Categorie: Uitgeverij Noordboek

  • Getuigen à décharge doen een boek open over gevangenisdorp Veenhuizen

    Het lag al een tijd op mijn koffietafel. Wanneer ik meer dan een moment niets te doen dacht te hebben, pakte ik het op en las er een kort verhaal uit. Het bedoelde boek, dat geen standaard koffietafelboek is – het is niet groot maar wel dik, het heeft geen harde cover maar is slap en buigzaam, het is ook niet rijk geïllustreerd maar kan wel een gesprek opstarten of als inspiratie dienen – dat boek is een verzameling verhalen. Verhalen van het Veenhuizen toen het nog een gesloten gevangenisdorp was. Want daar gaat het om.

    Al eerder publiceerde verhalenverzamelaar, ofwel tekstcollectioneur, Clemens van den Brink een trilogie met uit de school geklapte overleveringen. Vooral de bewaarders lieten het achterste van hun tong zien, nadat de deuren open mochten en de vuile was buiten kon hangen. Want lange tijd was Veenhuizen een onneembare veste, een kasteel met hoge muren en een slotgracht waarvan de brug opgehaald bleef. Wat binnen was, kwam niet naar buiten.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    Daarom is het nu zo interessant bij het van het slot gaan van de poort. De deuren zwaaien open en de verhalen mogen wereldkundig worden. Juist die mysterieuze geslotenheid maakt de openbaring magisch. Het wel en wee dat destijds werd beschouwd als de normale gang van zaken in een gevangenis, zijn nu sensationele en wetenswaardige anekdotes. Voor zijn trilogie bajesverhalen had Van den Brink al legio kluchten en geestigheden bij elkaar gebracht. Vooral uit de mond van menig bewaarder opgetekend, daar bewaarden – ofwel gevangenen – de in Veenhuizen opgedane ervaringen liever voor zichzelf hielden. Maar druppelsgewijs komen deze eveneens los naar aanleiding van de publicaties. Ook kon Van den Brink putten uit zijn eigen beleving als zoon van een bewaker en dus bewoner van het Tweede Gesticht. Met zijn boeken tilt hij meer dan een tip van de sluier op; hij opent de stoffige gordijnen.

    Doorgaande reeks boeken, schier eindeloos

    Veenhuizen bezette een bijzondere plaats in het Nederlandse gevangeniswezen. En nog is het een buitengewone plek, want nog altijd kan men daar in een cel terechtkomen wanneer er een scheve schaats wordt gereden. De tot nu toe in een vijftal boeken verschenen bajesverhalen zijn daarom niet actueel, daar nog steeds geldt: what happens in Veenhuizen stays in Veenhuizen. Maar de tijd verstrijkt, dus nieuws wordt oud en mag in druk verschijnen in nieuwe uitgaven. Daarom is de serie van Van den Brink een doorgaande reeks boeken, schier eindeloos, want de verhalen blijven komen. Gevraagd en ongevraagd. Voortdurend komen er nog niet eerder vertelde verhalen bij. Bewaarders die eerder aarzelden hun verhaal te doen, kloppen nu bij de schrijver aan om dit alsnog recht te zetten.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    En zal pa Clemens na verloop van tijd zijn pen moeten neerleggen, dan neemt zoon Ivo het over en zal hij Veenhuizen blijven ontsluiten. Al eerder werkte hij samen met zijn vader aan een gelikte uitgave van Bajesverhalen. Kunstmatige intelligentie (AI) werd ingezet om de ruwe verhalen te redigeren. Zo’n eindredacteur is een uitkomst. Het leest mee, verbetert fouten en zet de spelling recht, maar verandert niets aan de toon en de oorspronkelijke stijl. Ook werd AI te hulp geroepen om foto’s te bedenken die recht doen aan de situatie en de tijd: oude verhalen afgewisseld met nieuwe anekdotes. Zo is ook de bundel Uit de Bajes, verschenen bij uitgeverij Noordboek, een gemengde uitgave. Uit de trilogie zijn de meest aansprekende en sensationele verhalen genomen en aangevuld met nieuwe, bijzondere vertellingen.

    Van pauperopvang tot bajesdorp

    Een collectors item is de door Wouter Winter voor het stripblad MaXiX getekend beeldverhaal Bajesverhalen. Een levendige beeldvertaling van een ontsnappingsanekdote. De trilogie bracht Van den Brink in eigen beheer uit, maar de nieuwste uitgave ziet het licht via een uitgeverij. Zo heeft hij ook de distributie uit handen gegeven en kan hij zich, zonder zelf het woord te hoeven verspreiden, wijden aan het interviewen van bewakers en bewaarden om nieuw materiaal te verzamelen voor een zoveelste deel in de serie. Hoewel het vierde deel naadloos aansluit bij de eerdere drie delen – de met AI tot stand gekomen versie valt daarbij uit de toon – wordt in Uit de Bajes eerst de stichting van het dorp Veenhuizen als pauperopvang tot bajesdorp behandeld. Generaal Van den Bosch stond aan de wieg door de Maatschappij van Weldadigheid onder andere hier te vestigen. Het verhaal is bekend. Veenhuizen groeide uit tot een eiland zonder letterlijk los te komen van Nederland. Figuurlijk werd het een eiland, afgesloten om opgesloten foute mensen her op te voeden – bij wijze van spreken.

    Want zo was dat eerst. De landlopers, wezen en bedelaars kwamen in Veenhuizen terecht om hen weer op het rechte pad te helpen. Sommigen kwamen moedwillig terug omdat ze in het pauperdorp gratis onderdak hadden. Later kreeg de gevangenis een strenge bewaking om de zwaarste misdadigers, voor wie op dat moment geen andere plek was, in toom te houden. Het betekende voor de boeven niet alleen gedwongen huisvesting; voor het kosteloze verblijf moesten ze wel iets terugdoen. Zo werd er op het land gewerkt, getuinierd en aan bosbouw gedaan – onder toezicht. Ik kan mij heugen dat ik, wanneer ik langs het dorp reed over de Hoofdweg, meerdere landarbeiders bezig zag in de velden. “Veenhuizen, met louter gevangenen en bewakers, werd bijna geheel zelfvoorzienend en was afgesloten van de buitenwereld tot 1985. De verhalen bleven onder de pet…” lees ik op de achterflap van het boek.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    De verhalen vertellen niet alleen over het leven achter de poort en tussen de vier muren van de cellen. Veenhuizen is een wereld op zichzelf, met dezelfde ups en downs als in de normale maatschappij. In deze bewaakte samenleving, waarin mensen tegen wil en dank tot elkaar veroordeeld zijn, helpen ze elkaar waar nodig, sporten en spelen samen, discussiëren en maken fysiek ruzie met lotgenoten en bewaarders. Want wanneer je zo bij elkaar op de lip zit, schuurt het weleens en ontvlammen korte lontjes. Sensationele, verfilmingwaardige verhalen zijn die over uitbraken. Gevangenen blijken creatieve geesten in het bedenken van manieren om voortijdig hun straf eenzijdig te beëindigen. De meeste pogingen lopen op niets uit, maar er zijn onvindbare gevangenen van wie nooit enig teken van leven meer is gehoord. Over het algemeen spreken de verhalen van naamloze figuren, of althans personen die ongekend de geschiedenisboeken ingaan. Maar ook bekende criminelen waren te gast in Veenhuizen. En wel BN’ers die eens te diep in het glaasje keken en toch nog achter het stuur kropen. Lichte vergrijpen kregen onderdak voordat ze zwaar werden. Niet alle overtreders van de wet hielden het goede over van hun verblijf in Drenthe. Ze deden Veenhuizen nog eens aan of werden doorverwezen naar zwaarder bewaakte inrichtingen.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    De verhalen uit de bajes zijn overwegend onderhoudend, niet echt dramatisch te noemen. Meer voor aan de keukentafel: vermakelijk en boeiend. Daarom ligt het boek op mijn koffietafel om er zo nu en dan eens door te bladeren en er met een glimlach in te lezen. Hoewel de verhalen, als je goed nagaat, wel triest zijn, blijken ze toch een vermakelijke toon te hebben. De sfeer van oude jongens krentenbrood met een rouwrandje. De best bewaarde, aangrijpende en spannende verhalen over hoe het vroeger in dat Veenhuizen was. Wie zat er en wat gebeurde er? De buitenwereld wilde het zo graag weten. Door zwijgplicht bleven de verhalen van ex-gevangenen en bewakers lang geheim. Maar nu vader en zoon Van den Brink het blik openen, kan de boulevardpers er naar hartenlust in struinen. Want er zijn talloze sappige weetjes uit de boeken te puren, met namen die tot de verbeelding spreken. En nog is de bodem van de put niet bereikt, is de bron niet opgedroogd. Dus ik maak mijn borst alvast nat voor een volgend deel in de serie bajesverhalen. “Voel de spanning. Beleef de historie. Geniet van de humor.” Deze slogan bij de boeken is meer dan waar: bij Clemens van den Brink is het voelen, beleven en genieten. Hij vertelt een spannende geschiedenis van het dorp Veenhuizen op een humoristische manier. Uit de eerste hand, getuigen à décharge.

    Uit de Bajes. Veenhuizen. Verzamelde verhalen vertelt door Clemens van den Brink. Uitgeverij Noordboek, 2025.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis
  • Wij zijn niet meer dan wat wij weten van het leven

    In het graafschap Pembrokeshire aan de westkust van Wales wist men in 1866 al dat gezond leven de mens doet bloeien en groeien. En daar poëzie dieper indaalt dan proza rijmde men met die wetenschap “eat an apple on going to bed, and you’ll keep the doctor from earning his bread”. Twintig jaar later zijn deze gevleugelde woorden door Amerikanen verbasterd tot het nu nog bekend in de oren klinkende “an apple a day keeps the doctor away”. Een pront eindrijm blijft hangen. Bij het lezen van de tweede bundel filosofische fabels van Jan Bouwstra maak ik van dat treffende gezegde dan losvast “a fable a day keeps the blues away”, of in goed Nederlands “een fabel per dag en je leeft met een lach”. Want dat is het recept in deze toch wel meer dan enigszins merkwaardige tijd, waarbij het water ons tot de lippen staat en wij naar adem happen. Meer dan een enkeling zal daarbij staan te juichen aan de zijlijn, en deze figuren raad ik daarom ten stelligste aan de bundel ongeopend op de plank te laten liggen. Maar al de anderen, die in zak en as zitten om het gebeuren overzee en dichterbij in de grachtengordel, kunnen even uit de duistere malaise raken met Bouwstra’s fabels.

    Het is voor mij in elk geval een welkom voorschrift, een gewenst precept. Had ik deze beleving al zo met de eerste bundel “De brilslang, de boktor en de andere dieren”, deze tweede bundel doet daar een schep bovenop: “De krekel, het bos en de wereld”. Omdat ik zo in de put scheen te zitten las ik zelfs meerdere fabels per dag om op de been te blijven. En ieder kort verhaal tovert een glimlach rond mijn mond. Ik zie de zon weer achter de wolken in het water schijnen. De fabels zijn een zonnetje in huis, een kwinkslag bij iedere donderslag. De vrolijke noot in een treurige compositie. Ik zou wensen dat zekere personen onder ons het eens zullen lezen om tot andere inzichten te komen, hoewel ik ze hierboven verzocht de bundel in de kast te laten. Dus mezelf tegensprekend zou ik willen dat ze in deze fantasie losjes rond de lippen worden en niet zo’n stijf gezicht opzetten.

    De Fabeltjeskrant

    Verkneukelde ik me vroeger al bij de uil, de vos en de bevers van De Fabeltjeskrant. Een tv-programma voor kinderen dat zeker ook volwassenen aansprak. De levensvragen werden toen al door de vilten dieren laagdrempelig gemaakt, zodat de jonge kijkers antwoorden kregen op vragen waar volwassenen niet over durfden denken. In de fabels van Jan Bouwstra zijn die lastige kwesties tot eenvoudige vraagstukken gemaakt. Niet dat de schrijver oplossingen biedt, maar hij legt de dieren conclusies en uitwegen in de mond. Zij dienen als spreekbuis voor zijn kijk op de wereld. Anderszins zou hij veel kritiek op zijn bord krijgen, nu echter is hij de schaduw van de uil en kan zich verschuilen achter de bomen. De dieren bekijken hun leefomgeving op de open plek in het bos en langs de oever van de vijver met de blik van het kind – een naïef inzicht zogezegd. Maar de krekel, de mier en de neushoorn worden niet als kinderen, maar blijven dieren waarvoor het bos de wereld is.

    De dieren lijken net mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken, echter behouden het natuurlijke instinct. Daarom kan het zijn dat een gesprekspartner van het ene op het andere moment wordt opgegeten, omdat deze lekker oogt en het de honger stilt. In het bos lopen onnozelaars rond die enkel de eigen lusten najagen. Maar er zijn ook mijmeraars die de loop der dingen proberen te duiden. En er zijn dromers om het moment te beschouwen. Deze diverse bewoners dienen allemaal een doel, namelijk het verklaren van het leven. Wie kunnen beter het zijn relativeren dan de dieren. Of wie kunnen beter als metafoor van de mens worden ingezet dan de pad, de mol en de struisvogel. Jan Bouwstra voert een hele Artis aan dieren op, van kleine kleverige slakjes tot langnek giraf en van het stekelbaarsje tot de olifant.

    Apen en beren, mug en olifant

    De schrijver, dichter en biochemicus is een meester in het beschrijven van sferen. Vrijwel iedere fabel zet in de eerste regel een duidelijke stemming neer. “Het was herfst en de hemel bracht wit licht naar het bos, zonder de glimlach die de zomer er meestal bij schonk.” Oplettend lezend wordt in de bundel het najaar besproken, maar het beoordeelde leven brengt het zonlicht in de sombere dagen. “Aan de hemel dreven wolken over, als sluiers van traagheid die het zonlicht dempten.” Maar ook tuurt de brilslang naar de einder, terwijl de krekel behoefte heeft aan een praatje: “Het gekleurde licht van de ondergaande zon verspreidde zich over de afzonderlijke wolken, die als flarden van het oneindige voor de hemel langsdreven.” Want juist in de schemer, van de dag en van het jaar – van het zijn, verdienen levensvragen antwoorden, krijgt de zinzoektocht een doel.

    De schepsels van Bouwstra relativeren de moeilijkheden zoals alleen dieren dat kunnen doen. De mens ziet apen en beren op de weg en gaat ze het liefst uit de weg. Het dier maakt ook wel van iedere mug een olifant, maar luwt snel de storm in het glas water. De fabel toont in spiegelbeeld de mens. Juist door een dergelijke vertelling kijkt de mens op zijn neus, worden de zwakheden en de imperfectie sarcastisch duidelijk. Waar de filosofie als denkwijze moeilijk verteerbaar kan zijn, omdat de visie lijkt te zweven tussen verstand en gevoel, krijgt deze door de humoristisch getinte fabel een lage drempel.

    Gepokt en gemazeld

    Jan Bouwstra neemt mij aan de hand mee het bos in, de open plek op om me naast de vijver in het gras te vleien en te luisteren naar zijn verhalen. Soms glimlach ik om de in mijn ogen stommiteiten of lach ik om onbedoelde woordgrappen. De uil kijkt me dan vanaf zijn tak gezeten streng aan en heft zijn vleugel tot bezwerende vinger. Het bestaan wordt doorgenomen en dat is niet om te lachen, zo gebaart de vogel. Wel is de reflectie van het menszijn, de spiegel die ons door de fabel wordt voorgehouden, in hoge mate een karikatuur, een schets waarin ik ons bij de neus voel genomen. In de korte verhalen horen wij een echo van onszelf. Het dier staat niet enkel symbool voor de mens, het dier in deze vertellingen is de mens.

    De dieren zijn gepokt en gemazelde filosofen. Met een hoogbegaafd hoofd als van de giraffe, evenwel met laagbegaafde benen, proberen zij de eeuwigheid in woorden te verpakken. Ontdekken ze dat een ziel dat is wat voor jou denkt en voelt en wil. Is het werken een ziekte van het denken. Komt verholen de populistische politiek voorbij en wordt God eens ingeschakeld, want niets menselijks is het dier vreemd. “Wij zijn niet meer dan wat wij weten van het leven”, verdwaalt de brilslang tussen uitspraken, veronderstellingen en aannames, “en het leven is niet meer dan wat het weet van ons.” “Zijnden in het zijnde zijn wij”, vult de uil een leegte met gedachten op daar praten twijfel zou zaaien. De dieren filosoferen over het zijn en denken na over het niet-zijn. Wie zijn wij, vragen ze zich af, waarom zijn wij. Zo sjokken ze rond in hun hoofd. Buurten in de hoofden van anderen om gedachten van anderen te ontmoeten en die met hen mee te nemen. Gedachten die zich mengen om van betekenis te zijn. Voor iemand die er oog voor heeft.

    En ik lees nog eens een fabel om de dag aan te kunnen. De lichtvoetige schrijfstijl van Jan Bouwstra verlicht mijn levensstijl. Als geleerd esculaap schrijft hij mij het recept voor om het leven aan te kunnen. Als gediplomeerd kwakzalver mengt hij fantasie met filosofie tot fabel, waarbij de fantasie een hoog gehalte van waarheidsvinding heeft. Hij is de chirurgijn die mijn gedachten fileert en mijn hoogmoed scalpeert. Met zijn humor haalt hij de mens van de ivoren toren en plaatst deze tussen de dieren die hun spiegelbeeld in het water van de vijver begroeten.

    De krekel, het bos en de wereld. Jan Bouwstra. Filosofische fabels. Illustraties Angela van der Meulen. Uitgeverij Noordboek, 2025.

  • De maon mit de handen willen griepen

    Wanneer Drenthe het Siberië van Nederland was, zoals Rolf Mulder van horen zeggen stelt, bestaat dan de echte authentieke Drent eigenlijk wel. Al het gespuis en uitschot werd de grote stille heide op gestuurd met de opdracht red je kont maar. Later werden ze onder de hoede van generaal Van den Bosch afgezonderd van de wereld heropgevoed. Die mensen zullen zich als allochtonen gemengd en vermengd hebben met de autochtone Drent. Dus na het Siberië is Drenthe het Amerika van Nederland geworden. Het beloofde land voor de indianen, maar na Old Shatterhand en Winnetou hoor je daar niemand meer over. Heeft Dagobert Trump, badend in zijn geldpakhuis, de touwtjes in handen genomen. En waar is de oorspronkelijke Drent? Als de indianen teruggedrongen in het reservaat? Wie is de Drent? Voor antwoorden op die vragen en om mijn stelling te verifiëren kan ik mij het best richten tot de Drent bij uitstek, om niet te spreken van de Drent der Drenten, Rolf Mulder. In zijn boek “Drenten voor beginners” legt hij mij uit hoe om te gaan met dit eigenzinnige volk. Maar hoe dat zit met de oorsprong en de vermenging wordt mij door zijn uitgave niet duidelijk. Misschien dat ik daarvoor maar eens een persoonlijk onderhoud met hem moet hebben, als oprjochte Fries en egte Drent onder elkaar.

    Maar waar gaat het nu om. Weet ik na het lezen van het boek om te gaan met de Drent, mocht ik deze treffen tijdens een fiets- of wandeltocht over en langs de paden de uitgestrekte heidevelden en donkere bossen doorkruisend. Groet ik hem of haar vriendelijk en knoop ik een praatje aan, of laat ik hem of haar in het wild links liggen en rustig langs fietsen of gemoedelijk doorwandelen omdat ik mijn verlegenheid niet de baas kan. Of zal ik met Mulders tekst in gedachten op de Drent toestappen, hem of haar vriendelijk de hand schudden – want we zijn tenslotte Nederlanders onder elkaar. Mulder doet genoeg handreikingen om de Drent tegemoet te treden, dus dat wordt veel high fiven deze zomer.

    Hij onderbouwt zijn kennis van de eigen oorsprong met historische feiten. En zoals Mulder zichzelf al eerstens verantwoordt door te schrijven dat hij verhalen nog weleens aandikt blijft de waarheid in het midden. “Mysteries zijn op zich al lastig te verteren dingen, maar een mysterie waarbij ernstig getwijfeld wordt of het wel een mysterie is, is toch wel de moeder aller mysteries.” Rolf Mulder speculeert er op los en komt tot smeuïge theorieën, alles met de nodige humor en lichte ironie. Hij beschrijft veldslagen die hem door kronieken zijn overgeleverd, hoe Drenthe als landstreek en gebiedsterrein door de tijd heen in diverse bestuurlijke handen kwam, alsof de latere provincie niet heel best zelfstandig eigenwijs kon zijn.

    Zoals de Schepper het bedoeld heeft

    Drenten voor beginners. Maar wanneer ben je een beginner. Bezoek je regelmatig de provincie op zondagse tripjes door de natuur, op de fiets of in de auto of wandel je kilometers over het Ellertsveld. Zit je regelmatig op een terrasje in Rolde of Dwingeloo of Odoorn. Neem je een kijkje bij de wilde dieren in Emmen of bezoek je het gevangenismuseum in Veenhuizen. Dan ben je toerist, bezoeker en dagjesmens. Kijk je vanachter de autoruit naar mens en dier, flora en fauna, in het ‘wild’ als maak je een safari door grillige streken. Dan ben je geen beginner, dat vergt meer aandacht en beschouwing. Dat vereist een meer grondig onderzoek en dan is het boek van Rolf Mulder daarbij de ultieme handleiding. Hij keert het wezen van de Drent binnenstebuiten, fileert het karakter, maakt de inwoner van dat openbaar minder bekende landsdeel tot handzaam mens in de totale samenleving van Nederland.

    Drenthe is het domein van de stilte, daar waart rust over de velden als een dauwdeken in de schemering. Daar is men eerlijk en oprecht, maar zeker ook kort voor de kop. De Drent maakt weinig woorden vuil en slikt letters makkelijk in. Ze hebben aan een half woord genoeg. En niet alleen de mannen staan hun mannetje, ook de vrouwen weten er van wanten. Ze zijn toppers in het blokken van oeverloos gepraat en het stoppen van verbale diarree, schrijft Mulder. En hij kan het weten. De Drent is eigenlijk de Nederlander zoals deze had moeten zijn, zoals de Schepper het bedoeld heeft. De Drent heeft die opdracht goed in de oren geknoopt en ondanks de vermenging van buitenaf, van immers het gespuis dat daar werd ondergebracht, de oorsprong in de kern behouden.

    Stel, je wilt integreren

    En natuurlijk is Drenthe beroemd om de hunebedden, berucht om zijn blues en geliefd door de kalmte waarmee de schapen de velden begrazen. De TT-races zijn ook buiten de landsgrenzen een groots evenement, het doorbreekt voor een weekend de stilte. Wanneer de uitlaatgassen weer zijn verwaaid en de motoren vertrokken, keert de rust terug en is Drenthe weer van de Drenten. Mulder diept nog enkele andere kernmerken van de provincie op, die volgens hem karakteristiek zijn voor dit landsdeel dat als bijzonderheid op de kaart is gezet. Veenlijken komen voorbij, en wolven, de Drentsche patrijshond, volksgerichten en het stookhok, twee pagina’s vol bekende Drenten waarvan Lodewijk van Heiden aka Berend Botje het minst bekend is en daarom door de schrijver uit de schaduw in de zon wordt gezet. Aan de eigenaardigheden, die elk volk karakter geeft, voegt Mulder nog de Drentse keuken toe. Somt typische gerechten op als bonenbrij, kruudmoes, proemenkreuze, poffert en stip-in-‘t-gat onder andere. Voegt daaraan ook nog een recept van bruine bonen met spek toe, waarvoor Bartje zeker niet zal bidden. Zo is zijn boek over de Drenten niet alleen historisch interessant, maar ook nog smakelijk leesbaar. Tevens opstandig waar hij aan de volksaard onder meer een nieuw volkslied en een aangepaste vlag toedicht.

    Het meest fascinerend is het hoofdstuk “Stel, je wilt integreren…”. Na alle merkwaardigheden, typeringen en oorspronkelijkheid is deze slotscene een bovenste beste handleiding voor de beginner. Hoewel het echte sluitstuk de typische Drent uit de coulissen laat komen. “Drenten zijn tot in de botten egalitair. Iedereen is gelijk en zo werden en worden ze ook opgevoed. Ze hebben de pest aan rangen en standen, bemoeizucht van boven, hiërarchie en snakkerds en beterweters en iedereen die het domme lef heeft om de kop boven het maaiveld uit te steken. (…) Drenten willen baas op eigen erf zijn en gewoon hun eigen boontjes doppen en daar zijn ze ‘goed’ in.” Dus. “Gedraag je niet als ontwikkelingswerker, maar simpelweg als gast.” Zorg ervoor, is Mulders raad duur, dat je een welkome gast wordt. “En dat is goed mogelijk: de Drenten zijn een bijzonder gastvrij volkje.” Dit herkauw ik dan nog voor een moment nadat ik het boek heb dicht gedaan: “Aj onbespreuken wilt blieven moej niet geboren worden”. Een waarheid als een koe.

    DRENTEN voor beginners. Omgaan met een eigenzinnig volk. Rolf Mulder. Uitgeverij Noordboek-Van Gorcum, 2025.

  • Kunstenaars in weer en wind voor beek in beeld

    Het landschap, dat vormt door de eeuwen een inspiratiebron voor kunstenaars. En uit die bron, die maar nooit lijkt op te drogen, worden eindeloos veel composities geput. Het is het land waarin we leven, het schap dat ons bestaan schept. Het is onze omgeving, het is ons zijn. Niet zo vreemd dat dit thema in veel variaties opduikt in de beeldende kunst. Het landschap is veelvormig en kan vanuit legio standpunten worden bekeken. Over dat landschap is de mens niet altijd een beste hoeder. We vergeten vaak dat wij de aarde niet van onze ouders hebben geërfd, maar het van onze kinderen lenen. Deze uitspraak van de Haida-indianen lees ik in de uitgave “Beek in Beeld”. Een boek dat het beschermde gebied waar onder meer de Drentse Aa de stroom vindt als onderwerp heeft. Negentien kunstenaars zijn langs de beek op pad gegaan om het terrein in de eigen stijl en techniek in kaart en in beeld te brengen. Het boek documenteert deze smalle rivier, stromend door de provincies Drenthe en Groningen. Het stroomgebied is in vakken opgedeeld waarmee de kunstenaars die zich voor het project hebben ingeschreven aan het werk konden met  natuur en omgeving. In het boek worden die delen apart besproken en tonen de illustraties hoe het terrein de afzonderlijke kunstenaars heeft geïnspireerd.

    Verslag project

    Wanneer gesproken wordt over het landschap in de kunst, dan is vrijwel meteen de gedachte ‘huisje, boompje, beestje’. Een realistische verwerking van de zichtbare werkelijkheid. Maar daarover gaat het in de hedendaagse kunst allang niet meer. En ook eertijds bracht de kunstenaar wel wezensvreemde elementen in om daarmee een verhaal te verduidelijken. De kunstenaars van “Beek in Beeld” zijn langs het water aan het werk gegaan met dat wat ze zagen. Dat is het uitgangspunt, zichtbaarheid. Dan volgt de emotie, het gevoel welke dit landschap geeft. Ergens in het boek lees ik dat een kunstenaar het landschap uitkleedt, het ontbloot van overbodige elementen zodat de naakte waarheid resteert. De essentie van dat landschap voor die kunstenaar. De kunstenaar, meestal schilder of tekenaar, trekt het veld in om inspiratie op te doen. Werkt en plein air aan het schilderij of de tekening. Of schetst zichzelf de sfeer, maakt foto’s rondom, neemt als het ware her landschap mee het atelier in om daar uit te werken. De schetsen en de herinnering maken dan het uiteindelijke beeld.

    Het boek is een verslag van het project. Het is niet alleen een kunstboek waarin het resultaat van noeste arbeid langs de beek is opgenomen, maar dat ook in teksten aandacht besteedt aan verleden, heden en toekomst van de streek. Een historische beschrijving van het gebied documenteert het ontstaan en geeft het bestaan een gelaagde inhoud. De provincie Drenthe kent dierbare hoogtepunten in het landschap en trekt daarmee rustzoekers en natuurliefhebbers naar zich toe. Het is van oudsher een stille provincie, een arme streek. De stilte is echter wreed doorbroken en de armoede is allang verleden tijd. Maar de sporen daarvan zijn in het landschap nog altijd te vinden. Echter zijn de keuters herenboeren geworden, de kleine arbeidershuizen zijn verbouwd tot luxe koopwoningen, de kronkelende landwegen zijn tot snelwegen recht getrokken, beken werden kanalen.

    Resultaat project tentoonstellen

    De stilte wordt echter allengs teruggewonnen, het eenvoudige gaandeweg gekoesterd. Niet langer wordt het landschap waardoor de beek stroomt ingezet voor eigen gewin, maar komt de winst van het behoud ervan op het conto van het algemene nut. Het gekanaliseerde water wordt terug gemeanderd, polders worden weer natte veengebieden. De klok wordt voor flora en fauna teruggezet. En dat is het sterkst zichtbaar langs dat beek dal van Amen tot Haren. De kunstenaars registreerden en documenteerden het gebied, niet enkel zoals het zich in werkelijkheid voordoet maar meer hoe het aanvoelt, hoe het ruikt en welke geluiden er te horen zijn. Die ervaring hebben zij verbeeld in de kunstwerken. Maar nadat het water van de bron via het stroomgebied uiteindelijk in het Noord-Willemskanaal uitmondt om via het Reitdiep en het Lauwersmeer in de Waddenzee terecht te komen, is het boek nog niet uit.

    De samenstellers wilden de werken als resultaat van het project tentoonstellen op een plek in Drenthe tot relatie met de beek. Deze was om verschillende redenen niet voorhanden zodat werd uitgeweken naar het Groninger land. Landgoed Nienoord in Leek kwam in beeld en wilde de tentoonstellingsruimte wel beschikbaar stellen, mits een deel van het project ook over Groningen zou gaan. Daarom togen de kunstenaars na afronding van de beek het natuur- en waterbergingsgebied de Onlanden in, grotendeels gelegen in Groningen en via een kunstmatige weg aan de beek verbonden. Daar werden opnieuw de veldezels uitgeklapt en de omgeving vastgelegd, hoewel de kunstenaars er eigenlijk al klaar mee waren. Het heeft nog mooie platen opgeleverd als aanvulling op het project. En aldus kon Nienoord de gestelde voorwaarde in hun statuten waarborgen, dat ze aan de provincie Groningen gerelateerd werk laten zien. Tot slot is dan ook een essay over de historie van het landgoed opgenomen. Een kers op de taart zou je kunnen zeggen. Hoewel het gebak er zelf ook al smakelijk uitzag.

    Informatieve teksten

    De beek, voortkabbelend met diverse namen van Amerdiep en Oudemolense Diep, van Looner Diep en Oude Aa – pas in het Groninger land stroomt het water als Drentsche Aa, is een goed bewaarde biotoop, waarin de mens voordat het beschermd gebied werd veel kapot heeft gemaakt. Het beekdal is nu een belangrijke proeftuin voor verantwoordelijk menselijk handelen. “Anno 2025 zijn mens, klimaat en water bepalend voor de huidige staat van het landschap en voor de toekomst ervan”, lees ik in het boek. Het is een van de informatieve teksten die Egbert Meijers, ambassadeur van de Drentsche Aa, bij elk hoofdstuk heeft geplaatst. “Het stroomdal (…) biedt als laatste natuurlijke reservaat nog enige bescherming en een alternatieve habitat voor zangvogels. Recentelijk voelen otter, nijlgans en bever zich thuis in het stroomdal. Ook de wasbeer leeft inmiddels in het gebied. En de zwarte ooievaar is er waargenomen.

    Net als de kunstenaars in weer en wind verbinding hebben gezocht met dat wat hen inspireert, beweegt Meijers de lezer met zijn schrijven oog te krijgen voor één van de mooiste en best bewaarde beken die ons land nog rijk is. Enthousiast somt hij de rijke variatie aan planten-, struiken- en bomensoorten in het gebied op. Het zijn er meer dan ik voor mogelijk had gehouden. Een verstild paradijs in het te drukke en overvolle Nederland. Een gebied waar we trots op moeten zijn en dat in het boek “Beek in Beeld” aantrekkelijk is gevisualiseerd.

    Beek in Beeld. De Drentsche Aa verbeeld door hedendaagse kunstenaars. Met voorwoord van Jetta Klijnsma, commissaris van de Koning in Drenthe. Tekst Egbert Meijers, Erik van Ommen, Geert Pruiksma. Uitgave Noordboek i.s.m. Beeldende Kunstenaars Vereniging Drenthe, 2025.

  • Beeldspraak van brilslang en boktor, olifant en neushoorn

    De dieren die Jan Bouwstra laat acteren in filosofische fabels zijn precies als mensen. Met dezelfde mensen-wensen en dezelfde mensen-streken. Maar het Grote Dierenbos uit de Fabeltjeskrant is een poppenhuis vergeleken met het landgoed waarop de brilslang, de boktor en de andere dieren elkaar bevragen over leven en zijn. De lezende mens zou willen zo diepzinnig te kunnen mijmeren als de neushoorn en de olifant of de krekel en de egel dat doen. In de korte verhalen van schrijver, dichter en biochemicus Bouwstra verlaagt hij de hoge drempel van zware filosofische kwesties op een lichtvoetige wijze. Door de dieren uit zijn rijk beschouwend voor het voetlicht te zetten, maakt hij de wijsbegeerte tot een lust voor het begrip. Het gedachtegoed en de levensvisie van de muis en de kikker of de pad en de uil zijn het meer waar mijn denken en doen in spiegelen. Stille wateren, diepe gronden.

    Verzonnen verhaal met een moraal

    Een fabel is een verzonnen verhaal met een moraal waarin dieren de hoofdrol spelen. Maar deze korte verhalen van Bouwstra, amper meer dan twee bladzijden lang, schijnen helemaal niet denkbeeldig of onwerkelijk. Deze belichten wezenlijke gebeurtenissen, enkel zijn de hoofdpersonen geen mensen maar dieren. Ze hebben de animale eigenschappen die de schepping hen heeft ingeprent, en de karakteristieken die hen door de mensen zijn toegedicht. Daarin zijn ze zelf gaan geloven en hebben deze rangorde als van nature aangenomen. De sluwe vos, de wijze uil, de pad die de leiding neemt. Terwijl Bouwstra hen menselijke kenmerken toeschrijft of eigenlijk kwaliteiten die een mens als ik wel zou willen hebben. De dieren denken kinderlijk na over volwassen onderwerpen als liefde, schoonheid, macht, vriendschap, tijd en taal. Ze benaderen deze naïef en onbevangen, maar worden dan weer wel door wijze dieren terecht gewezen, worden levensvragen beantwoord. Want er zijn altijd betweters en beterweters, in welke samenleving dan ook.

    Hof van Eden houdt zich schuil

    Er wordt in de fabels van Bouwstra vaak en veel nagedacht bij zonsondergang of in het schemerlicht van de nieuwe dag. Op momenten dat het verstand wegdrijft, de sfeer zich opent voor een bezinning op het bestaan. De schrijver weet die ogenblikken poëtische stemmingen toe te dichten. ‘Die ochtend werd het licht in dauw verpakt tot kleine diamantjes die even schitterden in het mos om daarna te verdwijnen. (…) Het was vroeg in de ochtend, de dag twijfelde over wat zij worden wilde, totdat de zon door de wolken heen brandde en het bos begroette met haar stralen. (…) Het ruisen van de bomen werd gesponnen in de stilte van een blauwe hemelkoepel, die ver boven alles uitreikte. (…) Het was ochtend en de nevels losten op, terwijl de uren van de dag werden uitgegoten over een bos waarin de dieren ontwaakten.

    In dat bos van de dieren lijkt de Hof van Eden zich schuil te houden, maar net na het moment van de zondeval. De dieren weten nog niet dat er is gesnoept van de appel, dat de mens in een oogwenk weet van goed en kwaad. In een bliksemflits interpreteert de mens voortaan subjectief ethische waarden, beseft wat leven is en dat er iedere dag een nieuwe keuze is tussen twee kwaden. De dieren zijn nog in gedachten bij dat tijdpunt van de ongerepte schepping, zo zoals de wereld bedoelt is of was. Maar toch sijpelt al het dierlijke in het menszijn door en andersom. Bij de diepe gedachten, het lessen van de dorst naar kennis van het bestaan, moet het lichaam gevoed worden. Dus kan een rups waarmee een gesprek is gevoerd of een muis die een retorische vraag heeft gesteld zomaar pardoes worden opgepeuzeld door de merel of de uil, de pad of de brilslang. Niets dierlijks is de beesten vreemd.

    Met zichzelf in tweespraak

    Jan Bouwstra schrijft om een landschap te scheppen in zijn hoofd, waarin hij ronddoolt en geniet van de verschieten die verschijnen. En waarin diverse dieren vertellen waar hij zelf mee rondloopt. Hij is zijn dieren. ‘Ik alleen kan leven in het landschap dat ik creëer van mijn gedachten’, laat hij de uil plechtig zeggen, ‘ik volg de route die mijn dromen mij wijzen door dat landschap heen. Ik bedenk niet waar ik naartoe ga, ik volg alleen de weg.’ Het is alsof ik hem, de schrijver van de fabels, zelf de worden hoor formuleren. “In fabels meng ik metaforen”, schrijft Bouwstra in zijn voorwoord, “filosofische gedachten, fantasievolle invallen en humor tot miniatuurtjes die boven mij uitstijgen, alsof ze geschreven zijn door iemand die ik niet ken.” In die kleine formaat teksten kan hij zich verplaatsen in de gedachten van de dieren. Kan hij met zichzelf in tweespraak zijn, een dialoog voeren terwijl hijzelf het antwoord weet of denkt te weten op prangende levensvragen. Hijzelf is de reis en elke dag is hij het uitzicht van zijn ziel. Maar niet iedereen kan zo anders kijken of hoort wat de reisgenoot zegt. Het verhaal gaat soms het ene oor in en het andere uit, ofwel is het alsof de woorden om je heen zwerven zonder een weg naar binnen te vinden. Wat is de zin van het leven, wat is het nut van bestaan. De hele diergaarde vraagt zich dat af en de helft denkt het te weten.

    Tijd is niet van ons, wij zijn van de tijd

    Dromen is schuilen in jezelf, houdt Bouwstra in de hoedanigheid van luiaard mij voor. Hij schrijft woorden die behoefte voelen om betekenis te zijn. Terwijl ik ze lees besef ik mij dat deze in een moment verblijven dat nooit terug komt, een ogenblik waarin vervolgens een nieuw zijn plaatsneemt. Of, zoals de mier bij de dageraad opmerkt, dit uur heeft nooit eerder bestaan. ‘Elke seconde krijgen wij iets wat daarna weer weg is en nooit terugkomt.’ Wat later zegt de mier, die even wijs uit de hoek komt als de uil: ‘De tijd is niet van ons, maar wij zijn van de tijd.’ En nog enkele oneliners die tot de verbeelding spreken zijn in monden van verschillende dieren gelegd: Met twijfelen begint het onderzoek naar of iets waar is. / Het leven is niet te begrijpen als je eraan deelneemt. / Het denken maakt alles expres ingewikkeld omdat het denken daarvan leeft. / Jij bestaat alleen uit indrukken die anderen van jou hebben. / Kunst is een afdruk in de tijd van de beschaving.

    Jan Bouwstra verzamelt woorden en schud ze uit op papier. Wanneer ik ze lees krijgen ze daarmee pas betekenis. Vormen deze beelden in mijn gedachten. Het klopt dus, het is waar dat de fabeldieren bang zijn dat ze alleen een verhaal zijn. Alleen een gelezen leven zijn, dat ze gewoon werden bedacht. Dat zij niet zelf speler maar het spel zijn. Dat er iemand anders in ze is die hen speelt. ‘Wij zijn onderworpen aan iemand waarvan wij denken dat wij het zijn. Waardoor wij naar elkaar toe worden bewogen zonder te weten waarom. Of van elkaar af.’ Sommige vragen verdienen geen antwoord. Diverse antwoorden hebben geen vraag. Of zoals de brilslang opmerkt: ‘Ik ontdekte ineens dat ik niet de gedachte van iemand anders ben, ik ben de gedachte van mijzelf!’ ‘En anderen hoeven dat niet te snappen, want als iedereen begrijpt wie jij bent, dan ben jij niet bijzonder meer’, voegt de mier daaraan toe.

    De brilslang, de boktor en de andere dieren. Filosofische fabels. Jan Bouwstra. Met illustraties van Angela van der Meulen. Uitgeverij Noordboek, 2024.

  • Høken van Groningen tot Zeeland, De Veenhoop tot in Valkenburg

    De dag dat Geert Wilders in de Kamer tegen Mark Rutte riep “Doe eens normaal, man” had de premier meteen het lied ‘Høken is normaal’ moeten aanheffen. En dan had de voorman van de PVV kunnen invallen met ‘Oerend hard’. Maar ja, toen lag het boek ‘Feesten als wilde beesten’ nog niet op de koffietafel. Schrijver en samensteller Dolf Ruesink dacht in 2011 nog helemaal niet aan een fotoboek over Nederland 50 jaar Normaal. Er was geen sprake van een halve eeuw rock uit de Achterhoek, het moment was nog niet aangebroken. Maar in de Tweede Kamer had de Nedersaksische streektaal kunnen klinken, toen. Het was het ultieme moment om te laten horen dat Nederland meer is dan het hoog Haarlemmerdijks en de hete aardappel in de keel, dat er in ons kikkerland eigenlijk alleen maar streektalen en in dialect wordt gesproken.

    Hemelvaartsdag in Lochem

    In 1975 wordt Holland oerend hard opgeschrikt door die rockband uit het Oosten des lands. Een achtergebleven gebied, dat Oosten meent het Westen. Een land van boeren, burgers en buitenlui. Uitgestrekte velden, loeiende koeien, knorrende varkens en kraaiende hanen. De Achterhoek, kan daar iets goeds vandaan komen? De tijd blijkt rijp de grond eens twee spaden diep om te keren en de westerse lakens eens danig op te schudden. In de vruchtbare grond van het platteland planten Bennie Jolink en consorten een jonge scheut die binnen een paar jaar tot een stevige boom zal uitgroeien en rijk vrucht zal dragen. Het fundament is op Hemelvaartsdag in Lochem gelegd voor een huis van de taal dat stevig staat. De deur van het heilige huisje van de popmuziek is ingetrapt. In je moerstaal zingen kan en mag dan werkelijk in die taal en met die spraak waarin je denkt en waarmee je leeft. Normaal is de voorloper in het muziek maken zoals het hoort, gewoon dat doen zoals je bent. Geen vertalingen, gewoon wat in je hart leeft en dagelijks normaal uit je mond komt.

    Veredeld plakboek

    Feesten als wilde beesten’ is een lijvig boek in harde kaft gestoken, het kan tegen een stootje en hoort een plaats te hebben in de boekenkast van de liefhebber. Een must-have voor de fanatieke fan, de bijbel voor de normaalist. Of anhanger, in gaaf Achterhoeks. Het boek is eigenlijk een veredeld plakboek. Zo’n multomap waarin foto’s geplakt zijn, voorzien worden van het nodige geschreven commentaar. Om herinneringen op te halen: van toen was ik daar, weetjewel. Geen biografie van de band, maar een beschrijving van het publiek. Een collage van ervaring en emotie vanuit de zaal van wat er op het podium gebeurd. De schrijver en samensteller is een grondige veldtocht door Nederland aangegaan om bij vrijwel iedere høkende fan en elk podium waarop Normaal heeft gestaan aan te kloppen. En op die diepgravende manier een omvangrijk archief samen te stellen van afbeeldingen en memorabilia. Geïllustreerd met smeuïge verhalen en sappige anekdotes. Alles uit de eerste hand, want zij waren erbij.

    Dolf Ruesink, journalist en auteur, volgt de band vanaf de oprichting en was redacteur van het fanclubblad Anhangerschapsbode. Hij prijst in zijn voorwoord de uitgave zelf aan als foto- en concertboek, dat gaat over de beleving van het legioen høkers en anhangers. Over hun gewoonten en spraakmakende rituelen, de feestcultuur. ‘Passend in de tijd van toen, maar ze geven ook een sterk veranderd tijdsbeeld weer. Over seksualiteit, emancipatie, gezag en dierenwelzijn zijn opvattingen en opinie in een halve eeuw radicaal gedraaid.’ Om te beginnen belicht het boek de ontwikkeling van Normaal als ambassadeur van de streektaal. De kracht en magie van de pioniersband schuilen in de eigenheid, spontaniteit en originaliteit waarmee ze al een halve eeuw optreden, merkt Ruesink terecht op. Met hun authentieke dialectnummers vertolken en voelen ze perfect het sentiment van hun volgers aan. ‘Bij elke stemming past wel een nummer.’ Het boerenimago heeft Normaal geen windeieren gelegd. Normaal blijkt geen ééndagsvlieg of een overwaaiende rage, het is een goedlopend bedrijf dat op het juiste tijdstip en op een goede manier de mensen aanspreekt.

    Rituelen rond Normaal

    Feesten als wilde beesten” doet na deze inleiding over de band de groei en bloei van de fanatieke achterban uit de doeken. Want daar gaat het boek over het geheel genomen over, het is de spil waarom de uitgave draait. Want die anhangers, de meute van vurige volgers, bepaalt de cultuur die om de groep heen hangt. Die folklore gaat verder dan enkel de spreekkoren tijdens concerten, het luidkeels meezingen van liedteksten. Er wordt een hele ris aan gewoontes uit de kast getrokken die de geschiedenis ingaan als de rituelen rond Normaal. Stevig stampen, strooien met stro en gooien met Grolsch-bier. De varkensstift om dames te merken, kanonskogels van kletsnatte hemden. Touwtjespringen met aan elkaar geknoopte shirts. Het Zwientje Tik, een varkensrace, afgekeurd door de Dierenbescherming, goedgekeurd door Normaal. In het boek worden publieke geheimen prijs gegeven: geen bier in de beugelflessen op het podium, maar Spa rood. De muziek mag dan zijn aangeschoten, de muzikanten moeten wel helder blijven.

    De veldtochten, zoals de tournees van Normaal worden genoemd, gaan door al de Nederlandse provincies en kort daarbuiten. Dolf Ruesink volgt de mannen op de voet en ik sta bij wijze van spreken stinkend naar verschaald bier op de voorste rij geplakt tegen het hek. Van Groningen tot Zeeland, overal trekken de muzikanten volle feesttenten. Veel plekken bezoeken ze meermalen, want de groep en hun muziek valt in de smaak. Vooral in plattelandsgemeenten en kleine dorpen wordt Normaal met open armen ontvangen. Hoewel er in de beginne nog weleens wat tegenstand is – burgemeesters verbieden optredens, maar deze wordt snel gebroken en in der minne geschikt. Gaandeweg verovert Normaal heel Nederland en zingt men tot in alle uithoeken rondborstig en luidkeels mee in de streektaal. Het Achterhoeks groeit uit tot een dialect dat het Fries van de troon dreigt te stoten als tweede taal van het land.

    Simpele imago vindt weerklank

    Trots zijn op je achtergrond en je moerstaal spreken, dat gaat als een razend vuur door heel het land. Waar Normaal dan ook speelt van De Veenhoop tot in Valkenburg, overal vindt hun simpele imago weerklank en trekt volle feesttenten. Het boek beschrijft dan ook niet de muziek van Normaal, maar de manier waarop het beleefd wordt. Vanuit alle uithoeken van Nederland komen er bij Ruesink desgevraagd verhalen van ervaringen binnen. Het maakt naast de honderden foto’s die de anhangers in beeld brengen het boek een feest om door te bladeren. Normaal staat voor feest, de fans bouwen het graag. Het enthousiasme op het podium straalt uit op het publiek in de zaal en andersom, de massa brengt met geestdrift het concert tot een hoogtepunt. Het is een opwaartse spiraal waarna er een puinhoop aan bierglazen, hemden en bh’s overblijft.

    Hoewel ik al meer dan duizend woorden eraan heb vuil gemaakt laat het boek zich eigenlijk niet beschrijven. Het moet gelezen worden en vooral bekeken. Het geeft een glashelder beeld van de mensen waarvoor Normaal op de planken staat. Nederland 50 jaar normaal, dat is biergooien, strosmijten, grondhøken, moddervechten, varkensrennen, brommerskieken, dorpsfeesten, drankketen, dauwtrappen, kraamschudden, carbidschieten, noaberschap, høken, daldeejen, brekken en angoan. Allemaal en meer onderdeel van het Normaal-verhaal.

    Zo alderbarstend hard

    Moi wi-j goat høken / en dat doe`w niet zachtjes, moar dat doe`w hard/ ik zei hard

    Zo alderbarstend hard, `t kan niet harder goan / zo knoeperd hard, dat ow alles oaverend geet stoam

    zachtjes en dat doet wi-j as wi-j uut gedretten bunt / vanavond goat wi-j høken, zo hard as wi-j dat kunt

    Zo alderbarstend hard, `t kan niet harder meer / zo knoeperd hard, as `t nog harder geet dan dut `t zeer

    Bartjen is an `t bateren, de splinters vliegt d`r af / de deerntjes vangt de stokken op, zie wordt helemoal maf

    Wimken is an `t ploegen, diepe deur de voor / `t geet eengaal better met zo`n donders snee in `t oor

    Ketsen is an `t ketsen, zo dat alles ketst / ketsen is `t enige, høken is olderwets

    Paultjen met de turbo, notenmeter op de hals / oeh, wat kriegt die snaren smeer, dat is joarlang niet mals

    Buizen is an `t reeren en hoe spölt d`r ok nog bi-j / as hie begint te scheuren, bunt der anderen niet zo bli-j

    Zo alderbarstend hard, `t kan niet harder meer / Zo knoepes hard, as `t nog harder geet dan dut `t zeer

    Zo alderbarstend hard, `t is ongekend /zo gloepes hard, wi-j wilt gin mietjes in de band

    Feesten als wilde beesten. Nederland 50 jaar Normaal. Dolf Ruesink. Uitgeverij Noordboek-Van Gorcum, 2024.

  • Het boekje open over Hollands meest verstilde schilder

    Elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen berust op louter toeval”. Dat staat niet in het colofon van ‘Feest! In de dierenwereld van Jan Mankes’. Want alle genoemde personen in het verhaal bestaan en elke gebeurtenis is losjes gebaseerd op de waarheid. Het gefantaseerde relaas rond de kunstschilder Mankes is geschreven en geïllustreerd in de eerste plaats voor kinderen. Ze kunnen het zelf lezen of zich laten voorlezen. Maar ook ouders leren door het verhaal te lezen de schilder van tederheid beter kennen. Auteur Astrid Kuiper heeft een speelse manier van schrijven, even fijngevoelig als haar hoofdpersoon dat was. Haar poëtische verhaal wordt in het boek vrolijk verbeeld door de tekeningen van Monique Beijer. Deze tekenaar op haar beurt zet dieren in hun omgeving passend in de sfeer van de vertelling. In de platen kun je de verbeelding van de tekst sprekend ontdekken. Sprookjesachtig beschreven, teer getekend.

    Poëtisch zingende toon

    De voorstelling is een gedroomde werkelijkheid. Nadat schilder Jan zijn werk van die dag als schepper Mankes heeft goed bevonden valt hij op de bank tevreden in slaap. Zijn fantasie gaat dan met zijn denken aan de haal, zoals iedere droom met de waarheid een loopje neemt. Vanaf dat moment gaat de tekst in het boek over in een poëtisch zingende toon, iedere regel heeft spontaan of gezocht eindrijm. Voor kinderen meeslepend om naar te luisteren, voor ouderen weleens hinderlijk bij het (voor)lezen. De melodieuze wijs doet niet af aan de inhoud en strekking van het verhaal. Slapende Jan droomt van een gondelvaart. Hij zal het fenomeen zelf niet gekend hebben. Het vond plaats in zijn geboortejaar in Amsterdam op Prinsessedag. Het zal later plaats hebben op de plek waar Jan in Beneden Knijpe heeft gewoond. In de voor de veenderij gegraven sloot voor het huis van zijn grootouders, later dat van zijn ouders en hijzelf, kwam ieder jaar een rij versierde en verlichte boten langs. Dat begint in 1932, twee jaar na Jan’s te vroege overlijden. Hij heeft dus een vooruitziende blik, droomt in de toekomst als het ware. Maar, o nee, het is een naar waarheid geschreven fantasieverhaal. Het is niet waar maar het had waar kunnen zijn. De waarheid is ingepast in de fantasie. En het past!

    In het verhaal willen de door Jan geportretteerde dieren iets aan hem terug doen. Doordat Mankes hen heeft geschilderd en daarmee gepersonifieerd, heeft hij hen de eeuwigheid gegeven. Door zijn schilderijen betekenen de geit, de haan, de kraai, het muisje en al die andere dieren iets, hebben ze en zijn ze van waarde. Astrid Kuiper situeert hen op een boot, die vooraf gaat aan een lint van versierde pramen in de gondelvaart. Ooit woonde ik op een steenworp afstand van de plek waar Jan Mankes heeft gewoond. Maar in een andere tijd, toen de sloot nog door het dorp lag en er sprake was van een brugjeskant. Destijds heb ik die gondelvaart meegemaakt. Als kleine jongen, ik was amper 10, stond ik op de walkant te kijken naar de pramen die in een lange rij werden voortgetrokken door een door een tractor gemotoriseerd schip. Kuiper beschrijft dit onderdeel van het dorpsfeest zoals het is geweest. Ik weet het, ik was erbij. De tegenwoordige allegorische optocht op wagens, die is gestart nadat de vaart is gedempt en plaats maakte voor een karakterloze straat, is een flauw aftreksel van deze lumineuze praamvaart.

    Nostalgische sfeer

    Het feestverhaal van Astrid Kuiper en Monique Beijer brengt die nostalgische sfeer van het dorpsfeest terug van toen in het heden. Hoewel ieder jaar in de maand oktober het dorp bol staat van de activiteiten ter meerdere eer en glorie van de saamhorigheid, de mienskip in onzuiver Nederlands, staat dit in de schaduw van wat er eerder plaats had. In het verhaal worden plekken genoemd die bij Knypsters bekend in de oren klinken, maar toch niet te vinden zijn in het dorp. Maar het draait in het boek dan ook niet in de eerste plaats om de gondelvaart of bestaande plekken, het is een verhaal aan deze elementen opgehangen om de dierenwereld van Jan Mankes meer aandacht te geven. Jan droomt zich die hele wereld bij elkaar, laat de dieren praten zodat het net mensen zijn. Jan droomt zich een fabel met zijn eigen afbeeldingen.

    Het zijn paard en kraai, konijn en geit, de nieuwsgierige haan, egels en muizen, puttertjes en lijsters die in het verhaal een rol spelen, zoals deze ook onderwerp zijn in Mankes werk. De vertelling bouwt met het paard Age als dirigent fijn toe naar een geweldig slotakkoord. Het cadeau voor de kunstenaar met strik. Hij staat dromerig bij het raam, een uil op zijn hand. Jan dreigt in gedachten verzonken de boot te missen, maar dan barst het levende schilderij uit de voegen en brandt een orkeststuk door de stille nacht. Maar eerst zijn er nog allerlei problemen, die het feest in de weg staan en om de fantasie te stimuleren, de vaart erin te houden. Maar zoals een goed sprookje betaamt loopt alles tot een goed einde. En eindigt het verhaal onverwacht ongerijmd in dialoog met Jan die door zijn vrouw Annie wordt gewekt, het was alles een droom. Hij is niet langs de vaart, niet in Beneden Knijpe, hij is in Eerbeek, thuis. Voordat ze naar de fanfare gaan gluurt Jan door de deur naar Beint op de kinderkamer. ‘Door het raam ziet hij een prachtig avondlandschap met maan’.

    Daarmee is het verhaal gedaan, de fantasie terug in de werkelijkheid. Maar het verhaal van Jan Mankes gaat verder. Er volgt nog een korte biografie met hoogtepunten en om meer te weten over de schilder en zijn werk een rijtje boektitels. Want het kan bijna niet anders dan dat de (voor)lezer na het (voor)lezen geïnteresseerd is geraakt in het werk van Jan Mankes. In zijn leven en zijn bijzondere kijk op de omgeving en de natuur. Dat je wilt zien hoe Mankes al de dieren die in het feestverhaal voorkomen door hem zijn geschilderd. Dat kan in de boeken, mooier is ze te bekijken in de musea. Het boek is een best uithangbord voor de dorpsfolklore en de dierenschilderijen van Jan Mankes. Het verlaagt voor kind en ouder de drempel. Kuiper en Beijer hebben op een originele manier het boekje open gedaan over Hollands meest verstilde schilder.

    Feest! In de dierenwereld van Jan Mankes. Tekst Astrid Kuiper. Tekeningen Monique Beijer. Uitgeverij Noordboek, 2024.

  • Het verhaal van kunstenaar en voddenboer Jopie

    Ik ben begonnen met schilderen, net zoals ik begonnen ben met ademhalen. Het is gewoon een drang, van binnenuit, net als eten en drinken.” Voor Jopie Huisman is beelden leven, zichzelf uitdrukken in verf of met potlood is een eerste levensbehoefte. Natuurlijk zat in de handel in vodden en oud ijzer ook een deel van zijn bestaan, maar naast eten en drinken en ademhalen was de kunst van vitaal belang. Zijn verhaal is opgetekend en neergeschreven in het boek “JOPIE HUISMAN Schilder van het mededogen”. Als samensteller van deze rijk geïllustreerde uitgave wil Eelke Lok er niet zijn naam aan verbinden, want het is het verhaal van Jopie Huisman. Wat Lok anderzijds natuurlijk wel doet door deze opmerking op het eerst blad te vermelden, onder een gekopieerde opdracht van Jopie. Ere wie ere toekomt.

    Autobiografie

    In zijn laatste fase van leven kijkt Huisman terug op zijn bestaan, maakt een korte autobiografie dat als vertelling in het boek is opgenomen. Jopie heeft het idee dat hij langzaam aan het verdwijnen is, en wil denkelijk naast zijn omvangrijke oeuvre aan kunstwerken nog kwijt wat hem heeft bewogen. Het nagelaten werk, de tekeningen en schilderijen, is zijn leven. Daarin staat zijn kijk op het eigen en ieder anders bestaan uitgetekend en afgeschilderd. Wie de figuratie bekijkt leest deze mens. En omdat Jopie Huisman in zijn werk zo dicht bij zichzelf is gebleven spreekt het aan, en blijft het appelleren aan het gevoel. Dit is wat hij is, wie hij was en zoals hij zal blijven. “Empathisch en autodidact. Zelfbewust en bescheiden”, somt Eelke Lok in het voorwoord de eigenschappen van de man op. “Rustig in gezelschap, maar spraakzaam in het gesprek. Onpeilbaar en kwetsbaar. (…) Ogenschijnlijk nonchalant, maar perfectionistisch in z’n kunst. Trots op zijn wortels, maar werelds in zijn denken.

    Verhalenverteller

    De verhalenverteller vol humor en filosofische wijsheden heeft in zijn werk een tijdloze levensvisie nagelaten. Zijn beeltenissen zijn voor wat betreft emotie en compassie van alle tijden. Deze spreken in al hun kwetsbaarheid generatie op generatie onmiskenbaar aan. Het Jopie Huisman Museum in Workum kent ieder jaar weer een grote toeloop aan kijkers en bewonderaars. De vodden van Huisman zijn geen hype gebleken, maar hebben een eeuwig leven gekregen. Op het moment dat de man achter die geschilderde oude meuk in bevlogen bewoordingen zijn bestaan omschreef, leek het alsof het werk niet zonder dit verhaal kon bestaan en weg zou kwijnen wanneer de schilder het zelf niet meer zou kunnen verhalen. Niets blijkt minder waar. De verhalen leven door in het werk. Huisman had de bijzondere gave om het woord om te zetten in beeld.

    Bij de horizon hield de wereld op

    Jopie was de jongste in het gezin. Hij kijkt met genoegen terug op zijn opvoeding. Hij had een gelukkige jeugd. Een humoristische vader met een hart van goud, een rasechte verhalenverteller, een harde werker. Een eenvoudige en nederige moeder, zeer gelovig en dankbaar voor alles wat ze bezat. “Mijn moeder was een vrome vrouw. (…) Ze zat boordevol met natuurlijke liefde. Van haar heb ik geleerd: alles wat niet de liefde als basis heeft, is niet echt.” De middelen van bestaan in het gezin Huisman waren minimaal, maar er werd nooit geklaagd. Als kind zwierf Jopie met anderen door de natuur rond Workum. Huisman beschrijft deze omgeving zoals deze toen was en wij er nu met weemoed op terugkijken. Een land vol weidevogels, slootjes waaruit je kon drinken, een rijke diversiteit aan planten en bloemen. “Ik heb het gevoel alsof ik het paradijs beschrijf en dat was het ook voor ons. Bij de horizon hield de wereld op; daarbuiten waren alleen Karl May, Jules Verne en Robinson Crusoë en de zon, de maan en de sterren.”

    “Dat ik kan schilderen is een gave”

    Hij benoemt zijn leven eveneens als opgetogen en voldaan. Hoewel hij wel tegenslagen heeft gekend. In de oorlog werd hij van straat gepikt en op transport gezet naar Duitsland. Het lot spaarde hem en hij kon ‘onder begeleiding van een engel’ vluchten. Toen zijn eerste huwelijk stuk liep viel Huisman in een zwart gat. Van de hemel kwam hij in de hel. De voorwerpen uit de vodden die hij jarenlang had bewaard getuigden van een schrijnende armoede. “Voor mij waren dat de meest waardevolle dingen die ik bezat; daar kon ik mijn gevoel bij kwijt.” In die nederige en vernederde spullen zag hij zijn eigen toestand weerspiegeld. Hij ging ze schilderen en ze hielpen hem uit het dal omhoog te krabbelen. De compassie en het mededogen waarmee Huisman zijn onderwerpen tegemoet trad geven het werk nu nog een diepzinnige inhoud. Een teneur die de boodschap van de schepper blijft verkondigen.

    Dat ik kan schilderen is een gave, een gift, iets dat ik heb gekregen. Daar kun je niet trots op zijn of het een succes noemen, want dan ontken je de betekenis van het woord ‘gave’. Ik ben er wel heel blij mee en het maakt me dankbaar.” Juist doordat Jopie Huisman in zijn werken vooral zichzelf bleef en zijn ziel en zaligheid erin heeft gelegd, spreken deze nog steeds aan. In het boek zijn de kunstwerken onderverdeeld in levensfases. Jopie-kenner en expositiesamensteller Annemieke Schors heeft het werk in chronologische volgorde gezet en van een karakteristieke tekst voorzien. Daardoor is de groei van de kunstenaar door zijn kunst nauwgezet te volgen. Naast het werk dat hem vooral bekendheid gaf, zijn er zoveel meer  andere werken die tot de verbeelding spreken en op het gevoel spelen.

    Huisman weet zich in diverse stijlen te uiten. Tekent evenzo vakkundig als dat hij schildert. Vooral fijnzinnig en gedetailleerd. Maar hij kan ook met een grote dosis humor illustratief op een cartooneske wijze zijn omgeving tegemoet treden. Dan schuurt hij tegen het werk van James Ensor. En ik zie ook gelijkenis met het werk van Bram Vermeulen. Zou Bram van Jopie geweten hebben, zoals Freek hem kende? Ondanks dat Huisman de wereld grotesk kon plaatsen wist hij deze ook met teder gevoel weer te geven. Vooral de benadering van hem na aan het hart liggende mensen, zoals zijn moeder en zijn kinderen, krijgen in zijn werk een ‘voorkeursbehandeling’. In de portretten van heit Ypke die naast elkaar zijn afgedrukt komt de scherpzinnigheid en het humoristische karakter van Jopie naar voren. In de eerste kop zijn alle rimpels en plooien te vinden, is het zware leven van de man geschreven in zijn huid. Het andere portret is meer een illustratie, als een karakterschets is zijn vader neergezet met de nadruk op de handen en het baaien hemd.

    Scherpzinnig en humoristisch karakter

    Jopie Huisman heeft een scherp oog. Hij kan om het onderwerp kijken en ziet het wezen. Het zijn van de door hem afgebeelde mens, de natuur van de omgeving en het aard van de versleten voorwerpen. Doordat hij zich sterk aangetrokken voelt tot de zelfkant van het leven, de mensen die niet gezien worden, spreekt hij in zijn werken ruimschoots tot de verbeelding. In zijn tekeningen en schilderijen geeft hij de voorwerpen, de kleding, de schoenen een tweede zin in het bestaan. De mensen krijgen een eeuwig leven toegemeten, ze zijn niet vergeten. “Je bent alles kwijt. Het enige dat je nog echt bezit, is je verdriet. Je voelt je met al je kleine zekerheden in de asla geschoven.

    Op het eind, wanneer Huisman inmiddels een bekende Nederlander is geworden en een grote schare bewonderaars heeft, bereidt hij zich voor op een verdwijnen naar een hoger elders. Zijn onderwerpkeuze verandert en hij tekent meer dan hij schildert. Hij grijpt terug op zijn begintijd en maakt een kleine mistige wereld. Vervallen en afgetakelde schuurtjes en vissershuisjes. De charme en nostalgie van het geleefde leven. De afgetrapte voetbalschoenen van Abe. “Ik maak steeds kleinere dingen, want ik ben zelf aan het verdwijnen.” In 2000, zijn sterfjaar, tekent hij een zelfportret gezeten achter de ezel. We zien Jopie op de rug, werkend aan wat op een dorpsgezicht lijkt. Hij lost als het ware op in het beeld. Zijn bestaan in de achtergrond is al verdwenen, hij gaat er zelf achteraan. Een karakteristiek beeld, zoals al zijn werken aarden naar zijn leven.

    JOPIE HUISMAN Schilder van het mededogen. Samenstelling Eelke Lok. Teksten Jopie Huisman, Annemieke Schors, Eelke Lok. Uitgeverij Noordboek in samenwerking met het Jopie Huisman Museum, 2024.

  • Het evangelie naar Johannes Hendrikus: de Bijbel van Zelle

    Hij wilde preker zijn, maar kwam tot bloei als spreker. Johannes Hendrikus Zelle werd dominee, maar voelde zich thuis in de rol van evangelist en veldprediker. Geen stem uit de hoge, maar een innerlijke drang om het Woord te verkondigen. Hij stond echter maar kort voor een gemeente, want de mens Zelle paste niet in een keurslijf. Hij liet in het pastoraat waardevolle steken vallen en handelde en wandelde buiten het normale leven, waarvoor men hem negatief bekritiseerde. Dominee Zelle was een eenling, een zonderling, en werd een legende. Zijn doen en laten, maar vooral het zijn van predikant en hoe dat heeft doorgewerkt in het dagelijks leven, bleek voedingsbodem voor een theaterstuk en een lijvige biografie. Want was zijn hele leven niet één tragische komedie?

    Recalcitrant en tegendraads

    Het drama Zelle werd karikaturaal op de planken gezet door Freark Smink onder de vlag van het Friese theatergezelschap Tryater. Hij trok er in de provincie volle zalen mee, want de eigenzinnige dominee blijft nog altijd synoniem voor recalcitrant en tegendraads. Zijn donderpreken vanaf de kansel uitgesproken zijn roemrucht. Hij sprak op de man af de mens aan, persoonlijk. Bevindelijk en christocentrisch. Psalmen zong hij luidkeels boven de kerkmensen uit. Wat hij echter op zondag vanaf de preekstoel verkondigde bleek niet te stroken met hoe hij door de week zijn bestaan indeelde. Hij kon spreken als Brugman, maar was als dominee geen herder en zorgde slecht voor zijn schapen.

    Ooit was ik in de zaal van het Heerenveense Posthuis getuige van het theaterstuk Zelle. Acteur Freark Smink en muzikant Hoite Pruiksma zetten de figuur Zelle meeslepend op de planken. Het was een voorstelling in de Friese taal, want Zelle is van Leeuwarden en Tryater van Fryslân. Het stuk is na het Friese succes nog vertaald en buiten de provincie in de rest van Nederland opgevoerd. En ook daar trok het volle zalen, want ook buiten Friesland is Zelle een bekende naam. En niet alleen om zijn illustere verre nicht Mata Hari: Margaretha Geertruida Zelle. Na de voorstelling kocht ik de dvd om thuis nog eens geobsedeerd te raken van deze bijzondere persoonlijkheid. Mede daardoor was ik meer dan geïnteresseerd in de biografie geschreven door Bearn Bilker. Hoewel Zelle op de planken enigszins koppig en hardvochtig overkomt, weinig begrip lijkt te hebben voor het welzijn van moeder terwijl het zijn taak is haar te verzorgen, leer ik in het boek een andere kant van deze mens kennen. Hij is recht door zee, kent geen gulden middenweg: je wordt alleen behouden door je leven lang het goede te kiezen, de smalle weg. Maar Zelle preekte geen hel en verdoemenis. Bij Zelle was hoop.

    Een tussenweg is er niet

    Bearn Bilker werd zo geraakt door deze wonderlijke redenaar dat hij in de kerkelijke en publieke archieven dook en met talloze getuigen en familieleden sprak om een levendige levensbeschrijving op te kunnen stellen. De biografie “Een tussenweg is er niet” is de bijbel van Zelle geworden, het evangelie naar Johannes Hendrikus, daar zijn denkbeelden en persoonlijke interpretatie van en over het Woord er in staan opgetekend. Hij liet geen dagboeken of notities na. De echte motieven voor zijn doen en laten zullen we niet te weten komen, volgens Bilker. Doordat een kerkenraad gewoon was en is van de kerkelijke vergaderingen welhaast woordelijk verslag te leggen, kon de biograaf de notulen als voedingsbodem gebruiken voor zijn levensbeschrijving van Zelle. In het boek worden deze verslagen dan ook breed uitgemeten en schuift de lezer als het ware bij aan de vergadertafel in de kerkenraadszaal. Ook zijn teksten van preken werden integraal in het boek opgenomen, zodat ik Zelle bij wijze van spreken kan horen redeneren. Eerstens gaat Bilker gedetailleerd in op het debacle Rockanje, de gemeente waar Zelle werd beroepen, in een keurslijf gedwongen en uiteindelijk met vervroegd pensioen ging. Hij werd niet geschorst of afgezet, dit zou inhouden dat hij beroepbaar bleef, dus in een andere gemeente opnieuw tegen dezelfde muren aan zou lopen. Als emeritus predikant was het hem vrij overal in de lande te preken, iets wat hem na aan het hart lag.

    Donderpreken en schoensmeer

    Dominee Zelle is vooral de geschiedenis in gegaan als de man van de donderpreken, de man met het met schoensmeer zwart geverfde haar, de man die in de zee of het meer zwom, slordig gekleed ging en op zijn centen zat. Maar dit zijn alle vooroordelen, aannames en vermoedens. Een verhaal heeft altijd een kern van waarheid, waar rook is is vuur. Bearn Bilker gaat in zijn biografie dieper op de man Zelle in dan de oppervlakkige legende dat doet. Er blijkt meer mens achter het norse uiterlijk te zitten en de lezer kan makkelijk medelijden krijgen met deze tegendraadse man. Want hij zat zichzelf voortdurend in de weg, hoewel hij daar zelf geen notie van had.

    Zelle ging eigenzinnig en zelfingenomen zijn eigen gang, had zijn eigen manier van leven dat afweek van wat als normaal te boek stond. De verhalen over zijn levenswijze en zijn omgang met vrouwen, zijn manier van spreken en zijn vele politieke toespraken pasten evenwel niet bij de waardigheid van de rol van dominee. Niet geschikt voor het ambt was het zijn roeping de mensen de blijde boodschap te verkondigen. Om geld in de la te krijgen trok hij het land door voor spreekbeurten en ging alom voor in kerkdiensten. Geld, voor dominee Zelle de mammon – de afgod, was voor de mens Zelle een belangrijke voorwaarde in het leven. Hij was gierig waardoor hij na zijn overlijden een grote som geld naliet. De kachel ging niet aan thuis, de tuin werd niet onderhouden, er stond karig eten op tafel. Wel zorgde Zelle ervoor dat hij tijdens preekbeurten, wel 4 of 5 op een zondag, onderdak kreeg waar een goed maal op tafel stond.

    Zonder mitsen en maren

    Zelle was Zelle, anders dan anderen, en dat liet hij keer op keer blijken. Een gewoon gesprek kon men niet met hem voeren, hij had geen gave te communiceren. Argumenten uitwisselen was er bij hem niet bij, laat staan dat hij begrip kon opbrengen voor kritiek op zijn gedrag, houding, levensstijl of persoon. Het imponeren wat Zelle eigen was gebeurde doorgaans onbewust. De ideale profeet voor simpele zielen, wordt journalist Pieter de Groot in het boek geciteerd. De mensen accepteerden alles van hem en lieten hem zijn gang gaan, want hij trok volle kerken. Waar hij voorging daar wilden de mensen bij zijn, ze wilden dominee Zelle meemaken. Er was altijd wel wat te beleven.

    Dominee Zelle wist grote groepen aan zich te binden en te boeien. Verkondigde geen zaken waar hij zelf niet achter stond of die men graag van hem zou willen horen. Hij had een eenvoudig mens- en wereldbeeld, doorgaans zwart-wit, en had geen antwoorden op de gecompliceerde vraagstukken van zijn tijd. Hij sprak eenvoudig en duidelijk zonder nuanceringen, zonder mitsen en maren. Zelle stierf in het harnas. Niet op de kansel – zijn toneel, maar achter zijn bureau op zolder in de week na zijn laatste zondagse preek. Het fenomeen Zelle leeft voort in de beeldende biografie van Bearn Bilker. Hij zal zodoende niet snel worden vergeten, ook niet wanneer de mensen die hem hebben gezien en gehoord niet meer onder ons zijn.

    Een tussenweg is er niet. Biografie dominee J.H. Zelle (1907-1983). Bearn Bilker. Uitgeverij Noordboek, 2024.

  • Voorbij hemel en aarde, kunst uit Litouwen

    Er zijn overeenkomsten te bespeuren tussen het boegbeeld van Museum Belvédère, Jan Mankes, en de kunstenaar waaraan dat museum op dit moment in een tentoonstelling aandacht schenkt, Mikalojus Čiurlionis. Beide kunstenaars werkten aan het begin van de vorige eeuw en overleden op jonge leeftijd. “Mankes was evenwichtiger van aard en miste de obsessieve werkdrift die Čiurlionis soms in zijn greep hield”, schrijft Han Steenbruggen in zijn voorwoord van de catalogus bij de tentoonstelling over deze Litouwse kunstenaar. “Maar ook Čiurlionis was een gevoelige natuur en gaf zich onvoorwaardelijk over aan zijn roeping met eenzelfde hang naar mystiek en spiritualiteit.

    Zijn nieuwsgierigheid dreef Steenbruggen in 2013 tot een bezoek aan het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Hij had ergens gelezen dat daar een omvangrijke tentoonstelling te zien was van een Litouwse kunstenaar die had gewerkt in het begin van de 20e eeuw en waarvan hij nog nooit had gehoord. Het was indrukwekkend wat hij zag, het overdonderde de conservator en kunsthistoricus. En hij had toch al veel kunst gezien! Een tiental jaren later trok hij op aanwijzing van schrijver Jan Brokken naar Vilnius. Daar trof hij op een kleine boekenmarkt een oude bundel met volksliederen die door Čiurlionis waren gearrangeerd. Aan de enthousiaste boekverkoopster legde Steenbruggen uit waarom hij belangstelling had voor het boek. En zij legde op haar buurt uit wat de kunstenaar voor haar land en volk betekende. “He gave us back the very soul of our country, with his music and his paintings.

    Op de plaats in Oranjewoud

    Het is dat Museum Belvédère zich vooral richt op schilderkunst die inspeelt op natuurlijke omstandigheden als licht, land, lucht en ruimte. En dat het aandacht heeft voor en geeft aan kunstenaars die hun eigen weg volgen en emotionele binding hebben met hun omgeving. Daarom is het werk van Čiurlionis zo op de plaats in Oranjewoud, daar de artistieke natuurbelevingen van de Belvédère kunstenaars en die van de Litouwse meester zowel figuratief als abstract van karakter zijn. Het werk van Čiurlionis doet wel naïef aan. Het is realisme, maar volgt niet de werkelijkheid. Op de manier dat naïeve schilders de wereld wel registreren. Niet zoals zij het voor ogen hebben, maar zoals ze het zien en volgens beste eer en geweten kunnen vastleggen.

    Het is van een andere orde, een hoger goed. Het is geen beeld van de wereld waarin wij leven, het beweegt zich op een tweede plan – in een andere dimensie. Een perspectief dat geheel anders van aard is, een standpunt dat zweeft tussen hemel en aarde – want daar is meer. Het zijn de verhalen die het leven tot droomwereld maken. Om de zwaarte van het aardse bestaan lichter aan te voelen. In vogelvlucht met helicopterview boven de gebeurtenissen zwevend om er afstand van te kunnen nemen, het daardoor beter aan te kunnen. Sagen en legendes, volksverhalen, maken het zijn tot wezen en (be)leefbaar. Die realiteit heeft een andere ordening dan wij als gewoon beschouwen. Die schikking en dat patroon is een spiegel waarin wij ons aura zien: beyond heaven and earth.

    Brieven en dagboekaantekeningen

    Deze Litouwse meester had geen grote formaten of grootse gebaren nodig om te overtuigen”, schrijft Steenbruggen nog even enthousiast in zijn voorwoord. “In relatief kleine, ingetogen pasteltekeningen en temperaschilderijen toverde hij de meest wonderlijke voorstellingen tevoorschijn. (…) Waar veel van zijn beroemde tijdgenoten, die tot het symbolisme werden gerekend, imponeren met theatrale uithalen en literaire verwijzingen, wist deze kunstenaar ten diepste te ontroeren met intieme, poëtische schilderingen.” Maar zijn roem bleef lange tijd beperkt tot Oost-Europa, doordat Litouwen – onderdeel van de Sovjet-Unie – achter het IJzeren Gordijn zo goed als afgesloten was van het Westen. Pas nadat het land onafhankelijk werd is zijn kunst ontdekt door internationale musea. Grote tentoonstellingen volgden na 1990 rondom op de wereld, maar het werk heeft tot nu nooit Nederland aan gedaan.

    Bijdragen aan het boek leveren hoofdconservator van het Čiurlionis Museum te Kaunas Vaiva Laukaitienė, journalist en schrijver Kurt van Eeghem en schrijver Jan Brokken. De eerstgenoemde twee auteurs gaan gedetailleerd in op het leven van de kunstenaar. Gezien van verschillende kanten openbaart de persoon Čiurlionis zich aan de lezer. Daardoor wordt zijn werk meer zichtbaar en beter te duiden. Evenals bij andere kunstenaars van zijn tijd en eerder dat het geval is, kan veel van zijn levensverhaal gepuurd worden uit brieven die hij heeft geschreven en de dagboekaantekeningen. Daarin en daaruit kan nu veel van zijn kijk op de wereld en de inspiratie voor het maken van zijn werk worden gehaald. Aldus kan de puzzel van zijn leven worden uitgelegd.

    Zijn leven in een notedop

    Vooraleer was hij musicus en componist. Geboren in een muzikaal gezin was de muziek zijn passie en liet hij zich scholen aan het conservatorium. Daarnaast tekende hij in zijn vrije tijd. Doordat deze beeldende kant steeds meer aandacht kreeg is zijn kwaliteit van componeren enigszins op de achtergrond geraakt. Zijn werk werd gewaardeerd en Čiurlionis werd binnen het culturele circuit gezien als een belangrijk kunstenaar. Echter had hij moeite om er een goed bestaan mee op te bouwen. Daardoor raakte hij, ondanks de steun van zijn vrouw en muze Sofija. ten lange leste neerslachtig en werd opgenomen in een sanatorium. Op krachten gekomen velde een longontsteking zijn broze lichaam. Het is zijn leven in een notendop, dat dus in de catalogus breed is uitgemeten.

    De tentoonstelling bij Museum Belvédère toont zijn hoge gevoeligheid voor indrukken. De manier waarop deze zijn verbeelding hebben geactiveerd en waardoor hij zijn oeuvre met een scherp observatievermogen heeft kunnen opzetten. In het beeldende werk blijft voortdurend zijn muzikale inslag doorwerken. In zijn werk wordt de buitenwereld gespiegeld aan zijn binnenwereld. Persoonlijke emoties klinken erin door. Verhalen van zijn volk krijgen beeld. Hoewel deze zich niet altijd inpassen in onze wereld, kunnen wij wel het gevoel daarvan aanvoelen en wordt de melancholische emotie simpelweg verbeeld.

    Sprookjesboek

    De catalogus al doorbladerend is het alsof ik een geïllustreerd sprookjesboek inkijk. De sagen en legenden zijn zo tastbaar in beelden uitgedrukt, dat deze zonder woorden een leesbaar verhaal vertellen. De illustraties zijn de vertellingen in zichzelf. Het boek is verlevendigd met een groot aantal reproducties, waardoor een goede indruk wordt gegeven van de kunstenaar Mikalojus Konstantinas Čiurlionis. Jan Brokken schrijft tot slot over zijn bezoek aan het huis van Čiurlionis in Vilnius. In een literaire verhandeling neemt hij de lezer mee naar wat nu een museum is en voert hij andermaal het leven van de kunstenaar voor het voetlicht. Zijn denken en werken, zijn taal en teken. “Er bestaan geen grenzen tussen de verschillende vormen van kunst”, meende Čiurlionis. “Muziek heeft haar eigen architectuur en er is niets op tegen om de architectuur van de ene kunst te gebruiken om een andere te maken.

    Mikalojus Konstantinas Čiurlionis, Grootmeester uit Litouwen [1875-1911]. Beyond Heaven and Earth. Tentoonstelling Museum Belvédère, 24 februari tot 9 juni 2024. Catalogus, uitgave Museum Belvédère i.s.m. Uitgeverij Noordboek, 2024.