Categorie: Uitgeverij Opwenteling

  • Mijn kop blijft aan bij de poëzie van Peter van Lier

    In eerste ontmoeting met de titel “kop blijf aan” moest ik van mijzelf denken aan dementie en alzheimer, hot-items bij het ras vergrijzende Nederland. Maar begaf ik mij in de inhoud van de dichtbundel van Peter van Lier met dat opschrift “KOP  BLIJF  AAN”, probeerde ik de tekst tot mij te nemen, begreep ik meer van de keuze voor deze titel. Je moet je kop erbij houden om de hersenspinsels van de dichter te lezen. Om het te begrijpen moet je kop aan blijven. Open staan voor wat je leest. Je zeker niet laten afleiden door prikkels en ruis, het wezen zo eigen.

    De zinnen zijn geen regels, de woorden gaan een eigen weg over de bladspiegel. De strekking van het verhaal, want dat is het toch wat Van Lier in het kort in ieder vers wil zeggen, wordt versterkt met duidingen tussen haakjes. Net alsof het geheel verduidelijkt moet worden, aangedikt. Overbodige informatie? Zeker niet, het tussen haken zetten heeft juist meer gewicht. Zo krijgt die toevoeging expliciet aandacht. Het is een aanvulling op de tekst of beter een commentaar. Het geeft het gedicht een luchtig karakter, de ernst is doorspekt met humor zoals doorregen biefstuk lekker sappig is of gorgonzola heerlijk kruidig.

    Ondoordachte opzet van doordachte tekst

    Op de kaft van de bundel zie ik een wirwar van rechte lijnen in wit op zwart met accenten rood. Een illustratie die veel weg heeft van zenuwprikkels, de communicatie in het lichaam zodat het kan handelen. Wanneer de kop aan blijft en ik me begeef in de bundel ziet mijn brein er zo ongeveer uit, stel ik me voor. Het is eerstens al een zenuwslopende aanblik, tot bloedens toe volg ik met de ogen de lijnen. Wat verbinden deze, welke informatie wordt overgebracht. Het verbeeldt de natuurlijke bronnen die in de bundel beschreven zijn.

    Gaandeweg lees ik me in, in de zin van dat ik de stijl van de dichter begin te begrijpen. Het opschrift dat vetgedrukt boven het vers staat is niet de titel, maar de eerste regel ervan. De regels waaieren vervolgens over de bladspiegel. Een enkel woord krijgt, zich los gemorreld, extra aandacht. Het lijkt een enigszins ondoordachte opzet van een doordachte tekst, maar er valt een vast stramien in de verschillende gedichten te ontdekken. Het past in een format zogezegd. En het is daarin gegoten.

    Van Lier observeert het leven

    Tot zover de technische kant. Het gaat in deze poëzie natuurlijk om de emotie, in welke vorm dat is gegoten blijft bijzaak. Peter van Lier brengt een ode aan alledaagse zaken. Zaken die zo raken ondergesneeuwd door de loop der dingen en verdwijnen in het drijfzand van de tijdgeest. Emotie is de drijfveer, maar wordt in het openbaar nauwelijks beleden. De gedichten tillen op van de metaforen. Handelingen erin genoemd worden gespiegeld zodat ik me er mogelijk in kan herkennen. Wat staat geschreven heeft overigens over het algemeen een andere duiding dan de aanvaarde betekenis. Op die manier worden de dagelijkse zaken uit het normale getrokken om abnormaal te lijken. Maar het zijn gebeurtenissen van 13 in een dozijn. Heel gangbaar, heel neutraal. Maar worden bijzonder in de woorden van de dichter.

    Hij is een filosoof, vriend van de wijsheid, studeerde kennis. Om diepere vragen over het leven, de werkelijkheid en menselijke ervaring te begrijpen en te beantwoorden kijkt hij dus met een andere blik tegen het zijn aan. Die zienswijze en deze denkwijze kan hij niet kwijt in de authentieke dichtkunst en het zuivere rijmschema. Van Lier observeert het wezen. In een stijl die minimaal maar duidelijk in woordbeeld laat zien hoe hij in de wereld staat. Poëzie kortom waarin nauwkeurige waarneming, verwondering en filosofisch denken samenkomen. Het past niet echt in een vakje, maar wil ik het in een hokje wringen dan kan ik schrijven dat de poëzie van Peter van Lier axiomatisch van aard is: zij stelt vast, zonder bewijs, en laat het denken aan mij. En ik moet er wat van denken, iets van vinden. Ik ben geen normale lezer zoals een ieder die zich de bundel van Van Lier eigen maakt. Ik lees met een ondertoon. En wanneer ik dan de juiste toon heb gezet, de vrolijke noot correct aanvoel, dan kan ik mij een mening vormen en over de bundel mijn licht laten schijnen.

    Citaat

    Hij komt naast mij staan en wijst me op de elementen die zijn wereld kleuren en duiden. Op welke manier ik volgens hem de omgeving geschetst in poëzie kan benaderen en bewonderen. Dat is niet die van de rijmelarij, maar van de poëzie met een grote P. De dichter die de werkelijkheid buiten de realiteit beziet en in eigen ervaringstaal omschrijft. Daar kan ik op eigen houtje een weg in vinden, echter Van Lier reikt mij een gids aan zodat ik niet zal verdwalen in taal en betekenis”, citeer ik mijzelf uit een bespreking van een eerder boek van Van Lier. En dat is nog voortdurend steekhoudend, zij het dat hij toen schrijver was en nu dichter is.

    Aha-erlebnis

    Schreef ik al dat de woorden over het papier waaieren, vooral in de paragraaf “met enig houvast” dansen deze letterlijk over de pagina’s. Er lijkt echter geen houvast te zijn totdat ik de spelregels van het spel doorheb en begrijp. Die ‘aha-erlebnis‘ brengt een vrolijke sfeer in. Ik heb niet de oplossing, maar heb wel inzicht. Maar de tekst zoals deze door Peter van Lier is vorm gegeven laat zich niet uitspreken, voorlezen. In mijn verslag van de presentatie van onderhavige bundel merkte ik dat al op: “Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. (…) Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie.”

    Ik probeer op deze plek de schrijfwijze te duiden, maar vraag mij tegelijk af of dat zinvol is. Als beschouwer tracht ik een toelichting te geven, in de hoop de inhoud van een besproken boek toegankelijker te maken. Maar moet ik op die stoel gaan zitten om dit mysterie op te lossen? Verdwijnt de magie wanneer het systeem dan blootligt? Deze poëzie is geen rebus. Abstracte kunst laat zich niet uitleggen – zij is er. Dat is voldoende. Dat moet genoeg zijn. De dichter heeft zijn wezen in woorden gelegd. Dat cryptogram kan ik ontrafelen, maar even goed kan elke andere lezer tot een tegengestelde uitleg komen. Aanpassen en inpassen, het gedicht schikt zich naar de eigen gewaarwording, laat zich opnemen in de persoonlijke ervaring. Kunst is emotie, abstractie is gevoel, axiomatisch is een reden.

    Tegenwoordige tijd

    KOP  BLIJF  AAN” is een bloemlezing uit eerder verschenen bundels. Maar nergens is datering en niets is gedateerd. Of het zal het moment zijn na de pandemie dat mensen weer naar buiten mogen en zich gedragen als koeien in de lente losgelaten uit de stal: “hek open, kudde los” / “Daar staan we dan, onwennig”. Het gedicht leest actueel, de gedichten laten zich modern lezen, van deze tegenwoordige tijd. Zijn wezen, dat van Peter van Lier, lijkt eeuwig – is geen dooddoener. Van onpeilbare waarde om aan vast te houden. En dat is zelfreflectie, want die kop moet aanblijven. Uit die kop komt de idee tot bloei, maar het moet het wel blijven doen.

    In mijn bespreking over het boek “Geachte afwezigen” van Peter van Lier uit 2017 merkte ik al op dat zijn poëzie er is en gewoon mag zijn. Het heette een verweer van de poëzie te zijn, maar de dichter hoeft de gedichten niet te verantwoorden. “Van Lier hoeft zich als dichter niet te verdedigen voor het dichtwerk”, schreef ik. “Het is veeleer een eerbetoon aan het vrije vers, de moderne poëzie. Deze dichtkunst heeft een grond, een groei en een bloei. (…) Ik kan een lange wandeling met de schrijver ervan meedenken, maar soms slaat hij een pad in dat mij welhaast doet verdwalen. Ik raak hem kwijt, tast in het niets buiten de werkelijkheid, maar hij vindt mij terug binnen woorden die zijn zinnen vormen. Waar ik de richting kwijt ben en telkens op een doodlopende weg stuit, neemt hij mij in zijn tekst weer bij de hand en leidt mij bijdehand terug op het juiste pad.”

    KOP  BLIJF  AAN  Peter van Lier, gedichten. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Experimentele constructie geeft dichter Edwin de Groot rijker palet

    alleen zijn is heerlijk / met al dat missen en weer afscheid nemen / eigenlijk wel het mooiste wat er is’ Timofei Sofer is een fictief personage, een 78-jarige bosarbeider uit Oost-Siberië. Een amateurdichter die op zijn eenzame tochten door de taiga de beleving poëtisch boekstaaft. Edwin de Groot bedacht de figuur om dit alter ego zijn woorden in de mond te leggen. Hij zou de gevonden gedichten uit het Russisch vertaald hebben om Sofer vleugels te geven. “Het gebruik van een alter ego constructie samen met de niet fictieve situering maakte, en dat is mijn motivatie, dat ik een rijker palet had om autobiografische en beschouwelijke zaken een andersoortig podium te geven en er een voor mij andere schrijfstijl op na te houden”, zegt De Groot over zijn keuze. “Een soort van experiment dus als het ware.”

    De idee om zijn gedachten te situeren in de uitgestrekte wouden van Rusland ontstond na het lezen van een overdaad aan Russische literatuur. Daardoor kreeg Edwin de Groot een beeld voor ogen dat evengoed beleefd kon zijn door een autochtone Siberiër. De houthakker die medelijden heeft met de boom die hij gaat vellen. De eenvoudige bosarbeider die meervoudige filosofieën in zijn dagboek pent. ‘in mijn mond woont het geluk / van de smaak van hier / van hars en hout op de tong’. Uit de denkbeeldige observaties heeft hij een feitelijk relaas in expressieve en suggestieve dichtregels geschreven. Het had waar kunnen zijn, want de oorsprong is echt.

    Het is een behendig klein boek in zakformaat. Om zo in de kontzak van de broek op voettocht of in de binnenzak van de jas op wandeling mee te nemen. Om eens aan te pakken en na te slaan gaandeweg onderweg, rustend op een bank of liggend in het gras. Uitkijkend over laagland, heide, door bossen, open plekken, lange lanen. Zodat ik voor het moment van lezen me waan op de plaats die beschreven is. De taiga. De uitgestrekte bossen, de koude naaldwouden. Glooiend over de vlakte langs het water tot in de heuvels.

    Fictief figuur

    Was hij er ooit, daar, de tekstdichter, de poëet. Of heeft hij zich zo kunnen inleven bij het lezen van plaatselijke literatuur dat hij zich daar fysiek denkend dacht aanwezig te zijn. Zich verplaatsend in de geest van een alter ego, een fictief figuur waaromheen in eerste instantie de mystiek van zijn en niet-zijn hangt. De gedachte overgenomen, de ziel bewoond. De ogen geopend en zien wat er te kijken valt. Voor de dichter, zowel als voor elke andere kunstenaar – schrijvend, beeldend, musicerend – bestaan er geen grenzen. Is 1000 kilometer als een enkele voetstap verder.

    De gedachte laat zich niet begrenzen, vliegt eenvoudig van oost naar west, van zuid naar noord. Je hoeft op een bepaalde plek niet geweest te zijn om je er aanwezig te voelen. Dat is de kracht van inleving, verbeelding. Wanneer je maar de gave bezit om verder te denken dan hier en nu, dan lengte en breedte en eenvoudig de diepte in kunt. De fantasie, het geestesoog, heeft meer abstracte reikwijdte dan de realistische gedachte. Door de tekst van Edwin de Groot kan ik zodoende zijn in het bos tussen de bomen, op mezelf aangewezen met de Taigagedichten als reisgids door plaats en tijd. Voor het moment ben ik zijn alter ego en kleed me warm in gedachten. Ik ben de houthakker die de seizoenen opmerkt, de verandering in de natuur, de opwarming van de aarde.

    Lichtvoetig en zwaarmoedig

    De verzen van Edwin de Groot lezen als de wind die ruist tussen de bomen op de taiga. Maar feitelijk heeft de wind geen geluid. De takken die door luchtverplaatsing bewegen geven de wind een stem. De wind leeft zich in de bomen in, zoals ik meevoel met de woorden van de dichter. De wind is voor een vlaag de boom. Ben ik door het lezen dichters alter ego in het wel erg vrije vers. Lichtvoetig en zwaarmoedig. Schijnend als de ondergaande zon, mysterieus. Maar hij, Edwin?, is geen filosoof. “ik ben geen filosoof / ik hak hout / stroop af en toe een sneeuwhaas / schiet een hert voor de winter

    De bosarbeider heeft diepe gedachten, mijmert voor zich uit in de idee van Edwin de Groot. Leeft met de seizoenen. Is een natuurmens. Ieder jaargetijde kent de eigen werkzaamheden en gedachten. Hoewel de bomen hem gezelschap houden is de houthakker veel alleen. “je kunt over niet te meten land / het aan-één-stuk-door-en-door / de ruimte, de mateloze vergezichten / gedichten schrijven van tientallen pagina’s lang / met hoofdrollen voor de grond, de bomen / de vogels die moeiteloos kilometers maken“.

    Geven de taigagedichten ruimte om te ademen. Te beschouwen tussen de regels door. De tsjevengoer beneemt mij de adem. Gehaast slinger ik mij door de tekst die nauwelijks leestekens kent en prachtige volzinnen vormt. De ultrakorte poëtische essays sluiten de verzameling gedichten af. Het spreekt over personages, figuren met een verhaal. Dit heeft het meesterwerk van Andrej Platonov als inspiratie. Deze speelt zich af in de jaren voor, tijdens en vlak na de Russische Revolutie. In tijden van chaotisch oorlogsgeweld, ideologische verwarring en snakkende heilsverwachting. Platonovs doelloos dolende personages zijn gegrepen door geloof in de communistische heilstaat. Maar tegelijk door totale vertwijfeling, vanwege hun bodemloze ellende, en omdat het communisme hen voor ondoorgrondelijke raadselen stelt. In de woorden van De Groot herken ik Platonovs ontwortelde wezens die dolen tot in de dood. Het is een bizarre afsluiting van een met beleving doorregen gedichtenbundel. Dat begon met een ode aan Miklós Radnóti. Hongaars dichter en slachtoffer van de holocaust. Is hij het alter ego onder een andere naam?

    Beschouwende stilte

    poëzie mag ook lelijk zijn / laat het maar grijnzen als botten in een kuil / borrelen als een verzopen wolf kronkelvol paling / dat de regels na het lezen de volgende dag nog / in je kleren hangen als matrozenkots / poëzie moet als een steenmarter hardnekkig / je huis bezetten zoals de lucht van een natte hond / of als een wilde kat in je gordijnen’ Door de mond van B. op visite bij S. weet de dichter zijn eigen werk in dit boek niet beter te omschrijven. Ik had met deze dichtregels mijn bespreking kunnen staken. Het is kernachtig beschreven en heeft het gras voor mijn voeten weggemaaid, als het ware.

    Edwin de Groot leeft zich in en spreekt zich uit. Ik laat bij het lezen mijn vinger onder de regels meebewegen om geen woord te missen. De ogen sluitend na een gedicht gelezen te hebben, als contemplatie zuchtend in de beschouwende stilte van het vespergebed. De buitenwereld verbannen naar zichzelf, van binnen ben ik de ongekroonde koning van de gedachte. De gedachten zijn vrij en onafhankelijk, laten zich niet dwingen hoewel de dichter voor een moment mijn gedachte overneemt, voor de tijd dat ik het boek opendoe en zijn verzen lees. Ik denk in zijn wezen. Dan. Ik ben in zijn beleving.

    Taigagedichten. Edwin de Groot. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Opwenteling presenteerde twee nieuwe dichtbundels: Frisse friese wind

    Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. Lees je een gedicht jezelf bij voorkeur hardop voor dan zijn regels te beschouwen, momenten te overdenken. Als Maria kan ik deze in mijn hart bewaren, ze ter harte nemen en de betekenis overwegen wanneer ik ze met mij meedraag. Want dan groeit de waarde op vruchtbare bodem. Misschien nog wel het sonnet, de ballade of de elegie. Maar het vrije vers en de visuele poëzie laten zich minder eenvoudig uitspreken. Zelf lezen geeft de idee plek. 

    Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie. Wordt een gedicht voorgelezen, dan gaat er fysiek altijd wel iets mis. Is de stem te zacht of werkt de microfoon niet, of staat de spreker te dicht bij de microfoon en exploderen bepaalde letters: k, p, t. Ook daalt een gedicht pas in wanneer je het langzaam leest, de zinnen voor je uit bedenkt en nog eens terug haalt en leest. Wordt het voorgedragen dan is de intonatie ongelijk aan mijn voorstelling hoe het zou klinken, de snelheid mis ik en de kracht is voor mij gebroken. Poëzie laat zich niet voorlezen, het nodigt uit gelezen te worden. 

    Dat dacht ik toen de dichters Peter van Lier en Edwin de Groot hun nieuwe bundels presenteerden in de voormalige zuivelfabriek van Marrum. De uitgever stelde het hoge noorden zondag 26 oktober Opwenteling voor. Hij, dat is Arnoud Rigter, blies met anderen in het millennium de in de roerige jaren 60 van de vorige eeuw opgerichte uitgeverij van dwarse poëzie nieuw leven in. Vooral dat werk van die dichters welke niet in de pas lopen vinden er onderdak: gedichten met smoel. Experimenten met op een andere tegendraadse manier van presenteren wordt omarmd, combinaties van beeld en tekst. Opwenteling is een fonds met een eigen (poëtisch) karakter dat de regionale aard overstijgt. Een uitgeverij die niet alleen debutanten uitgeeft, maar staat voor poëzie van bijzondere, experimentele kwaliteit. Rigter sprak over het woeste poëzielandschap van dit moment, een terrein dat teveel gecultiveerd is omgespit en waar nauwelijks nog talent uit wordt opgediept. Hoe wonderlijk dan ook dat plots twee in Friesland wonende dichters hun kop boven het maaiveld uitstaken en afzonderlijk van elkaar dit voorjaar een manuscript instuurden. De gedichten die op het bureau van Rigter terecht kwamen sloten aan bij wat Opwenteling wil zijn. Verhalend en experimenteel, twee uitersten die ter linker en ter rechter zijde, oost en west, het complete veld van woordspelingen bestrijken. 

    Vers van de drukker

    Gezien door de ogen van Edwin’s alterego Timofei Sofer, de blik van een Joodse bosarbeider uit Oost-Siberië. “ALMACHT / de taiga met zijn gaoende muil / de zure honger van de veenmoerassen / / de geur van hars zo dik / als een zwaarlijvige trapezeartiest / / en de sapstroom die de lente kan lezen, hoe / de dieren de winters uitzingen / / de overtuiging van de rivier die ik, als ik het kon / een plekje bij het raam zou geven” 

    En een persoonlijke kijk op de wereld hopend dat de herinnering niet dementerend vervaagd, Peter van Lier heeft de leeftijd dat zijn hoofd hem in de steek kan laten. Wie zijn bundel doorbladert zal zeker weten dat de dichter moeite heeft dit werk voor te dragen. De typografie heeft zin in druk, niet in klank. Maar met enige houvast kan ik hier citeren:  “Een hoog perspectief ziet alles wat beneden het hoofd / / plaatsvindt als grazend vee? We leven in een wereld van / instincten en voorbijgaand verkeer, elke richting levert hoofd- / zakelijk twisten op en riekt uiteindelijk (volg het nieuws maar / na tienen) naar digestie. Welk conflict wordt hier per hoofd / van de bevolking (ook dat van jou!) uitgevochten? Het lichaam / kromt zich (een bemoedigend teken) om laag-bij-de-gronds het hoofd / van heel de sleetse rataplan te ontdoen? Luister goed.”

    De dichters lezen enkele voorbeelden uit de vers van de drukker verschenen bundels. Gastdichter Annet Zaagsma leest bijna onhoorbaar gedachte woorden voor die de terminologie van het woordenboek hebben. Ik zal ze met een lampje moeten zoeken in de dikke Van Dale, maar niet kunnen vinden. Deze staan naast anderen in de laatst uitgekomen bundel van Zaagsma. “tepelnijd / zelfst, naamw. (m.) uitspraak: [‘tepǝlnɛit] / / tepelnijd (ingetrokken) komt in de beste dromen voor. / het gepigmenteerde & knopvormige uitsteeksel dient te allen tijde / voor het blote oog onzichtbaar te zijn in het zichtbare spectrum. / een superkracht wordt verondersteld. speelt een belangrijke rol / in de pauze van door mannen gedomineerde sporten. / het internet staat vol met slechte recensies. / / niet te verwarren met: tafeleend” En daar heb je het al, in het gesproken woord komt de kracht van wat poëzie kan zijn nauwelijks tot niet over. Een enkele kwinkslag in de al te serieus bedoelde verzen verdwijnen in de fluistering die door de haperende microfoon maar niet worden versterkt. 

    Talige samenkomst

    Een op en top Friese dichter, door Edwin de Groot in het programma geschoven – omdat hij het met hem erover had tijdens fietstochten en hem daarom op dit voetstuk plaatste en hem daarbij het eerste exemplaar van zijn bundel overhandigde – declameerde zijn uitgesproken sterk getaalde werk. De Friese taal die meer krachttermen kent dan welk dialect dan ook geeft het gesproken woord ballen. Het gespierde woord spreekt zelfs de slechte verstaander aan. Lubbert Jan de Vries las niet voor maar sprak uit, met bladgedicht als geheugensteun. Door zijn hele ziel en zaligheid achter het rebelse gedicht te zetten bleven de zinnen langer hangen. De gebalde vuist van de Friese taal kan beluisterd worden zonder gelezen te zijn. 

    Het was een talige samenkomst die werd opgeluisterd door de gitaarklanken van Jetze de Vries, want muziek kan wel worden voorgespeeld. Je behoeft niet zelf te kunnen spelen, de kunst is te (be)luisteren. Het kan behang zijn, terwijl tekst aandacht verdient. De muzikale intermezzo’s dienden als de witte regels in een gedicht. Even op adem komen. Overdenken wat is gezegd en voorbereiden op wat komen gaat. De stilte in een vesper. Momenten van bezinning. Maar de klanken waren verre van contemplatief, ze vertaalden als het ware de woorden die voor en na werden en zouden worden gesproken.

    De eerste exemplaren van zijn bundel gaf Peter van Lier aan twee oudgedienden in het dichtersveld waaraan hij veel heeft gehad in de 20 jaar dat hij in het Friese land doorbrengt. De van oorsprong Brabander streek in 2004 hier neer, net achter de Waddendijk, om er samen met zijn relatie Machteld van Buren het Friese kunstlandschap te verrijken. Martin Reints sprak zijn waardering uit en las vervolgens voor uit eigen werk. Eeltsje Hettinga besprak het werk van Van Lier en bracht het mysterie van de poëzie voor het voetlicht. Hij las niet voor maar interpreteerde a la prima vista de woorden uit de bundel. Vooral het eerste gedicht had zijn bijzondere aandacht, dat hij vakkundig overbracht op de luisteraars die het luisteren na een programma vol woorden wel moe waren. Waar aandacht verslapt zou de voordrachtskunstenaar de teugels moeten laten vieren, een stap terug en er het zwijgen toe doen. 

    Het was achteraf gezien echter een prettige middag daar in Marrum. De poëzie had de aandacht en velen wisten na afloop de gang naar de tafel van Opwenteling te vinden, om er een al dan niet gesigneerd exemplaar van de vers van de pers gekomen bundels aan te schaffen. Ik zal mij op een later moment buigen over de inhoud van de mij toegeschoven recensie-exemplaren van de bundels, om een steekhoudende beschouwing op mijn blog te plaatsen. Nog even een hapje en een sapje tegen kostprijs genomen, een praatje gemaakt en overleg gepleegd. Niet alleen oor en mond kwamen ruim aan bod, ook het oog werd gelaafd. Drie immens uitvergrote waterfoto’s van Dolph Kessler overspoelden de ruimte. Wave. Hoog opspattende golven van een zee ver van de Friese meren trokken de aandacht wanneer de concentratie op het gesproken woord enigszins werd beneveld. Achter het geïmproviseerde podium hing aan de gescheurde muur het drieluik “What does your soul look like” van Machteld van Buren. Kunst ontstaan in deze ruimte voor deze ruimte, even voor nu. 

    Presentatie dichtbundels van Edwin de Groot en Peter van Lier in de voormalige zuivelfabriek te Marrum. De dato zondag 26 oktober 2025.

  • De wilde woorden van Annet Zaagsma

    Ze pikt woorden op in de buitenruimte. Flarden van gesprekken. Halve vragen en hele antwoorden. Zinnen die uitdrukking geven, regels die verbeelden. Ach, pikken niet, want dat is ontnemen. Zij gebruikt de woorden die zich in het wild schuil houden, verdekt opgesteld bewegen. Een ieder ander valt het niet op, hoort deze niet. Het ene oor in en het andere uit. Neemt het waar als geroezemoes waaraan geen touw valt vast te knopen. Losse flodders als verknipte snippers, rafelig uit de smurrie van een conversatie. Of die ieder ander beluistert daarin enkel naar de voor hem, haar of hun interessante taal. Te herkennen zinnen, te begrijpen regels.

    Met de woorden die Annet Zaagsma in het wild opvangt, daar haar antenne is gericht op de gewaarwording, maakt zij eigen persoonlijke uitdrukkingen. De woorden gebruikt in haar gebezigde poëzie staan soms denkelijk haaks, maar lopen ook wel parallel aan en langs elkaar. Kunnen naast elkaar bestaan of reageren. Zo vormt zij een beeldend jargon waarbij na aandachtig en meerdere malen lezen het kwartje valt. Niet meteen is de strekking duidelijk, maar daarmee zijn de gedichten geen abstracte woordspelingen. De woorden houden niet altijd de oorspronkelijke betekenis, maar de duiding is wel te herleiden wanneer de lezer cryptisch durft te denken. De realiteit is erin vervormd zal ik opmerken, maar niet verdraaid.

    Wildernis van woorden

    Tussen de regels door kan ik in de kantlijn mijn beeld (be)schrijven. Doodles die niet uit desinteresse in de marge verschijnen, maar mijn voorstelling geven aan de gedachte bij de gelezen uitdrukking. Mijn kantlijnkunst is de kladtekening van de verbeelding. Zo leg ik mijn beschouwing uit waar het woordbeeld de geest ordent tot onuitspreekbare reflecties.

    In de wildernis van woorden kom ik op adem in het wit tussen de strofen. Houd voor even rust en overdenk contemplatief wat gelezen is en hoe dat zich verder laat uitdrukken. Een meditatief moment om de bedoeling in mijn gedachten te laten zinken en vervolgens uit deze inbedding geestelijk herboren weer aan de oppervlakte te komen.

    Dat gevoel kan ik hier niet beschrijven, omschrijven. Zaagsma heeft het immers al voor mij uit geschreven. Aan haar taal kan ik tenslotte geen punt of komma toevoegen, het is al zo duidelijk als dat het er staat. Ik moet alleen de juiste woorden vinden die passen in haar idioom, die voor mij de bedoeling duiden. Die ervaring in haar poëtische beeldverhaal stemt mij tot nadenken en maakt me zwijgzaam om eraan geen woorden vuil te maken. Haar schoonschrift verbetert een klein beetje de wereld. De druppels op de gloeiende plaat zijn onuitspreekbaar op de plek en o zo nodig. Deze kunst van het dichten opent de ogen en verruimt de blik.

    Dubbele laag in betekenis

    De poëzie van Annet Zaagsma kan allerlei onderwerpen aansnijden. Zoals de woorden in het wild worden gevonden, zo dwalen de thema’s ook los rond. Op haar safari kan verkeersinformatie heel wel grond tot inspiratie geven. Of is een catalogisering van lichamelijke signalen bij oplopende spanning door wat dan ook gesloten poëzie met dichterlijke vrijheid. Want vrijheid is niet binnen de lijntjes kleuren, maar een nieuwe tekening maken. Geen rijmelarij, maar het experiment aangaan. Ik diep in die gedachte een boodschappenlijstje uit mijn broekzak op. Daar zie ik echter geen poëtisch beeld voor me verschijnen. Dat klopt en is zo klaar als een klontje, want ik ben niet de poëet die er een dichterlijke draai aan kan geven. Bij mij blijft het lijstje een opsomming van aan te schaffen producten, door de vingers van Zaagsma krijgt het een dubbele laag in betekenis. Ik frommel het papier terug in mijn zak, het zegt niets en heeft geen waarde. Althans wel nu maar zeker niet op een later moment.

    Zaagsma diept woorden uit het woordenboek op en geeft daar een eigen uitdrukking aan. Ze bedenkt geen nieuwe woorden, geen andere betekenissen, maar transformeert in poëtische duiding de bestaande en algemeen aanvaarde formuleringen. Zo zodat ik twee keer moet lezen en dubbel dien te denken om de eigenzinnige verklaring correct te interpreteren. Wel zoals ik het aantref bladerend in die dikke Van Dale, dus woordsoort, woordgeslacht en uitspraak. Zelfs met een verwijzing om een standpunt te visualiseren, een inzicht uit te diepen of juist oppervlakkig te houden. Een voorbeeld:

     doorbraakbloeding / zelfst. naamw. (v.) uitspraak: [‘dorbrak ‘bludɪɳ] / / een doorbraakbloeding komt zo onverwachts als een lawine / in de Amazone. sneeuwschuivers komen te laat, schaamte / is een natuurlijk materiaal. de maan wordt een ongeleid projectiel. / door versoepeling van de ondergoedregel is eeuwig gemengd / dubbel spelen onderdeel van de oplossing. de voor-achterpositie / geeft de grootste kans op succes in toernooiverband.

    Dwalen in de gedichten

    Annet Zaagsma is een dichter met diepgang. Naast de frivole lyriek die op een lichtvaardige manier lichamelijke lusten en psychische lasten schetst, kaart zij klimaatproblemen en milieukwesties aan. Zij wordt daarom ook wel een klimaatdichter genoemd en laat haar materiaal ademen. In die adem maakt ze mij met weinig gemarkeerde woorden duidelijk waar het volgens haar op staat. “ bijtsporen / / vingertoppen / verkennen wat slaapt, zwijgend / tussen heuvels ligt / / bewegen langzaam / heen & weer, wekken het beest / een nat spoor, in een / / allengs zwellend zacht ravijn “ Ik krijg het er warm van in mijn onderbuik, dat is wat wilde woorden met iemand doen. “ drijfvuil / / microbolletjes en meer / raadsels in de route van de riolering / de afbraak duurt de eeuwigheid / / bij het proportioneren van dimensies / zeven we het kwaad uit / schatplichtig aan het kleinste / van het kleinste / / je kunt nog zo dik schillen / in elk klokhuis schuilt cyanide / plastic tot in onze vezels “ Jawel, de plastic soep en het PFAS monster, niet uit te roeien.

    Ik kan dwalen in de gedichten maar zal niet verdwalen tussen de regels door, want Zaagsma geeft mij voortdurend reden mijn zicht te verbreden zodat ik terug kan treden op mijn schreden om nieuw de confrontatie met de uit het wild getemde woorden aan te gaan. Zij maakt de jungle begaanbaar hoewel ik soms door de bomen het bos niet meer zie, door de woorden het gedicht niet meer herken. Dan sta ik voor een moment met de mond vol tanden. Krijg ik echter door te verdiepen een vinger achter de duiding dan doorzie ik de reden van ontstaan en bestaan van deze dichtkunst. Zaagsma blaast niet hoog van de toren om haar punt te maken, maar door het licht ironisch sarcasme kruipt ze onder mijn huid en jeukt de boodschap zodat ik deze moet krabben. Met de voorgeschotelde metaforen krijg ik plaatsvervangende schaamte over misstanden die bedekt beschreven zijn. Sluit ik mij geconcentreerd van mijn omgeving af, ben ik voor het moment van lezen het bezit van de dichter. Dan heeft Annet Zaagsma mij in haar macht en kan via de woorden met mij doen wat ze wil. Door de gedichten kan ze mijn gedachten manipuleren en in de richting sturen die zij in gedachte heeft. Bijt ik de zure appel die mijn beeld verzuurt, want in ieder klokhuis schuilt cyanide. Je ziet het niet maar het is er wel. Zo is het met deze dichtkunst, je leest de reden niet maar deze is er wel. In de kern schuilt de waarheid.

    In elk klokhuis schuilt cyanide. Annet Zaagsma. Dichtbundel. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Niet terugblikken, wel retro presenteren

    In nuveraardich keunstwurk noemen we dat hier op het Friese land; in bjusterbaarlik wurkje. En dat is het, eigenaardig en wonderbaarlijk. In de merkwaardig poëtische Retrospectieven van spoken word-artiest Monique Hendriks kijk je niet letterlijk terug. Wel is de manier waarop zij haar dichterlijke werk presenteert retro. Een nieuw samenstel van woorden in een oude vormgeving. De gedichten kun je lezend bekijken door een zogenoemde stereoscoop, en tegelijk beluisteren door een cassetteband af te spelen. Twee materialen van toen, uit door de bank genomen de jaren 60 van de vorige eeuw, in een actuele cross-over. Het beeld op veertien kleine dia’s, zeven paar stereofoto´s, gemonteerd in een kunststof schijf. Dit schijfje past en kan draaien in een viewmaster. Daarbij de muziekcassette, een magneetband gebruikt als geluidsdrager in een speciaal daarvoor gemaakte kleine kunststof doos. Nog niet zolang geleden rondom en alom in gebruik, nu al weer verouderd en qua techniek achterhaald. Retro dus.

    Nieuwe manier om poëzie te presenteren

    Een eerste project bracht in 2022 zeven gedichten op verkleind formaat transparant in een dubbel perspectief, door de viewmaster tegen het licht te houden. Twee transparante foto’s om de in collagevorm gegoten plaatjes met beide ogen stereo te kunnen bekijken. Dat eerste volume was een experiment waar de improvisatie van afspat. De nieuwe manier om poëzie te presenteren was even wennen voor dichter Monique Hendriks en vormgever Lilia Scheerder. De plaatjes stralen eenvoud uit, de typografie laat de tekst dan nog goed lezen. Aan het beeld is aandacht besteed om de woorden leesbaar te houden. In de tweede editie van 2024 wordt dat minder, de vormgevers drukken een duidelijker stempel op het geheel. Naast Scheerder heeft Bas Berends zich over het artwork gebogen. En de dichter wil als kunstenaar teveel laten zien op een klein oppervlak, zodat de woorden wat naar de achtergrond raken waar het beeld boekdelen spreekt.

    Daarom is het bandje waarop de artiest en maker haar teksten inspreekt en technisch manipuleert een welkome toevoeging op de te bekijken beelden. De viewmaster is feitelijk de dichtbundel, niet op papier maar in figuratieve beelden gevat. Het geluid is de voorgedragen bundel, de performance in audio zonder video. De twee communicatiemiddelen samen maken een geheel. Het één kan zonder het ander, maar geeft dan geen compleet 3D genot. Als voordrachtskunstenaar komt Hendriks door het geluid op band beter uit de verf. Althans ze kan sprekender haar werk vocaal laten horen dan dat ik ze lees in de vorm waarin ze deze heeft gegoten. De viewmaster is een bijzondere manier om naar de collages te kijken, maar werkt minder goed om de tekst te beschouwen. En laat je dan het geluid meespelen dan is opeens alles veel beter te duiden.

    Studiotrucjes en bandmanipulaties

    Op een originele en excentrieke manier heeft Hendriks de tekst ingesproken. Met verschillende studiotrucjes en bandmanipulaties is ieder gedicht een soort van hoorspel geworden. Poëzie moet gelezen worden om het te begrijpen, over gelezen en nog eens weer gelezen in een eigen ritme, voordat het begrip indaalt en de tekst op zijn plaats valt – de betekenis ervan binnenkomt. De dichter die het werk voordraagt mist dan die platte dimensie, daar je niet meteen de reden kunt doorgronden. Eigenlijk zou de declamatie, het voorlezen uit eigen werk, enkele malen herhaalt moeten worden, overgelezen zodat de hoorders de woorden kunnen wikken en wegen. Na weer luisteren dalen deze beter in, hoor je meer in de herhaling. Dat is wat dus mogelijk is bij de voordracht van Hendriks. De band kun je meerdere malen afspelen, terwijl je de viewmaster doorklikt. De gesproken tekst is versiert door beelden en opgeleukt met geluiden.

    De regels door Monique Hendriks geschreven meanderen letterlijk over het beeldvlak en figuurlijk in de gedachte van de lezer. Over alledaagse dingen die daarmee verbijzonderen. Hendriks geeft een draai aan de aannemelijke betekenis waardoor het onbenoembare in duiding toeneemt. Onverwachte wendingen, creatieve uitkomsten. De woorden liggen wel lekker in de mond en kunnen smaakvol gehoord worden. Daarom en daartoe zou ik deze hardop moeten spellen om de uitleg te vatten. Zou ik mijn eigen stem over de zinnen laten gaan om de regels te horen en plaatsing van woorden te begrijpen. Dan kan ik de taal ontleden en reden en gevolg van Hendriks geest achterhalen om te begrijpen. Het is een spraak van symbolen, maar soms bij tijd en wijle ook minder hoogdravend dan hier nu gesteld. Eenvoudige gebeurtenissen die in deze zetting meervoudige voorvallen worden. Zoveel belang krijgen dat deze met verve de eeuwigheid ingaan.

    Een voorstelling van gesproken tekst

    De poëzie van Monique Hendriks leent zich goed voor een performance, een voorstelling van gesproken tekst. Het hoeft zich niet alleen op papier te verantwoorden, maar kan ook uitstekend als geluid zich manifesteren. Het is zelfs uiterst geschikt om voor te dragen, maar dan wel op de manier zoals zij dit ten tonele voert. De gedichten zijn composities, die als het ware op een notenbalk kunnen worden uitgeschreven. Het zijn stalen van muzikale teksten zonder dat er een melodieuze lijn onder zit. Het is een vers maar geen gezang. De grens tussen literair, kunst en muziek is broos en vervaagd in de tijd. Het geschrevene, het beeldende en het geluid vloeien samen tot een multidisciplinair kunstwerk. De handeling om het te beschouwen als terugblik in de tijd, retrospectief, geeft een ander perspectief op symbolen in de kunst.

    Retrospectieven

    Is Retrospectieven 1 nog een bundel gedichten, in de derde dimensie vertelt de dichter een verhaal zonder van poëzie proza te maken. De Retrospectieven omvatten haar kijk op het zijn van Angstige Eicel tot Het Laatste Oordeel via Kinderwens en Uitgroei. Gedachten bij een wezen, het is van zichzelf in het leven, op de aarde. De zeven korte poëtische verhalen in de eerste editie hebben elk een titel. Staan niet los van elkaar, maar ook weer wel. Het heeft filosofische gedachten, creatieve overpeinzingen. Recepten hoe het leven er in een ander universum uit kan zien, bij kan liggen. Op de band hoor ik bewerkingen van Hendriks stem, zoals een modernist Paul van Ostaijen zijn woorden grotesk deed bewerken in typografisch expressionisme: BOEM paukenslag. Op papier, in de viewmaster plaatjes in bewerking van Scheerder, is dat een kalligrafisch expressionisme – diverse lettertypen cirkelen over een collage aan beelden. In geluid, op de felrode cassetteband geleverd bij de even opstandige fotokijker, is dat een auditief expressionisme.

    Retrospectieven in de Vierde Dimensie hangen daarentegen niet als los zand aan elkaar. Het is een doorlopend aaneengesloten verhaal met een enkele titel als paraplu. Ieder gedicht is een hoofdstuk in dit beeldende boek. Monique zit naar de vertelling gesproken in een kamer, schijnt opgesloten. Een onnodig verloopstukje op de grond naast haar bureau had haar ontsnapping kunnen zijn, het was een aanwijzing denkt ze. Ik hoor haar stommelen over zeil en voetstappen zetten in de tijd op kant B van de cassetteband. Of brengen de achtergronden mij thuis bij een pingpongwedstrijd voor één persoon? Ze zet een raam open, ruikt nat gras en ziet een buurmeisje stokjes in de grond steken. Ze beschrijft haar gevoelens van buiten en binnen tussen de muren en beseft dat de vierde dimensie geen muur hoeft te zijn.

    Retrospectieven 1, Retrospectieven De Vierde Dimensie. Twee beeldschijven in een viewmaster met spoken word op een muziekcassette. Teksten Monique Hendriks. Artwork Lilia Scheerder, Bas Berends. Uitgave Woez Publicaties / Barreuh Records.

  • De eindscène van een eeuwigheidsvinding

    Met het hart op de tong, een brok in mijn keel en een vreemd gevoel in de onderbuik leg ik de laatste dichtbundel in de poëtische trilogie van Joris Miedema voor mij op tafel. Met trillende handen, bezweet voorhoofd en knikkende knieën open ik het boekje en sla schoorvoetend de eerste bladzij om. Een zucht van verlichting, slechts nog een titelblad. Niets confronteert mijn blik, nog. Hoewel de omslag van het boekje mij al de koude rillingen gaf, een meesterlijk mysterieuze tekening van de Gebroeders Miedema zetten mij het kippenvel op de lamme leden.

    Die andere Miedema, Joris, is in het drieluik dat dit jaar verscheen bij Uitgeverij Opwenteling op zoek naar het eeuwige, het oneindige, de never lasting story. In de vorige twee bundels naderde hij de grens van leven en doorleven, maar stak deze niet over. Zijn pas lag nog thuis, de verblijfsvergunning niet verlopen. De eeuwigheid was op een steenworp afstand, binnen handbereik en hemelsbreed overzichtelijk. Voor mij een tantaluskwelling, want dacht ik het te vinden in de woorden tussen de regels door ontglipte het me als een paling in een emmer snot. Zal Joris Miedema het in dit derde werkstuk hebben gevonden?

    Intermezzo doorwrocht met sprookjesachtige figuren

    Het eerste hoofdstuk in dit derde boek gaat over dood en doodgaan, over leven en overleven. De overgang van leven naar het grote niets. In het reine komen met jezelf, de ander. Een zicht op wat hierna kan zijn of is. Rekende Miedema eerder al af met de dood van naasten als zijn vader, nu schijnt hij daar weer niet mee klaar te zijn. Het is ook niet eenvoudig mensen in de eeuwigheid te laten waarnaar jijzelf opzoek bent. “er was een bank in de hemel / waar je een voorschot kon nemen / op iemand die je gemist had / ik wilde mijn opa opnemen / van moederskant / niet in delen / graag geheel”.

    image

    Dat volgende hoofdstuk is dan een intermezzo doorwrocht met sprookjesachtige figuren. Even vasthouden daarmee aan de dromen van hier. Voordat de dagdroom een nachtmerrie wordt. En de nachtmerrie een zoete droom als een hinde aan frisse waterstromen blijkt. Even wentelen in de zoete smaak van wat je hebt, voordat de zure geur van morgen je de neus binnenkomt. Morgen wanneer alles voorbij is, over en uit. Als een telegraaf probeer je het onheil af te wenden, maar het sein staat op rood en de trein is een gehaktmolen.

    Miedema echter denkt geen einde te maken aan hier, maar een trilogie af te ronden. Schoon schip te maken zoals de uitgever mij in een begeleidende brief bij het recensie-exemplaar voorhoudt. Miedema heeft dit jaar een grote opruiming gehouden, liefst drie bundels op rij zijn verschenen. Maar hij heeft niet de schepen achter zich verbrandt. Hij hield de obool voor veerman Charon verborgen en stak dus niet de Styx over. Maar keek wel met Argusogen verder dan zijn neus lang is om in het hiernumaals een blik te kunnen werpen in de onderwereld. Hij wil zich nog niet laten klaren door zijn geliefden. De sloppenwijk is slechts een uitvlucht om het eeuwige leven een stap voor te zijn. In de eerdere bundels is hij ook al op zoek gegaan. In dit derde en laatste deel schrijft hij er een open eind aan. Ik blijf met vragen zitten, maar misschien volgt er een tweede seizoen. Is het gedicht “trekzin” de cliffhanger om mij in spanning te laten over wat nog gebeuren kan met dat dode lijf. Kan het zich oprichten in een nieuwe dimensie. Zich doen opleven in het hiernamaals.

    Nauwelijks nog sprake van een dimensie

    Zweefde Miedema in de twee eerdere delen van deze trilogie nog weleens weg van de werkelijkheid. In de ‘Sloppenwijk van het hiernamaals’ staat hij met beide benen op de grond. Windt er geen doekjes om. Is meer duidelijk en minder zweverig. De vierde dimensie van de eeuwigheid is hier en nu in de derde dimensie. Of plat gezegd is er nauwelijks nog sprake van een dimensie. De vorige bundels dienen als ondergrond, als opstap om tot hier te komen. De sloppenwijk is de apotheose, de afronding. Ik kan teruggrijpen op eerder gedane  uitspraken. Was mijn verwachtingspatroon goed? Is de dichter daar gekomen waarvan hij had beloofd er te zullen zijn. Miedema heeft de eeuwigheid ontdekt, niet gevonden. Houdt het achter zijn rug verborgen om niet alle kruit te verschieten. Houdt mij aan het lijntje omdat ik het fijne van de uitslag wil weten. Hij houdt me nog bij de les, zodat ik lees en weer lees om te ontdekken wat hij niet heeft gevonden.

    image

    Joris Miedema ontrafelt het levensraadsel, krijgt een vinger achter mijn bestaan. Hij stoeit met het leven in ravottende woorden. Probeert over de rand te kijken in de leegte van een zekere dood. Is er meer tussen hemel en aarde. Of is dit het, slechts, het aardse bestaan en niet meer. Is het uit dan is het af en klaar. Eens geweest, nooit teruggezien. Miedema wendt niet de dood af, maar leert er mee te leven. “er zijn dagen die je / willens en wetens / van je gezicht af blijft scheuren / als een kalender / die in de rui is”. Door de onzekerheid van zich af te schrijven is het leven voorspelbaar. Is er leven na de dood. Op schrift weliswaar en als gedachte in de grote cloud, maar levend zul je oneindig zijn in de geest van de wereld.

    Schreef ik niet over de eerste bundel dat het eeuwige leven boven de waarheid zoals wij die kennen en ervaren zweeft? Dat Miedema geen abstracte poëzie bezigt maar zinnen tot surrealistische regels omvormt. En zijn eigen draconische denkwijze te kijk zet om vrees om te buigen naar een laconiek inzicht. Een hertaling derhalve van mijn angst voor de dood. Een handboek om het absurde van het zijn te doorgronden, handzaam te maken, de leiding te nemen.

    De algen hielden een voet tussen de deur

    Maar nog kijk ik niet samen met Joris over de rand, de diepte van de omgezwaaide betekenissen in. Petrus zie ik nog niet wuiven aan de poort. Er werd eerst nog een tweede luik open gedaan. Achter die deur zocht ik onder elk geschreven en gedrukt woord een puzzelstuk eeuwigheid. Legde eerst de randen uit om daarna het luchtige midden in elkaar te laten vallen. De algen uit die andere dimensie volgen de vlucht van de levenloze libellen, bevolken de sloppenwijk van het hiernamaals. Miedema peurt het DNA van een eeuwig leven vanonder zijn nagels vandaan wroetend in de besmeurde aarde van het woord. Zijn poëzie krijgt onderdak in een bij elkaar geraapt en provisorisch opgezette tent als de plastic tas van een supermarkt. Natuurlijk wel.

    image

    Niet toen al vond hij de eeuwigheid. Zette de libellen op het gedachte juiste spoor. In een zwerm vluchtten de insecten in eenzelfde richting, levenloos voor zich uit starend. In de verte gloorde het eeuwige leven, maar was eindeloos onbereikbaar, nog. De algen hielden een voet tussen de deur, het einde mocht geen slot worden. In de derde bundel denk ik een ontknoping te vinden, een majestueus slotakkoord. Dat is de verwachting. Maar de euforie blijft uit. Miedema heeft alleen een zolderopruiming gehouden, een garageverkoop laten gebeuren. De eeuwigheid ligt ergens tussen de tweedehands spullen. Want de eeuwigheid is recyclebaar, altijd opnieuw te gebruiken. Maar zelden zomaar voorhanden liggend. Het kan in een gesloten doosje of in een gebutst potje zitten, op de bodem plakken van een borrelglas of in de lade waar de sleutel kwijt van is.

    De dichter jaagt de duisternis na om het licht lek te schieten. En ik, ik verdiep me in zijn geschriften om het onvermijdelijke iets op te rekken. Want denken te leven in een ruimte boven de werkelijkheid is een creatieve geest nodig. Dat waren mijn beroemde laatste woorden in afwachting van de ontdekking van het bovenaardse. De vondst in der eeuwigheid. Het blijft echter een oneindige zoektocht. Het verhaal kan ruimschoots doorverteld in meerdere trilogieën. Zal Miedema ooit het antwoord op mijn vraag vinden. Kun je leven met het geluk van de eeuwigheid. Is het bestaan bestaanbaar met de wetenschap te blijven leven. Of niet te blijven leven maar wel eeuwig te zijn ergens waar de tijd stil staat

    Sloppenwijk van het hiernamaals. Joris Miedema, gedichten. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

  • Morgen gaat Bobbie weer mee in bad

    Het plastic boekje “Bobbie gaat in bad” kleurt feeëriek mee met het humeur van de hoofdpersoon in het korte verhaal daarin. Haal ik het door creatief schrijver Monique Hendriks bedacht, beschreven en samengestelde boek uit de beschermhoes dan is het een kleurloos geval, met zwarte tekst en lijntekening op witte kunststof ondergrond. Alleen enkele vlakken zijn lichtelijk roze ingekleurd, een voorbode van de wolk waarop Bobbie straks na een paar bladzijden zit. Maar nu eerst nog is haar wereld zonder tint. Grijs en grauw, zo niet diep zwart. Want ze heeft een burn-out, zit vast in depressieve gedachten. De dokter schrijft ontspanning voor. En wat ontspant beter dan een warm bad. Een bubbelbad om te ademen. Iedere bubbel vol met bevrijdend lucht. Maar bij de Gamma zit er levertijd op de baden, want “Het is burn-outseizoen”. De schemaatjes en de blaadjes vallen, het zal herfst zijn.

    Maar dan na even wachten is het luxe ligbad op leeuwenpoten in huis. De buik van de leeuw, het bad namelijk, vult Bobbie tot de rand met heet water. Ze stapt erin en haar gemoed dompelt zich onder in behaaglijkheid. Ze gaat werkelijk kopje onder en ademt in. En uit. “Elke zucht vormt een echolocatiebubbel.” De huid begint te rimpelen, ze wordt één met het water. Alles om haar heen lost op en Bobbie vertrekt naar een gedroomd elders. Op een roze wolk. “Ze is een sprookje geworden. Lang en gelukkig wacht ze op haar redding.

    Het mysterie ontvouwt zich

    Wat er met Bobbie gaandeweg het verhaal is gebeurd laat zich raden. Het is dan ook een vertelling voor volwassenen. En ga ik met Bobbie in bad, neem ik het boekje mee in de nattigheid, dan kleuren de tekeningen zich als vanzelf. Het mysterie ontvouwt zich. De depressie wordt een manie. Bobbie ziet het leven rooskleurig tegemoet. Ze nestelt zich tussen het schuim en de bubbels. Haar lijf laaft zich aan het warme water. Wat een prettige heerlijkheid. Het bruisen slokt haar op, ruikt dromerig naar lavendel. Dit is welhaast de hemel op aarde. Dus laat ze zich onder water glijden om langer te kunnen genieten. Om de hitte als een warme deken om haar blote lijf te voelen, Ze houdt haar adem niet in, maar zucht juist diep om in deze extase te kunnen blijven. Om erin te blijven.

    En natuurlijk ga ik niet mee op de roze wolk. Ik ben toeschouwer, ik sta erbij en ik kijk ernaar. Geen lijdend voorwerp, maar een bijvoeglijk naamwoord. Wel hoor ik dat gerammel van het stopkettinkje wanneer Bobbie er met de dikke teen achter blijft haken, het klinkt als veraf beierende kerkklokken. Wanneer ik ga in het verhaal. Me laat meeslepen met de vertelling. Mee getrokken wordt onder water. Opgeslokt in de buik van de leeuw. Verzwolgen door mijn fantasie. Geholpen door het water in mijn bad waar ik het boek in dompel. Het opspattende vocht kleurt het plastic. Een wereld, de wereld van Bobbie, gaat voor me open.

    Het mooiste gaan is verdrinken

    En ik ken zelf dat gevoel. Van heerlijk je laten glijden in warm water tussen badschuim. Je prettig laten zweven. De warmte voelt heerlijk, zalig. Niet echt verkwikkend, maar juist slaapwekkend. De stilte in, de rust, de kalmte. Even niets hoeven dan alleen drijven in het zijn. Dan ga ik mee op die gedachte golven van Bobbie. Het voert me van hier, naar weet ik waar daar. Er is geen bestemming. Maar mijn reis kent een einde, terwijl die van Bobbie het einde is. Het mooiste gaan is verdrinken.

    En natuurlijk probeer ik het effect uit. Ontrafel ik het mysterie dat me is beloofd. De kleuren die student animatie Fong Mungkhunkhamchao in de tekeningen van illustrator Maarten Berkers heeft gebracht worden pas zichtbaar wanneer het boekje vochtig wordt. Bevochtigd wordt, nat is. Er kan een hele plens water overheen. En dan is de magie daar. De illustrator blijkt een illusionist. Als bij toverslag krijgen de kleurloze pagina’s kleur. En ze houden die kleur totdat de bladzijden opgedroogd zijn. Wanneer de kleur is weggetrokken kan ik opnieuw het genot van dit bijzondere Woez-product ervaren.

    De focus ligt op het prikkelen van de fantasie

    Woez Publicaties is het platform binnen poëzie-uitgeverij Opwenteling. Het zoekt beeld-tekst-mengvormen en houdt van genre-vervaging. Het poëtische avontuur voor in bad, onder de douche, in het zwembad, de vijver, de zee of in een flinke regenbui is een bijzondere publicatie die helemaal aanschurkt tegen de doelstelling van Woez. Want Monique Hendriks werkt aan nieuwe literaire concepten voorbij de bladzijde, precies zoals de uitgever beoogt. De focus ligt op het prikkelen van de fantasie en het zoeken naar verbinding. Bobbie prikkelt wel degelijk mijn fantasie. Het fantastische verhaal legt verbinding met haar nachtmerrie die dagdroom wordt en mijn verbeelding.

    Het is een ervaring die mij in de bubbel van de illusie brengt en afvoert naar een bestemming over de rand van mijn gedachten. Koffers heb ik niet nodig. Mijn bagage ligt in mijn hand: Bobbie gaat in bad. Dat is alles wat ik nodig heb om op de roze wolk naar elders te vertrekken. Elders achter de rijstebrijberg in luilekkerland. Het voorland van de feniks die uit de burn-out omhoog stijgt. Zo is “Bobbie gaat in bad” ook een therapeutisch voorleesboek. Dat ik liggend in bad aan mijzelf vertel. Mezelf met de tekst moed inspreek om over een paar tellen op te rijzen uit het water. Niet zoals Bobbie wegdrijvend op de schuimende bubbelwolk. Het boek is de fantasie. Mijn badkuip is de realiteit. Dat kan heel goed samen. Maar dan is de harde werkelijkheid weer daar, druip ik van de nattigheid maar zie de toekomst rooskleurig in. Morgen gaat Bobbie weer mee in bad.

    Bobbie gaat in bad. Een magisch badboekje voor volwassenen. Tekst en concept Monique Hendriks. Tekeningen Maarten Berkers. Kleur Fong Mungkhunkhamchao. Uitgave Woez Publicaties, 2023.

  • Op zoek naar de eeuwigheid, een tweede poging

    Het is of ik verstofte Dali verfschappen bewandel. Alsof ik biomorfische beelden van Joan Miró betast. Dat komt omdat de spontaan poëtische droomwereld van Joris Miedema zich vormt door technische objecten los te weken van de oorspronkelijke functie om ze in een organische figurenruimte te integreren. Zo zoals die surrealistische objecten zich manifesteren staan Miedema’s vrije verzen mij voor ogen. Zo verschijnen de woordelijke figuren uit de nevels van de tijd als zijn het op de eeuwigheid voorbereide uitdrukkingen. Zo kan mijn aardse bestaan tussen krakende planken eindigen. Maar zoek voordat het zover is achter elk geschreven en gedrukt woord een puzzelstuk eeuwigheid, hoewel ik de lidwoorden in deze meer links dan rechts laat liggen.

    Algen uit een andere dimensie” is het tweede deel van het 2023 drieluik van Miedema. In dit triptiek staat geen deel in hiërarchie van beschouwing boven of onder, voor of achter de ander. En dicht geslagen geeft het een nieuw nog niet beschreven verhaal. Maar dat is koffiedik kijken, de toekomst voorspellen die voor Miedema tevens nog ongewis is. Langs welk pad zal de zoektocht naar het eeuwige leven hem leiden. Welke obstakels liggen nog op zijn weg om de doordringbaarheid van de maatschappij te testen. Levenloze libellen, het eerste deel van dit altaarstuk, vlogen al voor hem uit. En nu plet hij algen uit een tegengestelde ruimte. Wat zal er aan geleedpotigen, wieren, schimmels en mossen nog op hem af komen. Want zijn deze niet de oudste organismen op aarde en bezitten dus het DNA van een eeuwig leven waarnaar Miedema op zoek is. Behalve dan die insecten, spinnen en duizendpoten; deze zijn overwegend alleen maar een last en lastig.

    image

    Totaal abstract niet en herkenbaar wel

    Natuurlijk probeer ik aanknopingspunten te vinden. Punten die een verhaallijn doen vermoeden. Waar de libellen afsloten zonder voleinding. En waar de algen de draad weer oppakken. Het scharnier tussen het eerste en het tweede luik past kierend in de sponning. Ergens zal het tweede op het eerste deel aansluiten. Want het heet niet zomaar een drieluik te zijn. En wanneer er aansluiting is zal ik teruggrijpen op en in mijn recensie over de eerste bundel. Dat ik daarin ook al de eeuwigheid van en in Miedema’s geest zocht. En nu ook weer deze niet te definiëren schat zoek. Maar nog niet heb gevonden. Miedema is er ook nog aan bezig. Niet nu al vindt hij die eeuwigheid en houdt het einde open. Geeft niet het slot prijs. Want er gaat nog een laatste deel volgen na deze. Niet al zijn kruid wordt verschoten in deel twee. Hoewel hij mijn idee al wel op de korrel neemt en met scherp op mijn visie schiet.

    Joris Miedema zou in een hyperrealistische stijl schrijven. Hij isoleert wel een fragment uit de werkelijkheid, maar schept geen levensecht beeld daarvan. Wel zeker ontdek ik expressie en emotie in de verdichtingen van wat ik als echt ervaar. Miedema trekt onderwerpen uit de werkelijke realiteit en laat ze daarboven zweven. Hij schrijft in mijn optiek in een surrealistische stijl. De beschreven beelden zijn samengesteld in onverwachte, verrassende en schokkende combinaties. Totaal abstract niet en herkenbaar wel, maar daarbij veraf staand van de mij bekende werkelijkheid. De alledaagse realiteit krijgt uit deze poëtische pen een draai naar links of een bocht naar rechts maar gaat zeker niet recht op het doel af. Vaker moet ik terug treden op het meest onbegaanbare pad om de duiding onder de knie te krijgen. De gedichten gaan wel over hemzelf, over zijn persoon, althans lijken de levensloop van de meester aan te doen. Door de gekte, de krankzinnige rotatie van de realiteit tot abstracte werkelijkheid, schemert het origineel van een gegeven tastbaarheid.

    image

    Als een paling in een emmer snot

    Miedema verdraait zijn inzicht gaandeweg het vers. Slaat met mij een andere richting in dan ik bij aanvang heb verwacht. Zo bezien kijk ik niet over mijn schouder de vergetelheid in, maar zie ik recht in de gebroken ogen van de voorbije tijd. Ik wend en keer met de woorden van Miedema. Spin en tol om de eeuwigheid niet te verliezen. Maar het is al ijdelheid.

    Net als het vorige deel is ook dit deel gefragmenteerd in drie delen. Een tweede triptiek in een drieluik. Miedema klieft zijn emotie, splijt zijn gevoel. Want dat eerste luik hier is die autobiografische duiding, informatie uit de eerste hand. Met gedachtekronkels zoals alleen kinderen in hun geest kunnen laten bewegen. Als een paling in een emmer snot. Ik zal goed en aandachtig overlezen om de opgebouwde spanning in mezelf te laten dalen. Metaforen vliegen me om de oren. Beeldspraak en zinnebeeld is aan de orde van het gedicht. Met dit geschreven woord probeert Miedema zijn Joris te bestrijden. De draak in hemzelf met zichzelf te steken. In het hoofd een loszittend mannenkoor dat de teloorgang van zijn brein zegeviert.

    image

    De eeuwigheid is ver weg

    Raakt hij langzaam van het padje wanneer hij alleen nog in eikenhout droomt en zichzelf hypnotiseert met een op de kop gehouden wc-borstel. De zin van het leven kroop uit zijn mond. Ben ik de weg kwijt in de geboorte van zijn zoon? Zijn grijze zoon die pas kleur krijgt door het schijnsel van de regenboog, terwijl het half opgerookte sigaren regent uit een grauwe verkromming – een week lang. Het zijn dromen, zoals alleen een jong mens kan dagdromen. Fantasieën als kinderen zonder kop. De wereld is voor hen ongerept en alles kan nog worden ontdekt. In het diepst van zijn wezen is de kleine Joris een Christoffel Columbus, een Abel Tasman, een James Cook of Marco Polo. En nu halfweg op leeftijd denkt hij zich Willem Barentz vast in het ijs, of meer fictief Robinson Crusoë alleen op een eiland. De eeuwigheid is ver weg. Nog.

    En dan schiet de dichter zich de ruimte in. Want hij las ergens een andere werkelijkheid te ervaren door te stoppen met ademen. Om de zaken van een andere kant te bekijken. Als een god van boven te bezien. Maar nog voortdurend blijft de materie aards, de onderwerpen almaar werelds. Wat kun je anders wanneer je toch met beide benen op de grond staat terwijl je geest zich in hoger sferen begeeft. En de fruitvliegjes als microscopische dinosaurussen en pterodactylussen rond de appels blijven hangen in de minuscule prehistorische bossen. Dan blijft de geest vooralsnog in de fles en vervliegt niet in de eeuwigheid. Nog niet.

    image

    Geen stip op de horizon zien

    Zo gebeurde het. En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag. En Joris plaatst op het derde luik van deze tweede triptiek in de drie-eenheid een vooruitblik op de eeuwigheid. In zijn zoektocht vangt hij een glimp op van wat een bestaan zonder begin en einde kan zijn. Wat het voor een mens betekent voortdurend in het hier en nu te blijven vast zitten. Altijd maar doorleven en terugkijken. Geen stip op de horizon zien. Want er is geen doel, er is geen stop. Het einde is niets. Miedema kan nu nog mijmeren en filosoferen, maar wanneer hij in de derde bundel de eeuwigheid heeft gevonden zal hij stilvallen. Dat denk ik zo alleen voor mezelf uit.

    De beweeglijk creatieve geest echter zal wel andere wegen vinden om het vrije vers te voeden. En daarbij is het lang niet zeker dat de dichter ooit zal vinden wat hij zoekt. Het is een najagen van de duisternis, dat jaagt op het licht. De eeuwigheid zal de honger naar voortduring inhalen en neersabelen. Het begin streeft het einde voorbij. Het hier en nu struikelt over het dan en straks. We leven maar even en dood zullen we altijd zijn. Door me te verdiepen in de geschriften van Joris Miedema kan ik het onvermijdelijke iets oprekken. Zijn in het wezen van die gedachte is een bovenaards goed. Dat de wind onder bewindvoering komt. Dat de zonsopgang zich niet kan omkeren. Dat de overtollige stilte blijft plakken als boter aan de dijen. Dat een grondwerker per ongeluk kerfstokken heeft omgekapt. Voor de duur van het lezen van 44 gedichten is het een weldaad me Joris Miedema te denken. In zijn geest en verstand de voorstellingen te vormen die hij mij voorschrijft. Ik ga zijn gedachtegang geloven, zijn overdenking veronderstellen.

    Het is opzegbaar, daarom staat het geschreven: “de dagdromen die niet zijn uitgekomen / hangen aan de bomen / waar iets onzegbaars / weegbaar is geworden / / een kind zit op één van de takken / de stippen van lieveheersbeestjes / door te strepen / hij hoopt een juiste combinatie / te krassen / / waardoor zijn dagdroom openbreekt / en zijn moeder / eruit kruipt”. Een hunkering naar toen, een verlangen naar hier, een rusteloos zoeken naar straks. Hoewel de dichter sterk is in taal, krachtig en vitaal, wordt hij klein en hulpeloos in emotie. De woorden helpen hem dan uit dat tranendal, omhoog naar het licht. Het licht van die algen uit een andere dimensie. Want denken te leven in een ruimte boven de werkelijkheid heeft een creatieve geest nodig.

    Algen uit een andere dimensie. Joris Miedema. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

  • Internetbronnen als vaste waarde

    Ergens las ik onlangs dat het openingsgedicht het visitekaartje is van elke dichtbundel, het vers dat een eerste indruk geeft van wat je als lezer te wachten staat. “Daarom zullen dichters het openingsgedicht met scherpte selecteren”, schrijft collega-recensent Ton van ’t Hof en bespreekt meteen slechts het eerste gedicht uit de debuutbundel van Kine Brettschreider, Trekpoptt. Een bundel die ik eerder in het geheel heb besproken en geen knieval heb gemaakt voor of gestruikeld ben over dat eerste gedicht toen. Want al wat na kwam was even interessant als representatief.

    Dat eerste gedicht nu in de bundel “mijn cloud, die de uwe is” van Anouk Smies zal dus hààr paradepaardje zijn. Daarom lees ik het woord voor woord geconcentreerd, en dan doe ik de rest van de bundel eerstens tekort. Het is een goede binnenkomer, “De ondergang zelf”, en zet mij meteen op het juiste spoor. Maar ik merk gaandeweg langs het traject dat de spanning wordt opgebouwd en leidt naar een tussenstation om op adem te komen. Want de bundel heeft vier aandachtspunten, hoofdstukken. Dan kan ik mijn toewijding opladen en de blik in een dwarse richting sturen.

    Anouk Smies, poëzie, dichtbundel, Opwenteling

    Gronden om een zekere ondergang te duiden

    Echter dat eerste gedicht, de deur die opengaat terwijl ik door het sleutelgat al een indruk had gekregen: “ ‘God’s not on our side, because he hates idiots.The Good, The Bad and The Ugly”. Anouk Smies projecteert in de bundel haar rolprent. Een film met een waargebeurd verhaal, genomen van een verdieping in de eindtijd-sekte ‘Wachters van de nacht’, geschriften en videofragmenten van uitvinder en futuroloog Raymond Kurzweil, internetbronnen die verwijzen naar ‘Project West Ford’ en dus in de cloud zitten – die immense wolk van digitale documenten. Allemaal gronden om een zekere ondergang te duiden, maar elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen berust op louter toeval. Behalve GOD, die in de weerklank uit een diepe put DOG is. Het christendom als underdog preekt de passie van de eschaton, het eind der tijden.

    Blijvend bij het eerste gedicht, lees ik daarin het jaar 2000, het millennium waarin alles op digitaal gebied zou vastlopen wat de ondergang van de moderne mens had kunnen betekenen. Maar ook zie ik een Goede Vrijdag, in de middag dat het voorhangsel scheurt en totale duisternis over de velden ligt tot een uur of drie, dan rond een uur later verdwijnt de dramatiek door overvloedig licht. In de koude oorlog valt de bom en implodeert de wereld, een doemscenario. Dichterbij huis is de wolf het coronavirus. De ondergang zelf komt als een dief in de nacht als donderslag bij heldere hemel. Smies omschrijft wat er had kunnen gebeuren. Een profetische tekst? Of een vermoeden hoe het is en kan verlopen. Want die wanorde na de kruisiging is tot een nieuwe orde geworden en verre van vergeten.

    De wereld in negen verzen aan het woord

    Anouk Smies beschrijft verder die ideeën van de eindtijd-gelovigen. De wappies die fake nieuws als overtuiging hebben. Want wat zijn hun redenen om te wachten in de nacht, ervoor zorgend dat hun licht blijft branden zodat ze bij de heiligen kunnen aansluiten wanneer de ondergang daar is. Wat gaat er in hen om, hoe leven zij met die wetenschap. De dichter probeert daar een vinger achter te krijgen. Om daarna mij te brengen bij het weten dat er geen godheid bestaat, maar ook de twijfel hebben dat deze er zeker wel is. Mijn noodlot begrijpen door me de aarde te laten kennen. Het is de wereld die in negen verzen aan het woord is.

    Abnormaal wordt het nieuwe normaal was het devies enige tijd geleden. En of die wonderlijke zonderlinge vreemdheid alledaagse werkelijkheid is geworden zullen wij pas achteraf kunnen herleiden. We blijven niet hangen in het verleden, het leert ons niet de les want we vervallen makkelijk weer in oude gewoonten. Het script van de ondergang is niet verontrustend, maar kan zelfs troostend zijn. God bestaat nog niet, dus bij de dood is het klaar. Op de dag dat Al de ruimte neemt ontwaakt het universum beurt Smies mijn gemoed op. Hier sluipt de digitale omgeving binnen de gedichten en maakt de dichter de titel van de bundel: “LOF / Lieve cloud, / sluipwesp van individuele drift, / mammoetklank van wetenschap, / harde hand zonder onderscheidend vermogen / / Lieve cloud, / pooier van goedertierenheid, ballenbak, / hackertje, cosmetische chirurg van gemis / / Lieve cloud, / waar niemand uit ontwaakt als ik het mocht bepalen / Niet uit mijn cloud, die de uwe is”.

    Druppelstroom op het kaft

    Want het is niet een zacht verkwikkende motregen dat in kleine druppen op mij neerdaalt vanuit een grijs wolkendek. Het is wel een regen in pijpenstelen uit een zwarte lucht dat kletterend roffelt en al het leven dat smacht om water onder het maaiveld laat verdrinken. Het is heftig en voorspelt weinig goeds, wat zal ik aantreffen en kan ik schuilen onder het geboden dak. Wanneer ik de druppelstroom op het kaft goed beschouw, lijkend te bewegen in verschillende gradaties blauw en diverse lettergrootten – verticaal figuurlijk uit de hemel komend, letterlijk van de bovenrand van het voor mij liggende ongeopende boekje, goed beschouwend zijn dit cijferreeksen in willekeurige volgorde. Cijfercombinaties die kunnen staan voor lettertekens, nummering als metafoor voor het gedigitaliseerde leven. Dus dat gedicht op pagina 45 had voor mij beter het eerste gedicht kunnen zijn, dan had ik meteen geweten welk vlees ik in de kuip zou hebben. Dit vers is het pronkjuweel.

    De bundel “mijn cloud, die de uwe is” heeft internetbronnen als vaste waarde. De zoekmachines die verwijzen naar de inspiratie om te dichten. Die gedachten zijn door een ieder te gebruiken, wanneer je maar de juiste zoektermen gebruikt. Die cloud, dat is een persoonlijke verzameling documenten in een kluis waar je een digitale sleutel voor moet hebben om deze te openen. Ieder persoon die toegang heeft bezit een eigen kleine wolk in de grote cumulus. Maar Anouk Smies geeft in haar bundel toegang tot haar verzameling documenten. Maar om deze te begrijpen heb ik wel een sleutel nodig, want ze strooit nogal met metaforen en verwisselde termen voor gangbare uitdrukkingen rond. Het is een geconcentreerd lezen, een aandachtig overwegen na iedere zin. Vat krijgen op de bedoeling is niet zo simpel. De gedachten van deze dichter zijn zo glad als een aal, deze kronkelen over het papier en laten zich minder gemakkelijk (be)grijpen.

    Het valt je in als een zachte motregen

    Het laatste gedicht in de bundel, op pagina 61, daagt uit tot diepgaand onderzoek. Daar staat zeven maal de titel van het boekje in bits en bytes uitgeschreven. Zonder hapering. De handleiding staat een pagina eerder. Zeven maal wordt aangegeven dat ik toegang heb tot het gedachtegoed van Anouk Smies dat ergens in de lucht rondzweeft. Want er is die cumulonimbus, die stapelwolk waarin alle gedachten van elk mens op aarde als ijskristallen hangen opgeslagen. Het kan niet zo zijn dat met het sterven van een individu zijn of haar denkbeelden, inzichten en oordelen als een vingerknip zijn verdwenen. Deze blijven rondzweven en de mensheid na deze kan er naar wens gebruik van maken. De sleutel die nodig is om toegang te krijgen is het talent, de gave, het intellect. Het valt je in als een zachte motregen, maar het kan je ook toevallen als een donderslag bij heldere hemel, ineens is het er; het inzicht. Opeens zie je het licht en waar dat vandaan schijnt weet je niet.

    Het is de analoge wolk, door een hogere macht de wereld gegeven. De digitale wolk is van een andere orde, het is door de mens zelf in de atmosfeer geblazen. Waar die cloud precies hangt en of deze werkelijk wel bestaat is evenzo ongrijpbaar als een godheid hoog op zijn troon gezeten. Het zwerft in de wolken, het is in ICT termen gesproken de cloud. Al in de 17e eeuw is dat binaire schrift uitgevonden, dus is er zoals alom bekend weinig nieuws onder de zon maar gebeurd er meer tussen hemel en aarde dan wij weten en beseffen. Dat schrift doet het goed in het geheugen van de computer. Daarmee kan deze rekenen, en verrekent zich nooit. De mens kan een fout maken, de computer doet dat niet. En gaat het dan eens mis dan komt dit door menselijk falen. Voor de computer bestaat er enkel ja en nee, zwart en wit, 0 en 1. Er is geen grijs gebied, wel een als dan ofwel what if. Wanneer het niet dit is dan is het dat. Of anders.

    Mijn cloud, die de uwe is. Dichtbundel. Anouk Smies. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

  • Een eerste proeve van het eeuwig leven

    De legende van Sint Joris en de draak schiet me te binnen wanneer ik de nieuwste bundel poëzie van Joris Miedema doorblader en herlees. In deze uitgave, die het eerste deel heet te zijn van een dit jaar nog te verschijnen drieluik, probeert de dichter de draak te temmen door schijnbaar de draak te steken met de dichterlijke taal. Of beter nog, te doden, uit te gummen, door te halen. Om de demonen die hem en zijn woorden teisteren te bedwingen en uit te bannen, te verbannen naar het rijk der fabelen. En wanneer die draak dan overwonnen is, kan Joris als een moderne Odysseus verder op de oneindige reis naar het eeuwige leven.

    image

    Zijn gedichten staan daarom bol van de verwijzingen, metaforen, zweven in symboliek meestentijds boven de werkelijkheid. Want het eeuwige leven zweeft boven de waarheid zoals wij die kennen en ervaren. Maar deze poëzie is zelden abstract, want taal kan niet non-figuratief zijn. Zolang de letters leesbare woorden vormen. En de woorden grammaticaal correct in de zinnen lopen. Dan is er geen sprake van letterlijke versimpeling van de schrift, het schrijfsel. Pas wanneer gangbare betekenissen worden gevormd tot schijnbaar tegenstrijdige interpretaties verdwijnt de lengte uit de breedte in de hoogte van de gedachte. Gaat de taal drijven en neemt mijn ratio mee op de wieken, want mijn denkbeelden waren eerst uit het leven en worden door Miedema weer in de tijd gewekt.

    Always look on the bright side of life

    Ik vind vreugde in de bundel van Joris Miedema. In de serieuze ondertoon ontdek ik de joligheid, de lol, de korrel zout. De boodschap, het motto lees ik, is neem het leven minder scherp waar. Bezie de zonnige kant en doe niet zo somber. Joris bevecht de draak, de lezer bestrijdt zijn weemoed. En ik fluit voor me uit de riedel van Brian aan het kruis: always look on the bright side of life. Geen abstractie, de poëzie van Miedema is vooral eerder surrealistisch. Hij rekent af met de draak, de nachtvlinder harpyia milhauseri en de hagedisachtige draco volans. Of zet zijn eigen draconische denkwijze in de etalage om angsten om te buigen naar laconieken.

    image

    Absurde denkbeelden lijken het, maar de uitdrukkingen kloppen telkens. Ik heb geen waanvoorstellingen of dagdromen, nergens nachtmerries of koppige ezels. Het is de waarheid zoals Miedema deze opschrijft en in zijn vervormde taal beschrijft, hertaald. Het is alleen een waarheid die boven de werkelijkheid zweeft. Een realiteit die ook op deze manier bekeken kan worden. Een ander inzicht, een gewijzigd uitzicht. Het leven is absurd en Miedema probeert het handzaam te maken, te beleven, leefbaar. De gelaagdheid kruipt uit de bundel. Morrelt aan mijn gedachten. Jeukt in mijn hoofd, kriebelt aan mijn geest. De dichter weet mij voortdurend op een ander been te zetten, zelden echter het verkeerde blijkt na herlezing.

    De betekenis van naam en toenaam meandert als een wilde stroom door de bundel. En ik zit in mijn kajak en dobber van de stroom af en zwoeg er soms tegenin. Joris Miedema is die stroom die niet aflatend de boeg van mijn roeiboot geselt. Schuimvlokken en waterdruppels spatten in mijn gezicht uiteen. Windvlagen brengen mijn haar in de war. Nergens is kalmte om even tot rust te komen, de stroom kolkt en bruist door. Oppassen voor bochten, uitkijken voor rotsen. De aandacht dient bij de woorden te blijven, geconcentreerd zet ik mijn gedachten aan het werk. Of eigenlijk is Miedema de werkgever, de baas die mij de geestelijke arbeid bezorgt. Hij weet mij telkens bij de les te houden, deze meester van de taal.

    Want wij nemen onszelf al te serieus

    Zijn gedachten kronkelen en nemen vreemde wendingen. Hij legt het zichtbare beeld, datgene waar wij de werkelijkheid aan herkennen, op een hakblok en maakt er een nieuwe realiteit van. Wat wij normaliter als normaal ervaren, wordt door zijn herschikte zinnen ongewoon. Maar door de woordkeuze, het vergelijken en analyseren, worden de betekenissen verdraaid lijkt het, maar slaat de dichter meermalen de spijker op de kop. Donders! Hij bekijkt de wereld vanuit een ander oogpunt en die zienswijze is verhelderend, zo zodat het zijn te dragen is waar de donkerte in het leven intreedt.

    Want wij nemen onszelf al te serieus. Nemen maar amper onszelf de maat, wij Nederlanders. Miedema voert daarom on-Hollandse humor in. Het doet meer denken aan de vrolijke Britse levensopvatting. De galgenpraat en hilarische komedie met een ernstige ondertoon. Het leven is niet zo zwaar als het gewicht dat wij eraan geven. Miedema maakt dat duidelijk. Zijn gedichten lezen in eerste instantie moeizaam, maar wanneer je de woordgrappen doorziet is de taal lichtvoetig. Het is als een cryptogram, de manier van omschrijven van het te vinden woord moet je eerst doorzien vooraleer je de puzzel in een handomdraai kunt oplossen.

    image

    De bundel is luchtig van opzet, maar de inhoud leest allesbehalve voor de vuist weg. Het is opletten met lezen dat je niet struikelt over je eigen voorstelling. Betekenissen maken rare ommezwaaien, draaien wel tegen de realiteit in. Om de bocht van een zin kan de weg naar een duiding ineens een ander pad inslaan. En kan een plot haaks staan op de beginzin, hoewel het altijd weer recht gebreid is. Want wie goed leest doorziet de kracht van Miedema’s woorden, het klopt voortdurend als een bus alleen het glas is soms beslagen zodat de inhoud nog niet meteen zichtbaar is.

    In de bundel onderwerpen als het leven natuurlijk, de dood als monster, de religie om het ongeloof, het onbereikbare eeuwige bestaan, de oorlog om niet te vergeten en de herinnering aan alles en nog wat door geleefd te hebben, klein geweest te zijn en groter gegroeid. De speelse geest wast de levenloze letters die in rijtjes van 26 opgesteld staan, wuift de leestekens die zich tussendoor wringen weg, droogt de natte woorden, vouwt de droge zinnen, zet tussen de regels de zin van onzin, stelt zo een luik samen van absurde en groteske poëzie. Het smaakt naar meer. En er komt meer, hierna nog twee bundels om het drieluik te vervolmaken en af te ronden. Ik kan niet wachten!

    De vlucht van de levenloze libellen. Joris Miedema. Gedichtenbundel. Eerste deel van Miedema’s trilogie over de zoektocht naar het eeuwige leven. Uitgeverij Opwenteling, 2023.