren verder. Maar Jans’ zes jaar oudere broer zaaide het zaad. Die broer namelijk introduceerde met zijn 17e eeuwse tentoonstellingen aan huis Jan Worst de wereld van de schone kunsten. De klassieken werden hem met de paplepel ingegoten. Hij consumeerde het met smaak. En schiep met die kennis later zijn eigen universum. Een wereld die de wortels heeft in de realiteit, maar ver van de werkelijkheid af staat. In zijn uiterst realistisch geschilderde werk vertelt Worst een verhaal met een open einde. ‘Worst toont. Wij kijken. Hoe en wat we zien, blijft aan ons. En de kunstenaar, die geeft zijn geheimen niet prijs.’ Dat lees ik in de catalogus “A Curious Universe”, uitgegeven bij de gelijknamige tentoonstelling in Museum MORE. Conservator Julia Dijkstra schrijft over de receptie en interpretatie van het werk van Jan Worst.

    Jan Worst maakt interieurstukken. Landschappen tussen de vier muren van een huiskamer. Waarbij de struiken fauteuils zijn met sierlijke afwerking. De bomen de rijk geornamenteerde deuren. De lucht de kleurig beschilderde behangsels. Maar Worst is niet van het landschap, niet van het portret, niet van het stilleven. Al deze schilderkunstige thema’s zijn echter wel als decorstukken te vinden in zijn werk. Uit glossy magazines, van veilingcatalogi en zijn verzameling postkaarten knipt hij als het ware de elementen om deze als bouwstenen voor zijn composities te gebruiken. Daardoor zijn het eigenlijk collages van onderdelen uit de werkelijke wereld. Niet zo bij elkaar horend, maar samen geraapt stellen deze een omgeving voor die waarheid kan zijn maar het niet is. De voorstellingen zijn complexe en gelaagde droombeelden, voortkomend uit de fantasie van de kunstenaar. Worst is het kind gebleven dat zich een eigen wereld schept. Een samengestelde wereld die van niets en nergens is. Enkel realiteit is in zijn geest. En van mij wordt door zijn schilderijen.

    Acteurs met een script dat verloren lijkt

    Hij keek naar werk van Max Beckmann en Edward Hopper. Hij vond daar inspiratie in. Daar ligt de oorsprong van zijn werken. Zijn schilderijen sluiten aan bij de schilderkunstige tradities, hij is een nieuwe realist die vakkundig en met de grootste aandacht en de kleinste penselen aan zijn oeuvre werkt. Maar volgens Dijkstra is het niet zozeer Worsts techniek of stijl die zijn werk intrigerend maken, “maar vooral zijn motiefkeuze en de manier waarop hij zijn voorstellingen samenstelt. Want door verschillende elementen uit de zichtbare werkelijkheid te selecteren en deze op het platte vlak samen te voegen, creëert de kunstenaar een beeld dat een verhaal suggereert.

    Maar hoe moet de beschouwer dat verhaal lezen, dit beeld interpreteren. De figuren spelen een eigen spel op het podium, in het decor. Acteurs met een script dat verloren lijkt. Ze schijnen zich weinig aan te trekken van de ander in dezelfde ruimte, laat staan van het feit dat de beschouwer voyeur is en ze dus ongegeneerd bekeken worden. Of is de kunstenaar deze onbeschaamde toeschouwer en kijken wij over zijn schouder mee de ruimte in. Want wie zijn deze mensen, wat doen en laten ze, wat gebeurd daar in die huizen, deze kamers. Worst probeert het te duiden, maar verduidelijkt het niet. ‘Het schilderij suggereert een verhaal zonder dat het verhaal verteld wordt’, zegt hij daar zelf over. Hij maakt een droomwereld achter gesloten deuren met bedachte interieurs en bewoners die in gouden kooien toneelstukken met een open einde opvoeren. De schilderijen zijn zoekplaten om betekenissen en bedoelingen te ontdekken. Deze doen een beroep op onze interpretaties en fantasieën. Worst daagt mij uit als detective aan de slag te gaan om aan het verhaal met open einde een slot te breien. Ik ondervraag stilzwijgend de figuren op het doek. En pas de puzzelstukken van sfeer en gevoel aan elkaar. Maar veelal kom ik op het verkeerde been terecht.

    Magische vermogen van een kunstenaar

    Jan Worst schildert mij een wereld van rijkdom, luxe, overvloed, voorrecht en lichamelijke schoonheid. Overdadige interieurs bomvol antieke meubels en klassieke kunst. Bibliotheken beladen met intrigerende boeken, waarvan ik zelf de titels op de onleesbare banden mag bedenken. Pracht en praal overheersen de zettingen waarin beeldschone personages alleen maar passieve decorstukken schijnen. Figuranten zonder tekst. “Je zou kunnen stellen dat het échte onderwerp van Worsts schilderijen het magische, indrukwekkende vermogen van een kunstenaar is, om een wereld te scheppen die niet echt is, maar wel ongelooflijk realistisch lijkt”, schrijft artistiek directeur Maite van Dijk in haar voorwoord. Het is daarom dat de voorstellingen van Jan Worst naadloos aansluiten bij de collectie van Museum MORE en er een plek krijgen om zichtbaar te worden.

    In zijn bijdrage aan het boek stelt schrijver en verzamelaar Adrian Dannatt dat de kunst van Jan Worst eigenlijk niet past in het tolerante en ruimdenkende Nederland. Alles mag er verbeeld worden, maar zich iets verbeelden is uit den boze. Met de wereld die Worst schept krijg je de doorsnee Nederlander makkelijk op de kast. “Het is onmogelijk het anti-elitarisme, de liberale conformiteit van het huidige klimaat in Nederland te overdrijven, waarin op elk uiterlijk vertoon van superioriteit, geld of zelfs maar goede stijl wordt neergekeken.” Maar heimelijk geniet diezelfde Nederlander van deze pracht en die praal. Verlustigt zich aan de esthetische vormen. En hoopt heimelijk ooit ook eens de loterij te winnen om zich daadwerkelijk te kunnen omringen met de fantasie van Worst.

    Er is veel onzekerheid in het beeld

    Wat opvalt aan de techniek van Jan Worst is de vakkundigheid en subtiliteit van zijn verfgebruik, waarbij hij met relatief eenvoudige penseelstreken complexe effecten bereikt, een schijnbaar formeel realisme dat is opgebouwd uit haast abstracte patroonvlakken. De interieurs zijn heel specifiek, maar tegelijkertijd niet aan een bepaalde plaats te koppelen. Het zijn ongetwijfeld bestaande plekken, maar ze doen denken aan het soort huizen uit terugkerende dromen waarvan je zeker weet dat je er al eens bent geweest, misschien in een eerdere droom of in een verre werkelijkheid. Het is de werkelijkheid van Worst waarin ik kan fantaseren. Er is veel onzekerheid in het beeld, ik kan nergens de vinger achter krijgen en daarom is het zo fascinerend. De schilder opent deuren die normaal gesproken gesloten blijven. Maar of de ruimte van de geopende kamer zich werkelijk ergens in een monumentaal huis bevindt blijft ongewis.

    Verlangen wij niet allemaal naar schoonheid. Naar bezit en rijkdom. Jan Worst fantaseert daarover. En maakt het waar in zijn schilderijen. Maar het is een opgeblazen ballon die zo lek geprikt kan worden. De zeepbel glanst op het laatste moment voordat deze barst en de mystiek in spetters uiteenvalt. Worst schildert ons een onwerkelijke wereld die verdacht echt schijnt te zijn. Hij monteert zijn wereld uit de waarheid. Althans de plaatjes knipt hij uit bestaande bladen, die schoonheid verheerlijken. Zo is het een vicieuze cirkel. De inspiratie is een onwerkelijke realiteit, een modelwereld die nergens echt ooit bestaat. De verwerking is een uitbeelding van een luxe wereld die ongewoon is en de fantasie in werking zet. De geknipte plaatjes verheerlijken. De geplakte elementen spelen met lichtval, ruimte, meubels en mensen. Spelen met de fantasie zoals droombeelden dat doen. Niets is wat het lijkt, maar alles wat het schijnt. In zijn kunst gaat het om verhullen en verbergen. Het gaat hem niet alleen om de uiterlijke verschijningsvorm van de voorstelling, maar om wat daarin besloten ligt.

    De catalogus “A Curious Universe” toont een deel uit het voorname oeuvre van Jan Worst. Een platenboek dat een beroep doet op mijn fantasie. Waarin ik mijn eigen verhaal kwijt kan door de reproducties te beleven, de schoonheid te ondergaan. Maar beter is het Museum MORE te bezoeken om de schilderijen in volle glorie en op ware grootte te beschouwen. Het boek is daarbij een hulpmiddel, een leidraad om de kunst te leren kennen. Een gids om de wereld van Jan Worst te betreden. De diverse essays helpen daarbij. En het gesprek van kunstcriticus Joke de Wolf met de kunstenaar opent de ogen om deze te laten wennen aan het prachtig vormgegeven plaatwerk.

    Jan Worst | A Curious Universe. Verschenen bij de gelijknamige tentoonstelling in Museum MORE. Auteurs Adrian Dannatt, Joke de Wolf, Julia Dijkstra, Sito Rozema, Maite van Dijk. Uitgave WBOOKS en Museum MORE, 2023.

  • Naïef realisme: kunst waarnaar je wilt blijven kijken

    De naïeve realisten worden geen zondagsschilders genoemd. Het zijn moderne primitieven, populaire meesters. Maar vooral zijn het outsiders. Dit is omdat ze een eigen koers varen en de wereld weergeven in eigenzinnige en rijk gedetailleerde beelden. Zo zoals ze de wereld waarnemen, vertrouwd en doorvoeld. Zo geven ze deze weer los van intellectuele, academische regels. De nadruk op het detail en op ieder afzonderlijk object in een schilderij is de grootste gemene deler van de naïef realisten. Dit is wat hun werk, ondanks de beperkte stofuitdrukking, ruimtewerking en soms ronduit vreemde anatomie zo overtuigend realistisch maakt. Zij beelden de wereld zoals zij deze zien. Het is kunst waarnaar je wilt blijven kijken. Dat komt door de herkenbare en fantasierijke thematiek. Door het spannende kleurgebruik en de scherpe details. Zijn deze autodidactische schilders daarom naïef, primitief of realistisch zonder regels? Het boek ‘Naïef realisme, van Rousseau tot Grandma Moses’ probeert op die vraag een antwoord te geven. Het boek is de catalogus bij de tentoonstelling in Museum MORE.

    Museum MORE, naïef realisme, groepstentoonstelling, WBOOKS

    De minutieuze waarneming van de werkelijkheid die het naïef realisme verbindt met andere modern realistische stromingen is herkend in het werk van Henri Rousseau. De douanebeambte wordt beschouwd als de aartsvader van het naïef realisme. Ook wordt hij gezien als een vroeg en voornaam voorbeeld van het modern realisme. Eerst wordt zijn kunst lacherig ontvangen, maar later krijgt hij waardering van het professionele kunstcircuit. Want wat schilderen betreft is er niets naïefs aan een Rousseau. Niets is juist sprekender, uitgesprokener, helderder, bewuster en bekwamer. Maar de niet-academische beeldtaal in de geschilderde werkelijkheid beantwoordt niet aan een geschoolde beheersing van perspectief, verhoudingen, anatomie en schaduwwerking. Emotie is de belangrijkste bron voor deze kunst. De makers ervan begonnen vaak pas op latere leeftijd te schilderen, al dan niet naast een andere baan, en volgden geen van allen een formele kunstopleiding. Toch kregen vele van deze kunstenaars tijdens hun leven een plek binnen het officiële kunstcircuit en kwam werk in musea terecht.

    Onbedorven authenticiteit

    Na 85 jaar is er weer een grote tentoonstelling rond deze vreemde groep in de bijt van de kunst. Eerst in 1938 besteedde het New Yorkse Museum of Modern Art aandacht aan de meesters van het populaire schilderen. In die tijd viel het genre erg in de smaak. Twee jaar later echter ging het bergafwaarts en werd de stijl naar de zijkant geschoven. Tegenwoordig is er weer meer belangstelling voor deze vorm van kunstbeoefening. Daarom brengt Museum MORE de naïeve realisten opnieuw onder de aandacht. Dit kan zeker dit museum doen vanwege de focus in verzamel- en tentoonstellingsbeleid op realistische tendensen in de kunst van 1900 tot heden. Veel van de destijds in New York gepresenteerde kunstenaars komen nu in Gorssel weer samen, een trans-Atlantische selectie. Tachtig schilderijen van grote, maar ook onbekende naïef realisten uit de Verenigde Staten en Europa.

    De herwaardering van het naïef realisme hangt volgens conservator Marieke Jooren samen met de actuele ontwikkeling in de museumwereld om de kunstcanon en de tentoonstellingsprogrammering te herzien vanuit het oogpunt van diversiteit en inclusie, aspecten die inherent zijn aan het naïef realisme. “Je kunt deze kunstenaars een minderheid noemen: ondanks, en tegelijkertijd dankzij hun gebrek aan opleiding, hun maatschappelijke positie en hun culturele achtergrond, wisten ze door te dringen tot de ivoren toren van musea en galeries en maakten daarmee de kunstwereld meer divers.” Primitieve schilders zijn van eenvoudige maatschappelijke komaf. Ze bezitten een onbedorven meesterschap, werken vakkundig en origineel. Het is die onbedorven authenticiteit zoals gezien in de kunst van verre culturen, de volkskunst, de kunst van kinderen en geesteszieken. Geprezen om hun handwerk en techniek, fysieke capaciteiten die hen onderscheiden van intellectuele academische kunstenaars.

    Autodidactische kunstenaars

    Marieke Jooren gaat in haar bijdrage aan de catalogus uitvoerig in op uitvoering en werkwijze, maatschappelijke achtergrond van de naïeve realisten. Het naïef realisme als inspiratiebron voor de avant-garde kunstenaars en het modern realisme. Niet alleen critici, verzamelaars en museumdirecteuren omarmden deze kunststroming aan het begin van de 20e eeuw. Ook de avant-gardekunstenaars zagen dit als een verfrissende stroming binnen het kunstenaarslandschap. Het beantwoordde aan hun zoektocht naar een vernieuwende, anti-academische kunstvorm als reactie op de snel moderniserende wereld en het bourgeois establishment. Onder invloed van de avant-garde vervaagden de grenzen tussen professioneel geachte kunstenaars en autodidacten. Naïeven waren dan ook een instrument voor de avant-garde om de kunstwereld op te schudden.

    Curator High Museum of Art in Atlanta Katherine Jentleson is de belangrijkste expert op het gebied van Amerikaanse naïef realisten. In het essay voor de catalogus maakt ze de plek van het naïef realisme in de Verenigde Staten meer begrijpelijk. Dat de populariteit van ongeschoolde kunstenaars in de periode tussen de twee wereldoorlogen een hoge vlucht kon nemen kwam vooral door de hiervoor genoemde Henri Rousseau. Hij had eerder in Frankrijk de weg voor autodidactische kunstenaars vrijgemaakt. Op dit pad volgden overzee kunstenaars als John Kane, Anna Mary Robertson (Grandma Moses) en Horace Pippin.

    Inmiddels wordt binnen het kunstcircuit niet meer getwijfeld aan de artistieke kwaliteit van het werk van door Museum MORE voor deze tentoonstelling gekozen schilders. Daardoor kunnen de samenstellers van dit ambitieuze project zich richten op de onderscheidende kwaliteiten van de kunstwerken en in de levensbeschrijving de nadruk leggen op het kunstenaarschap, zoals zij in deze catalogus zo veel mogelijk doen. De in het boek getoonde werken zijn thematisch ingedeeld en worden per onderwerp kort ingeleid. Aldus worden de diverse werken van verschillende kunstenaars vergeleken en kunnen relaties worden gelegd. Daarna worden de naïef realisten die beeld hebben in boek en tentoonstelling in een biografie nader aan de lezer voorgesteld. Op deze manier is de tweetalige uitgave een compleet overzicht van de 20e eeuwse naïeve realisten. Als wel een goede aanvulling op en een naslagwerk van de tentoonstelling ‘Naïef realisme. Van Rousseau tot Grandma Moses’.

    Uitgave Naïef realisme, van Rousseau tot Grandma Moses. Catalogus bij gelijknamige tentoonstelling in Museum MORE. Teksten van Maite van Dijk, Marieke Jooren, Katherine Jentleson, Sito Rozema. Uitgeverij WBOOKS, 2023.

    Museum MORE, naïef realisme, groepstentoonstelling, WBOOKS