Categorie: Niet gecategoriseerd

  • Fisk, dat is Fries voor vis in woord en beeld

    Het is geen visserslatijn, de korte verhalen die verteller Douwe Kootstra in het boek FISK heeft laten afdrukken. En die in beelden zijn geïllustreerd door Tjibbe Hooghiemstra. De vertellingen zijn echter voor de meeste Nederlanders en alle andere mensen over de grenzen – met uitzondering van de zogenoemde Friezen om utens – een vreemde onleesbare taal, maar dat maakt het nog geen klassieke bluf. Douwe en Tjibbe zijn beide geboren Friezen, dus is het nauwelijks verwonderlijk dat de verhalenbundel FISK ook deze signatuur heeft. Beelden strekken natuurlijk over grenzen, zijn universeel. Teksten daarentegen zijn aan land en plaats gebonden. In het geval van Kootstra is dat een handicap. Hij is een geboren verteller en een begenadigd schrijver. Ik breek hier een lans om zijn visverhalen, en eerder zijn hondse verhalen – tevens al de andere bundels van zijn hand – te vertalen in het Nederlands dan wel internationaal in het Engels of een andere wereldtaal. Echter besef ik dat het dan aan kracht kan verliezen, want Douwe Kootstra denkt in het Fries en kan daardoor zijn verhalen in die taal vleugels geven. In een andere taal kunnen deze gekortwiekt zijn.

    Maar goed, hoe dan ek, laat ik me hier beter bij FISK houden. Het boek dat ik, evenals de voorganger STABIJ, in één adem heb uitgelezen. Douwe Kootstra weet met gesproken woord zijn luisteraars te binden, maar evengoed in geschreven vertellingen de lezers op de punt van de stoel te krijgen. Mijn blik kan ik niet van de bladzijden en uit de tekst krijgen, totdat de laatste pagina is omgeslagen en er een punt is gezet. De tekeningen van Hooghiemstra maken het lezen en kijken tevens tot een genot. Deze illustraties verduidelijken niet de verhalen, het zijn op zichzelf staande kunstwerken met een eendere inhoud. De vis en het vissen staan centraal in krijt, aquarel en collage op papier of karton. De werken geven een gevoel weer, maar hebben niet zoveel detaillering dat het realistische afbeeldingen zijn. Het raakt een abstracte stemming, die in woorden uitdrukking heeft en in beelden een indruk krijgt.

    Geestige anekdotes en grappige fabels

    Douwe Kootstra zit graag eens aan de waterkant te turen naar de dobber in het water. Het is een beschouwende bezigheid, een contemplatieve ontspanning, dat vissen. Het pijltje dat fleurig danst op de glinsterende golven, onrustig de aandacht probeert vast te houden. De attente visser raakt er van onder hypnose, zit stil als een levend standbeeld op de oever of tussen het riet, totdat de sim opeens wegschiet en onder water verdwijnt. Dan komt er actie, schiet hij dan wel zij in de houding om op het juiste moment de vis aan de haak te slaan en de hengel op te halen. Het is een sport, maar ook een van de dagelijkse arbeid afleidende hobby. Kootstra benadert de activiteit van diverse kanten en laat vooral geestige anekdotes en grappige fabels over de tong gaan. Vooral het relateren aan eigen ervaringen maken de vertellingen extra leesbaar en amusant.

    Douwe Kootstra “mei graach in fiskje”. Hij is een fervent bezoeker van Sipke’s viskraam voor een lekkerbekje, een makreel, een stuk warm gerookte zalm of een gebakken moot snoekbaars. Zijn favoriete goudvis is de spekbokking, mij loopt bij het lezen van zijn beschrijving het water al uit de mond. En vooral wanneer Douwe Sipke de meest vette vragen stelt over zijn nering: wurdt de fisk djoer betelle? Kootstra is echter vooral liefhebber van zuur als in de rolmops en de zure haring. De verteller vergelijkt verder onder meer het te gebruiken vismateriaal van toen en nu, en geeft tot de verbeelding sprekende voorbeelden van visclubnamen: Hoop op Geluk, Den Roestigh Haeck, Yn waar en wyn, De Oanslach.

    De vis en de visser

    En ondertussen stroomt het denkbeeldige water langs de bladzijden, springt er eens een vis uit de getekende golven omhoog. Boomt de visser zijn roeiboot tussen de regels door. Tjibbe Hooghiemstra gebruikt eerder bedrukte vellen uit boeken of een oude ansichtkaart of envelop als dragers voor zijn expressieve beelden. Zo lijken het krabbels in de kantlijn, schetsen van leven in en op water. Zoals Kootstra het werken met en onder water schetst in zijn korte verhalen. Hij laat de dichter, de zanger en de verteller aan het woord over buitenlucht, rust, geduld, het wachten op beet in de ‘lege tiid’: “(…) it kontakt, de smoute ferhalen, de fragen, de antwurden, de filosfyen”. De korte verhalen in het boek zijn gelaagde vertellingen. Want ondanks dat de humor in FISK de overhand heeft gaat het tevens over mensen, over het leven, over vroeger en vandaag kijkend naar morgen. De visser ziet zichzelf in die tijd van leegte, dat moment van rust, het niets van de drijvende dobber. Des te langer hij naar dat kurkje tuurt des te helderder hij zichzelf ziet: “wa bin ik, wa wol ik wêze, wat ha ik by de ein”.

    In die verhalen is de schrijver zelf de visser, is hij de dichter, de zanger en de verteller. Het kan waar zijn, stjerrende wier, want het is zo voor gevallen. Het staat op papier, het is werkelijk. En uit de werkelijkheid wordt onder meer het arkje van schrijver Rink van der Velde aangestipt en het Fries Kampioenschap Palingroken krijgt geur en kleur. “Guon saken yn it libben fan fisk en minske bliuwe in riedsel. Dy riedsels binne ek troch taalkundigen net op te lossen. Ik kin der sels wat op omfantasearje mat dat is tige glêd iis.”

    De vis en de visser, het zijn elkaars vijanden en meteen ook elkaars vrienden, ze dagen elkaar uit waar meestal de vismaat het onderspit delft. In FISK is het vooral de visser die als held van de hengel en dobber wordt bezongen. Echter zonder vis is er geen visser, het waterdier is een belangrijk onderdeel van de sport en een onmisbaar element van de hobby. Dus hoe moet ik deze tweede samenwerking van beeldend kunstenaar en schrijver-verteller nu helder zien en krachtig omschrijven? “Dat gepiel mei dy angel en alles wat dêrby heart, is eins mar bysaak.” Het vissen is de kapstok, het genieten is de hoofdmoot – goed doorbakken. En Kootstra weet het sappig te bereiden, terwijl Hooghiemstra de vis in een oude krant rolt. €17,90 – boter bij de vis.

    FISK. Verhalen van Douwe Kootstra en tekeningen van Tjibbe Hooghiemstra over de vis en het vissen. Uitgeverij Bornmeer, 2025.

  • Museum Belvédère 20 jaar: het begin

    Thom Mercuur en zijn museum van de stilte

    De contrasten moeten het museum leuk maken. Het is beslist niet alleen een Friese aangelegenheid. Dat zou voor de Friezen ook niet goed zijn. Daar hebben ze te veel niveau voor. Ze zijn het waard om naast de internationale schilders te staan. Ik probeer ze op een plaats te zetten waar ze thuis horen, en dat ze beslist niet minder zijn. Dat probeer ik met het museum te bereiken. Voor mijn gevoel laat ik het neusje van de zalm van de Friese moderne kunst zien.

    Op woensdag 24 november opent het museum Belvédère in Oranjewoud haar deuren. Een museum voor 20e eeuwse en hedendaagse kunst in een historisch gereconstrueerd park. Een jongensdroom komt dan uit. In de jaren 50 bedachten Boele Bregman, Thom Mercuur en Sjoerd de Vries dat het aardig zou zijn een museum te stichten voor 20e eeuwse en hedendaagse kunst. En dat hun werk dan naast tijdgenoten en stijlgenoten zou hangen. Mercuur is er 16 jaren mee bezig geweest om een en ander voor elkaar te krijgen. Tweemaal is het mislukt, maar uiteindelijk heeft het plan vorm gekregen op een unieke plek in de historische bossen van Heerenveen.

    Innerlijke bewogenheid

    Zonder Boele was Belvédère er niet gekomen. Ik was 16 jaar toen hij voor mij de deur naar de kunst opende. Nu kan ik zeggen: nou Boele, het hangt jongen, allemaal. Daar denk ik ook aan terug, want zo praatten wij er vroeger over. We hadden het over politiek, over literatuur, over film, maar vooral over beeldende kunst. Boele heeft mij leren kijken. Wij waren de jongeren en hij was de oudere. Die rol speel ik nu ten opzichte van jonge kunstenaars als Christiaan Kuitwaard, Jan Snijder en Jochem Hamstra. Ik ben altijd gericht op kijken. Het zien is voor mij heel essentieel. En dat zien heeft niets met intelligentie te maken, dat heeft met gevoel te maken. Schilderijen hebben altijd mijn fascinatie gehad. En bij wie het is begonnen? Eigenlijk bij Jan Mankes.

    Het wordt geen museum van het grote geweld, maar van de rust en de stilte. Hij toont vrij ingetogen schilders. En dat de meeste daarvan autodidacten zijn is toeval. 

    Een geweldige man

    Het gaat om de persoon en de innerlijke bewogenheid. Ik heb niets met kunstenaars die hun vaardigheid willen bewijzen. Ik houd van duidelijkheid. De fascinatie van de kunstenaar van wat hem bezig houdt, de innerlijke noodzaak, zijn leven lang. Met die schilders heb ik iets. Door die bril kan ik het alleen maar zien en hang ik ze in het museum. Ik trek lijnen van de Friezen in tijd en stijl naar vakgenoten in binnen- en buitenland. Het gaat om de stilte die het uitstraalt. Ik praat veel met kunstenaars die me aanspreken. Alleen in hen kan ik mij verplaatsen. Van anderen, die ik veelal niet begrijp, sluit ik me af. Ik heb daar niets mee, ik kan daar niets mee. Veel kunst gaat dan ook aan mij voorbij. Kunstenaars die misschien wel heel goed zijn, maar ze sluiten niet aan bij mijn gevoel en passen dus niet in de collectie en spelen daarom geen rol in het Belvédère museum. De beperking die ik mijzelf stel moet de kracht van het museum Belvédère worden. Volledig omschrijven kan ik het niet en wil ik het niet. Wanneer de deuren open gaan kan iedereen het zien. Een trainer heeft de meeste moeite met de lui die op de bank zitten. Zo werkt dat en als je daar niet tegen kunt dan moet je er niet aan beginnen. Daarom vind ik ook dat ik het maar kort moet doen – 4 of 5 jaar. De tijd heeft ook een oordeel. Het museum draagt mijn stempel, maar dat verdwijnt wanneer er een ander komt, die het ook goed doet of misschien wel beter. Een frisse wind erin als ik eruit ga, zo moet het. Het moet dan iemand zijn met een duidelijke visie en die voeling heeft met de collectie.

    Kunst zelf uitgevonden

    Gerrit Benner en Boele Bregman zijn heel interessant. Het zijn tijdgenoten. Boele is de dichter en veel met taal bezig. Benner is de expressionist, hij moest verf zien. Twee fenomenen in eenzelfde tijd na de oorlog, dat moet ik in de ophanging laten zien.En dan natuurlijk de relatie naar buiten de provincie. Dat ontstaat al filosoferend en denkend en slapend en lopend en pratend. Daarnaast zijn er de wisselende tentoonstellingen, die hebben inhoudelijk te maken met de vaste collectie. Er moet een verband in zitten, ik kan geen uitersten aan brengen in de tentoonstelling en in de vaste collectie. De eerste tentoonstelling is van Willem van Althuis. Willem is een geweldige man, zo één die de kunst zelf heeft uitgevonden, in zijn eigen abstracte vorm. En in de jaren ’70 al exposeerde in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Van Willem wil ik graag een mooie stille tentoonstelling maken, een tentoonstelling die hij verdiend. Willem’s schildersleven was kort, door de ziekte van Parkinson schildert hij al 15 jaar niet meer. Soms jeuken zijn handen, maar eens zei hij tegen me: ‘alles wat ik te zeggen heb Thom dat heb ik toch al gezegd, waarom zou ik nog verder schilderen’.

    Friesland heeft een aantal belangrijke schilders. Thom ergert zich eraan dat deze nooit in een permanente opstelling op een goede manier getoond zijn. Wel eens incidenteel, maar later is er dan niets van terug te vinden in de permanente collectie. Van Gerrit Benner is nooit een goed retrospectief te zien geweest. 

    Subjectief beeld

    Thom Mercuur is een doener, geen vergadermens. Hij wilde ook geen directeur zijn, maar moet dat nu wel worden. Hij moet de baas zijn, anders gaan anderen zich met de collectie bemoeien. 

    Daar kreeg ik een ontevreden gevoel over. We hebben het hier in Fryslân altijd over cultuur. Daar hoort alles bij, daar hoort het landschap bij, skûtsjesilen en reedride, daar hoort zelfs voetballen bij, maar daar hoort natuurlijk ook de beeldende kunst en de poëzie bij. Dat is een totaal, dan krijgt het kracht. Maar cultuur wordt op incidenteel gesubsidieerd, daardoor mist het kracht en treedt het niet genoeg naar buiten. Ik hoop dat het nu met dit museum anders wordt. Wat ik doe heeft altijd een subjectief beeld, het is mijn idee. Objectief kun je nooit een museum maken, want er is zoveel. Ik sluit me af van video en dat soort dingen, omdat het me niet ligt en ik er geen gevoel bij heb. Het wordt bij mij een olieverf en terpentijn verhaal. Dat is de beperking die ik mezelf stel. Het moet dus een heel geconcentreerde collectie worden. De mensen moeten de liefde voelen waarmee het is uitgezocht en met wie het heeft gemaakt. Daar gaat het mij om. Dat probeer ik over te brengen.

    Naast de pasbenoemde zakelijk directeur Stiena van der Ploeg en een groep enthousiaste vrijwilligers wil ik verantwoording afleggen aan het bestuur van museum Belvédère. Met ons allen gaan we ervoor. En als tentoonstellingenmaker en ideeënman wil ik het museum gezicht geven. Ik maak er geen kermis van, dan wordt het ordinair. Het is heel gemakkelijk om dat te bedenken. Een museum van de stilte dus, naar de geaardheid van de collectie. Wat niet betekent dat het niet veel bezoekers mag trekken. Het gaat mij altijd om een artistieke kwaliteit, daar moet het museum ook in uitblinken. Door een fijnzinnigheid, door het gevoel, door smaak. Dat moet het zijn.

    Gepubliceerd in Friesland Post, november 2004.

  • Harry de Jong kijkt terug op 30 jaar De Kast

    De tiid hâldt gjin skoft’ had een terechte titel voor het nieuwe album kunnen zijn. Maar de band schaart de verzameling liedjes onder de noemer ‘Fierder’. Want zeker, de tijd heeft vleugels en geen teugels, de doortikkende klok laat zich niet afremmen. De dagen, maanden en jaren vervliegen in het leven. Maar de muzikale vrienden die in het nieuwe boek van popjournalist Harry de Jong worden beschreven willen verder. Niet van daar af waar ze ooit gebleven waren. Die vlag op de top van de berg, de roem en de uitzinnige fans, dat hebben ze allemaal wel gezien. Dat heen en weer gereis van hot naar her om hun muziek aan de mens te brengen, dat is nu wel klaar.

    image

    Ze vinden zichzelf terug na de stormachtige hectiek van het bekende Nederlander zijn. Door de druk liepen ze hard tegen de ander aan en vergaten waarvoor ze eigenlijk op de planken stonden. Na een tijd van rust waarin de storm is gaan liggen willen ze vooruit zien. Met ‘Fierder’ is het elan terug. De drang om te componeren. De lust om te spelen. Geen randverschijnselen meer. Niet spelen omdat het moet maar omdat het mag. Door ervaringen rijk is de geest van De Kast terug, de band die voor de roem nog leuk was. En natuurlijk hebben de mannen genoten van die tijd, maar ze zijn nu weer de jongens die spelen omdat ze niet anders kunnen.

    image

    Met scheermesjes achter de ellenbogen

    In de uitgave ‘Op eigen kracht’ kijkt Harry de Jong terug op de 30 jaar dat de Nederlandstalige Friese popgroep met hun muziek door het land trekt. Hij heeft de groep vanaf het eerste begin tot aan het laatste optreden en daarna gevolgd. Was getuige van de hoogtepunten, maar maakte ook de dieptepunten mee. Het verhaal in negen delen is derhalve een verslag uit de eerste hand. Het is een uitgebreide biografie van een bijzondere band, een vriendengroep, op een transparant leesbare manier geschreven. Een schrijfstijl die toevertrouwd is aan De Jong.

    Harry de Jong weet als geen ander de sfeer van het moment te pakken. En net als het boek de titel ‘Op eigen kracht’ draagt zou het schrijverschap van De Jong ook aldus bestempelt kunnen worden. Op eigen kracht en met doorzettingsvermogen is hij gekomen waar hij als popjournalist nu is. Met scheermesjes achter de ellenbogen en de voet tussen de deur gestoken heeft hij het onderste uit de kan van menig wereldburger weten te krijgen. Vooral zijn gesprekken met de groten der aarde op popmuziekgebied zetten deze selfmade schrijver op eenzame hoogte in het rijtje van popjournalisten. In Friesland is hij een autoriteit en daarom het meest geschikt om de groepsbiografie van De Kast samen te stellen.

    Sprankelende pianoklanken

    Meteen al in de proloog zet Harry de Jong zijn handtekening. Met een scherpe blik en even scherpe pen weet hij het moment te fixeren op de juist passende stemming. Deze vertelling vooraf is een karakteristiek DeJong-verhaal. Het zet de toon van het boek. “Duizenden armen zwaaien heen en weer boven evenzoveel deinende lichamen, ogen glinsteren als lichtjes in een kerstboom en omhooggestoken mobieltjes registreren onverbiddelijk elke seconde. Het publiek lijkt samen te smelten tot één groot koor dat elk woord vol overtuiging meezingt.” De Jong heeft hier de 15e december van het jaar 2019 vastgelegd. Want hij was erbij toen de zanger in een gele vonkenregen de Friese vlag boven zijn hoofd liet wapperen en de sprankelende pianoklanken van het intro van In Nije Dei over de massa woei. Het optreden is de aftrap van een jubileumtour.

    De Kast bestaat 30 jaar en wil dat niet ongehoord voorbij laten gaan. De proloog van De Jong beschrijft de sfeer voor en achter de schermen van dat memorabele optreden. Want overal kun je Harry vinden met zijn blocnote en pen in de aanslag, alles wat hem opvalt in vlugschrift noterend. Die kladblokjes zullen een schat aan kennis en informatie herbergen. De Jong heeft er een stapel vol geschreven om de pophistorie zichzelf te laten beleven. Hij laat in deze uitgave zijn eigen geschiedenis als popjournalist ook niet ongemoeid. Ieder hoofdstuk van het boek laat De Jong inleiden door een dwarsdoorsnede van het muziekveld van dat moment. Hij toont zijn kunde van de muzikale wereld door artiesten op te laten draven waarmee hij ooit een gesprek had. En ook kan hij putten uit talloze reportages die hij voor diverse kranten schreef. Ze fleuren het boek op. Zo is het niet alleen 30 jaar De Kast, maar evenzeer 30 jaar De Jong. De biografie van de eigenzinnige popgroep schuurt tegen de levensbeschrijving van deze markante schrijver.

    In Nije Dei. Dat is met voorsprong de meest bekende song van de vijf muzikale heren. Zij schreven zichzelf daarmee in op de Friese canon. De Kast: vijf mannen die al jaren in staat zijn het beste van elkaar naar boven te halen en muziek maken die tegen een stootje van de tijd kan. Ik citeer Harry de Jong, die vanaf het podium op die decemberdag in 2019 terugkijkt op 30 jaar De Kast. Vanaf het prille begin. Toen er bij lange na nog geen sprake was van De Kast, maar de groep zich in die samenstelling wel al aan het vormen was. Het succes stond in de steigers. Het doopceel van de muzikanten wordt gelicht. Voor de fans altijd fijn te weten hoe hun idolen in elkaar steken. De mannen zijn openhartig over het wel en wee, hoe en waarom, de start en finish. Harry de Jong is dan ook een vriendelijke en amicale ondervrager. Na alle jaren dat hij met de groep meeloopt is de journalist geen persmuskiet meer, maar drinkt zo nu en dan ook eens een biertje met de jongens aan de bar. Die ‘ouwe jongens krentenbrood’ sfeer leest tussen de regels door en maakt het boek goed leesbaar. Het is geen opsomming van feiten en ervaringen, maar het dient zich aan als een avontuurlijk jongensboek.

    foto © Marcel R Fotografie

    Het hek van de dam

    Iedere beginnende band, zwoegend op covers in de garage, zal graag in de schoenen staan van De Kast. Zij hebben de zelfkant van de roem geproefd. Zijn begonnen als de spreekwoordelijke krantenbezorger om op te klimmen tot miljonair. En alles hebben ze gedaan op eigen kracht. Wel hier en daar met enige hulp van een ervaringsdeskundige, maar ze hebben hun eigen identiteit altijd bewaakt en gewaarborgd. In eerste instantie dachten de jongens groots en hadden ze niets met regionale acts. Maar toen filmregisseur Steven de Jong hen vroeg de titelsong voor één van zijn rolprenten te schrijven was het hek van de dam. Het werd het meest bekende nummer van de Friezen. Daarna zouden er naast het Nederlandstalige repertoire nog vele Friese composities volgen. Het verhaal is bekend en staat nog eens dunnetjes overgeschreven in dit boek van Harry de Jong. De speelse tekst wordt nog verlevendigd door talloze foto’s van optredens en groepsportretten uit eigen archief. We zien de jongens in beeld opgroeien en in hun rol als bekende Nederlander vallen. En natuurlijk is voor de liefhebbers een uitgebreide discografie aan de biografie toegevoegd. Want daar draait het natuurlijk allemaal om: de muziek.

    Op eigen kracht, 30 jaar De Kast. Tekst Harry de Jong. Uitgeverij Louise, 2023.