Categorie: Galerie MUGA

  • Door de wouden klinkt het wezen van Age Hartsuiker

    In Museum Galerie Heerenveen kijk ik horend en hoor ik kijkend naar recent werk van Age Hartsuiker. En ik constateer ‘dat it moarnsljocht beammen frijmakket om te sykheljen’. Het mag zo zijn dat het licht door de wouden ademt, zoals de titel van de tentoonstelling aangeeft. Dat licht piekt wel door het pastelkrijt waarmee Age Hartsuiker zijn krachtige beelden op papier zet. Wanneer ik echter goed luister, zie ik het, maar ik hoor het niet. Wat ik figuurlijk hoor, is het kraken van de aarde. De grond die door de menselijke bewerking, vergoelijkend cultivering genoemd, welhaast opensplijt.

    De werken van Hartsuiker hebben geen uiterlijk licht dat tussen boom en grond ademt, maar hebben een innerlijk geluid. In ritme, spanning en herhaling. En in stilte, want dat is ook een geluid, echter zonder toon en klank. De werken zwijgen door leegte en ruimte, maar in dat zwijgen is een waaier aan geluiden te horen. Wanneer ik mijn adem inhoud, mijn verstand op nul zet en mijn blik op oneindig. Wat ik zie, zijn aardlagen die over elkaar en langs elkaar schuiven, die door eeuwenlange bewerking, met telkens maar opnieuw de voren in het zand te ploegen, een gebroken wezen hebben gemaakt. Een wezen dat zo langzamerhand meer dood is dan levend, lijkt het. Hartsuiker tekent er dynamisch leven in terug; zijn composities bewegen in de ruimte van het platte vlak. Door herhalingen van vormen en lijnen voel ik een cadans, echoot de toon door de wouden.

    Age Hartsuiker, Museum Galerie Heerenveen

    Liever kleine baas dan grote knecht

    De tentoonstelling markeert veertig jaar kunstenaarschap, maar is geen overzicht van het oeuvre. Enkel aan het begin hangen twee vroege werken, buiten de expositie in de hal. De prehistorie, zou je kunnen zeggen, waarin de jonge kunstenaar zijn grond ontgint – zijn bodem cultiveert om er zijn latere werk op te laten groeien. Twee werken waarop ik destijds zo’n beetje aansloeg en die reden genoeg bleken om de groei van Hartsuiker te volgen. Onze carrières in het culturele landschap lopen daardoor ongeveer parallel. Evenals hij zou ik een veertigjarig jubileum kunnen vieren, maar dat terzijde.

    Hij is geen Wâldpyk, woont in een dorp grenzend aan de Friese Wouden, maar bezit wel de eigenschappen: vrijgevochten, anders dan anders en een beetje dwars. Een Wâldpyk is nog altijd liever kleine baas dan grote knecht. Dat is het silhouet van Hartsuiker, de contour waarbinnen hij acteert. Hij is een Meppeler Mug, nuchter en gezellig, met historisch besef. Vanuit het Drentse voelt hij zich thuis in Friesland. Het Reestdal gaf hem vroeg inspiratie, later werden dat de Friese Wouden, de Tjongervallei en de Dellebuursterheide. Op zijn mountainbike trekt hij de natuur in, schetsboek onder de snelbinders.

    Age Hartsuiker, Museum Galerie Heerenveen

    Stap in zijn voetsporen

    Door de jaren heen experimenteert Age met vormen en materialen. Hij drukt zich even eenvoudig uit in het grafische, in het schilderen en tekenen. Maar toch is het pastelkrijt waarop hij telkens terugvalt als middel om te uiten. Na de academie was Heerenveen vrijwel de eerste plek waar hij zijn werk kon tonen. In het museum dat destijds bekendstond als Van Haren, samen met drie andere kunstenaars uit Meppel. Dit schreef ik toen: “De ‘wollige’ lijnen van de droge-naald-techniek verdelen het werk in ongelijkmatige vlakken, die hier en daar bij wijze van accentuering worden gearceerd. De lijnen zijn niet strak en recht, maar schetsmatig en daardoor is het werk toegankelijk en speels.

    Daarna volg ik zijn voetsporen en kijk meermalen over zijn schouder mee. Enkele maanden later, in het kader van de tentoonstelling 15 Heerenveense kunstenaars in hetzelfde museum, bespreek ik andermaal het grafische werk van Hartsuiker: “Hij volgt de grillige lijnen van de natuur in zijn abstract uitgewerkte landschappen. (…) De omgeving wordt ontdaan van alle storende elementen. Wat overblijft is een functionele verbeelding, een ‘simpele’ weergave. Een plattegrond of een spadesteek met de natuurlijke lijnen van de grondstructuur. (…) Zo zijn de lijnen en vlakken van Age Hartsuiker in totaliteit een landschap, in alle eenvoud.”

    Age Hartsuiker, Museum Galerie Heerenveen

    De kunst van Hartsuiker

    Een jaar later is de kunst van Hartsuiker in de groei: “Age is uit het platte vlak getreden in de dimensie van het verhalend uitbeelden. Daarmee dieper gravend in dat landschap en de geschiedenis van de mensen die het bewonen, om zich zo te laten inspireren door de harde en doodse materie. De steen als gebruiksvoorwerp, maar ook als vertelling. Eenvoudige vormen met structuren die verhalen van eeuwen in zich dragen. Age Hartsuiker zet de zwaarte, de kracht en de schoonheid van dat massieve voorwerp in zijn krijttekeningen. Het wordt daardoor zijn verhaal. Een verhaal dat interessant genoeg is om te beluisteren en door te vertellen.”

    En verder groeit en bloeit het: “Age Hartsuiker laat ons bijschuiven aan zijn tafels. In een persoonlijke stijl (…) mogen we getuige zijn van een eenvoudige rangschikking in een ongewoon stilleven. Een afdruk van de gebruiker, een erfenis voor de maker. Simpele vormen met functionele schetslijnen. De zichtbare onderschilderingen en rectificaties geven de werken een onschuldig karakter. De matte felheid van de vruchten en de bladen springen uit de lichte kleuren naar voren.”

    Hij zoekt voortdurend verandering en vernieuwing in zijn werk: “Age Hartsuiker tracht zijn uitdrukkingen zover te abstraheren, totdat de vraag opwelt of de versimpeling een eindpunt kent. Met felle arceringen van kleurkrijt op papier komt hij zodoende tot hoogwaardige beeltenissen zonder enige afleidingen.”

    Age Hartsuiker

    Zwerven in de kunst

    Twintig jaar geleden schreef ik bij een tentoonstelling in zijn huiskamer: “Graficus Age Hartsuiker heeft wat gezworven in de kunst! Door het landschap en in het landschap. Hij zweefde erboven als een vogel en groef erdoor als een mol. Van iedere kant en van elke zijde heeft hij in zijn werk dat landschap belicht. Vanuit een realistische kijk door een onwerkelijk gezicht naar een abstracte benadering. Proberen te ontdekken wat overblijft wanneer alles is weggelaten. Nadat dit onderwerp tot op iedere aardlaag was doorgebeten en herkauwd, spuwde Age de braakbal uit en vond erin de steen als beeldthema. Verder filosoferend bedacht hij de tafel als drager van het leven. Gaandeweg werd de etsnaald ingeruild voor het pastelkrijt en de acrylverf.

    En verder: “Een Hartsuiker kent veel verschijningsvormen. In de grafiek graaft het zich op in het landschap. Met ragfijne lijnen is de huid over de aarde gedrapeerd als de natte plas in de vormbare modder. Dit vroege werk is nog vol van beeltenis, maar geleidelijk verbant Hartsuiker elk aanknopingspunt om te resulteren in een minimaal gegeven aan weergeven. Het is het evenwicht in herkennen en ontkennen.”

    Eilanden en luchtlandschappen werden daarna zijn domein; torens als belvedères overzagen de inspiratie. En eerder waren bomen al een manier om de kunst van zich af te ‘schrijven’. Die enkele bomen staan nu in een bosje bij elkaar om het licht van de Wouden te ademen, de sfeer in stemming te brengen. Dat is wat Hartsuiker zijn werk in deze serie wil meegeven. Dat zien doe ik dus niet, maar horen doe ik de schurende aarde, de opstandige bodem. In feite is dat de kunstenaar zelf; hij staat hier model. Het is een abstract zelfportret, niet meteen zichtbaar.

    Hij is rebels. Gaat zijn eigen weg. Leverde zijn eigen werk uit bij een zelf opgezette kunstuitleen, richtte een eigen galerie in om maar onafhankelijk te zijn. En in de politiek is hij weerbaar en dwars, bokkig als gemeenteraadslid en eigenzinnig als wethouder. Eens en vooral is hij beeldend kunstenaar en kan zich daarom abstract inleven in problemen. Want hoe sprekend is het om kwesties uit te tekenen en zo de angel eruit te halen. Maak het figuurlijk, dan blijkt het letterlijk minder heftig en makkelijker om over je schaduw te stappen.

    Age Hartsuiker

    “Het is een supermarkt”

    De kunst van Hartsuiker is niet slechts ter vermaak, maar zeker ook ter lering. Het vermaak zit in de esthetische kant van de pasteltekeningen, een sieraad boven de bank. En de kunstenaar probeert ons iets te leren over het intensieve gebruik, maar vooral het diepgaand misbruik van de omgeving. De ontering van het landschap die ik lees in de werken van Hartsuiker. Een omwonden aanklacht als de wolf in schaapskleren, de adder onder het gras.

    Age: “Het spreekt aan of niet, dat is het prachtige van kunst. Het is een supermarkt: wat je niet lekker vindt, koop je niet. De illusie is een grote realiteit. Het is het wezen, het verhaal dat wordt verteld door de kunstenaar. De kunstenaar is een vorser, hij graaft zich in het onderwerp in en komt zichzelf en de directe omgeving tegen. Alles is van invloed op wat je doet. De kunstenaar is gedreven, hij verlangt naar ‘vrijheid’. Het is een passie die je meekrijgt, een stuk fantasie dat je hebt. Voor mij is het zaak op te letten dat het geen kunstje wordt. Het ene werk lijkt veel op de andere compositie, omdat het opeenvolgend is. Kom ik er niet uit, dan grijp ik naar werk dat eerder gemaakt is. Het gaat om de beleving. Die is belangrijk, en niet alleen voor de kunstenaar, maar ook voor de beschouwer van het werk. Iedereen beleeft iets, natuurlijk. Dat is het leuke van kunst voor de beschouwer: je voegt iets toe.”

    Terug in Galerie MUGA heeft de naamgever van de tentoonstelling een magische aantrekkingskracht. Als is het een magneet, trekt het me naar zich toe. Eerder zag ik het werk in de openingstentoonstelling van deze galerie in 2020: “Veelal is de vorm abstract, maar “in it ljocht yn ’e wâlden’ wordt de toren een landschap. Een prachtig werk, het hoogtepunt in deze omgeving wat mij betreft. De akker ligt er bewerkt bij, de voren in de aarde bewegen als de scheuren in de schors van de boomstam. Het dak van de toren is het bos van de Wouden, het licht straalt tussen de stammen door naar het centrum van de compositie. Ik wil dat bos in, de koelte zoeken.”

    Tentoonstelling “Het licht dat door de wouden ademt”, pastelkrijttekeningen Age Hartsuiker bij Museum Galerie Heerenveen (Galerie MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 1 februari tot en met 15 maart 2026.

  • Het gouden uur in blauwen en beige

    Het lijkt de blauwe periode van Ingrid Simons. Vrijwel alle composities die bij Galerie MUGA getoond worden hebben deze kleur als hoofdmotief. Het mengt zich met beige, een tussentint van pakweg wit en geel ofwel bruin. Hoewel van menging geen sprake is, blauw en beige vormen niet samen een nieuwe kleur. Naast elkaar gebruikt vormen deze samen een dynamisch bruisende compositie. Alsof de schepper met de hand het gladde oppervlak beroert. Het water komt van schrik in beweging en spiegelt het wezen van degene die het aanraakt. Dat is zoals ik het bekijk, maar zo heeft de kunstenaar het niet bedoelt. Zij beeldt haar emotie van de schemering. De twilight zoals de Engelsen dat zo treffend uitdrukken. Want dat is het, tweelicht, het moment tussen dag naar nacht, licht en donker, het licht wordt opgeslokt door de duisternis.

    Simons echter richt zich niet op het ogenblik waarop de dag zich te ruste legt, maar het moment dat de dag ontwaakt en zichzelf opnieuw uitvindt. Het eerste licht van de dag, madrugada – morgenstond in het Spaans. Dat is dawn, het ochtendgloren wat feitelijk ook een menging is van donker naar licht. Lady of the Dawn van Mike Batt klinkt in mijn gedachte wanneer ik de expositie in MUGA bekijk. Want de wisseling van nacht naar dag en van dag naar nacht zijn de meest mysterieuze dagdelen. Uit de duisternis van de nacht licht de dag op, de vlakken krijgen weer contour. De bomen komen uit het bos naar voren, koeien zichtbaar in de weide, witte wieven dwalen in dauwende nevel over de velden. En kunstlicht dooft. Kunstlicht om de nacht niet aardedonker te laten zijn, want de mens is bang voor het donker. Wanneer er geen hand voor ogen te zien is wil de mens zich omringen met licht in de duisternis.

    Een heftig gebeuren

    Om waarlijk in het donker te zitten moeten grenzen overgestoken worden, dient de stilte gezocht te worden. Waar vind ik deze nog? In Nederland is het alleen donker op Terschelling of in het Lauwersmeer. Want ons land is een van de meest lichtvervuilende landen. Misschien nog op de Marker Wadden en Kootwijkerzand. Maar de duisternis moet je in ons deltaland met een lampje zoeken. Dus die natuurlijke overgang van nacht naar dag is minder helder te beleven, minder dramatisch, minder theatraal. Daarvoor is Simons afgereisd naar Portugal in dit geval. Daar is het licht mediterraan, warmer. Dat vertaalt zich in haar werk met het effect als hierboven omschreven. De koelte van de nacht mengt zich met de warmte van de dag. Dat is in haar beeldtaal een heftig gebeuren. De nacht wordt niet zonder slag of stoot overwonnen, maar de natuur moet zijn beloop hebben. Het is een voortgaande cyclus, synchroon lopend met het grote geheel van het leven.

    Eerder schreef ik over het werk van Simons, dat ‘door de structuur de kijker veronderstelt dat de maker een landschap in beeld heeft gebracht. De inspiratie is ruw op doek gesmeten. In wilde vlagen en brede handgebaren beweegt de verf over het doek van links naar rechts, heen en weer (…). Op deze manier moet de schepper ook die eerste dag gezien hebben. Een abstractie die langzaam een werkelijkheid werd. Woest en ledig kreeg vorm en sfeer.’ En dat is nog steeds de gewaarwording bij de kunst van Ingrid Simons. De sensatie van dat eerste licht, de schepping van een nieuwe wereld. Een gebaar van driftig onstuimige uitdrukking van de emotie opgedaan in het landschap bij dageraad. Het ontwaken van de dag. De nacht verzet zich hevig, maar uiteindelijk overwint de dag. Het gaat er heftig aan toe in die vroege morgenuren.

    Lange banderollen

    Koud vlammende beelden in eenzelfde toonzetting en kleurbeweging zijn op de huid van vazen gebrand. In de bolling van dit keramiek blijft de duisternis bewaard. De donkerte zit in de ziel van het voorwerp als een druppel vocht in droogte. Het is een gebruiksvriendelijke manier om de morgenstond te laten vlammen, het gouden uur te concretiseren. Want denken de schilderijen zich dikwijls nog een landschap, de vazen stoken het vuur van de dag op en veroorlooft de vorm zich geen vergezicht. Echt los gaat Simons op lange banderollen, die zich uitstrekken van de vloer tot het plafond van deze kunstruimte. Zwarte inktstrepen en -vlekken op een witte drager verwezenlijken de sferische stemming. Neergezet tijdens een performance midden tussen de natuur in het gras. Het papier neemt de structuur van de bodem, de grond en het steen aan. De schildering wordt onderdeel van de omgeving en is er uitgenomen. Het is een kopie van de plek, een beschrijving van deze bepaaldelijke plaats.

    Even stil staan

    De emotie vertaalt zich in een rumoerig beeld, alsof de kunstenaar uit de geruisloze stilte wil breken en zich verre houdt van contemplatie en bezinning. De abstractie zindert expressief, de energie krijgt de vrije hand. Het beeld verbergt een diepere laag van ervaren. In een huiveringwekkende atmosfeer ontmoet de dag in deze de nacht. Vooral door het formaat en de meest basale manier van uiten maken deze werken de meeste indruk in deze opstelling. Een drietal kleine werken op de gang luiden het heftige karakter van de tentoonstelling in. De zwarte vegen op papier, besmeurt met witte lijnen, lichten nog geen tip van de sluier op wat de bezoeker in de ruimte daarachter te wachten staat. In deze kleurloze verbeelding is de inspiratie van de schemering ver te zoeken. Het abstraheert een gevoel, concretiseert de gedachte wanneer de ogen gesloten zijn.

    Het wek van Ingrid Simons zou uitnodigen om even stil te staan, om de wind, de stilte en het licht opnieuw te voelen. Te ervaren alsof je dit voor het eerst meemaakt, voeg ik daaraan toe. Als een pas geboren kind de dag proeven, het leven aangaan. Want zo open moet je zijn bij dit werk, zo transparant voedt deze kunst mijn gedachte. Het is een oorspronkelijke emotie. De ontroering van de eerste dag, het eerste uur. De kunstenaar reist de wereld over om deze eerste beleving opnieuw te ervaren, telkens weer. Ze treft ruige en verlaten landschappen om er in schutkleur deel van uit te maken. Uit deze natuurlijke grondslag laat zij haar kunst ontstaan in diverse technieken. Hoe dat werkt daarover heeft ze in eigen beheer een papieren uitleg laten drukken, een handleiding voor haar manier van werken. Daarover zal ik in volgend artikel meer schrijven.

    Madrugada. Schilderijen, tekeningen en keramiek van Ingrid Simons bij Museum Galerie Heerenveen (galerie MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 19 oktober tot en met 30 november 2025.

  • De regelmatige verwarring van een Vlaamse Fries

    Twee jaar geleden kwam ik voor het eerst in contact met het werk van Valère Wittevrongel. Dat was toen in Kunstlokaal No.8 in Jubbega. Mijn betoog begon toen min of meer op deze manier: “Over het algemeen wordt de bezoeker van deze lokaliteit kunst getoond die beroep doet op inleving, ervaring en gevoel. Inleving om de composities op waarde te schatten. Ervaring, de geoefendheid in het kijken naar non-figuratief werk. En gevoel om de belevenis objectief te beleven. Dat heeft tijd nodig bij de ongeoefende kijker, maar is er eenmaal doorzicht in wat gezien is, begrip te doorgronden dan komt het beeld tot leven. In de tweede dimensie ga ik dan als beschouwer de diepte in. De vormgeving aan de oppervlakte geeft gelaagdheid in de verschillende niveaus prijs. Om de compositie te doorzien moet ik staanblijven en verderkijken.” Die tekst zou ik hier op dit moment letterlijk zo over kunnen nemen, en dat doe ik dus ook. Niet omdat Wittevrongel mij dezelfde werken laat zien, wat zal betekenen dat er nauwelijks voortgang in zijn kunst aanwezig is. Geenszins, hij groeit en bloeit op dezelfde vruchtbare grond, zijn bodem. Echter de sfeer is hetzelfde gebleven. In de ruimte van Museum Galerie Heerenveen weet de kunstenaar eenzelfde atmosfeer te brengen. Zijn stemming heeft witte wanden nodig, de ambiance moet het werk ondersteunen en niet afleiden. Zo kan de bezoeker geheel ongedwongen en objectief op de schilderijen ingaan, deze beleven en ervaren.

    De plattegrond van de gedachte noem ik het werk van Valère Wittevrongel. Het is geen realistisch gegeven, maar een abstract gevoel. Doordat er niets in te zien is, geeft het alles weer. Zonder vooringenomenheid kan ik in het werk opgaan, dit ondergaan. Mijn verstand kan op nul en de blik op oneindig, omdat ik niets hoef te zien en me geen voorstelling behoef te maken. Overal wil de mens een beeld hebben om er waarde aan te hechten. Er iets in zien zonder dat het een voorstelling heeft, non-figuratief is. Maar bij Wittevrongel, die zijn inspiratie ordent in vlakken en kleuren, kan ik gedachteloos kijken – afwezig welhaast. Zo gezegd kan het werk meditatief zijn: in stilte overpeinzen, kalm geen oordeel vellen. De gedachte in vlakken verdelen om in kleuren de diepte in te gaan. Het is niets en toch is het alles, herhaal ik mezelf. Want herhaling is toch onder meer de kracht van deze kunstenaar. Hij herhaalt zichzelf om het werk te hernieuwen. Het schijnt een eenheidsbrij, maar is voortdurend een variatie op het thema.

    Het werk van Wittevrongel heeft geen titel, niet anders dan een plaats- en tijdsbepaling van waar en wanneer het is gemaakt of in welke serie het thuishoort. Voor de kunstenaar van waarde maar voor de beschouwer nietszeggend. Een titel zou de gedachte sturen, een kant op laten gaan die niet gewenst is. Het werk moet ongedwongen tegemoet worden getreden vindt de kunstenaar zelf, een titel leidt af en bevooroordeeld de gedachte. Het wil niets zijn. Geen landschap in de zin van een horizon op een derde van het beeldvlak. Het heeft wel dat voorkomen, maar het is een spel met kleur en vlakverdeling. Toevallig overeenkomend met ons beeld van wat een landschap is.

    Tijd nodig zich te openen

    Wittevrongel zoekt naar een figuratieve diepte. Hield hij zich steeds bezig met de oppervlakte, waarin vlakken en lijnen door kleurwerking en lichtinval een doorzichtig spel spelen. Nu is die oppervlakkigheid niet meer voldoende en gaat de kunstenaar met kleur op zoek naar een diepzinniger uitdrukking. Hij brengt doelbewust onrust in de orde. Niet om verwarring te zaaien, maar om de spanning op te voeren. De stilstand lijkt in beweging. De waterspiegel komt in beroering wanneer er een blad opvalt, de aanraking van een steen geeft opwinding. De rust raakt verstoord en komt tot leven. In dat leven zoekt Wittevrongel een ander niets, vindt er een diverse abstractie. Geen verdieping in het zijn, want de werken gaan in het niets al diep genoeg om met iets aan het oppervlak te komen.

    De kunst van Valère Wittevrongel heeft tijd nodig om zich te openen. In eerste instantie lijken het dood geverfde werken, ondoordringbaar omdat het meest een ode aan het zwart schijnt. Later varieert hij met unikleuren. Door goed te kijken, de tijd daarvoor te nemen, geeft het werk de inhoud prijs. Zie je ruimte waar eerst enkel leegte scheen te zijn. In gedachten heb ik de ruimte nodig om de leegte op te vullen. Het is geen kunst van de korte blik, maar van de lange adem. Kijken om te zien, dat is het devies. Dat heeft op de keper beschouwd geen woorden nodig. En laat ik dan de woorden voor wat ze zijn, het oordeel links liggen, er niet meer omheen praat. Dan zie ik dat de verf in dunne laag is opgebracht, waardoor de structuur van de drager zichtbaar blijft. Daardoor lijkt het of de kleur tot leven komt en zich intensiveert. De penseelstreek is nauwelijks zichtbaar, laat staan in het ogenblik voelbaar. Egale vlakken die in intensiteit van tint en bestreken met vernis naar voren komen of zich juist naar achter bewegen. Als in een coulisselandschap geeft dit ruimte aan het zicht. Ook schijnen de vlakken onder en over elkaar langs te schuiven, er is gezichtsbedrog, een optische illusie. Het vlak op zich is de huid van het canvas zonder hoogte en diepte, maar de kleur en het licht maken er een perspectivisch geheel van. Het neemt zich tot je of stoot je af. Het slokt je op of spuwt je uit. De tijd zal het leren. Voor het geoefende oog is het makkelijk werk, maar voor de lekenblik is het niet eenvoudig te doorgronden. Het is in orde, maar doordat het niets is geeft het onrust. Je krijgt er geen vinger achter en dat schuurt. Orde en onrust dus, echter als metafoor voor het werk van Valère Wittevrongel. Een Vlaamse Fries, dat geeft regelmatig verwarring.

    Orde en onrust. Schilderwerken van Valère Wittevrongel bij Museum Galerie Heerenveen (MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 24 augustus tot en met 5 oktober 2025.

  • De stilte valt me in bij Yves Beaumont

    In december vorig jaar stuurde Yves Beaumont mij zijn toen onlangs verschenen boek “Anthology” als recensie-exemplaar. Kort daarop nog in diezelfde maand schreef ik er een artikel over. Nu in juli dit jaar hangt werk van Beaumont in Galerie MUGA onder dezelfde titel: Anthology. Het boek is een bloemlezing van zijn werk door de jaren 2017 tot 2024. De tentoonstelling is dan een keuze uit deze jaren. Een dwarsdoorsnede van de collectie dus, zodat mijn boekbespreking de lading van het overzicht in Museum Heerenveen met gemak zal dekken. Maar het is te makkelijk mijn bespreking hier als kunstrecensie opnieuw te plaatsen. Voor mijn gevoel maak ik me er dan als een jantje van leiden van af. Om er dus niet met de pet naar te gooien bezocht ik na de vernissage van de expositie de tentoonstelling opnieuw, om er stil bij te vallen en de beeltenissen kalm op me in te laten werken.

    Yves Beaumont woont in het pittoreske Oostende aan zee, maar wendt zich daar wel vanaf en laat de blik in zijn werk meest dwalen over het weidse Vlaamse land. De schilder kan mij in Friesland, tussen meren en bossen, middels schilderijen deelgenoot maken van de ervaring zoals dat met licht schijnt te zijn. En die beleving binnen is imponerend, om niet te zeggen overdonderend anders dan mijn ondervinding buiten. Daarnaast bezoekt hij wel het noordland en laat het licht schijnen over wadden en deelen. Ik val daarbij stil in de galerie. De werkelijkheid van Beaumont neemt mijn gedachten in bezit. De sfeer vervliegt er niet, de stemming blijft zwaar hangen. Het is near zoals de Friezen zeggen, broeierig. Als op een tropisch warme dag. De hitte zindert tussen de verftoetsen. Kan geen kant op. Bliksem en donder zal de lucht klaren. Zoals op de eerste scheppingsdag. Tohoe wa bohoe. Woest en ledig, onherbergzaam en verlaten. Maar niet zo godvergeten en grimmig als op die eerste scheppingsdag. Een weidse stilte als in een gedicht van Willem Barnard. Niets denken, enkel overdenken. Mijmeren. Maar nu nog kan het er drukkend zijn, tempert emotie positief het blikveld. Heldert de gedachte dan het bevroren moment op wanneer ik inkijk en doorzie.

    Lichtwaarneming

    Deze Vlaamse kunstenaar schaart zich in de reeks landschapschilders. Maar niet op de klassieke manier is hij schilder van het landschap. Zijn velden zijn geen realiteit, hij laat niet zien wat is maar zoals de waarheid aanvoelt, zoals hij deze ervaart. In zijn welhaast abstract gepenseelde omgeving herken ik bossen, de wouden van de Ardennen. Bij hem naast de deur, terwijl ik het moet doen met het minder weelderige Oranjewoud of het meer tot de verbeelding sprekende Drents-Friese Woud. Met hem deel ik de liefde voor bossen, waar tussen de boomtoppen door het licht de vormen maakt.

    Zijn lichtwaarneming piekt echter niet helder tussen boomkruinen door. Het is een nevelig schijnsel, een mistig besef. Het is de ziel van het licht dat in zijn werken schijnt. De essentie van straling, schijnsel zonder overbodige helderheid. Het werk stemt daardoor zachtmoedig triest. Dat lijkt een paradox, een schijnbaar lichtelijke tegenstrijdigheid. Het omschrijft echter de emotie die mij overkomt bij het zien van de schilderijen zoals gepresenteerd in Museum Galerie Heerenveen. Met een minimum aan motieven weet Beaumont een maximum aan sfeer te scheppen op de onbevlekte huid van het doek. Het vlak is uitgestorven; de schilder maakt het ongevulde veld bewoonbaar voor de geest door met wat modder aan een kwastje een figuratie te scheppen.

    De inspiratie is het landschap

    Het gaat Beaumont echter niet om de figuratie, maar in zijn werk is het licht van belang. Ik zie wel sparren in composities, maar het is het warme licht dat straalt langs takken en naalden. Het licht maakt de vorm, de bomen zijn de restvormen waarin ik de figuur herken. De onderschildering geeft de compositie kleur. Werkend van donker naar licht blijft de huid levendig en vol van kleur. De onderschildering zet de toon, toont de gelaagdheid van het werk. Want onderhuids speelt het zich af, zoals de diepzee de kern maar nauwelijks aan de oppervlakte prijsgeeft. Het is een idee, een gevoel dat er meer is dan het zichtbare. De beschouwer moet door de laag heen kijken om de kracht te ervaren. Onder het uiterlijk van de schildering ligt de essentie van het landschap besloten. Het landschap op die plek, daar. Maar niet eenduidig, het is inwisselbaar. Of herkenbaar als de verten van Vlaanderen en tegelijkertijd de vergezichten in Friesland. Het kan van daar zijn en schijnt van hier, en andersom.

    De inspiratie is het landschap. De vlakten in Vlaanderen en de velden in Friesland. Het heeft voor hem eenzelfde uitstraling, een eendere beleving. De emotie steekt voor hem in de atmosfeer, de lucht boven de horizon. De aarde daaronder is slechts de kapstok voor dat gevoel, om het beeld tastbaar te maken en grijpbaar te houden. Het is niet de werkelijke wereld die hij uitdrukking geeft, maar dit is wel de ingeving, de bezieling. De bron waaruit hij put. Zijn landschap is een afgeleide van de werkelijkheid. Het is de beleving die hij een vorm geeft. Als voorbeeld geef ik zijn vertaling van de Wadden hierbij. Dat onderdeel van een drieluik is, een drietal beelden zoals ik mij Friesland voorstel: vlak maar kleurrijk onder de oppervlakte. Een eenvoudig landschap met een meervoudige uitdrukking. Dit is het nabeeld op het netvlies wanneer de ogen worden gesloten. Het oog ziet het landschap, de geest slaat een beeld op en de gedachte herinnert zich een vorm. Die herinnering geeft Beaumont opnieuw een beeld, een vorm die dus herinnert aan de werkelijkheid.

    Anthology. Tentoonstelling schilderijen van Yves Beaumont bij Museum Galerie Heerenveen (Galerie MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 29 juni tot en met 17 augustus 2025.

  • Tijd krijgt vorm in olie

    Een voorwoord. – De lagen van de tijd tekenen zich gestapeld af in een doorsnede genomen uit de aardschil. Er liggen daar duizenden verhalen onder onze voeten verborgen. Wij lopen over onze eigen geschiedenis. Verslagen, vertellingen, legendes, sages, vertelsels, parabelen. Alles wat in woorden valt uit te drukken heeft moeder aarde in zichzelf opgeslagen. Archeologen pellen de schil voorzichtig en nauwkeurig laag voor laag af om geen verhandeling en geen uiteenzetting te missen, geen woorden over te slaan zodat het hele verhaal van mensheid en aards bestaan gevormd kan worden. De lagen geven, net als jaarringen, de tijd aan. In die tijd, door de tijd heen, is er van alles met die aarde gebeurd, heeft de boom allerlei voorvallen doorstaan. Onuitgesproken geven de dimensies uitdrukking aan de geschiedenis. Wie de aardlagen kan lezen als een historisch boek kan diep graven om de tijden voor nu naar boven te halen.

    En dus. – Die gedachten komen bij mij naar boven wanneer ik mij situeer voor de werken van Johannes Steendam in Museum Galerie Heerenveen, kortweg Galerie MUGA. Sta ik stil bij de olievelden van Steendam en probeer ik de abstractie werkelijkheid te maken, dan overkomt mij deze mijmering. Want het is net alsof de kunstenaar een spadesteek uit de bodem heeft gespit waarin aardlagen zich manifesteren. In zijn werken lees ik derhalve in een moment de tijd.

    Olie op hout

    Op blokken hout heeft Steendam bruine lagen olie gesmeerd. Oilfield on earthlayer. Olie in diverse bruine tinten afkomstig van verschillende machines en motoren. De lagen, brede lijnen en smalle horizontale kwaststreken, lopen autonoom parallel maar zijn ook in samenhang naast elkaar. De materie blijft na verwerking in beweging, het ettert na en vloeit door. Olie is actief en dynamisch – als grondstof om een object in gang te houden. Het is het bloed dat door de aderen stroomt, het zorgt voor smering, reiniging, bescherming én koeling. Die eigenschap zet door in het olieveld, een actieve grond die de tijd bedrijvig stilzet.

    Niet alleen de olie die bij het verversen uit de carter stroomt gebruikt Steendam voor zijn composities. Ook de olie van de zonnebloem of het koolzaad, olijf en soja. Smeerolie en kruipolie, misschien wel een druip visolie of levertraan. En alle met verschillende viscositeit om stroperig te smeren of waterig te vloeien. Zo ontstaan energieke werken die beweeglijk levendig blijven. Waar de tijd vat heeft op de lagen in de bodem, zo heeft dit op den duur invloed op de oliewerken van Steendam. Valt er in de grond een verhaal te lezen, zo ligt in het olieveld een vertelling gesloten.

    Vaasvormen

    Dat rapport kan ook opgemaakt worden aan de hand van de vaasvormen van Paul Vinken. Het vergt wel een andere invalshoek, maar ook daar heeft de tijd vat op de vorm. Is de tijd in de oliewerken in realiteit aanwezig, bij de vazen is het een abstracte voortgang. De vormen houden in de kantige buik de inhoud met moeite vast. Door gaten stroomt de energie, terwijl de zijden deze met kramp proberen binnen te houden. De lichamen als lijven van plompe dames staan stijf in de houding, daarin is de groei stil gebleven waarbij de tijd het is ontvlucht.

    Vinken heeft de verschillende variaties op het thema de uitstraling van een leger gegeven, een troep homogene vormen, een menigte dertien in een dozijn. Stijlvol uitgevoerd, fraai belijnd, maar met minder beleving in vergelijking met de blokken olie. De vazen zijn gesneden uit hout, hardboard of triplex. Perspex geeft de vorm doorzicht of een fluïde karakter. De randen zijn gevlochten met een draad in afwijkende kleur, ook wel heeft de kunstenaar T-rips gebruikt om een en ander bij elkaar te houden.

    Overgang

    In de eenvoudig beschilderde pallets zie ik een overgang van de olievelden naar de vaasvormen. De zes planken van de europallet zijn door Steendam in diverse tinten gekleurd. Geen olie stroomt langs het hout, maar olieverf geeft leven aan het gebruiksvoorwerp. Draagt het gewoonlijk een zware last, door kunstzinnige handen is het een gestileerd schilderij geworden. Een abstracte weergave die de essentie van een landschap verbeeld. Even statisch als de sculpturale vaasvormen. De tijd krijgt er maar geen vat op, de vorm heeft echter wel invloed op het moment. Dat ogenblik is voor een tijdje te beleven in deze galerie, op die plek, daar.

    Het naschrift. – Een banaan ligt te lang onaangeroerd op de fruitschaal. Het gekromde wezen begint ten einde raad te rotten. Want vraagt het zich af: ben ik niet smakelijk genoeg? Beseft echter niet dat het onderdeel is van een experiment, hoe zal het dat ook. Het rotten openbaart zich in stippen en vlekken op de schil. Van binnen uit protesteert de banaan tegen het gebrek aan aandacht. Deze natuurlijke schildering doet mij op dat moment denken aan de oilfield drippings van Johannes Steendam. Deze ontdekking deel ik op Facebook, waarop de kunstenaar reageert. Ik post vervolgens de voortgang van rottijd op zijn Messenger en Steendam gaat aan het werk met een rottende banaan als inspiratie voor een compositie op papier. Het resultaat is bijzonder en verrassend. Gesigneerd zit het object bij mij dan in de brievenbus, met commentaar van de kunstenaar: “Het was me een waar genoegen, erg leuk om te doen. Hou van zulke verhalen. Veel plezier met de banaan.” Dus, een echte Johannes Steendam bij mij op de fruitschaal (of aan de muur)! Met een nieuwe gedachte: de ‘Comedian’ van Maurizio Cattelan, de met ducttape vastgeplakte banaan.

    Olie en Vorm. Tentoonstelling werken van Johannes Steendam en Paul Vinken bij Museum Galerie Heerenveen (MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 11 mei t/m 22 juni 2025.

  • Dromen zaaien en fantasiën oogsten

    Wetenschappers van de Universiteit van Cambridge die al enkele jaren de planeet K2-18b bestuderen, vermoeden dat de planeet vol zit met microbieel leven. Dat hebben ze ontdekt door naar de chemische samenstelling van de atmosfeer te kijken met de James Webb ruimtetelescoop. Stel je nu eens voor dat deze exoplaneet, 124 lichtjaar verwijderd van en ruim 2,5 keer groter dan de aarde, het leven bevat dat Anne ten Donkelaar creëert in haar kleurige en fleurige composities. Door de oerknal, waaruit volgens wetenschappelijke overlevering het leven in beginsel is ontstaan, met een oorverdovend muisstille explosie aan bloemzaden die de ruimte werden in geslingerd en daar op die planeet in het bijzonder zijn terecht gekomen, zich hebben uitgezaaid en vervolgens zijn ontkiemd en zich hebben voortgeplant. Een cyclus door een werelds jaar, maar dat kan op die planeet natuurlijk heel anders in elkaar steken.

    Een natuur die op aarde niet kan en heeft bestaan, niet waar maar met gesloten ogen wel echt, kunstzinnig gekunsteld door de kunstenaar. Onderdelen van de bedachte vegetatie zijn waarheid, maar door kruisen en kweken is een nieuwe echtheid ontstaan, een in onze ogen onwerkelijk werkelijke flora. Een surrealistisch samenstel van wortels, stengels en bloemen. De resultaten van die botanische inteelt zijn nu te zien bij Museum Galerie Heerenveen.

    De natuur is er naar de hand gezet van de kunstenaar, die zich als eigentijdse creator bemoeide met de aloude schepping. Zij creëert in fijnzinnige collagetechniek een nieuwe plantenleer, waarvan de botanici wel pap lusten. De inhoud van de plantenkas gaat met elkaar een relatie aan: uit een enkele bloemknop spruiten verschillende bloemen. De kleuren bestrijken een heel palet aan tinten en knallen welhaast uit het kader door Ten Donkelaar aangegeven.

    Om het nog meer tot de verbeelding te laten spreken geeft een fotografische benadering van dit thema een dromerige sfeer. Stengels, bladen en knoppen dansen om elkaar tegen een nevelige achtergrond. Als een dynamisch stilleven. Of reiken als een tuil ballonnen naar de hemel. Op de plaats gehouden door kleurig paktouw te verbinden met relatief zware moeren en bouten. Wederom een bovennatuurlijke gewaarwording die de ogen streelt.

    Planten vol in bloei

    Terug naar K2-18b, niet genoemd naar een zet op het schaakbord – het is de eerste planeet die gevonden werd rond de ster K2-18 in het 18e sterrenstelsel. NASA heeft daar al een leger naar vooruit gestuurd om de natuur er te exploreren. Niet om het te vernietigen voor nieuw menselijk leven, dat zou SpaceX doen, maar om er vreedzaam een verdroomde maatschappij op te zetten. Ten Donkelaar heeft daar alvast een model van en voor gemaakt. In haar idee wit geschilderde soldaatfiguurtjes schieten niet met scherp. Integendeel, uit de lopen openen zich bloemen of kleuren explosies zich in de atmosfeer. Diverse objecten in een gezamenlijke opstelling, die afzonderlijk van elkaar kunnen worden aangeschaft. Maar wanneer het legertje Idealisten bij elkaar blijft is het een droombeeld, beeld het een geïdealiseerde wereld uit, een fata morgana.

    Maar wie zegt ons dat wij niet over een betere wereld mogen dromen? Waar het altijd voorjaar is en planten vol in bloei staan. Waar bloemkronen een dans uitvoeren onder water. Waar bloemen opstijgen als ballonnen, aan een draadje naar de zon. Waar de natuur gereconstrueerd is zodat het eeuwig leven schijnt te hebben. In een plantenkast bij de tentoonstelling zijn zinspelingen en vingerwijzingen verzameld toegespitst op een herbarium. Het greenhouse cabinet is een ideeënbus voor nieuwe creaties. Daaruit ontspruiten inspiraties om volgende collages te scheppen. Van dat begin zijn elementen terug te vinden in de resulterende constructies. Het idee is gezaaid in dit kabinet en wordt geoogst in de werken.

    Tussen hier en de exoplaneet

    Het componeren plaatst de kunstenaar in de schoenen van de schepper. Want zij maakt heel wat stuk was, repareert gebroken libellen en vertrapte planten, verdronken vlinders geeft zij nieuw leven. Het legt de macht in haar schoot om de schepping naar haar hand te zetten, door haar vingers te vormen. Het ontvouwt fascinerende resultaten. Aandachtig kijk ik om te ontdekken welke planten en bloemen deze variatie aan verbeeldingskracht omvat.

    Deze bloemcomposities met een diepere laag van betekenis geven een vrolijk beeld, dat past in deze voorjaarstentoonstelling rondom Pasen. Want dat feest luidt opgestaan leven in, het is eerst gestorven voordat het opnieuw bloeit. Het rijsje dat voortkomt uit de afgehouwen tronk, een scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen.

    Deze collages en platen zijn een lust te beschouwen echter minder interessant in vergelijking met de wand “Cloud Village”, composities die zweven tussen hier en de exoplaneet. Daarop kan ik meer en beter mijn fantasie loslaten, omdat Anne ten Donkelaar hiermee zichtbaar uit haar dak gaat. Eveneens als de bloemcomposities onwerkelijke werkelijkheden, maar die meer tot de verbeelding spreken omdat deze passen in sferen van sagen en legenden. Aan deze collages kleven klassieke verhalen en gevoelens daarbij, die mondeling dan wel schriftelijk van vroeger naar nu werden en worden overgeleverd. Deze beklemtonen een sfeer van luchtfietsen en droombeelden, en doen recht aan de idee van uitvinder Da Vinci. In deze sferen ontdek ik de kunstenaar, de atmosfeer reflecteert mijn zijn als in een fantastische bevlogenheid. Ik zit bij wijze van spreken op de punt van de stoel om maar niets van het verhaal te hoeven missen. Wat onmogelijk lijkt blijkt mogelijk; het is niet waar maar het had waar kunnen zijn.

    Tentoonstelling “Dromen zaaien”, werken van Anne ten Donkelaar. Bij Galerie MUGA, Museum Heerenveen, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 9 maart tot en met 27 april 2025.

  • De cirkel is rond door wat is wat blijft

    Het is een troostrijke gedachte: wat is dat blijft. Maar, is dat zo. Dat blijft wat is en dat is wat blijft. Ik ga daarvoor op onderzoek uit in de tentoonstelling nu bij Galerie MUGA. Want daar wordt werk gepresenteerd onder die bemoedigende titel: wat is dat blijft. En het is zo. Want wat ooit op aarde is ontstaan is eeuwig tot de jongste dag. De bijbelse dag waarop de wereld vergaat en er een nieuwe voor in de plaats komt. Zo gaat het verhaal. Tot die tijd moeten we het doen met wat er is, want dat blijft. Er komt niets meer bij en er gaat niets meer af. De lucht die ik inadem is al eens door anderen voor mij ingeademd. Misschien die neanderthaler of deze hunebedbouwer, of door Rembrandt die in Friesland was om er te trouwen, of Mata Hari geboren in Leeuwarden. Al wat er is blijft.

    Water maakt een oneindige cyclus van bevriezing, verdamping, dooi en regen. Maar altijd met hetzelfde volume. De natuur sterft af in de herfst en verrot in de winter, in de lente komt nieuw leven dat bloeit in de zomer – de cirkel is rond. Schijnbaar nieuw ontstaat uit afbraak en dood. Om te sterven moet je leven. Maar alles wat was is gebleven. Alles wat blijft was er al. Blijft niet in de vorm die er was. Het zijn verontreinigd, wordt morsig en goor. Het wezen dat nieuw was wordt oud en versleten, bezoedeld. Wat blijft kan niet in de schaduw staan van wat was. Het blijft weggesmeten, afgesneden van wat was. De hoedanigheid, het voorkomen van de aarde, eens geschapen met goede voornemens, is bevuild door de hoofdbewoners die geen beste rentmeesters bleken.

    In onbruik geraakt voorwerp

    Wat is dat blijft. Ik ben maar resteer niet. Ashes to ashes, dust to dust. Woorden zeggen minder dan beelden spreken. Dus de kunstenaar bijvoorbeeld kan bewijs leveren voor wat is dat blijft. Ik bemerk het in Museum Heerenveen, galerie MUGA. Kijk maar. Voordat hout vermolmt pakt Johan van de Dong het op en verheft het tot een kunstzinnig object. Hij laat de natuur niet het werk doen, laat de vorm niet vergaan maar schept nieuw leven. Blaast de adem in de gestalte en laat een ander figuur ontstaan met een tegengestelde betekenis. Een tak kan al een bestaand herkenbaar uiterlijk in zich hebben. Soms moet afvalhout gevormd of beter vervormd worden tot een andere gedaante. Een figuratie die het voordien niet had.

    In onbruik geraakt voorwerp. Uitgezaagd, doorgezaagd, afgezaagd. Als overschot afgedaan, weggedaan, ontdaan van belang. Juist dat afval kan in handen van de kunstenaar tot betekenis worden. Voor hem heeft het aanzien en is bruikbaar. Precies dat nietswaardig weggesmeten voorwerp geeft hem inspiratie om het te loven en te prijzen, te roemen en te lauweren tot kunstwerk. En niet alleen dat wat volgens de mens afval is, maar ook dat wat de natuur laat afvallen. Art trouvé, junkyart, readymade. De storm die bomen verminkt, de wind die losse takken afbreekt. Die delen uit een groter geheel krijgen als waardeloos brokstuk een nieuwe waarde.

    Tijd en vergankelijkheid

    Gerukt van het leven laat de kunstenaar het reïncarneren tot een uniciteit in de kunst. Het mag er zijn, het is er, het was en blijft. Eerst achteloos verwijderd en nu apart genomen en belangrijk gemaakt – zal de mens dat ook niet willen. Dat men individu is in de massa, ongezien, maar door op een voetstuk geplaatst gezien te worden. Deze objecten van Van der Dong zijn mijns inziens ieder voor zich een zelfportret. Niet zichtbaar, maar voelbaar. In het afgebroken hout zit zijn ziel, dit zijn allemaal Johans die ik zie. In ieder object met een andere stemming, verschillend humeur, eigen zienswijze.

    Op haar beurt portretteert Maaike Nijlunsing tijd en vergankelijkheid in schilderijen. De interieurs van verlaten gebouwen waarin zij de tijd vastlegt maken indruk. Voordien waren deze vol bedrijvigheid, maar nu als zodanig afgeschreven, verwaarloost, aan het lot overgelaten. Dat lot is de tijd die met het aanzien aan de haal gaat en er sporen doortrekt. Sporen van vergankelijkheid, verval, was dat blijft. Nijlunsing toont de voetstap van de tijd. Zoals plaatjesmakers doen middels urban exploring. Fotografen die op urbex locaties het verval vastleggen. Wat achter gesloten deuren en geketende hekken is verborgen. De schoonheid van verval. Overhaast verlaten gebouwen soms met alle huisraad nog erin, onder het stof en de spinrag van de tijd. Wat dat betreft is het binnenwerk dat deze kunstenaar afbeeld na verlating bezemschoon opgeleverd. De spinrag heeft de ragebol gevoeld, de tijd heeft de wonden geheeld. De menselijke drukte is verstomt en een waas van stilte omhult het beeld, maar wat is dat blijft. Daar doet zelfs de tijd niet aan af.

    In beelden een verhaal verteld

    Het gescheurde behang legt een andere dimensie bloot, de kille architectuur is ontbloot van opsmuk. Door de ramen is de speelse natuur te zien. De kunstenaar brengt nieuw leven in wat voor dood is achter gelaten, verlaten. Het perspectief is dramatisch, zo eindigt maakwerk. Het voorland van wat is wanneer het in onbruik raakt. Maar juist deze verwaarloosde en tot ruïnes verworden plekken ontvouwen een onwezenlijke schoonheid. De tijd heeft er vat op, speelt er een spel mee. Met Nijlunsing kijk ik naar binnen, zodat ik de oorzaak en het gevolg van deze situatie mij door haar geschetst kan doorgronden. In dit interieur en overdrachtelijk bij mezelf. De kunst van Maaike Nijlunsing zet aan tot contemplatie, zelfreflectie. Het zijn niet zomaar lukraak portretten van de tijd, ik kan mijzelf zien in de gelaagde beelden, mijn geschiedenis – het fatum op het terrein over de grens van wat is dat blijft.

    Zo vertellen beide kunstenaars in beelden een verhaal van tijd en vergankelijkheid. Ieder met een eigen visie en ander materiaal, vanuit een persoonlijk standpunt, een individuele kijk. Maar met eenzelfde antwoord op de vraag wat de tijd doet met de gelegenheid. Op het blad bij de tentoonstelling lees ik “Waar Johan van der Dong direct met natuurlijke materialen werkt, bouwt Maaike Nijlunsing haar werk op vanuit waarneming en verbeelding.” Maar eigenlijk doen de beide kunstenaars hetzelfde. Van der Dong neemt de natuur waar, wordt er door geïnspireerd om met zijn verbeelding iets nieuws te maken uit wat oud en vervallen is. Terwijl Nijlunsing bezield raakt van materiaal dat de mens heeft verlaten en daarom in bezit is genomen door de natuur, als een ander zicht op de ecokathedraal-filosofie. Verval is aanwezig in de natuur en in door de mens gecreëerde structuren, puur ik nog uit het vlugschrift. Maar wat is dat blijft.

    Wat is dat blijft. Tentoonstelling werken van Johan van der Dong en Maaike Nijlunsing bij Museum Galerie Heerenveen (galerie MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 12 januari tot en met 23 februari 2025.

  • Het abstraheren van het realistisch herkenbare

    Het is niet dat ze geen realistisch herkenbare schilderijen maakt, maar op de keper beschouwd is Janneke Hengst een abstract schilder. Zij heeft een manier gevonden, zich een stijl toegeëigend, om in haar schilderen de werkelijkheid te versimpelen. Het landschap ligt er natuurlijk zo bij zoals zij het in haar werk portretteert. De bomen, sloten, het kerkje. Maar het zijn de contouren van een stemming. Het gevoel dat Hengst bij die plek had op dat moment of later weer kon oproepen in het atelier. Het moment dat ze deze werkelijkheid heeft vast gelegd. Die sfeer probeert zij in eenvoud over te brengen. Het zicht werd versimpeld, impressief geabstraheerd, maar de essentie is gebleven.

    De plekken die Hengst in haar werk aandoet, die ze als het ware reciteert, kunnen geplaatst worden in het landschap terwijl het bovenal het gevoel is dat de toon aangeeft. Een gedroomde wereld die bij ontwaken geen bedrog blijkt te zijn. De nevel van de morgen trekt op, het moment van de schemer geeft nog niet alle omtrekken weer – de wijdte, de diepte, blijft nog een ogenblik in het bezit van de nacht.

    Met haar werk geschiedenis schrijven

    Dat verdelen van de compositie in vlakken, zonder al te veel details toe te laten, schuurt tegen de schilderijen van Jentsje Popma. Terwijl Jopie Huisman als mentor haar artistieke ontwikkeling aanzienlijk heeft gevormd. Echter staat ze niet in de schaduw bij deze twee Friese grootheden, Janneke Hengst heeft zichzelf met haar persoonlijke stijl in de rij van schilders van het Friese landschap geplaatst. Ze pikt in haar werk de verstilde aanblik van dat vlakke land fijn op. Het voorkomen dat een aanklacht is op de ontwikkeling in de maatschappij. De vooruitgang en de groei van de bevolking noopt tot het omzien naar andere bronnen van energie. Het landschap verhardt zich volgens Hengst, als voorbeeld daarvan noemt ze weilanden boordevol zonnepanelen en enorm hoge windmolens die de vlakte vervuilen. Het punt voordat deze aanwas plaatsvind legt zij vast. Ze bevriest als het ware de schoonheid van het landschap. Laat het nog een moment zo zijn, zodat we er ongehinderd van kunnen genieten

    Janneke Hengst schrijft met haar werk geschiedenis, ze schildert een stilleven zonder het zelf samen te stellen. De eigenschappen zijn voorhanden, deze hoeven niet geschikt te worden. Het karakteristiek van het landschap ontdoet ze echter van kentekens, bijzonderheden laat ze achterwege om het wezen van de omgeving te doorgronden. In die kern is het zo stil als in het hart van de storm, er is geen geluid enkel maar de hartslag van de natuur. Hengst schildert de geest van Friesland, de aard van de provincie als document voor een tijd na hier en nu. De verstilling die ze in het werk heeft gelegd geeft rust. De kleurzetting is levendig, maar overstemt de stemming niet. Het is geen uitbundig vrolijk werk, het zet de toon van beschouwend waarnemen. Een contemplatief beleven, een meditatieve ervaring.

    Twee werken van Wim van der Veer

    Naast dat de schilderijen van Hengst de werkelijkheid versimpelen, abstraheren, brengen het kleurgebruik en de lichtval een surrealistisch element in het werk binnen. Maar om het nu als abstract surrealisme te karakteriseren is een brug te ver. Het is eerder te rangschikken onder meditatief impressionisme of beschouwend romantisch. Hoewel ik geen voorstander ben van vakjes en vergelijkingen, relaties en overeenkomsten, omdat ik van mening ben dat iedere kunstenaar naar eigen inzicht een stijl ontwikkelt die bij hem of haar past. Janneke Hengst laat het pure landschap zien, zoals dat nu nog ervaren kan worden. Zij doet dat in een stijl die de essentie van de omgeving raakt. De natuur is verstild, het beeld is zonder beweging, een monument in de tijd.

    In de solo-expositie van Janneke Hengst in Museum Galerie Heerenveen vind ik twee werken van Wim van der Veer. Deze nestor van de Friese schilderkunst is net zo een persoon die terugkijkt op het ongerepte landschap. Die in zijn kunst, wanneer hij en plein air aan het werk is, om de vooruitgang heen schildert. Hij kijkt achter de tijd van zonnepanelen en windmolens. Hij ziet dit wel, het valt hem wel op, maar heeft er in zijn schilderijen geen kijk op. Ziet de serene rust van wat ooit zichtbaar was langs rietkragen en bospaden, over sloten en landwegen. Nostalgisch realisme zou het genoemd kunnen worden. In deze expositie toont hij twee groene landschappen waarin het oog kan verdwalen. Dat is wat Van der Veer veel doet; de blik in zijn werk laten zwerven. Niet alleen in het landschap, hij zoekt ook inspiratie in de haven of het dorp. Zijn werk sluit goed aan bij dat van Janneke Hengst met eenzelfde hang naar de schoonheid van toen, ooit.

    PUUR. Tentoonstelling schilderijen van Janneke Hengst bij Galerie MUGA, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Gastexposant: Wim van der Veer. 3 november tot en met 29 december 2024.

  • Compensatie voor de werkelijke werkelijkheid

    Het lijkt als heeft een kind speelgoed na een dag van zonnige vrolijkheid in de tuin laten slingeren. Rondom op het grasveld en in de borders was plek van spel tussen struiken en bloemen. Het is dan in de avond plaats van en voor achteloos achterlaten. Zo lijkt het, en naar het motto van Arie van Geest is dat zo. Alles lijkt op wat het is, daar gaat het hier over. Maar niet het kind in hem heeft na een aangenaam verpozen de speeltjes laten rondzwerven, de kunstenaar heeft deze op cruciale posities in stelling gebracht, als stelde hij een stilleven samen, om er de bespiegeling van het zijn mee te maken. De composities als weerslag van deze opstellingen lijken een sprookje te verbeelden, echter is het pure werkelijkheid vermomt als speelse fantasie. Deze afgebeelde realiteit doet zich omfloerst voor, de figuren spelen een serieuze rol in het drama dat is gezet in zonnige tinten: always look at the bright side of life, zoiets. Het toneel is de realiteit waarop de gemaskeerde werkelijkheid de toeschouwer geen rad voor ogen draait maar een spiegel voorhoudt. Het is surrealisme te noemen, maar het is veel meer dan dat. Het heeft het kenmerk van een gelijkenis; verhalen die aanschouwelijk maken wat is.

    Daar zit de crux

    Diverse acteurs in het spel hebben zich versluierd met een waarheid, zij geven een gelaagde betekenis aan de taferelen. Van Geest schreef het script en interpreteert de werkelijkheid. Laat dit zien, laat het spelen, zoals hij ziet dat het zich voordoet. Van Geest is de werkelijke werkelijkheid ermee op het spoor. Hij toont het niet als de harde waarheid, maar verpakt een en ander in een vrolijk omhulsel, een cadeauverpakking. Zo lijkt het. Maar pas op, er zit altijd een adder onder het gras. Alles is zoals het lijkt, maar ondertussen… En daar zit de crux, in die verspreking van de lijfspreuk. Daar sist het beest vals tussen de grassen. Alles lijkt op wat het is. Het lijkt er op, het is het niet. De figuren spelen een spel. Dit symbool van het leven, de metafoor van het zijn, is het leven zelf niet. De verfilmde moord is niet de ware doodslag zelf. Het spiegelbeeld ben ik niet, het lijkt op mij. Alles lijkt op wat het is, maar het bevindt zich in een andere werkelijkheid.

    Gedroomde omgeving

    Het is een gespiegelde omgeving, parallel aan de werkelijkheid. Het bespiegelt en laat mij nadenken, beschouwen. In de stripfiguren, hebbedingen en speelpopjes van de rommelmarkt zie ik een eigen wereld afgespiegeld. Dan moet ik daar wel oog voor hebben, zal de compositie mijn blik vangen en krijg ik inzicht in een onwerkelijk lijkend zijn dat als kern de werkelijkheid draagt. Arie van Geest speelt in een deel van de opvoering zelf mee, voor de rest vereenzelvigd hij zich met de poppenspelers. Vooral Alice in Wonderland staat voor hem gelijk met zijn visie op het zijn. Deze gedroomde omgeving, waar het verhaal invalt door een hol, reflecteert het leven. In mijn stoutste dromen zal ik kibbelen met konijnen, eenden en dodo´s. Met Bambi dartelen, Pinokkio niet geloven en Dopey en Grumpy bijlichten. Beelden en poppen gevonden in het leven staan figuurlijk voor dat leven.

    Ik zal in die tuin van Arie van Geest zijn, rond het Franse zomerverblijf met atelier. Die beleving kan ik hebben door de tentoonstelling in Museum Galerie Heerenveen te ervaren. Daar kan ik bij wijze van spreken met de schilder dolen door weelderige vegetatie en mijn blik over kleurrijke borders laten gaan. Ik kan mij daar bij gedachte bevinden doordat in de schilderijen planten en bloemen haarscherp zijn afgebeeld, fotografisch echt. Van Geest is een schilder maar schijnt een tekenaar. De vormen die blad en beeld maken zijn omkaderd met fijne lijnen. Planten zijn botanisch herkenbaar op de Latijnse naam. Zo zou Van Geest een fijnschilder zijn die zichtbaar werkelijke schilderijen maakt. Maar rondom die subtiele echtheid dwaalt een andere werkelijkheid in gevoel en beleving.

    Kunst en kitsch

    In boek en katern “The Broken Promised Land” verklaart Wouter Welling, kunstcriticus en conservator hedendaagse kunst bij Nationaal Museum van Wereldculturen, de kunst van Arie van Geest nader. Hij licht een tip van de sluier op, verduidelijkt de werkwijze en ontrafelt het mysterie. Eigenlijk is dat jammer, want daardoor stap ik niet onbevooroordeeld de ruimte van MUGA binnen, kan ik niet objectief kijken. Maar goed, zo krijg ik wel oog voor de emblemen van het menszijn, zinnebeelden van de werkelijkheid. De catalogus is als een gids in en door de niet-maakbare wereld van Arie van Geest. Het spoor van Welling te volgen navigeert mij door deze wonderlijke tuin. Door de schilderijen is de wereld imaginair. Althans zijn de figuren denkbeeldig, de tuin is niet bedacht. Het is een decor dat voortdurend terugkomt en herkenning geeft, alsof ik die omgeving ken, er een déjà vu beleef. Alles kan in het beelduniversum van Arie van Geest worden opgenomen wanneer het past, schrijft Welling. “High culture en low culture, kunst en kitsch, outsider art, literatuur en songteksten. En natuurlijk zijn eigen leven, zijn dromen en de mensen in zijn directe omgeving. Zijn leven is het prisma waarin het licht van buiten wordt opgenomen, gebroken en teruggekaatst op doek of papier.” Hij is het middelpunt van zijn wereld, die verdacht veel op de onze lijkt.

    De desillusie van de werkelijkheid wordt, gezien door de spiegel van Alice, een illusie. Een andere werkelijkheid, een persoonlijke beleving, geen afspiegeling. Het is een bespiegeling, voor Van Geest werkt het als zelfreflectie en in zijn plaats kan ik mij er in spiegelen. In dat contemplatieve, dat beschouwende, rekent de schilder af met zichzelf, zoekt en vindt zichzelf, het eigen ik. De schilderijen zijn op te vatten als zelfportretten daarom. Niet fysiek, maar qua emotie. Dat gegeven projecteert hij in zijn werk, zodat zijn ego mijn ik wordt. In zijn wereld herken ik mijn zijn. Hoewel het een zijn weergeeft tussen droom en werkelijkheid, een laminale fase vannacht waarin gister voorbij en morgen nog onduidelijk is. Het werk van Van Geest is als de slaap, een tussenzijn, een in-between van wat is en wat lijkt. Een allegorie op het leven. “Een wereld van associaties en vermoede betekenis”, citeer ik Welling volmondig. “Het schilderij is en blijft een illusoir vlak, een imaginaire nooduitgang. Het is compensatie voor de werkelijke werkelijkheid…” Het onzichtbare zichtbaar maken door middel van de werkelijkheid, dat is het.

    Alles lijkt op wat het is. Schilderijen van Arie van Geest bij Museum Galerie Heerenveen, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 8 september tot en met 20 oktober 2024. Uitgave The Broken Promised Land. Arie van Geest. Tekst Wouter Welling. Van Spijk / Rekafa Publishers, Livingstone Editions, 2016/2024.

  • Gelijkwaardigheid in enkelvoud, Ids Willemsma spreekt

    Hij is 75 dit jaar. Vijfenzeventig! En al meer dan 50 jaar bezig met zijn passie, de beeldende kunst. Meteen al in het eerste jaar van zijn opleiding aan kunstacademie Vredeman de Vries in Leeuwarden, Ids is 20, zette hij zijn handtekening in Friesland. Zijn stalen signatuur, het abstraheren van de werkelijkheid. Of beter de essentie puren uit de omgeving, de emotie ontdoen van overbodige krokodillentranen. Zijn “Ontworsteling” in Akkrum, onder de toren van de Terptsjerke, een herdenkingsmonument voor de Tweede Wereldoorlog – waarbij niet de overwinning centraal staat maar het drama en de angst van de bezettingstijd. Geen monument voor gevallen verzetshelden, maar een monument tegen de oorlog. Het non-figuratieve beeld betekende voor Willemsma een ontkomen aan, een losmaken van de traditie en een begin van een zegetocht door de provincie. Want op veel plekken in het Friese landschap staan werken van hem in de openbare ruimte, overwegend abstract constructivistische beelden.

    Door zijn werk en zijn levensstijl weet hij zich nu al driekwart eeuw voor het voetlicht op te stellen. Het landschap en het gevoel daarbij wordt door hem geabstraheerd en gestileerd. Maar hoever kun je gaan voordat lijn en vlak nog spreken. Voordat de versimpeling omslaat in een amper te doordringen betekenis. Voordat de bedoeling van het zijn nog zichtbaar is. Willemsma heeft de modus van deze vereenvoudiging gevonden zonder dat alleen hij de kerngedachte ervan weet. Welhaast maakt hij een logo van hetgeen hij wil duiden. Een beeldmerk van de gedachte, die niet nader hoeft te worden uitgelegd. In 1970 is de toon gezet en deze eerste klank van de melodie is de psalm van Willemsma geworden, een lofzang op de emotie, een ode aan het zijn. Hoever kun je gaan de werkelijkheid van elke overbodige ruis te ontdoen om enkel de kern van de zaak over te houden. De tentoonstelling in MUGA Heerenveen laat dit scherp en duidelijk zien.

    De cirkel is rond

    Daar in die kunstruimte gaat het over de man en de vrouw, over gelijkwaardigheid. De man is significant ongelijk aan de vrouw, in opbouw en aanzien. Maar er zijn kenmerkende gelijkenissen, veelzeggende overeenkomsten. De één is niet meer dan de ander en de ander niet minder dan de één. Ze vullen elkaar aan, schuiven ineen en de cirkel is rond. Kunnen niet zonder elkaar, hun belang is even groot, de betekenis zonder verschil, ze zijn gelijkwaardig. Hoe dit in beeld uit te werken, dat heeft Willemsma al vroeg in zijn carrière weten te doen. Niet in vorm gelijk, niet soortgelijk maar wel equivalent aan elkaar. Het wordt een rode draad in zijn oeuvre, voortdurend valt hij terug op dit gegeven omdat het een thema van alle tijden is. Een blijvend actueel onderwerp. De meervoudige menselijke vorm heeft de kunstenaar teruggebracht tot een enkelvoudige uiting. Slechts een taps toelopende vorm voor de één, die omgekeerd werkt voor de ander. Alle overbodige luxe is uitgegumd, afgesneden, weggelaten. Het hoogtepunt van overeenkomst, maar desondanks tegengesteld aan elkaar.

    Deze eenvoudige vormen spreken en kunnen door het wijzigen van plaatsing in het vlak verhalen. Zo kunnen ze enkel als portret in een tekening gaan, maar ook samen als tweetal. Zoutpilaren zonder onderling contact, dan naar elkaar buigend – vallend eigenlijk – als in een toenadering, een kus. Deze vormentaal uit zich in tekeningen, maar komt ook uit het vlak in de ruimte als beeld dan wel sculptuur. In hout geven deze warmte aan elkaar, de tapse vorm is een kegel, de dubbelvorm is een eenheid. Het is de eenvoud die meervoudig laat kijken. In de tweede zal van MUGA staat een glanzende manvrouw, een metalen toppunt van extase. Het is de spiegel van gelijkwaardigheid. Ik zie mijzelf, een evenbeeld, gelijkgesteld aan het werk. Ik kom samen met de idee van Ids Willemsma. Voor een moment ben ik in zijn gedachte, ben ik zijn compositie. Een versregel in de ode op de mens.

    Man Vrouw & Gelijkwaardigheid. Ids Willemsma, tekeningen en beelden. Tentoonstelling Museum Galerie Heerenveen, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. 14 juli tot en met 25 augustus 2024.